Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene

goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal

zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat

men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken

slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in

tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar

zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen

of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal

iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt,

soms ten antwoord geven: "Eergisteren had ik hoofdpijn." Vele van de

geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk

vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst

vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan

weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden

zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.

Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhouden

wordt. [128] De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der

revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering

is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie

schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch

bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken

op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen

voor den prijs van drie of vier pond het stuk.

[5 October.]

Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op

den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de

rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling

gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief

aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere

gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In

1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks

dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en

wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier

op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs:

bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In

de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata

worden. [129] De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare

bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en

Uruguay twee groote verbindingswegen.

Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan

het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks

biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten

haaietanden en zeeschelpen van uitgestorven soorten opwaarts in

een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige

Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van

land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk,

dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en

eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende

lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik

de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen,

die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit

laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen,

òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den

bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen,

waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze:

haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande

groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van

land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor

mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel,

dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt

hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen,

de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan

merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d'Orbigny

vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet,

groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen

stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond

ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat,

onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land

veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires

zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat

eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste

of Quartaire Tijdvak viel. [130]

In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een

kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering

van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van

den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden

verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel

belang in, [131] en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij

tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen

namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand

in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid

bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen

zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand

meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen

enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke

kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met

het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft

dit Amerikaansche paard Equus curvidens genoemd. Het is zeker een

wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika

een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere

eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen

van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!

Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht

een olifant, [132] en een holhoornig herkauwend dier (door Lund

en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer

belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding

der dieren. Verdeelen wij nu Amerika--niet bij de landengte van Panama,

maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte, [133] waar

het groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het

met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de

kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten--dan zullen

wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp

tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den

slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden

aangemerkt: zooals de puma, het opossum of Amerikaansche buideldier,

de kinkaju (Cercoleptes caudivolvolus) en het pecari. Zuid-Amerika

kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene

familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in 't

bijzonder door verschillende geslachten Edentata--eene orde, waartoe

de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika,

daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend)

door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os,

schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote

afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.

Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande

schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige

herkauwers, den olifant, mastodon, het paard en drie geslachten

Edentata, namelijk: Megatherium, Megalonyx en Mylodon. In ongeveer

het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca

bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika--naar wij straks gezegd hebben--een

mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie

geslachten (tegelijk met vele andere) Edentata. Daaruit blijkt,

dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch

tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner

landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer

ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij:

ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduiden wanneer

en hoe één groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte

zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is

van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere

tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van

het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere

landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te

beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord-

en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische

zoogdieren [134] schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen

met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in 't vervolg van tijd

een gezonken gebied is geworden.

Toen Amerika, en in 't bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten,

mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in

zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van

Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer

geslachten aan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van

Siberië gevonden worden, [135] zijn wij genoopt de noordwestzijde van

Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen

de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten,

levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld

bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de

Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige

herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië

naar Noord-Amerika verhuisden, en vandaar, over later gezonken land

in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de

inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert

uitgestorven zijn.

Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige

beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs

geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig

licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren

van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen

tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de "gran seco" of groote

droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de

plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en

het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was

vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en

in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde

dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een

man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats

plachten te komen, [136] dien hij genoodzaakt was geweest te graven, om

zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht

hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee

in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks

geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks

vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen

te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833)

weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den "gran

seco" werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was,

op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias

af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke

menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om

de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde

mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil:

wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa's stof op,

dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen

niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!

Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden

in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht

miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het

verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol

verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het

bepaald onmogelijk maakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen

zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende

lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid

werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine

rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen

veroorzaakte dit den dood van talrijke individuën; want als een

dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft

[137] de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid,

die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen

overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij,

dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag,

die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine

stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar

waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming,

in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van

1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote

overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige

duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende

jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk

eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden

aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet

veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan

aan den gewonen loop der dingen? [138]

[12 October.]

Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar

ik niet wel was, moest ik op een balandra of eenmast-vaartuig [139]

van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires,

terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstige weder vertuiden wij

vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De

Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en

vernieuwing ondergaan. Voorzoover de schipper zich herinnerde, waren

verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd,

die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig

zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks

vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden

zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke

wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid

van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch

ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aan capybara's

en jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot

om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd

yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid

van een tigre [140] ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op

elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tocht el

rastro de los Indios (het spoor der Indianen) het onderwerp der

gesprekken vormde, zoo was het hier el rastro del tigre.

De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde

schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de

Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren

bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun

gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat

daar waar de capybara's talrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar

bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der

Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch

leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij

vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In

Bajada leeft thans een man, die, toen hij eens bij donker uit het

ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij

zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de

wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij

het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer

groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters,

die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die

kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd

afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak

had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen

aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door

hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren

zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne

nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der

vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met

het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse

manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig

dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr

in aantocht is.

Op zekeren dag, toen ik aan de oevers van de Uruguay jaagde, werden

mij sommige boomen gewezen, waar deze dieren steeds heenloopen, om,

zoo het heet, hunne klauwen te scherpen. Ik zag drie welbekende boomen:

aan de voorzijde was de bast oogenschijnlijk door de borst van het

dier licht gesleten, en aan weerszijden waren diepe schrammen of

liever groeven, die schuins afloopend bijna een yard lang waren. De

schrammen waren van verschillenden ouderdom. Een gewoon middel om zich

te vergewissen of een jaguar in de buurt is, bestaat hierin, dat men

deze boomen onderzoekt. Ik stel mij voor, dat deze gewoonte van den

jaguar volkomen gelijk is aan die, welke men dagelijks bij de huiskat

zien kan, als deze met gestrekte pooten en uitgestoken nagels den poot

van een stoel schraapt; en ik heb gehoord, dat jonge vruchtboomen

in een boomgaard in Engeland hierdoor zeer geleden hadden. Ongeveer

eene dergelijke gewoonte moet ook den puma eigen zijn, want menigmaal

heb ik op den kalen harden bodem van Patagonië kepen gezien zóo diep,

dat een ander dier ze niet kon gemaakt hebben. Ik geloof, dat het doel

dezer handeling is de gescheurde punten van hunne klauwen af te vijlen,

en niet, zooals de Gauchos denken, om ze te scherpen. De jaguar wordt

zonder veel moeite gedood door middel van honden, die hem door hun

geblaf in een boom jagen, waar hij met kogels wordt afgemaakt.

Ten gevolge van slecht weder bleven wij twee dagen aan onze tuien

liggen. Ons eenig vermaak bestond in het vangen van visch voor ons

middageten; en de talrijke soorten die er waren, lieten zich alle

goed smaken. Een visch, genaamd de armado of wentelaar (Silurus),

is merkwaardig om het harde, knarsende geluid, dat hij maakt als

hij met lijn en haak gevangen wordt, en dat duidelijk gehoord wordt

als de visch onder water is. Dezelfde visch heeft het vermogen om

voorwerpen, zooals een riemblad of vischlijn met de sterke graten van

zijn borst- of rugvin stevig vast te grijpen. Des avonds was het weêr

bepaald tropisch, en stond de thermometer op 79°. Tal van vuurvliegen

fladderden rond, en de muskieten waren zeer lastig. Slechts vijf

minuten stak ik mijne hand uit, en weldra zag zij er zwart van; ik

geloof dat er niet minder dan vijftig waren--alle druk aan het zuigen.

[15 October.]

Wij gingen op weg en voeren langs Punta Gorda, waar eene kolonie

van tamme Indianen is uit de provincie Missiones. Snel zeilden wij

den stroom af; maar wegens eene kinderachtige vrees voor slecht

weêr, draaiden wij vóor zonsondergang bij in een smallen arm van

de rivier. Ik nam de boot en roeide een eind deze kreek in. Zij was

zeer smal, bochtig en diep; aan weerszijden een dertig tot veertig

voet hooge muur van boomen, door slingerplanten omkronkeld, die

aan de kreek een bijzonder duister aanzien gaf. Ik zag hier een

zeer zeldzamen vogel, den Schaarbek (Rhynchops nigra). Hij heeft

korte pooten, zwemvoeten, vleugels met buitengewoon lange punten,

en is ongeveer zoo groot als eene zeezwaluw. De bek is zijdelings

afgeplat, namelijk in een vlak loodrecht op dien van den lepelaar

of eend. Hij is zoo plat en buigzaam als een ivoren vouwbeen, en

de onderste kinnebak is, in tegenstelling met alle andere vogels,

anderhalve inch langer dan de bovenste.

In een meer nabij Maldonado, waaruit het water bijna weggevloeid was,

en dat bijgevolg krioelde van zwermen kleine visschen, zag ik vele

van deze vogels, meest in troepjes, snel voor- en achteruit dicht

boven de oppervlakte van het meer vliegen. Zij hielden hunne bekken

wijd open, en de onderste kinnebak half in het water gedompeld. Zoo

scherend langs de oppervlakte, kliefden zij die in hunne vlucht;

het water was geheel effen, en het zien van zulk een zwerm, waarvan

elke vogel zijn smal spoor op het spiegelend oppervlak achterliet,

vormde een zeer vreemd schouwspel. In hunne vlucht zwenken zij

telkens met verbazende rapheid om, en manoeuvreeren voortdurend met

hunne uitstekende onderkinnebak om vischjes op te duiken, die door de

kortere bovenhelft van hun schaarvormigen bek gegrepen worden. Dit

feit zag ik herhaaldelijk, terwijl zij, evenals zwaluwen, gestadig

voor- en achteruit langs mij heen vlogen. Als zij soms de oppervlakte

van het water verlieten, werd hunne vlucht wild, ongeregeld en snel;

dan stieten zij ook luide, harde kreten uit. Gedurende het visschen,

komt het voordeel van de lange eerste slagveêren hunner vleugels,

waardoor deze droog blijven, duidelijk aan het licht. Wanneer zij

zoo bezig zijn, gelijken hunne vormen op het symbool, waardoor vele

kunstenaars zeevogels voorstellen. Hunne staarten worden veel gebruikt

om hunne onregelmatige vlucht te sturen.

Deze vogels wonen ver landwaarts in langs den loop van de Rio Parana;

men zegt, dat zij hier het geheele jaar blijven en in de moerassen

broeden. Overdag rusten zij in zwermen op de grasvlakten, op eenigen

afstand van het water. Toen wij, zooals ik gezegd heb, in een der diepe

kreken tusschen de eilanden in de Parana voor anker lagen, daagde,

bij het vallen van den avond, plotseling een dezer schaarbekken

op. Het water was geheel stil, en vele kleine visschen kwamen naar

boven. Langen tijd scheerde de vogel over de oppervlakte, en vloog

op wilde, ongeregelde wijs de smalle kreek op en neer, die door de

toenemende duisternis en de schaduw der overhangende boomen bijna

geheel donker was. Te Montevideo bespeurde ik, dat eenige groote

zwermen over dag op de modderbanken aan het havenhoofd bleven,

op dezelfde manier als op de grasvlakten bij de Parana; en iederen

avond vlogen zij zeewaarts. Op grond van deze feiten vermoed ik,

dat de Rynchops in 't algemeen bij nacht vischt, als wanneer vele

lagere dieren in groote menigte naar de oppervlakte komen. M. Lesson

verklaart, dat hij deze vogels de schelpen der in de zandbanken op de

Chileensche kust begraven mactrae [141] heeft zien openen; maar hun

zachte snavel met ver vooruitspringende onderkinnebak, hunne korte

pooten en lange vleugels maken het zeer onwaarschijnlijk, dat deze

gewoonte algemeen is.

De Reis om de Wereld · 第 13 / 56 段