Wij kwamen aan eene estancia op den Berquelo, toebehoorende aan een

zeer gastvrijen Engelschman, aan wien ik een introductie-brief had

van mijn vriend Mr. Lumb. Ik bleef hier drie dagen. Eens reed ik des

morgens met mijn gastheer naar de Sierra del Pedro Flaco, omstreeks 20

mijlen de Rio Negro op. Bijna het geheele land was bedekt met goed,

alhoewel grof gras, dat tot aan den buik van een paard reikte; toch

was over verscheidene leagues geen enkel stuk vee te zien. Mits

goed verdeeld, zou de provincie Oost-Banda een verbazend getal

dieren kunnen voeden. Tegenwoordig beloopt de jaarlijksche uitvoer

van huiden uit Montevideo 300.000, en het binnenlandsch verbruik is,

ten gevolge van verspilling, zeer aanzienlijk. Een estanciero vertelde

mij, dat hij dikwijls groote kudden vee vér weg naar eene inrichting

voor pekelvleesch moest zenden, en dat de vermoeide dieren menigmaal

gedood en gevild moesten worden; maar dat hij nooit de Gauchos kon

bewegen hiervan te eten, en elken avond voor hun maal een versch

beest geslacht werd! De aanblik van de Sierra op de Rio Negro was

schilderachtiger dan elke andere, dien ik in deze provincie zag. De

breede, diepe en snelstroomende rivier kronkelde zich aan den voet

van een steilen rotswand; een boschrand omzoomde hare oevers, en de

horizon verloor zich in de verre golvende grasvlakte.

Toen ik in deze buurt was, hoorde ik verscheidene malen van de Sierra

de las Cuentas: een berg die vele mijlen noordwaarts lag. De naam

beteekent "Bergketen der Rozenkranskralen." Men verzekerde mij, dat

daar een groot aantal kleine ronde steenen, in verschillende kleuren

en elk met een klein cilindrisch gat er in, gevonden werden. Vroeger

plachten de Indianen die te verzamelen om er halssnoeren en armbanden

van te maken--een smaak die, wil ik opmerken, aan alle wilde volken,

zoowel als aan de meest beschaafde gemeen is. Ik wist niet wat ik

van deze geschiedenis moest denken; maar toen ik haar aan de Kaap

de Goede Hoop aan Dr. Andrew Smith mededeelde, vertelde hij mij zich

te herinneren, dat hij aan de zuidoostkust van Afrika, omstreeks 100

mijlen ten oosten van de St. John's-rivier, eenige kwartskristallen

had gevonden met stomp afgewreven kanten, die aan het zeestrand

met kiezelzand vermengd waren. Elk kristal mat ongeveer 5 strepen in

doorsnede, en had eene lengte van een tot anderhalven inch. Vele hadden

een klein kanaal, loopende van het eene einde naar het andere, volkomen

cilindrisch, en zoo wijd dat een grove draad of fijne darmsnaar er

gemakkelijk doorheen kon. De kleur was rood of dof wit. De inboorlingen

waren met dezen kristalbouw bekend. Ik heb deze omstandigheden vermeld,

opdat het geval--ofschoon tegenwoordig geen kristal bekend is dat

dezen vorm aanneemt--den een of anderen reiziger in de toekomst moge

aansporen den waren aard van zulke steenen te onderzoeken.

Gedurende mijn verblijf in deze estancia, vermaakte ik mij met wat

ik van de schaapherdershonden in dit land zag en hoorde. [146] Het

is een gewoon verschijnsel, dat men onder het rijden eene groote,

door een of twee honden bewaakte kudde schapen ontmoet, die zich

op eenige mijlen afstand van een mensch of woning bevinden. Dikwijls

verwonderde ik mij hoe zulk een hechte vriendschap wel ontstaan was. De

wijze van opvoeding bestaat hierin, dat men den hond, als hij nog zeer

jong is, van de teef verwijdert en aan zijne toekomstige metgezellen

gewent. Drie- of viermaal daags laat men eene ooi het jonge dier

zoogen, en in het schapenhok wordt er een nest van wol voor gemaakt;

te geener tijd mag het zich bij andere honden of bij de kinderen van

het gezin voegen. Daarenboven wordt de jonge hond meestal gesneden:

zoodat hij, volwassen zijnde, moeilijk eenige neigingen gemeen kan

hebben met anderen van zijne soort. Door deze opvoeding koestert hij

geen wensch de kudde te verlaten; en evenals een andere hond zijn

meester zal verdedigen, zal deze het de schapen doen. Het is aardig

op te merken hoe de hond, als men eene kudde nadert, onmiddellijk

blaffende vooruitschiet en de schapen zich alle achter hem aansluiten,

evenals om den oudsten ram. Ook kan men dezen honden gemakkelijk

leeren de kudde op een bepaald uur in den avond thuis te brengen. Hun

lastigste gebrek, als zij jong zijn, is hun zucht om met de schapen

te spelen; want in hun sport rennen zij soms ongenadig tegen hunne

arme makkers op.

De schaapherdershond komt elken dag thuis wat eten halen; en zoodra

het hem gegeven is, schuilt hij weg, als schaamde hij zich over

zichzelf. Bij deze gelegenheden zijn de huishonden zeer vijandig,

en de minste hunner zal den vreemdeling aanvallen en vervolgen. Maar

nauwelijks heeft de laatste de kudde bereikt, of hij keert zich om

en begint zoo duchtig te blaffen, dat alle huishonden overhaast de

hielen lichten. Evenzoo zal een groote troep hongerige wilde honden

het hoogst zelden (en enkelen zeiden mij: nooit) wagen eene kudde

aan te vallen, zelfs al wordt zij door slechts één van deze trouwe

herdershonden bewaakt. Het geheele verhaal schijnt mij een zeldzaam

voorbeeld van de buigzame neigingen bij den hond; toch heeft dit dier,

hetzij wild of hoe ook opgevoed, een gevoel van eerbied of vrees voor

hen die hun instinct van vereeniging volgen. Want dat de wilde honden

door den enkelen met zijne kudde worden verjaagd, kunnen wij door geen

ander beginsel verklaren, dan dat een vaag begrip hun de overtuiging

schenkt, dat die enkele, aldus vereenigd, macht verkrijgt, als ware hij

in gezelschap van zijne eigene soort. F. Cuvier heeft opgemerkt, dat

alle dieren die gemakkelijk tam worden, den mensch als een lid hunner

eigene maatschappij beschouwen, en zoo aan hun instinct van vereeniging

voldoen. In bovenstaand geval beschouwt de schaapherdershond de schapen

als zijne medebroeders en wint dus vertrouwen; en de wilde honden,

ofschoon wetende, dat de schapen zelven geen honden maar goed zijn

om op te eten, huldigen gedeeltelijk die zienswijze, wanneer zij hen

in eene kudde zien, met een schaapherdershond aan het hoofd.

Op een avond kwam een domadór [147] of paardenbedwinger, ten

einde eenige veulens af te richten. Ik zal hier de voorbereidende

stappen beschrijven, want ik geloof, dat zij nog niet door andere

reizigers vermeld zijn. Een troep wilde jonge paarden wordt in den

corrál of groote omheining van palen gedreven, en daarna sluit men

de deur. Stellen wij ons voor, dat iemand alléen een paard moet

vangen en bestijgen, dat nog nooit te voren teugel of zadel heeft

gevoeld. Behalve door een Gaucho, ben ik overtuigd, dat zulk eene daad

geheel onuitvoerbaar is. De Gaucho kiest een volwassen veulen uit;

en zoodra nu het beest den circus rondrent, werpt hij zijn lazo zóó,

dat deze de beide voorpooten grijpt. Onmiddellijk valt het paard met

een hevigen schok voorover; en terwijl het op den grond spartelt,

houdt de Gaucho den lazo gespannen, beschrijft een cirkel zoodat hij

een der achterpooten vlak onder den vetlok grijpt, en trekt hem dicht

naar de voorpooten. Hierna knoopt hij den lazo vast, zoodat de drie

pooten samengebonden zijn, gaat op den nek van het paard zitten,

en bevestigt een stevigen teugel zonder gebit aan de onderkaak;

dit doet hij door een smallen riem door de oogen aan het uiteinde

van den teugel te steken en verscheidene malen om de kaak en de tong

te winden. Nu worden de twee voorpooten met een sterken lederen riem,

waarin een schuifknoop zit, vast bijeengebonden; en nadat de lazo, die

de drie pooten verbond, is losgemaakt, staat het paard met moeite op.

De Gaucho houdt den teugel, die aan de onderkaak bevestigd is, stevig

vast en voert het paard uit den corrál. Indien een tweede man bij

de hand is (anders is de moeite veel grooter), houdt deze den kop

van het dier vast, terwijl de eerste zadel en paardedekken oplegt en

alles met den buikriem bevestigd. Gedurende deze bewerking buitelt

het paard, van schrik en verbazing dat het aldus om zijn midden

gebonden wordt, voortdurend over den grond en verkiest niet op te

staan voordat het geslagen wordt. Als dan eindelijk het zadelen is

afgeloopen, kan het arme dier van vrees nauwelijks ademhalen en

is wit van schuim en zweet. Nu maakt de man zich gereed om op te

stijgen, leunt daarbij stevig op den stijgbeugel, opdat het paard

zijn evenwicht niet zal verliezen, en trekt op het oogenblik dat hij

zijn been over den rug werpt, den schuifknoop los die de voorpooten

verbindt, zoodat het beest vrij is. Sommige domadórs gaan boven den

zadel staan, trekken den knoop los terwijl het dier nog op den grond

ligt, en laten het dan onder zich opstaan. Wild van vrees, doet het

paard eenige geweldige sprongen en rent in vollen galop weg; als het

uitgeput is, brengt de man het geduldig naar den corrál terug, waar

het arme dier dampend van de hitte en nauwelijks levend, in vrijheid

wordt gesteld. Paarden, die niet weg willen galoppeeren, maar zich

hardnekkig op den grond werpen, zijn op verre na de lastigste. De

behandeling is dan verschrikkelijk streng; maar in twee of drie

keeren is het paard getemd. Het duurt evenwel eenige weken voordat

het dier met ijzeren gebit en ring gereden wordt; want het moet den

wil van zijn berijder met het voelen van den teugel leeren vereenigen,

eerdat de sterkste teugel van eenigen dienst kan zijn.

In deze landen zijn dieren zoo overvloedig, dat menschelijkheid

en zelfbelang niet nauw samengaan; het is daarom, vrees ik, dat de

eerste hier nauwelijks bekend is. Op zekeren dag reed ik met een zeer

achtingswaardigen estanciero over de Pampas, toen mijn paard wegens

vermoeidheid achteraan begon te komen. Dikwijls riep de man mij toe

het de sporen te geven. Toen ik hem onder het oog bracht, dat dit

wreed zou zijn, wijl het paard geheel uitgeput was, riep hij uit:

"Waarom niet? Het doet er immers niet toe. Geef het de sporen--het

is mijn paard!"

Het kostte mij toen eenige moeite hem duidelijk te maken, dat het

niet om hem, maar ter wille van het paard was, dat ik mijne sporen

niet wilde gebruiken. Met een blik van groote verbazing riep hij uit:

"Ah, Don Carlos, que cosa!" [148]

Blijkbaar was zulk eene gedachte vroeger nooit in zijn brein opgekomen.

De Gauchos staan als voortreffelijke ruiters bekend. Het denkbeeld,

dat zij kunnen worden afgeworpen, onverschillig welke kunsten het

paard ook uithale, komt nooit bij hen op. Hun criterium van een goed

ruiter is: een man, die een ongetemd veulen kan regeeren; die, als

zijn paard valt, op zijn eigen voeten neerkomt, of andere van die

kunststukken kan verrichten. Ik heb gehoord van iemand die wedde,

dat hij twintigmaal zijn paard omver zou werpen en negentien keeren

niet zou vallen. Ik herinner mij een Gaucho, die een zeer koppig

paard bereed, dat driemaal zóó hoog steigerde dat het met veel geweld

achterover viel. Met ongewone koelbloedigheid bepaalde de man het

rechte oogenblik--geen secunde te vroeg of te laat--om zich te laten

afglijden; en zoodra het paard weer opkwam, sprong de man op zijn

rug en reed eindelijk in galop weg. Nooit schijnt de Gaucho eenige

spierkracht te gebruiken. Eens toen wij in een flinken galop reden,

zag ik een goed ruiter schijnbaar zoo zorgeloos op zijn paard zitten,

dat ik bij mijzelven dacht: "Als het paard aan den haal gaat, zult ge

zeker uit den zadel vallen."--Weinige oogenblikken later sprong een

mannetjes-struisvogel uit zijn nest en schoot vlak onder den kop van

het paard door. Het jonge veulen deed een zijwaartschen sprong, evenals

een hert; maar op den man had het gebeurde geen andere uitwerking,

dan dat hij opsprong en den schrik met zijn paard deelde.

In Chili en Peru geeft men zich meer moeite met den mond van het

paard dan in La Plata; en blijkbaar is dit een gevolg van de meer

ingewikkelde natuur van het land. In Chili wordt een paard niet als

volkomen afgericht beschouwd, voordat men het midden in zijn vollen

ren op eene bepaalde plek, bijv. op een op den grond geworpen mantel,

kan doen stilstaan; of het moet een muur kunnen berennen en onder het

steigeren de oppervlakte met zijne hoeven schuren. Ik heb een paard,

slechts door voorvinger en duim bestuurd, opgewekt zien springen;

in vollen galop over eene plaats zien rennen, en daarna met groote

snelheid om den post eener veranda cirkelen, maar op zoo gelijken

afstand, dat de ruiter met uitgestrekten arm al dien tijd zijn vinger

over den post kon laten strijken. Toen maakte hij eene demi-volte,

en cirkelde op gelijke wijze, met den anderen arm uitgestrekt, met

verbazende snelheid in omgekeerde richting om den paal.

Zulk een paard is goed afgericht; en hoewel dit in 't eerst nutteloos

schijnt, is het in werkelijkheid van veel nut. Op die wijs worden de

dagelijks noodige eigenschappen tot volmaaktheid gebracht. Wanneer een

os door den lazo gegrepen en beteugeld is, zal hij soms in een cirkel

rondgaloppeeren, en zal het paard, opgewonden door de inspanning,

niet gemakkelijk als een wiel om zijn as kunnen meedraaien, zoo het

niet goed is afgericht. Ten gevolge hiervan zijn vele ruiters gedood;

want als de lazo één kronkel om het lichaam van den man maakt,

zal hij dezen wegens de kracht der twee trekkende dieren, bijna in

tweeën snijden. Op hetzelfde beginsel worden de rassen gedresseerd;

de loop is slechts twee- of driehonderd yards lang, en de bedoeling is

paarden te hebben, die een snellen uitval kunnen doen. Den raspaarden

wordt niet alleen geleerd met hunne hoeven eene lijn aan te raken,

maar ook de vier pooten bij elkander te trekken, zoodat zij bij den

eersten sprong al de kracht hunner achterste voetpezen in 't spel

kunnen brengen. In Chili werd mij eene anecdote verteld, die ik voor

waarheid aanneem; zij geeft tevens een duidelijk beeld van het nut

van een goed gedresseerd paard. Een geacht man ontmoette eens twee

anderen op zijn rit, van wie er een op een paard zat, hetwelk hij wist

dat hem ontstolen was. Hij sprak hen aan en eischte zijn paard op;

maar tot antwoord trokken zij hunne sabels en zetten hem na. De man,

die een snel en goed paard bereed, vlood voor hen uit, zwenkte toen

hij een dicht kreupelbosch zag, er om heen en bracht zijn paard tot

staan. De vervolgers konden hunne vaart niet stuiten en schoten hem

vooruit. Plotseling deed nu de man een uitval achter hen aan, stak

zijn mes in den rug van den eenen, wondde den anderen, ontnam den

stervenden roover zijn paard en reed naar huis. Voor deze daden van

rijkunst zijn twee dingen noodig: een zeer pijnlijk gebit of mondstuk,

evenals de Mameluk gebruikt en waarvan het paard al de kracht kent,

ofschoon het zelden gebruikt wordt; ten tweede, groote, botte sporen,

die òf alleen voor aanraking, òf als een uiterst pijnlijk werktuig

gebruikt kunnen worden. Ik ben overtuigd, dat het met Engelsche sporen,

die bij de minste aanraking in de huid prikken, onmogelijk zou zijn

een paard af te richten op de Zuidamerikaansche manier.

In eene estancia bij Las Vacas worden wekelijks talrijke merries om

hare huiden geslacht, hoewel deze slechts vijf papieren dollars of

ongeveer een halve crown waard zijn. [149] In 't eerst schijnt het

vreemd, dat het loonen kan voor zulk een bagatel merries te dooden;

maar wijl men het in dit land voor belachelijk houdt eene merrie

af te richten of te berijden, hebben zij geen waarde behalve voor

de teling. Het eenige, waarvoor ik eene merrie zag gebruiken, was

om tarwe uit de aar te treden: met welk doel zij in eene groote

cirkelvormige omheining werden rondgedreven, waar de tarweschoven

neergestrooid waren. De man, die voor het slachten van de merries

gebruikt werd, was om zijne behendigheid met den lazo vermaard. Hij

had eene weddenschap aangegaan, dat hij, op een afstand van 12 yards

van den corrál staande, elk dier in 't voorbijsnellen bij de pooten

zou vangen, zonder ooit te missen. Een ander man zeide, dat hij te

voet den corrál zou binnengaan, eene merrie vangen, hare voorpooten

samenbinden, haar naar buiten drijven, nederwerpen, villen en de

huid op staken bevestigen voor het verven (dit laatste is een zeer

omslachtig karwei); en dat hij zich verbond deze bewerking met 22

dieren op één dag uit te voeren. Of hij zou in denzelfden tijd vijftig

dieren dooden en villen. Dit zou eene reusachtige taak geweest zijn,

want het wordt als een goed dagwerk beschouwd, 15 of 16 dieren te

villen en hunne huiden op staken te bevestigen.

[26 November.]

Ik nam in rechte lijn den terugtocht naar Montevideo aan. Daar ik

gehoord had, dat zich in eene naburige pachthoeve aan den Sarandis

(een kleine stroom, die in de Rio Negro vloeit) eenige reusachtige

beenderen bevonden, reed ik er heen, vergezeld van mijn gastheer,

en kocht het hoofd van een Toxodon voor den prijs van 18 pence. [150]

Toen dit gevonden werd, was het in gaven staat; maar de jongens sloegen

er met steenen eenige tanden uit en zetten toen het hoofd overeind om

er op te mikken. Tot mijn groot geluk vond ik een gaven tand, welke

juist in eene der holten van dezen schedel paste, die zelf ongeveer

180 mijlen ver van deze plek aan de oevers van de Rio Tercero in den

grond was gevonden. Nog op twee andere plaatsen vond ik overblijfsels

van dit buitengewone dier, zoodat het in vroeger tijd algemeen moet

zijn geweest. Ook vond ik hier eenige groote stukken van het pantser

van een reusachtig armadil-achtig dier, en een gedeelte van het groote

hoofd van een Mylodon. De beenderen van dit dier zijn zoo versch,

dat zij volgens onderzoek van T. Reeks 7% dierlijke stof bevatten;

en in eene spirituslamp geplaatst, branden zij met eene kleine

vlam. Het aantal overblijfsels, begraven in de groote delta-afzetting,

die de Pampas vormt en het graniet-gesteente van Oost-Banda bedekt,

moet buitengewoon groot zijn. Ik houd het er voor, dat elke rechte

lijn door de Pampas getrokken, door een skelet of beenderen zou

gaan. Behalve die, welke ik op mijne korte uitstappen vond, hoorde

ik spreken van vele andere; en de oorsprong van zulke namen, als:

De Dierenstroom, De Reuzenberg, enz., is duidelijk. Op andere tijden

hoorde ik van de wonderlijke eigenschap van sommige rivieren, die het

vermogen hadden kleine beenderen in groote te veranderen: of, zooals

sommigen beweerden, dat de beenderen zelven groeiden. Voorzoover ik

weet, stierf geen dezer dieren, gelijk vroeger ondersteld werd, in

de moerassen of modderige rivierbedden van het tegenwoordige land;

maar hunne beenderen werden blootgelegd door de stroomen, die de

onder water gevormde laag waarin zij oorspronkelijk begraven werden,

doorsneden. Wij mogen besluiten, dat de geheele Pampas-oppervlakte

één uitgestrekt graf is van deze uitgestorven reusachtige viervoeters.

Tegen den middag van den 28sten kwamen wij te Montevideo, na twee

en een halven dag onderweg te zijn geweest. Den geheelen weg over

droeg het land een zeer gelijkvormig karakter; alleen waren sommige

gedeelten wat rots- en bergachtiger dan bij de hoogvlakte. Niet

ver van Montevideo reden wij door het dorp Las Pietras, zoo genoemd

naar eenige groote ronde syenietrotsen. De aanblik er van was vrij

aardig. Enkele vijgeboomen rondom eene groep huizen, en eene ligging

op eene plek honderd voet boven het algemeene niveau, mag in dit land

altijd schilderachtig heeten.

Gedurende de laatste zes maanden heb ik gelegenheid gehad iets van

het karakter der bewoners van deze provinciën te zien. De Gauchos of

landlieden staan ver boven de bewoners der steden. Eerstgenoemde is

altijd zeer voorkomend, beleefd en gastvrij: zelfs ontmoette ik geen

enkel voorbeeld van ruwheid en ongastvrijheid. Hij is bescheiden,

heeft achting voor zich zelf en het land, maar is tevens een moedig,

vermetel man. Daarentegen worden vele rooverijen gepleegd, en wordt

er veel bloed gestort; de gewoonte om altijd een mes bij zich te

dragen, is van het laatste de hoofdoorzaak. Het is treurig als men

hoort, hoeveel levens om beuzelachtige twisten verloren gaan. Onder

het vechten tracht elke partij het gezicht van zijn tegenpartij te

merken, door over zijn neus of oogen te snijden; zooals dikwijls uit de

diepe en ijselijke litteekens blijkt. Rooverijen zijn een natuurlijk

gevolg van het algemeene dobbelen, het vele drinken en de verregaande

domheid. Te Mercedes vroeg ik twee mannen, waarom zij niet werkten. De

een zeide ernstig, dat de dagen te lang waren; de ander, dat hij te

arm was. Het aantal paarden en de overvloed van voedsel zijn de dood

van alle nijverheid. Daarenboven zijn er zooveel feestdagen en gelooft

men dat er niets kan slagen, tenzij het bij wassende maan begonnen is;

zoodat de halve maand door deze twee oorzaken verloren gaat.

Politie en justitie zijn totaal machteloos. Indien een arm man een

moord pleegt en gevat wordt, zal hij gevangen gezet en misschien

doodgeschoten worden; maar zoo hij rijk is en vrienden heeft, kan

hij er op rekenen, dat er geen zeer ernstige gevolgen uit zullen

voortvloeien. Het is merkwaardig, dat de geachtste ingezetenen des

lands steeds een moordenaar helpen ontsnappen; zij schijnen te denken,

dat het individu tegen de Regeering en niet tegen het volk zondigt. Een

reiziger heeft geen andere bescherming dan zijne vuurwapenen; en de

gewoonte van deze altijd bij zich te dragen is het beste middel om

talrijker rooverijen tegen te gaan.

Het karakter der hoogere en meer opgevoede klassen, die in de steden

wonen, heeft, schoon in mindere mate, de goede zijden met den Gaucho

gemeen, maar wordt, vrees ik, met vele andere ondeugden bezoedeld,

die hem vreemd zijn. Zinnelijkheid, spotternij met allen godsdienst

en de grootste verdorvenheid zijn verre van ongewoon. Bijna elk

openbaar ambtenaar kan worden omgekocht. De chef van het postkantoor

verkocht vervalschte rijkszegels. De gouverneur en eerste minister

werkten openlijk samen om den staat te plunderen. Als er goud in

't spel kwam, had bijna niemand gerechtigheid te wachten. Ik kende

een Engelschman, die naar den opperrechter ging (hij vertelde mij,

dat hij, met de gebruiken der plaats niet bekend, beefde toen hij de

kamer binnentrad), en zeide:

"Mijnheer, ik kom u hier 200 (papieren) dollar aanbieden (waarde

omstreeks £ 5), indien u vóór een bepaalden tijd een man wilt

arresteeren, die mij bedrogen heeft. Ik weet, dat het tegen de wet is;

maar mijn advocaat (hij noemde dien) ried mij aan dezen stap te doen."

De opperrechter glimlachte toestemmend, bedankte hem, en nog vóor den

avond was de man veilig in de gevangenis. Met dit totale gebrek aan

beginsel in vele van de leidende krachten; met een land vol slecht

betaalde, onrustige ambtenaren, hoopt het volk toch nog, dat een

democratische regeeringsvorm kan slagen!

Bij de eerste intrede in de samenleving dezer landen treffen u twee

of drie kenmerken door hunne bijzondere merkwaardigheid: de beleefde

en waardige manieren, die elke klasse eigen zijn; de uitnemende smaak,

dien de vrouwen in hare kleeding aan den dag leggen, en de gelijkheid

onder alle standen. Aan de Rio Colorado plachten eenige mannen,

die de nederigste winkels hielden, met generaal Rosas te eten. Een

zoon van een majoor te Bahia Blanca verdiende zijn kost met het

maken van cigaretten, en wilde mij als gids of knecht naar Buenos

Aires vergezellen; maar zijn vader weigerde alléén op grond van het

gevaar. Vele officieren in het leger kunnen lezen noch schrijven;

toch ontmoeten zij elkander in gezelschap als gelijken. In Entre Rios

bestond de Sala uit slechts zes vertegenwoordigers. Een hunner hield

een gewonen winkel en werd om zijn ambt er blijkbaar niet minder om

geacht. Dit alles heeft men in een nieuw land te verwachten; niettemin

komt het ontbreken van gentlemen by profession een Engelschman als

iets vreemds voor.

De Reis om de Wereld · 第 15 / 56 段