steenklomp schiep dan dezen berg, die terecht den naam van Hurtado of
"Ontvoerde" verdient. De berg is steil, uiterst ruw en gespleten,
en zoo geheel van boomen en zelfs struiken ontbloot, dat wij
inderdaad geen spit konden snijden om ons vleesch boven het vuur van
distelstengels te hangen. [109] De vreemde aanblik van dezen berg
vormt eene scherpe tegenstelling met de vlakte, die als een zee niet
alleen tot aan zijn steile hellingen reikt, maar ook de evenwijdige
bergreeksen scheidt. De eenvormige kleur geeft aan het geheele tafereel
een uiterst rustigen aanblik. Het witachtig grauw van het kwarts,
en het lichtkleurig bruin van het verweerde gras der vlakte worden
nergens door meer heldere tinten afgewisseld. Gewoonlijk verwacht
men in de nabijheid van een hoogen en steilen berg een ruw, oneffen
land te zien, bezaaid met groote steenbrokken. Hier toont de natuur,
dat de laatste beweging van een zeebodem, voordat hij in droog land
verandert, soms rustig kan zijn. Onder deze omstandigheden was ik
benieuwd te zien, hoe ver nog brokstukken van het oorspronkelijke
gesteente gevonden konden worden. Aan het zeestrand van Bahia Blanca,
en nabij de kolonie, waren enkele kwartssteenen, die stellig van deze
bron afkomstig waren. De afstand bedroeg 45 mijlen.
De dauw, die in den voornacht de zadeldekken bevochtigde waaronder
wij sliepen, was des morgens bevroren. Onmerkbaar was de vlakte,
welke horizontaal scheen, gestegen tot eene hoogte van 800 tot 900
voet boven de zee. In den morgen van 9 September stelde de gids mij
voor de naaste hoogte te beklimmen, die mij, zooals hij dacht, naar
de vier spitsen zou voeren, waarmee de top gekroond is. Het klimmen
over zulke ruwe rotsen was zeer vermoeiend; de zijden waren zoo
hoekig, dat wat men in de eene vijf minuten won, dikwijls in de vijf
volgende verloren ging. Toen ik eindelijk de hoogte beklommen had,
werd ik zeer teleurgesteld door de ontdekking, dat eene steile vallei
van gelijke diepte als de vlakte die de bergketen in tweeën sneed,
mij van de vier punten scheidde. Deze vallei is zeer nauw, maar heeft
een vlakken bodem en vormt een voortreffelijken pas voor de bereden
Indianen, doordien zij de vlakten aan de noord- en zuidzijden der keten
verbindt. Toen ik de helling afgedaald was, zag ik bij het oversteken
van de vallei twee paarden grazen. Dadelijk verborg ik mij in 't hooge
gras en bespiedde den omtrek; maar wijl ik geen spoor van Indianen
kon zien, begon ik voorzichtig mijne tweede bestijging. Het was laat
op den dag, en dit gedeelte van den berg was, evenals het andere,
steil en oneffen. Te twee ure was ik op den top der tweede hoogte,
die ik echter met de grootste moeite bereikt had; na elke 20 yards
had ik kramp in het bovengedeelte van mijne dijen, zoodat ik vreesde
niet in staat te zullen zijn weer omlaag te komen. Ook was het noodig
langs een anderen weg terug te keeren, daar er geen sprake van was
den genoemden pas nog eens over te steken. Ik was dus verplicht de
twee hooger gelegen toppen op te geven. Hunne meerdere hoogte was
echter gering, en het geologisch doel werd in alle opzichten bereikt,
zoodat het beklimmen de kans op verdere inspanning niet loonde. Ik
vermoed, dat de kramp veroorzaakt werd door de groote verandering in
den aard der spierbeweging: den overgang van het stramme rijden op
het nog strammere klimmen. Het is eene les, die men wel in gedachten
mag houden, daar zij in sommige gevallen veel last kan veroorzaken.
Reeds heb ik gezegd, dat de berg samengesteld is uit wit kwarts, dat
met eene geringe hoeveelheid glanzig leemschiefer vermengd is. Ter
hoogte van enkele honderden voeten boven de vlakte vertoonde het vaste
gesteente op verscheidene plaatsen instrooisels van conglomeraat. [110]
In hardheid en in den aard van het cement geleken deze conglomeraten
op de klompen, welke men dagelijks aan sommige kusten kan zien
vormen. Ik twijfel niet of deze steenen werden op eene dergelijke
wijze saamgevoegd, in een tijdperk toen de groote kalksteen-formatie
onder de aangrenzende zee werd afgezet. Wij mogen aannemen, dat de
gekloofde en gebeukte vormen van het harde kwarts nog de werkingen
vertoonen van de golven eener open zee.
Over het geheel had deze bestijging mij teleurgesteld. Zelfs het
uitzicht was onbeduidend: eene vlakte als eene zee, maar zonder hare
fraaie kleur en scherpe belijning. Toch was het tafereel nieuw, en
een weinig gevaar gaf er smaak aan, evenals zout aan vleesch. Dat het
gevaar zeer gering was, bleek uit het feit, dat mijne twee metgezellen
een flink vuur maakten--iets wat nooit gedaan wordt als men vermoedt,
dat er Indianen in de nabijheid zijn. Ik bereikte de plaats van
ons bivouak bij zonsondergang, dronk een groote hoeveelheid máte,
rookte verscheidene cigarritos, en maakte spoedig daarop mijn bed
gereed voor den nacht. Er woei een zeer krachtige en koude wind,
maar nooit sliep ik aangenamer dan toen.
[10 September.]
Des morgens kwamen wij, flink voortgejaagd door den storm, omstreeks
het midden van den dag aan den post Sauce. Onderweg zagen wij
eene groote menigte herten, en dicht bij den berg een guanaco. De
vlakte, die aan de Sierra grenst, wordt van eenige zonderlinge
waterloopen doorsneden, waarvan een omtrent 20 voet breed en
minstens 30 diep was. Dientengevolge waren wij genoodzaakt een
grooten omweg te maken, voordat wij een overweg konden vinden. Wij
bleven dien nacht bij den post; en zooals meestal het geval was,
liep het gesprek over Indianen. De Sierra Ventana was vroeger een
belangrijk vereenigingspunt; en drie of vier jaar geleden werd er druk
gevochten. Mijn gids was er bij geweest, toen vele Indianen gedood
werden; de vrouwen vluchtten naar den top van den berg, en vochten
als razenden door het werpen van steenen. Vele redden zoo haar leven.
[11 September]
begaven wij ons naar den derden post, vergezeld van den luitenant, die
er het bevel voerde. Zooals het heet, bedraagt de afstand 15 leagues;
maar dit is slechts gissing, en meestal wordt hij overschat. De weg,
die over eene droge grasvlakte liep, bood niets belangrijks; en aan
onze linkerhand stonden op grooteren of kleineren afstand eenige lage
heuvels, die wij na een eind weegs overstaken, om naar den post te
komen. Vóór onze aankomst ontmoetten wij een grooten troep vee en
paarden, onder geleide van 15 soldaten; men zeide ons echter, dat
vele dieren verloren waren geraakt. Het is zeer moeilijk dieren over
de vlakten te drijven; want nadert des nachts een puma (Chileensche
leeuw), of zelfs een vos, dan is niets in staat te beletten, dat de
paarden zich in alle richtingen verstrooien; en een storm zal hetzelfde
doen. Kort te voren verliet een officier met 500 paarden Buenos Aires;
en bij zijne aankomst in het leger had hij er nog geen twintig.
Kort daarop bespeurden wij aan eene stofwolk, dat een troep
ruiters naar ons toekwam; en reeds op verren afstand herkenden mijne
metgezellen aan het lange over den rug golvende haar, dat het Indianen
waren. Meestal dragen de Indianen een haarband om het hoofd, maar
nooit een bedekking; en het zwarte, over hunne roodbruine aangezichten
fladderende haar verhoogt in buitengewone mate het woeste van hun
uiterlijk. Gelukkig bleken zij eene afdeeling te zijn van Bernantio's
bevrienden stam, die zout ging halen in een salina. De Indianen eten
veel zout, en hunne kinderen zuigen het als suiker. Deze gewoonte
verschilt zeer van die der Spaansche Gauchos, die, ofschoon dezelfde
leefwijs voerende, het bijna niet eten. Volgens Mungo Park [111]
hebben lieden, die van plantaardig voedsel leven, een onoverwinnelijke
begeerte naar zout. Toen de Indianen ons in vollen galop voorbijrenden,
knikten zij ons welgemoed toe; zij dreven een stoet paarden voor zich
uit en werden door een troep magere honden gevolgd.
[12 en 13 September.]
Twee dagen bleef ik bij dezen post in afwachting van een troep
soldaten, die, gelijk Generaal Rosas zoo vriendelijk was mij te
berichten, binnenkort naar Buenos Aires zouden vertrekken; en hij ried
mij aan van dat escorte gebruik te maken. In den morgen reden wij naar
eenige naburige heuvels, om het land in oogenschouw te nemen en de
geologische gesteldheid te onderzoeken. Na het middagmaal verdeelden
de soldaten zich in twee groepen, om hunne vaardigheid met de bolas
te beproeven. Twee speren werden op 35 yards afstand van elkander
in den grond gestoken, maar slechts eens van de vier of vijf keeren
geraakt of omslingerd. Men kan de bolas 50 tot 60 yards ver werpen,
doch met geringe zekerheid. Voor een man te paard is dat evenwel
anders; want wordt de snelheid van het paard gevoegd bij de kracht
van den arm, dan kunnen de bolas, naar men zegt, met goed gevolg 80
yards ver geslingerd worden. Als een bewijs van hare kracht, wil ik
meedeelen, dat, toen de Spanjaarden op de Falklands-Eilanden enkele
hunner landgenooten en alle Engelschen vermoordden, het volgende
plaats had. Een jonge, vreedzame Spanjaard liep weg, toen een kloek
gebouwd man, Luciano genaamd, hem in vollen galop achterna reed en
toeriep te blijven staan, zeggende dat hij hem alleen maar spreken
wilde. Juist toen de Spanjaard op het punt was eene boot te bereiken,
wierp Luciano de bolas, die zijne beenen met zulk eene kracht troffen,
dat hij neerstortte en eenigen tijd bewusteloos bleef. Toen Luciano
den man gesproken had, kon deze ontsnappen. Hij vertelde ons, dat
zijne beenen groote striemen vertoonden op de plek waar de riemen
omheen waren geslingerd, even alsof men hem met een zweep had geslagen.
Op het midden van den dag kwamen van den naasten post twee mannen
met een pak, dat naar den generaal moest worden gebracht: zoodat ons
gezelschap, behalve deze twee, dien avond bestond uit den luitenant
met zijne vier soldaten, mijn gids en mijzelf. De soldaten waren
zonderlinge wezens: de eerste was een knappe, jonge neger, de
tweede half Indiaan, half neger; terwijl de twee anderen tot geen
enkele beschreven klasse behoorden: namelijk een oude Chileensche
mijnwerker met eene kleur van mahoniehout, en de andere een soort
van mulat, maar beide van zulk gemengd ras en met zulke verfoeilijke
gezichten, als ik nooit te voren gezien had. Toen zij des nachts om
het vuur zaten kaart te spelen, ging ik op een afstand dit Salvatore
Rosa-tableau gadeslaan. [112] Zij zaten onder een laag rotsblok, zoodat
ik van boven op hen neer kon zien; om hen heen lagen honden, wapens,
overblijfsels van herten en struisvogels; en hunne lange speren staken
in het gras. Verder op den donkeren achtergrond stonden hunne paarden
gekoppeld en gereed in geval van een onmiddellijk gevaar. Indien de
stilte der eenzame vlakte door het blaffen van een der honden gestoord
wierd, zou een soldaat terstond het vuur verlaten, het oor tegen den
grond drukken, en zoo aandachtig den horizon verkennen. Zelfs indien
de luidruchtige teru-tero zijn gegil liet hooren, zouden zij een poos
het gesprek staken, en allen voor een oogenblik het hoofd naar dien
kant wenden.
Hoe ellendig schijnt ons het leven, dat deze mannen leiden! Zij woonden
minstens 10 leagues van den Sauce-post; en sedert den moord door de
Indianen gepleegd, twintig leagues van een volgenden. Men onderstelt,
dat de Indianen hun aanval in 't midden van den nacht gedaan hebben,
want zeer vroeg in den morgen na den moord zag men hen dezen post
naderen. Dit was een geluk, want nu ontkwam de geheele bezetting
met de paarden, waarbij elk man een lijn in de hand hield en zooveel
paarden meêtrok, als hij kon leiden.
De kleine, uit distelstengels gebouwde hut waarin de soldaten sliepen,
was tegen wind noch regen bestand; bij regen was inderdaad het eenige
gevolg, dat het dak het water tot grootere druppels verdichtte. Zij
hadden niet anders te eten dan wat zij konden vangen: struisvogels,
herten, armadillen, enz.; en hun eenige brandstof waren de droge
stengels eener kleine plant, die eenigszins op een aloë geleek. De
eenige weelde, die deze mannen genoten, bestond in het rooken van
kleine papieren sigaren (cigarritos) en het slurpen van máte. Het
treurig lot dezer lieden trof mij nog meer, als ik de aasgieren, die
vaste begeleiders van den mensch op deze naargeestige vlakten, zoo
geduldig op de naburige klippen zag zitten, als zeiden zij tot zich
zelven: "Geduld, als de Indianen komen, zullen wij een feest hebben!"
Des morgens gingen wij allen uit jagen; en ofschoon wij niet veel geluk
hadden, waren er toch eenige opgewekte jachten. Kort nadat wij onderweg
waren verdeelde zich de troep, met de afspraak, dat allen op zekeren
tijd van den dag (dien men in de wildernis zeer juist weet te raden)
uit verschillende richtingen op een vlak terrein zouden samenkomen,
en zoo de wilde dieren bijeendrijven. Te Bahia Blanca ging ik eens uit
jagen; maar daar reden de mannen eenvoudig in eene halve maan, de een
omtrent een kwart-mijl van den anderen. Een fraaie mannetjes-struis,
die door de voorste rijders was omgereden, poogde aan eenen kant te
ontsnappen. De Gauchos vervolgden hem met achteloozen tred, doch
zwenkten hunne paarden op meesterlijke wijs, terwijl elk de bolas
om zijn hoofd zwaaide. Eindelijk wierpen de voorsten het werktuig
kronkelend door de lucht: de riemen strengelden zich om de pooten
van den struis--en in een oogwenk tuimelde de vogel het onderstboven.
De vlakten bevatten een overvloed van patrijzen, welke men vindt
in drie soorten, waarvan twee zoo groot als fazantenhennen. [113]
Hun verslinder, een kleine aardige vos, was er ook zeer talrijk: in
den loop van den dag zagen wij er niet minder dan veertig of vijftig;
en ofschoon zij meestal dicht bij hunne holen waren, gelukte het toch
den honden een te dooden. Toen wij naar den post terugkeerden, vonden
wij hier twee van ons gezelschap, die op eigen gelegenheid gejaagd en
een puma gedood hadden. Ook hadden zij een struisvogelnest gevonden,
waarin 27 eieren. Elk zoo'n ei wordt gezegd het gewicht te hebben
van 11 kippeneieren, zoodat wij uit dit eene nest evenveel voedsel
haalden als uit 297 kippeneieren.
[14 September.]
Daar de soldaten, die tot den naasten post behoorden, plan hadden terug
te keeren, en wij te zamen een gezelschap van vijf gewapenden zouden
vormen, besloot ik om niet op de beloofde troepen te wachten. Mijn
gastheer, de luitenant, verzocht mij dringend te blijven. Daar hij zeer
voorkomend geweest was, niet alleen door mij voedsel te verschaffen,
maar ook door mij zijne eigen paarden te leenen, diende ik hem eene
belooning te geven. Ik vroeg mijn gids of ik dit doen mocht, doch
hij ontkende dit ten stelligste, zeggende dat ik vermoedelijk tot
eenig antwoord zou krijgen: "Wij hebben vleesch voor de honden in
ons land, en misgunnen het dus een Christen niet!" Men onderstelle
evenwel niet, dat de rang van luitenant in zulk een leger een beletsel
zijn zou om betaling aan te nemen; het was slechts de ruime opvatting
van gastvrijheid, waarvan elk reiziger erkennen moet, dat zij in deze
streken bijna algemeen is. Na een galop van eenige leagues, kwamen wij
aan een lage, moerassige streek, die zich omtrent 80 mijlen noordwaarts
tot de Sierra Tapalguen uitstrekt. In sommige gedeelten waren fraaie
vochtige vlakten, met gras bedekt, terwijl andere een zachten,
zwarten, veenachtigen bodem hadden. Ook waren er vele uitgestrekte,
maar ondiepe meren, en groote rietbeddingen. Over het geheel geleek
het land op de betere gedeelten der Cambridgeshire-venen. Des nachts
kostte het ons eenige moeite, te midden der moerassen een droge plek
voor ons bivouak te vinden.
[15 September.]
Zeer vroeg in den morgen stonden wij op, en reden kort daarna voorbij
den post, waar de Indianen de vijf soldaten hadden vermoord. De
officier had achttien chuzo-wonden in het lichaam. Na een gestrekten
galop bereikten wij tegen het midden van den dag den vijfden post,
waar wij des nachts bleven, omdat het eenige moeite kostte paarden te
krijgen. Daar van de geheele linie dit punt het meest aan aanvallen
was blootgesteld, waren hier 21 soldaten geposteerd. Bij zonsondergang
keerden deze van de jacht terug, medebrengende zeven herten, drie
struisvogels, benevens vele armadillen en patrijzen. Het is een
algemeen gebruik om, als men door dit land rijdt, de vlakte in brand te
steken; en zoo was dan bij deze gelegenheid, des nachts, de horizon op
vele plaatsen door helle branden verlicht. Deels geschiedt dit branden
om zwervende Indianen te verontrusten, doch voornamelijk om de weide te
verbeteren. Op grasvlakten, die niet door de groote herkauwende dieren
worden bewoond, schijnt het noodig de overtollige vegetatie door vuur
te verwijderen, ten einde den groei voor het nieuwe jaar te bevorderen.
De rancho hier ter plaatse bezat zelfs niet de weelde van een dak,
maar bestond slechts uit een cilinder van distelstengels om de kracht
van den wind te breken. Hij lag aan den rand van een uitgestrekt,
maar ondiep meer, dat wemelde van wild gevogelte, waaronder de
zwarthalzige zwaan zeer in 't oog viel.
De soort pluvier, die er uitziet alsof hij op stelten loopt (Himantopus
nigricollis), komt hier in zeer talrijke zwermen voor. Ten onrechte
heeft men hem van onbevalligheid beticht: bij het waden door ondiepe
plassen, die zijn lievelingsverblijf vormen, is zijn houding of gang
verre van plomp. In een zwerm vereenigd, brengen deze vogels een
geluid voort, dat eene zonderlinge overeenkomst heeft met den kreet
van een troep jonge honden in vollen draf; en meer dan eens ben ik een
oogenblik geschrokken als ik, des nachts wakker geworden, het geluid in
de verte hoorde. De teru-tero (Vanellus cayanus) is een andere vogel,
die menigmaal de stilte van den nacht verbreekt. In uiterlijk en
gewoonten gelijkt hij in vele opzichten op onze kieviten (Vanellus);
maar zijne vleugels zijn met scherpe sporen gewapend, evenals die aan
de pooten van den gewonen haan. Gelijk onze kievit zijn naam ontleent
aan het geluid zijner stem, zoo ook de teru-tero. Bij het rijden over
de grasvlakten wordt men voortdurend door deze vogels vervolgd, die de
menschheid schijnen te haten, en die zeker op hunne beurt verdienen
gehaat te worden wegens hun onophoudelijk en onveranderlijk rauw
gegil. Voor de jagers zijn zij uiterst hinderlijk, omreden zij elk dier
of vogel hunne nadering verkondigen; daarentegen kunnen zij, zooals
Molina zegt, den reiziger in dit land misschien van nut wezen, door
hem voor den nachtelijken roover te waarschuwen. In den broedtijd pogen
zij, evenals onze kieviten, honden en andere vijanden van hunne nesten
af te leiden, door den schijn aan te nemen dat zij gewond zijn. De
eieren van deze vogels worden als eene groote lekkernij beschouwd.
[16 September]
gingen wij naar den zevenden post aan den voet van de Sierra
Tapalguen. Het land was geheel vlak en bestond uit een met grof gras
begroeiden, zachten veengrond. De rancho was hier bijzonder netjes: hut
en balken waren gemaakt van ongeveer een dozijn droge distelstengels,
onderling door riemen van huiden verbonden; en met deze Ionische
zuilen tot steun, waren dak en wanden met riet gedekt. Men vertelde
ons hier een feit, dat ik haast niet zou gelooven, indien ik niet
voor een deel er van getuige was geweest. Den vorigen nacht had het
vreeselijk gehageld; er waren korrels gevallen zoo groot als kleine
appelen en verbazend hard: en met zulk eene kracht, dat zij het meeste
wild gedood hadden. Een der soldaten had reeds 13 doode herten (Cervus
campestris) gevonden, wier versche huiden mij getoond werden. Een
ander van den troep bracht, kort na mijne komst, er nog zeven mee. Nu
weet ik dat één man, zonder honden, nog geen zeven herten in de week
kan dooden. De mannen meenden ongeveer 15 doode struisvogels gezien
te hebben, waarvan wij een gedeeltelijk tot middagmaal kregen; en
zij zeiden, dat er verscheidene rondliepen, die aan één oog blind
schenen te zijn. Een menigte kleine vogels, als eenden, valken en
patrijzen waren gedood. Ik zag een der laatsten met een zwarte vlek
op den rug, alsof hij door een straatsteen getroffen was. Eene haag
van distelstengels om de hut was bijna geheel vernield; en de man,
die mij dit vertelde, kreeg, toen hij ging kijken wat er gebeurde, eene
ernstige wond, waarom nu een verband zat. Men zeide, dat de donderbui
over eene beperkte ruimte gewoed had; en inderdaad hadden wij uit
ons bivouak van den vorigen nacht eene zwarte wolk met bliksemlicht
in deze richting gezien. Het is merkwaardig, dat zulke sterke dieren,
als herten, hierdoor gedood konden worden; maar op grond van hetgeen
ik gezegd heb, geloof ik, dat de geschiedenis geenszins overdreven
is. Intusschen doet het mij genoegen, dat de geloofwaardigheid er van
door den Jezuïet Dobrizhoffer versterkt wordt, die, sprekende van een
land ver noordwaarts gelegen, zegt, dat er hagelkorrels vielen van
verbazende grootte, die eene groote menigte vee doodden. De Indianen
noemden daarom die plaats "Lalegraicavalca," hetgeen zeggen wil:
"De kleine witte dingen." [114] Ook deelt Dr. Malcolmson mij mede,
dat hij in 1831 in Indië een hagelstorm heeft bijgewoond, die tal van
groote vogels doodde en het vee zeer teisterde. Deze hagelsteenen waren
plat: een had een omtrek van 10 inches, en een ander woog twee ounces
(56,7 gram). Zij ploegden een pad van kiezelsteenen als geweerkogels
om, en sloegen ronde gaten in glasruiten zonder ze te breken.
Na afloop van ons maal van "neergehageld" vleesch, trokken wij
over de Sierra Tapalguen--een lage bergketen van enkele honderden
voeten hoogte, die bij Kaap Corrientes begint. Het gesteente in dit
gedeelte is zuiver kwarts; verder oostwaarts bevat het, geloof ik,
graniet. De bergen hebben een merkwaardigen vorm: zij bestaan uit
vlakke stukken tafelland, omgeven door lage loodrechte klippen, evenals
de uitloopers eener sedimentaire formatie. De berg, dien ik besteeg,
was zeer klein--niet meer dan een paar honderden yards in middellijn;
maar ik zag andere, grootere. Een, die den naam van "Corral" voert,
werd gezegd eene middellijn te hebben van twee of drie mijlen, en
omsloten te zijn door loodrechte klippen van tusschen 30 en 40 voet
hoogte--behalve op één plek, waar de ingang ligt. Falconer [115]
doet een merkwaardig verhaal van de wijze waarop de Indianen troepen
wilde paarden in dezen corral drijven en hier gevangen houden door
den ingang te bewaken. Nooit heb ik van een ander geval gehoord, dat
tafelland in eene kwarts-formatie voorkwam en, zooals in den door mij
onderzochten berg, splijting noch laagvorming vertoonde. Men vertelde
mij, dat het gesteente van den "Corral" wit was en vuur kon slaan.
Niet voordat het donker was, bereikten wij den post aan de Rio
Tapalguen. Gedurende het avondeten hoorde ik hier een uitdrukking, die
mij, bij de gedachte, dat ik bezig was een der lievelingsschotels van
het land te eten--namelijk een halfvoldragen kalf in een stadium van
lang vóór de geboorte--plotseling met afgrijzen vervulde. Het bleek
een puma te zijn, wiens vleesch zeer wit is en in smaak bijzonder op
kalfsvleesch gelijkt. Dr. Shaw werd uitgelachen toen hij verklaarde,
dat "het vleesch van den leeuw zeer in trek is, en zoowel in kleur,
smaak als geur niet weinig op kalfsvleesch gelijkt." Met den puma is
dat zeker het geval. De Gauchos zijn het niet eens omtrent de vraag
of de jaguar een goed eten is, maar zeggen eenstemmig, dat de kat
uitmuntend is.
[17 September.]
Wij volgden den loop van de Rio Tapalguen door eene zeer vruchtbare
streek tot aan den negenden post. Tapalguen zelf, of de stad van
dien naam (indien zij zoo heeten mag) bestaat uit een volkomen
effen vlakte, die, zoover het oog reikt, bezet is met de toldos
of ovenvormige hutten der Indianen. Hier woonden de familiën der
bevriende Indianen, die aan de zijde van Rosas streden. Wij ontmoetten
en haalden vele jonge Indiaansche vrouwen in, die met tweeën of drieën
op één paard zaten; zij waren, evenals vele van de jongere mannen,
bijzonder schoon, en hare fraaie roode aangezichten vormden een
toonbeeld van gezondheid. Behalve de toldos, waren er drie ranchos:
een bewoond door den commandant, en de twee andere door Spanjaarden
die winkeltjes hielden.