wier eigenschappen der vermelding waard zijn. De een is een kleine
ijsvogel (Ceryle Americana), die een langeren staart heeft dan de
Europeesche soort, en daardoor niet in zulk eene stijve en rechte
houding zit. Ook is zijn vlucht, in stede van recht en snel als de
loop van een pijl, mat en slingerend, evenals bij de zachtsnavelige
vogels. Hij stoot een lagen toon uit, die op het samentikken van
twee kleine steenen gelijkt. Een kleine groene papegaai (Conurus
murinus) met grijze borst, schijnt de hooge boomen op de eilanden als
bouwterrein boven elke andere plek te verkiezen. Een aantal nesten
zijn zoo dicht bij elkander geplaatst, dat zij éene groote massa
takjes vormen. Deze papegaaien leven altijd in troepen, en richten
groote verwoestingen aan in de korenvelden. Men verzekerde mij,
dat er bij Colonia 2500 in den loop van een jaar gedood waren. Een
vogel met een gespleten staart, die in twee lange vederen eindigt,
(Tyrannus savana) en door de Spanjaarden Schaarstaart genoemd, komt
bij Buenos Aires zeer veel voor. Gewoonlijk zit hij op een tak van
een ombu-boom in de nabijheid van een huis, jaagt van daar in korte
vlucht de insecten na, en keert naar dezelfde plek terug. In de
vlucht vertoont hij in zijn wijze van vliegen en zijn voorkomen in
't algemeen eene spottende gelijkenis met de gewone zwaluw. Hij is
in staat zeer korte draaien in de lucht te maken, waarbij hij zijn
staart opent en sluit, soms in horizontale of zijdelingsche, dan in
verticale richting--volkomen als eene schaar.
[16 October.]
Eenige mijlen ten zuiden van Rosario wordt de westelijke oever der
Parana door loodrechte klippen begrensd, die zich in eene lange lijn
tot nabij San Nicolas uitstrekken, zoodat die oever meer op eene
zeekust dan op die eener zoetwater-rivier gelijkt. Het is een groot
nadeel in het natuurschoon der Parana, dat het water ten gevolge van
de zachte gesteldheid harer oevers zeer modderig is. De Uruguay, die
door eene granietstreek vloeit, is veel helderder; en waar de beide
rivieren zich in den mond der La Plata vereenigen, kan men hare waters
op verren afstand aan de zwarte en roode kleuren onderscheiden.--Daar
des avonds de wind niet zeer gunstig was, gingen wij, als naar
gewoonte, onmiddellijk voor anker; en toen het den volgenden dag
wat frisch woei, was de schipper, ondanks den gunstigen stroom,
te vadzig om aan varen te denken. Te Bajada was hij mij beschreven
als een hombre muy aflicto (zeer zwaartillend man): als iemand, die
altijd traag vooruitkwam; maar het moet gezegd worden, dat hij alle
vertraging met bewonderingswaardige gelatenheid droeg. Hij was een
oude Spanjaard, en had vele jaren in dit land gewoond. De Engelschen
mocht hij graag lijden; maar hij beweerde stoutweg, dat de slag bij
Trafalgar (1805, Nelson) alléén gewonnen was, omreden alle Spaansche
kapiteins waren omgekocht, en dat de eenige werkelijk dappere daad
aan beide zijden door den Spaanschen admiraal verricht was. Mij trof
het eenigszins kenmerkende feit, dat deze man liever zou willen,
dat zijne landgenooten voor de slechtste verraders werden aangezien,
dan voor onbekwaam of laf.
[18 en 19 October.]
Langzaam, doordien de stroom ons weinig hielp, zakten wij de statige
rivier af. Gedurende dien tocht ontmoetten wij zeer weinig schepen. Een
van de beste natuurlijke gaven in zulk een groot verbindingskanaal,
nl. eene rivier, waarin schepen uit eene gematigde streek met een even
verrassenden rijkdom van sommige producten als een gemis van andere,
zouden kunnen varen naar eene streek met een tropisch klimaat en met
een bodem, die volgens den besten beoordeelaar, Bonpland, misschien
nergens ter wereld zijn weêrga vindt in vruchtbaarheid--die gave
schijnt hier moedwillig te worden verworpen. Hoe verschillend zou de
aanblik van deze rivier geweest zijn, indien Engelsche kolonisten het
geluk hadden gehad 't eerst de Plata op te varen! Welke fraaie steden
zouden thans hare oevers hebben bedekt! Tot den dood van Francia,
Dictator van Paraguay, moeten deze beide landen gescheiden blijven,
als lagen zij op tegenovergestelde punten van den aardbol! En als de
oude bloeddorstige tyran de eeuwige rust is ingegaan, zal Paraguay
door omwentelingen worden verscheurd, even heftig, als het er vroeger
onnatuurlijk kalm was. Dit land zal moeten leeren, evenals elke
andere Zuidamerikaansche Staat, dat eene republiek niet slagen kan,
voordat zij een zeker corps mannen bezit, die doordrongen zijn van
de beginsels van recht en eer.
[20 October.]
Bij onze aankomst in den mond der Parana, ging ik, gedreven door een
sterk verlangen om Buenos Aires te bereiken, te Las Conchas aan land,
met het plan er heen te rijden. Nauwelijks aan wal, of ik ontdekte
tot mijne groote verrassing, dat ik in zekeren zin een gevangene
was. Wegens het uitbreken van eene hevige omwenteling, waren alle
havens onder arrest gesteld. Ik kon niet naar mijn schip terugkeeren;
en over land naar de stad te gaan--daar was geen sprake van. Na een
lang onderhoud met den commandant, kreeg ik verlof den volgenden dag
naar Generaal Rolor te gaan, die een troep oproerlingen aan dezen
kant van de hoofdstad commandeerde. Des morgens reed ik naar het
kamp. De generaal verscheen met al zijne officieren en soldaten,
die er uitzagen alsof zij groote schurken waren. Des avonds voordat
hij de stad verliet, was de generaal vrijwillig naar den gouverneur
gegaan, en had met de hand op het hart zijn eerewoord gegeven, dat hij
althans tot het laatste trouw zou blijven. De generaal vertelde mij,
dat de stad zeer streng geblokkeerd werd, en dat al wat hij doen kon
was, mij een paspoort geven aan den hoofdaanvoerder der rebellen te
Quilmes. Daar zouden wij een grooten omweg om de stad moeten maken
en slechts met veel moeite paarden kunnen krijgen.
Mijn ontvangst in het kamp was zeer beleefd; doch men zeide mij,
dat mij onmogelijk kon worden toegestaan in de stad te komen. Ik
wenschte dit juist zeer gaarne, daar ik de Beagle in zijn vertrektijd
van de Rio Plata vóór was. Nadat ik echter verteld had hoe voorkomend
Generaal Rosas aan de Colorado jegens mij geweest was, veranderde dit
gesprek nog sneller dan bij tooverslag. Terstond werd mij gezegd, dat,
al kon men mij geen paspoort geven, ik toch voorbij hunne schildwachten
mocht, mits ik mijn gids en mijne paarden wilde achterlaten. Ik nam
dit voorstel met genoegen aan, en een officier werd mij mede gegeven
om te zorgen, dat ik niet aan de brug werd tegengehouden. Drie mijlen
ver was de weg geheel verlaten. Ik ontmoette een troep soldaten,
die zich vergenoegden met mijn oud paspoort ernstig in te kijken,
en bevond mij eindelijk tot mijne niet geringe vreugde in de stad.
Bijna zonder voorwendsel van grieven was deze revolutie uitgebroken;
maar in een staat, die in den loop van negen maanden (van Februari tot
October 1820) vijftien veranderingen in bestuur onderging, terwijl elk
gouverneur volgens de grondwet voor drie jaren gekozen werd--zou het
zeer onredelijk zijn naar voorwendsels te vragen. In dit geval verliet
een troep mannen, die aan Rosas gehecht waren en een afkeer hadden
van den Gouverneur Balcarce, ten getale van 70 de stad--en onder de
kreet van: "Rosas!" greep het geheele land naar de wapenen. De stad
werd toen geblokkeerd, en levensmiddelen, vee noch paarden werden
toegelaten; ook werd er nu en dan geschermutseld, waarbij dagelijks
enkele mannen vielen. De belegerende partij wist wel, dat zij, door den
toevoer van vleesch af te snijden, zeker de overwinning zou behalen.
Generaal Rosas kon van den opstand niet afweten; maar dit scheen
volkomen met de bedoelingen zijner partij te strooken. Een jaar
geleden was hij tot gouverneur gekozen; doch hij weigerde, tenzij
de Sala (Kamer) hem ook buitengewone macht wilden verleenen. Dit
werd geweigerd, en sedert dien tijd heeft zijne partij getoond,
dat geen ander gouverneur zijn plaats kan behouden. De strijd werd
openlijk aan beide zijden gerekt, totdat men van Rosas bericht kon
hebben. Enkele dagen nadat ik Buenos Aires verliet, kwam er een
brief, waarin de generaal het afkeurde, dat de vrede verbroken was,
maar verklaarde, dat de belegerende partij volgens zijne idee het
recht aan haar kant had. Alleen op de ontvangst van dit bericht,
vloden gouverneur, ministers en een deel der militairen, ten getale
van eenige honderden, de stad uit. De oproerlingen kwamen binnen,
kozen een nieuwen gouverneur, en werden ten getale van 5500 man
voor hunne diensten betaald. Uit deze feiten bleek duidelijk, dat
Rosas ten slotte Dictator zou worden: want in den koningstitel heeft
het volk in deze, zoowel als in andere republieken een bepaalden
tegenzin. Sedert wij Amerika verlieten, hebben wij gehoord, dat Rosas
met dictatoriale macht was gekozen, en zich een tijd lang lijnrecht
tegen de grondwettelijke beginsels der Republiek heeft gekant.
HOOFDSTUK VIII.
OOST-BANDA EN PATAGONIË.
Nadat ik omstreeks 14 dagen in de stad was opgehouden, was ik
blijde aan boord van een beurtschip, dat naar Montevideo voer, te
kunnen ontsnappen. Eene geblokkeerde stad moet altijd een onaangename
woonplaats zijn; maar in dit geval bestond daarenboven gestadig vrees
voor roovers binnen. De schildwachten waren de ergste van allen; want
zoowel door hun beroep als omdat zij wapenen in handen hadden, stalen
zij met eene brutaliteit, welke andere lieden niet konden navolgen.
Onze overtocht was zeer lang en vervelend. De Rio de la Plata
heeft op de kaart eene trotsche uitmonding, maar in werkelijkheid
is die zeer arm. Eene wijde uitgestrektheid modderig water bezit
grootschheid noch schoonheid. Op zekeren tijd van den dag konden de
twee oevers, die beide uiterst laag zijn, nog juist van het dek af
onderscheiden worden. Bij mijne aankomst te Montevideo hoorde ik,
dat de Beagle eenigen tijd niet zou zeilen; en dit deed mij besluiten
toebereidselen te maken voor een korten uitstap in dit gedeelte van
Oost-Banda. Al wat ik omtrent de streek bij Maldonado gezegd heb,
is toepasselijk op Montevideo; het land is echter veel vlakker, met
uitzondering alleen van den 450 voet hoogen Green Mount, waaraan
het zijn naam ontleent. Van de golvende grasvlakte is zeer weinig
omheind; maar bij de stad zijn enkele haagdammen, die met agaven,
cactussen en venkel begroeid zijn.
[14 November.]
Wij verlieten Montevideo in den namiddag. Ik was voornemens naar
Colonia del Sacramiento te gaan, eene plaats op den noordelijken
oever der Rio Plata en tegenover Buenos Aires gelegen; van daar de
Uruguay te volgen tot aan het dorp Mercedes aan de Rio Negro (een
der vele rivieren van dien naam in Zuid-Amerika), en van dit punt
rechtstreeks naar Montevideo terug te keeren. Wij sliepen in het huis
van mijn gids te Canelones. Des morgens stonden wij vroeg op, in de
hoop een flinken afstand te kunnen rijden; doch vruchteloos, want alle
rivieren waren overstroomd. In booten staken wij de stroomen Canelones,
Santa Lucia en San José over, waarmeê veel tijd verloren ging. Op een
vorigen uitstap stak ik de Lucia bij hare monding over, en ontdekte tot
mijne verrassing hoe gemakkelijk onze paarden, ofschoon niet gewoon
te zwemmen, over eene breedte trokken van minstens 600 yards. Toen
ik dit te Montevideo vertelde, werd mij gezegd, dat in de Plata eens
een schip met eenige kunstenmakers en hunne paarden vergaan was,
bij welke gelegenheid een paard zeven mijlen ver naar het strand zwom.
In den loop van den dag vermaakte ik mij met de behendigheid, waarmede
een Gaucho een koppig paard dwong eene rivier over te zwemmen. Hij trok
zijne kleeren uit, sprong het dier op den rug, en reed het water in
tot waar het te diep werd. Toen liet hij zich van het kruis zakken,
greep den staart en maakte, telkens als het paard wilde omkeeren,
het dier bang door water in zijn gezicht te spatten. Zoodra het paard
aan de overzijde grond raakte, sprong de man er op, en zat al stevig
met den teugel in de hand, voordat het paard den oever bereikte. Een
naakt man op een even naakt paard is een fraai schouwspel; ik had niet
gedacht, dat die twee zoo goed bij elkander pasten. De staart van een
paard is een zeer nuttig aanhangsel. Eens ben ik met vier man eene
rivier overgestoken in eene boot, die op gelijke manier gesleept werd
als straks de Gaucho. Als een man en paard eene breede rivier moeten
oversteken, doet de man het best met de eene hand den zadelknop of
de manen vast te houden, en zich met den anderen arm zelf te helpen.
Wij sliepen en bleven den volgenden dag aan de Cufre-post. Des avonds
kwam de postman of brievenbesteller. Hij was een dag over zijn tijd,
doordien de Rosario overstroomd was. Dit verzuim zou echter niet vele
gevolgen hebben; want ofschoon hij door enkele van de voornaamste
steden in Oost-Banda was gegaan, bestond zijn geheele bagage uit twee
brieven! Het huis had een aangenaam uitzicht: eene golvende groene
vlakte, met sporen van de Plata in 't verschiet. Het komt mij voor,
dat ik deze provincie met een geheel ander oog aanzie, dan toen ik er
voor 't eerst kwam. Ik herinner mij, dat ik haar bijzonder vlak vond;
maar nu, na mijn galop over de Pampas, is mijn eenige verwondering
deze: wat mij toen bewogen kon hebben haar vlak te noemen. Het land
is eene aaneenschakeling van golvingen, op zichzelven misschien niet
zoo hoog, maar toch ware bergen vergeleken bij de vlakten van Santa
Fé. Door deze oneffenheden ontstaan tal van kleine riviertjes of beken,
en het gras is groen en welig.
[17 November.]
Wij trokken over de diepe en snelstroomende Rosario, gingen door het
dorp Colla, en kwamen des middags te Colonia del Sacramiento. De
afstand bedraagt 20 leagues, door eene streek die met fraai gras
begroeid, maar dun gezaaid is met vee en menschen. Ik werd uitgenoodigd
in Colonia te slapen, en den volgenden dag een heer naar zijne estancia
te vergezellen, waar eenige kalksteen-rotsen waren. De stad is op
een steenen voorgebergte gebouwd, eenigszins in denzelfden geest als
bij Montevideo. Zij is zeer versterkt, maar stad en forten hadden in
den Braziliaanschen oorlog veel te lijden. De onregelmatige straten,
alsook de omringende boschjes, oranje- en perzikboomen gaven aan deze
oude stad een schilderachtig aanzien. De kerk is eene merkwaardige
ruïne: voorheen als kruitmagazijn gebruikt, werd zij in een van de
tallooze onweersbuien, die boven de Rio de la Plata woeden, door
den bliksem getroffen. Twee derden van het gebouw vloog tot aan den
grond in de lucht; en het overschot staat nu als een verbrijzeld en
zeldzaam monument der vereenigde krachten van bliksem en kruit.
Des avonds wandelde ik om de halfgesloopte wallen der stad. Zij was
de hoofdzetel van den Braziliaanschen oorlog, die voor dit land zoo
schadelijk is geweest: niet zoozeer in zijne onmiddellijke gevolgen,
als omdat hij aanleiding gaf tot het benoemen van een menigte generaals
en alle andere officiers-rangen. In de Vereenigde La-Plata-Provinciën
zijn meer generaals benoemd (maar niet betaald), dan in het Vereenigde
Groot-Brittannië. Deze heeren hebben behagen leeren scheppen in macht,
en zijn niet afkeerig van wat schermutselen. Vandaar dat velen altijd
op den uitkijk staan om onrust te stoken, en eene regeering omver
te werpen, die tot heden nooit op vasten grondslag rustte. Niettemin
nam ik hier en in andere plaatsen eene zeer algemeene belangstelling
waar in de eerstvolgende presidentsverkiezing; en dit schijnt een goed
teeken voor de welvaart van dit kleine land. De inwoners eischen niet
veel opvoeding in hunne vertegenwoordigers. Ik hoorde eenige lieden de
verdiensten bespreken van die voor Colonia, waarbij gezegd werd, dat
al waren die vertegenwoordigers ook geen mannen van zaken, zij toch
allen hunne namen konden teekenen! Hiermede, schenen zij te denken,
moest elk redelijk mensch tevreden zijn!
[18 November.]
Ik reed met mijn gastheer naar zijne estancia bij de Arroyo de
San Juan. Des avonds deden wij een rondrit om zijn landgoed: het
besloeg 2 1/2 vierkante leagues, en lag in wat genoemd wordt een hoek,
hetgeen zeggen wil: aan eene zijde begrensd door de Plata-rivier, en
aan de twee andere beveiligd door ondoorwaadbare beken. Er was eene
uitmuntende haven voor kleine schepen, en een overvloed van klein
bosch, dat een gezochte brandstof levert voor Buenos Aires. Ik was
benieuwd de waarde van zulk eene volledige estancia te kennen. Zij
telde 3000 stuks horenvee en zou er drie- of viermaal zooveel kunnen
voeden; dan waren er 800 merries met 150 afgerichte paarden, en 600
schapen. Er was overvloed van water en kalksteen, een ruw gebouwd
huis, uitstekende corrals en een perzikboomgaard. Voor dit alles was
hem £ 2000 geboden, doch hij verlangde slechts £ 500 meer en zou het
waarschijnlijk voor minder verkoopen. Het hoofdbezwaar op eene estancia
is, het vee wekelijks tweemaal naar eene aangewezen plaats te drijven,
om het mak te maken en te tellen. Waar 10 of 15.000 stuks bijeen
zijn, zou dit laatste terecht een moeilijk werk worden geacht. Het
wordt verricht volgens het beginsel, dat het vee zich onveranderlijk
verdeelt in kleine troepen of tropillas van af 40 tot 100 stuks. Elke
tropilla wordt aan enkele bijzonder gemerkte dieren herkend, terwijl
haar aantal bekend is: zoodat, als er een van de 10.000 verloren
is, zulks hieraan ontdekt wordt, dat aan een der tropillas een dier
ontbreekt. In een stormachtigen nacht mengt het vee zich dooreen;
maar den volgenden morgen scheiden de tropillas zich weer als vroeger,
zoodat elk dier zijn maat moet kennen onder 10.000 anderen.
Bij twee gelegenheden ontmoette ik in deze provincie eenige ossen
van een zeer zeldzaam ras, nata genoemd. [142] Uiterlijk schijnen zij
tot ander vee in ongeveer dezelfde betrekking te staan, als bul- of
mophonden tot andere honden. Hun voorhoofd is zeer kort en breed; de
punt van den neus keert zich naar boven, en de bovenlip ligt ver naar
achteren; hunne onderkaken steken voor de bovenste uit en hebben eene
overeenkomstige kromming, ten gevolge waarvan hunne tanden altijd bloot
liggen. Hunne neusgaten zitten hoog op den kop en staan zeer open;
hunne oogen puilen naar buiten. Onder het loopen laten zij hun kop aan
den korten nek laag hangen, en hunne achterpooten zijn, vergeleken
bij de voorpooten, iets langer dan gewoonlijk. Hunne bloote tanden,
korte koppen en bovenwaarts gekeerde neusgaten geven hun een uitdagend
voorkomen van zelfvertrouwen, zoo belachelijk als men zich denken kan.
Sedert mijne terugkomst, ben ik door de welwillendheid van mijn
vriend, kapitein Sulivan der Koninkl. Marine, in het bezit gekomen
van een schedel, welke nu bij de College of Surgeons berust. [143]
Don F. Muniz te Luxan heeft al wat hij omtrent dit ras vernemen kon,
bereidwillig voor mij bijeengebracht. Volgens zijn verhaal schijnt het,
dat dit vee vóór omstreeks 80 of 90 jaar zeldzaam was, en te Buenos
Aires als eene curiositeit werd beschouwd. Algemeen gelooft men, dat
het ras zijn oorsprong vond onder de Indianen ten zuiden van de Plata,
en bij hen voor de meest gewone soort gold. Zelfs nu toont vee, dat
in de provinciën nabij de Plata gefokt is, zijne minder "beschaafde"
afkomst hierin, dat het wilder is dan gewoon vee, en dat de koe licht
haar eerste kalf in den steek laat, als zij te dikwijls bezocht
of lastig gevallen wordt. Het is een zonderling feit, dat, zooals
Dr. Falconer mij bericht, het Sivatherium, die groote uitgestorven
herkauwer in Indië [144], zich kenmerkt door een bijna dergelijken
bouw, als de abnormale van het nata-ras. [145]
Het ras is zeer echt, en een nata-os en koe brengen onveranderlijk
nata-kalveren voort. Een nata-os en eene gewone koe, of de omgekeerde
kruising verwekt eene nakomelingschap met tusschenliggende kenmerken,
doch waarin die van het nata-ras sterk uitkomen. Volgens Segnor
Muniz bestaan de duidelijkste bewijzen, dat, in tegenstelling met het
algemeene gevoelen der landbouwers in zulke gevallen, de nata-koe bij
kruising met een gewonen os hare bijzonderheden sterker overdraagt,
dan de nata-os bij kruising met eene gewone koe. Als het gras tamelijk
lang is, eet het nata-vee met tong en verhemelte evengoed als het
gewone vee; maar gedurende de groote droogten, als zoovele dieren
omkomen, verkeert het nata-ras in zeer ongunstigen toestand, en zou
uitgeroeid worden, indien het niet werd opgepast; want het gewone vee
kan, evenals paarden, zich nog in 't leven houden door met de lippen
de takjes van boomen en riet af te vreten, hetgeen de nata's niet zoo
goed kunnen, omreden hunne lippen niet sluiten; en zoodoende sterven
zij vóór het gewone vee. Dit feit treft mij, als sprekend voorbeeld
hoe weinig wij in staat zijn uit de gewone leefwijzen te beoordeelen
door welke, alleen na lange tusschentijden voorkomende omstandigheden,
de zeldzaamheid of uitsterving eener soort bepaald kan worden.
[19 November.]
Op onzen tocht door de vallei Las Vacas sliepen wij ten huize van
een Noord-Amerikaan, die een kalkoven op den Arroyo de las Vivoras
had. Des morgens reden wij naar eene vooruitspringende landtong aan
de oevers der rivier, Punta Gorda genaamd, en trachtten onderweg
een jaguar te ontdekken. Er waren tal van versche sporen, en wij
bezochten de boomen waaraan zij hunne klauwen heeten te scherpen;
doch het gelukte ons niet er een op te jagen. Van dit punt vertoonde
de Rio Uruguay eene statige watermassa aan ons oog; en de aanblik van
den stroom was wegens zijne helderheid en snelheid veel treffender,
dan die van zijn buurman, de Parana. Aan de overliggende kust vloeiden
verscheidene takken van de laatste in de Uruguay. Als de zon scheen,
konden de twee kleuren van het water zeer duidelijk gezien worden.
Des avonds begaven wij ons op weg naar Mercedes aan de Rio Negro; en
toen het nacht was vroegen wij in de estancia, waar wij aankwamen,
verlof te slapen. Het was een zeer uitgestrekt landgoed van 10
vierkante leagues, welks eigenaar een der grootste grondbezitters in
het land is. Zijn neef had het beheer er over, en dezen trof ik in
gezelschap van een kapitein bij het leger, die onlangs uit Buenos
Aires gevlucht was. Hun stand in aanmerking genomen, was het nu
volgende gesprek vrij vermakelijk. Beiden uitten, als gewoonlijk, hunne
grenzenlooze verwondering dat de aarde rond was, en konden moeilijk
gelooven, dat een gat, mits diep genoeg in den grond gegraven, aan den
anderen kant zou uitkomen. Zij hadden echter wel van een land gehoord,
waar het zes maanden dag en zes maanden nacht was, en waar de inwoners
zeer lang en mager waren! Zeer nieuwsgierig waren zij naar den prijs
en de qualiteit van paarden en vee in Engeland. Toen zij hoorden,
dat wij onze dieren niet met den lazo vingen, riepen zij uit:
"O, dan gebruikt gij zeker niets anders dan de bolas!"
Het denkbeeld van een omheind stuk land was geheel nieuw voor hen. Ten
slotte zeide de kapitein, dat hij mij een vraag te doen had, en dat
hij zich zeer verplicht zou achten, indien ik daarop in volle waarheid
antwoordde. Ik beefde bij de gedachte hoe diep wetenschappelijk die
vraag zou zijn... Zij luidde:
"Zijn de dames in Buenos Aires niet de mooiste ter wereld?"
Ik antwoordde als een afvallige:
"Inderdaad, bekoorlijk."
"Nu heb ik nog eene andere vraag," liet de kapitein er op
volgen. "Dragen de dames in andere deelen der wereld wel zulke
groote kammen?"
Plechtig verklaarde ik den dappere, dat zij dit niet deden: welk
antwoord beiden bepaald in verrukking bracht.
"Zie nu eens aan," riep de kapitein. "Iemand, die de halve wereld
heeft gezien, zegt, dat het zoo is. Wij dachten het wel, maar nu
weten wij het."
Mijn uitstekend oordeel over kammen en mooie meisjes bezorgde mij eene
hoogst gastvrije ontvangst; de kapitein dwong mij zijn bed te nemen,
dan zou hij op zijn zadel slapen.
[21 November.]
Bij zonsopgang togen wij op weg en reden langzaam gedurende den
ganschen dag. De geologische gesteldheid van dit deel der provincie
verschilde van het overige, en geleek veel op die der Pampas. Zoo
waren er uitgestrekte distelvelden, en andere met den cardón; het
geheele land kan inderdaad éen groot veld van deze planten worden
genoemd. De twee soorten groeien afzonderlijk, elke plant in gezelschap
van hare eigen soort. De cardón is zoo hoog als de rug van een paard;
maar de Pampas-distel is dikwijls hooger dan de kruin van het hoofd
des ruiters. Er is geen sprake van dat men een yard ver van den
weg afwijkt; de weg zelf is gedeeltelijk, en in sommige gevallen
geheel versperd. Natuurlijk valt er niet te grazen; indien vee of
paarden eenmaal in het veld komen, zijn zij voor het oogenblik geheel
verloren. Daarom is het zeer gewaagd als men in dezen tijd van het jaar
vee tracht te drijven; want is het genoeg afgejaagd om den distels het
hoofd te bieden, dan loopt het er in en wordt niet meer gezien. In
deze districten zijn zeer weinige estancias, en die enkele liggen
in de nabijheid van vochtige valleien, waar deze woekerende planten
gelukkig geen van beide bestaan kunnen. Daar de nacht inviel voordat
wij aan het einde van onzen tocht waren, sliepen wij in eene ellendige
kleine hut, die door de armste lieden bewoond werd. De buitengewone,
ofschoon eenigszins vormelijke beleefdheid van onzen gastheer en
gastvrouw waren, hun stand in aanmerking genomen, bepaald kostelijk.
[22 November.]