Hier hadden wij gelegenheid wat beschuit te koopen. Ik had nu in

verscheidene dagen niet anders dan vleesch geproefd; wel stond

het nieuwe diëet mij volstrekt niet tegen, maar ik gevoelde, dat

ik het niet dan met groote moeite zou volhouden. Ik heb gehoord,

dat patiënten in Engeland, van wie verlangd werd zich uitsluitend

tot een dierlijk diëet te bepalen, zelfs met de hoop op levensbehoud

voor oogen bijna niet in staat waren het te verdragen. Toch eet de

Gaucho in de Pampas maanden lang niet anders dan rundvleesch. Maar,

wil ik opmerken, zij eten ook eene zeer groote hoeveelheid vet,

dat van minder dierlijk gehalte is, en hebben vooral tegen op droog

vleesch, zooals dat van het aguti. Ook heeft Dr. Richardson [116]

opgemerkt, dat "als menschen langen tijd alleen van mager dierlijk

voedsel hebben geleefd, de begeerte naar vet zoo onverzadelijk

wordt, dat zij eene groote hoeveelheid klaar en zelfs olieachtig vet

verteren kunnen zonder te braken." Dit, dunkt mij, is een merkwaardig

physiologisch feit. Misschien is het een gevolg van hun vleesch-diëet,

dat de Gauchos, evenals vleeschetende dieren, zoo lang buiten voedsel

kunnen. Men vertelde mij, dat eenige soldaten te Tandeel vrijwillig

een troep Indianen drie dagen lang vervolgden, zonder eten of drinken.

In de winkels zagen wij vele artikelen, als paardedekken, gordels

en kousebanden, door Indiaansche vrouwen geweven. De patronen waren

zeer aardig, met schitterende kleuren; de bewerking der kousebanden

was zoo goed, dat een Engelsch koopman te Buenos Aires beweerde,

dat zij in Engeland gemaakt moesten zijn, tot hij ontdekte, dat de

kwasten met gespleten zenuwen waren vastgehecht.

[18 September.]

Dezen dag hadden wij een zeer langen rit. Bij den twaalfden post,

die zeven leagues ten zuiden van de Rio Salado ligt, kwamen wij aan

de eerste estancia met vee en blanke vrouwen. Daarna moesten wij vele

mijlen door een overstroomd land rijden, waar onze paarden tot boven

de knieën door het water liepen. Door de stijgbeugels te kruisen,

en op zijn Arabisch met opgetrokken beenen te rijden, wisten wij

ons tamelijk droog te houden. Het was ongeveer donker toen wij aan

de Salado kwamen: de stroom was diep en omtrent 40 yards breed;

maar in den zomer wordt hare bedding bijna droog, en is het weinige

overgebleven water haast zoo zout als zeewater. Wij sliepen in een

der groote estancias van generaal Rosas. Deze was versterkt en zoo

uitgestrekt, dat ik, in donker aankomende, eene stad of vesting

voor mij dacht te zien. Des morgens zagen wij onafzienbare kudden

vee--het eigendom van den generaal, die hier 47 vierkante leagues

land had. Vroeger waren ongeveer 300 man rondom deze estancia

geposteerd, die alle aanvallen der Indianen afsloegen.

[19 September.]

Wij trokken door La Guardia del Monte. Dit is een aardig uitgebouwd

stadje met vele tuinen vol perzik- en kweepereboomen. De vlakte

had hier hetzelfde voorkomen als die om Buenos Aires, met kort en

lichtgroen gras, met klaver- en distelvelden, en ook bizcacha-holen. Ik

stond zeer verrast door de zichtbare verandering in voorkomen van

het land, nadat ik de Salado was overgetrokken. Uit een grove weide

kwamen wij op een tapijt van fraai groen gras. Eerst schreef ik den

overgang toe aan eene kleine verandering in den aard van den grond;

maar de inwoners verzekerden mij, dat hier zoowel als in Oost-Banda,

waar een even groot verschil bestaat tusschen het land om Montevideo

en de dun bevolkte savanas van Colonia--het geheele verschijnsel was

toe te schrijven aan de bemesting en het grazen van het vee. Volmaakt

hetzelfde feit is waargenomen in de prairiën van Noord-Amerika,

[117] waar grof gras van tusschen de vijf en zes voet hoogte in

gewoon weiland verandert, zoodra er vee op graast. Ik ben niet genoeg

plantkundige om te zeggen, of de verandering hier is toe te schrijven

aan den invoer van nieuwe species, aan den gewijzigden groei van

dezelfden, òf aan een verschil in hare getalverhoudingen. Ook Azara

heeft met verbazing deze verandering opgemerkt; ook hij is zeer

verrast door de plotselinge verschijning van planten, niet in den

omtrek voorkomende, aan de kanten van een pad of spoor, dat naar eene

nieuw gebouwde hut leidt. Elders zegt hij: "ces chevaux (sauvages)

ont la manie de préférer les chemins et le bord des routes pour déposer

leurs excréments, dont on trouve des monceaux dans ces endroits." [118]

Wordt het feit niet gedeeltelijk hieruit verklaard? Zoo dienen strooken

vetbemest land als verbindingswegen door uitgebreide districten.

In de nabijheid van Guardia vinden wij de zuidelijke grens van twee

Europeesche planten, die nu buitengewoon talrijk worden. De Venkel

(Anethum foeniculum) bedekt in grooten overvloed de slootkanten in

den omtrek van Buenos Aires, Montevideo en andere steden. Maar de

Cardón of Spaansche (Stekelige) Artisjok (Cynara cardunculus) [119]

heeft eene veel grootere verspreiding, en komt op deze breedten in

het werelddeel aan beide zijden van de Cordilleras voor. Ik zag haar

op onbewoonde plaatsen in Chili, Entre Rios en Oost-Banda. Alleen

in laatstgenoemd land zijn talrijke (waarschijnlijk vele honderden)

vierkante mijlen met een dicht, voor mensch en dier ondoordringbaar

bosch van deze stekelige planten bedekt. Op de golvende vlakten, waar

deze groote bosschen voorkomen, kan tegenwoordig niets anders leven;

maar vóór hare invoering moet de grond, evenals op andere gedeelten,

eene welige gras-vegetatie hebben gehad. Ik betwijfel of een tweede

voorbeeld bekend is, dat eene plant op zoo groote schaal een inval op

inheemsche planten heeft gedaan. Zooals ik reeds gezegd heb, zag ik den

cardón nergens ten zuiden van de Salado; maar het is waarschijnlijk,

dat deze plant haar gebied zal uitbreiden, naarmate het land meer

bewoond wordt. Anders staat het met den Reuzendistel der Pampas (met

bespikkelde bladeren); want dezen vond ik in het dal van de Rio Sauce.

Volgens de zoo juist geschreven "Principles" van Charles Lyell,

hebben weinige landen meer merkwaardige veranderingen ondergaan dan

La Plata, sedert er in 1535 de eerste kolonist met 72 paarden voet

aan land zette. De tallooze kudden paarden, vee en schapen hebben

niet alleen het geheele aanzien der flora veranderd, maar bijna het

guanaco, het hert en den struisvogel verdreven. Evenzoo moeten tal van

andere veranderingen hebben plaats gehad; het wilde zwijn vervangt in

sommige gedeelten waarschijnlijk het pecari; troepen wilde honden kan

men hooren huilen op de begroeide oevers der minder bevaren stroomen,

en de gewone kat, nu veranderd in een groot en wild dier, bewoont

de rotsachtige heuvels. Zooals d'Orbigny heeft opgemerkt, moet de

vermeerdering in aantal van de aasgieren sedert den invoer der tamme

of huisdieren verbazend groot geweest zijn; en wij hebben de redenen

genoemd waarom wij gelooven, dat zij hunne zuidelijke grens hebben

uitgebreid. Zonder twijfel zijn, behalve de cardón en de venkel,

vele planten genaturaliseerd. Zoo zijn de eilanden bij den mond der

Parana dicht met perzik- en oranjeboomen bedekt, afstammende van zaden,

die er door het water der rivier zijn heengevoerd.

Toen wij te Guardia van paarden verwisselden, ondervroegen vele lieden

ons over het leger; en nooit zag ik eene geestdrift als daar betoond

werd over Rosas en het succes van "den rechtvaardigsten aller oorlogen,

omdat hij tegen barbaren gevoerd werd." Deze uitdrukking is--het

moet erkend worden--zeer natuurlijk; want tot voor korten tijd waren

mannen, vrouwen noch paarden voor de aanvallen der Indianen veilig. Wij

hadden een langen dagrit over dezelfde welige groene vlakte, waarin

talrijke afwisselende kudden, en hier en daar eene eenzame estáncia

in gezelschap van haar eenigen ombu-boom. Des avonds kwamen wij onder

een hevigen regen aan een posthuis, waar ons door den eigenaar gezegd

werd, dat, zoo wij geen behoorlijk paspoort hadden, wij dan moesten

voorbijgaan, aangezien er zooveel roovers waren, dat hij niemand

meer vertrouwde. Toen hij echter mijn paspoort las, dat begon met de

woorden: "El Naturalista Don Carlos," was hij even uitbundig in zijn

eerbied en beleefdheid, als te voren in zijn achterdocht. Wat een

natuuronderzoeker eigenlijk was--daarvan had hij, noch hadden zijn

landgenooten, geloof ik, eenig begrip. Doch waarschijnlijk verloor

mijn titel hierdoor niets in waarde.

[20 September.]

Omstreeks het midden van den dag kwamen wij te Buenos Aires. De

voorsteden der stad met hare hagen van Agave, [120] hare boschjes

olijf-, perzik- en wilgeboomen, die alle juist hunne frischgroene

bladeren ontplooiden, zagen er zeer aardig uit. Ik reed naar het

huis van Lumb, een Engelsch koopman, aan wiens vriendelijkheid

en gastvrijheid gedurende mijn verblijf in het land ik zeer veel

verplicht ben.

Buenos Aires is eene groote stad [121] en, naar mijn idee, eene van de

regelmatigste ter wereld. Alle straten kruisen elkander rechthoekig;

en daar de evenwijdige op onderling gelijke afstanden liggen, zijn de

huizen gegroepeerd in vierkanten van gelijke afmetingen, die quadras

worden genoemd. Anderzijds zijn de huizen zelve holle vierkanten,

daar alle kamers op een net binnenplaatsje uitkomen. Meestal zijn

zij slechts ééne verdieping hoog, met platte daken waarop stoelen

geplaatst zijn en waar de bewoners des zomers veel zitten. In het

midden der stad is de Plaza, waar de openbare gebouwen, het fort,

de hoofdkerk, e.a. staan. Vóór de omwenteling hadden hier ook de

oude onderkoningen hunne paleizen. Alle gebouwen, te zamen genomen,

bezitten veel architectonische schoonheid, ofschoon geen enkel daarop

in 't bijzonder kan roemen.

De groote corrál, waar de dieren bewaard en geslacht worden, die als

voedsel moeten dienen voor deze vleeschetende bevolking, is een gebouw,

dat de bezichtiging overwaard is. De kracht van het paard vergeleken

bij die van den os is bepaald verwonderlijk: een man te paard, die

zijn lazo om de horens van een beest heeft geworpen, kan het trekken

waarheen hij wil. Met uitgestrekte pooten den grond omploegende, tracht

het dier te vergeefs de kracht te weerstaan, en rent dan meestal in

volle vaart naar één kant. Maar onmiddellijk zwenkt het paard om den

schok te breken, en staat dan zoo pal, dat de os bijna omver wordt

geworpen, en men zich verwonderen moet dat daarbij zijn nek niet

breekt. Het is echter geen strijd waarin het alleen op kracht aankomt,

want de buikriem van het paard weegt op tegen den gestrekten hals

van den os. Op gelijke wijze kan een man het wildste paard bedwingen,

zoo hij het met den lazo vlak achter de ooren heeft gevangen. Als de

os naar de plek is getrokken waar hij geslacht moet worden, snijdt de

matadór [122] met groote voorzichtigheid zijne kniepezen door. Daarna

geeft men den doodelijken slag. Hartverscheurender geluid dan van

dezen wilden doodstrijd heb ik nooit gehoord. Dikwijls heb ik het op

verren afstand onderscheiden, en wist dan altijd dat het einde van den

strijd nabij was. De geheele aanblik is verschrikkelijk en walgelijk:

de grond is als met beenderen bezaaid, en ruiters en paarden zijn

doorweekt van geronnen bloed...

HOOFDSTUK VII.

VAN BUENOS AIRES NAAR SANTA FÉ.

[27 September.]

Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300

Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen

is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad

buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over

kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het

uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De

ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo

men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden

der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een

tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is

ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de

tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met

riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn

soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken,

die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven

worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men

een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient

een punt, welke rechthoekig uit het midden van den langen steekt. Het

geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.

[28 September.]

Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de

rivier ligt--iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en

gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in

werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon

niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden

het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den

grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel

bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen

tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen

bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren

zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een

tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene

fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels

volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs

enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén

aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en 's nachts te

voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens

aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord:

"De distels zijn nog niet uit"--waarvan de beteekenis op het eerste

gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig

belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden,

met uitzondering van de bizcacha en haar vriend, den kleinen uil.

De bizcacha of het Peruaansch Konijntje [123] vormt naar men weet, een

sprekend kenmerk in de zoölogie der Pampas. Men vindt het zuidelijk

tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet,

zooals het aguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven,

maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en

meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet

der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche

species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische

verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda,

nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande

dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne

leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken

hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom

van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze

twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij

Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht

verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half

jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De

Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote

sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel

waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar

buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op

zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard

voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing

voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor

een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte

voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer

blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.

De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande,

dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele

beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge

mest, enz. worden in een ongeregelden hoop--dikwijls zooveel als

een kruiwagen bevatten kan--om elke groep holen bijeengebracht. Van

geloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit

in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij

terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag,

en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles

op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt,

moet het dier heel wat werk geven. Wáárom het gedaan wordt, kan ik in

de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn,

daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt,

dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld

moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het

land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê

overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen

vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van

takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen,

beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die

deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij

een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem

is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.

De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is,

bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der

bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch

meer in 't bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren

in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men

hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van

een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg,

keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms

kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen

van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik

een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone

buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende

soorten voedsel uilen kunnen leven, wil ik hier vermelden, dat bij

een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood

werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een

visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt. [124]

Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten

gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den

overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel

de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als

kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij

den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk

geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76

Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval

van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.

[29 en 30 September.]

Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San

Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet

der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor

anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een

stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario

is eene groote stad [125] in eene doodsche effen vlakte, die een

zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier

zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever,

laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien,

indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan

stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste

gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur;

andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen

en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene

reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk

een belangrijk middel van gemeenschap zij vormt voor den handel van

het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe

uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater

onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.

Vele leagues ten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario

is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer

vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven

worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar,

als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen

niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst

dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand,

wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst,

op 2 4/5 mijl afstand. [126] Hoe vlakker het terrein, des te meer

ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt

dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid,

welke men denken zou dat zij bezat.

[1 October.]

Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio

Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien

naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van

den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een

volledigen tand van den Toxodon en vele verspreide beenderen, vond ik

twee reusachtige skeletten, die, dicht bij elkander, als een verheven

beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren

echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der

groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de

overblijfsels tot een Mastodon [127] behooren--waarschijnlijk dezelfde

soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal

bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat

zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden,

dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie

beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat de Mastodon,

evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds

reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene

brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas

medevoert.

[2 October.]

Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der

aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé

is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke

richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot

hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid

van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte,

is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij

gingen langs eenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren,

en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste

voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de

droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.

Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassing

bemerkte welke groote klimaatverandering een breedte-verschil van

slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge

had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen,

uit de meerdere hoogte der ombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen

en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur

bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires

had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen

geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land

bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had

mogen verwachten.

[3 en 4 October.]

De Reis om de Wereld · 第 12 / 56 段