Onder de familie der Batrachia of Kikvorschachtige Reptilia vond

ik eene kleine padde [102] (Phryniscus nigricans), die eene zeer

zonderlinge kleur bezat. Stellen wij ons voor, dat deze padde

eerst gedoopt werd in gitzwarten inkt, daarna gedroogd en eindelijk

gezet op een versch met helder vermiljoen geverwde plank, zoodat

zij, voortkruipende, hare voetzolen en een deel van het onderlijf

rood kleurde--dan zal men een goed denkbeeld krijgen van haar

voorkomen. Indien zij eene onbenoemde soort geweest was, had zij

stellig Diabolicus genoemd moeten worden, want deze padde is wel

geschikt om ons op een dwaalspoor te brengen. In plaats van eene

nachtelijke leefwijze te hebben, zooals andere padden, en in donkere

moerassige schuilhoeken te wonen, kruipt zij gedurende de hitte van

den dag over droge zandheuvels en dorre vlakten, waar geen droppel

water te vinden is. Voor het door haar vereischte vocht hangt zij

noodzakelijk van den dauw af, die waarschijnlijk door de huid wordt

opgeslurpt; want het is bekend, dat de huid dezer kruipende dieren

een sterk inzuigend vermogen bezit. Te Maldonado vond ik er een op

eene bijna even droge plek als te Bahia Blanca; en denkende haar

smakelijk te onthalen, bracht ik haar naar een waterplas. Het kleine

dier was echter niet alleen onbekwaam tot zwemmen, maar zou, geloof

ik, zonder hulp ook spoedig verdronken zijn.

Van hagedissen (Lacerta) waren er verscheidene soorten; maar

slechts eene (Proctotretus multimaculatus) is merkwaardig om

hare eigenschappen. Zij leeft in het kale zand nabij de zeekust,

en kan door hare bonte kleur--bruine met wit, geelrood en vaalblauw

gespikkelde schubben--moeilijk van den omgevenden grond onderscheiden

worden. Wordt zij opgeschrikt, dan poogt zij zich aan ontdekking

te onttrekken door met uitgestrekte pooten, platgedrukt lichaam

en gesloten oogen zich dood te houden; nog verder lastig gevallen,

graaft zij zich met groote snelheid in het mulle zand. Door haar plat

lichaam en korte pooten kan deze hagedis niet vlug loopen.

Ik zal hier enkele opmerkingen bijvoegen over het overwinteren van

dieren in dit gedeelte van Zuid-Amerika. Toen wij op 7 September 1832

voor het eerst te Bahia Blanca kwamen, dachten wij, dat de natuur aan

deze zandige en droge streek bijna geen enkel levend wezen geschonken

had. Maar toen wij in den grond groeven, werden verscheidene insecten,

groote spinnen en hagedissen in half verstijfden toestand gevonden. Op

den 15den begonnen enkele dieren voor den dag te komen, en omstreeks

18 September (drie dagen vóór de nachtevening) kondigde alles het

begin der lente aan. De vlakten tooiden zich met de bloemen van een

bleekroode zuringklaver (Oxalis), wilde boonen, wederikplanten, [103]

en geraniums; en de vogels begonnen hunne eieren te leggen. Talrijke

insecten (Lamellicornia en Heteromera)--laatstgenoemden merkwaardig

om hunne diep gegraveerde lichamen, kropen langzaam rond; terwijl

de hagedissen, die standvastige bewoners van een zandigen bodem, in

alle richtingen wegsnelden. Gedurende de eerste elf dagen, toen de

natuur nog sliep, bedroeg de gemiddelde temperatuur uit waarnemingen,

welke om de twee uur aan boord van de Beagle gedaan werden, 51°; en

op het midden van den dag steeg de thermometer zelden boven 55°. Op

de elf volgende dagen, toen alle levende wezens zoo bezield werden,

was de gemiddelde temperatuur 58°, en op het midden van den dag

wisselde zij tusschen 60° en 70°. Hier was dus een stijging van 7°

voor de gemiddelde, maar eene grootere voor de maxima-temperatuur

voldoende om de levens-functiën te doen ontwaken.

Te Montevideo, waar wij pas van daan waren gezeild, bedroeg in de 23

dagen tusschen 26 Juli en 19 Augustus de gemiddelde temperatuur uit 276

waarnemingen 58.4°; de heetste dag was gemiddeld 65.5° en de koudste

46°. Het laagste punt waarop de thermometer viel was 41.5°, en op het

midden van den dag steeg hij soms tot 69° of 70°. Ondanks deze hooge

temperatuur, lagen bijna alle kevers, verscheidene soorten spinnen,

slakken en landschelpdieren, padden en hagedissen verstijfd tusschen

de steenen. Boven hebben wij echter gezien, dat in het 4° zuidelijker

gelegen Bahia Blanca, waar het klimaat dus slechts zeer weinig kouder

is, diezelfde temperatuur met eene iets lagere maxima voldoende was

om alle klassen van bezielde wezens te doen ontwaken. Dit toont aan

hoe nauwkeurig de prikkel, noodig om overwinterende dieren te doen

herleven, beheerscht wordt door het gewone klimaat van het district,

en niet door de absolute warmte.

Het is een welbekend feit, dat de overwintering, of juister gezegd de

overzomering der dieren binnen de keerkringen niet door de temperatuur,

maar door de tijden van droogte bepaald wordt. Bij Rio de Janeiro

trof mij allereerst de ontdekking, dat eenige kleine holten weinige

dagen nadat zij met water waren gevuld, bevolkt waren door tal van

volwassen schelpdieren en kevers, die daar in slapenden toestand

gelegen moeten hebben. Humboldt heeft het zonderlinge feit vermeld,

dat eene hut gebouwd was op eene plek waar een jonge krokodil in den

harden modder begraven lag. Hij voegt er bij: "De Indianen vinden

dikwerf reusachtige boa's, die zij Uji of waterslangen noemen,

in denzelfden verdoofden staat. Om ze te doen herleven, moeten zij

geprikkeld of met water worden bevochtigd."

Terloops wil ik een ander dier vermelden (Virgularia Patagonica,

naar ik meen), eene soort Zeeveder (Pennátula) en tot de Zoophyta

of Plantdieren behoorende. Het bestaat uit een dunnen, rechten,

vleezigen steel met afwisselende rijen poliepen aan elken kant,

binnen welken eene veerkrachtige steenen as, waarvan de lengte

afwisselt van acht inches tot twee voet. De steel is aan het eene

einde afgeknot, maar eindigt aan het andere in een wormvormig vleezig

aanhangsel. De steenachtige as, die aan den steel vastheid geeft,

vertoont geen andere bijzonderheid dan dat zij met dit einde uitloopt

in een zakje, dat met korrelachtige stof gevuld is. Bij laag water kan

men honderden van die zoophyta als stoppels, met het afgeknotte eind

omhoog, enkele inches boven de oppervlakte van het modderige zand

zien uitsteken. Raakt men ze aan of trekt men er aan, dan trekken

zij zich plotseling met zulk een kracht in, dat zij bijna of geheel

verdwijnen. Door deze werking moet de zeer veerkrachtige as aan haar

ondereinde, waar zij uiteraard eenigszins gekromd is, gebogen worden;

en ik denk, dat de zoöphiet alleen door deze veerkracht in staat is

weer door den modder boven te komen. Ondanks de nauwe vereeniging met

hare natuurgenooten, heeft elke poliep een duidelijken mond, lichaam

en voelhorens. Bij een groot exemplaar moeten vele duizenden van deze

poliepen bestaan; toch zien wij dat alle door ééne beweging gedreven

worden. Ook hebben zij ééne centrale as, die in verband staat met

een onbekend circulatie-stelsel; en de eieren worden voortgebracht in

een orgaan, dat onafhankelijk is van elk individu afzonderlijk. [104]

Terecht mag hier de vraag gedaan worden: wat is dit voor een individu?

Het is altijd van belang na te gaan op welken grondslag de

zonderlinge verhalen der oude reizigers berusten; en ik twijfel

niet of de eigenschappen van deze Virgularia verklaren een dergelijk

geval. Kapitein Lancaster verhaalt in zijne reis [105] van 1601, dat

hij in het zeezand van het eiland Sombrero in Oost-Indië "een klein

takje vond, dat als een jonge boom opgroeit, maar bij een poging om

het uit te rukken, tot den grond toe inkrimpt en wegzinkt, tenzij

dat men het stevig vasthoudt. Rukt men het uit, dan vindt men dat

zijn wortel uit een grooten worm bestaat; deze worm wordt kleiner,

naarmate de boom wast; en zoodra de worm geheel in een boom veranderd

is, wortelt hij in de aarde en bereikt zoo zijne volle grootte. Deze

gedaanteverwisseling is een van de zonderlingste wonderen, die ik

op al mijne reizen zag; want als deze boom, terwijl hij nog jong

is, uit den grond wordt getrokken en van bast en bladeren beroofd,

wordt hij, gedroogd, zoo hard als steen, evenals witte koraal. Deze

worm ondergaat dus twee gedaanteverwisselingen in verschillende

natuurrijken. Wij hebben vele er van verzameld en thuis gebracht."

Tijdens mijn verblijf te Bahia Blanca, waar ik op de Beagle wachtte,

verkeerde de plaats in een voortdurenden staat van opwinding,

op geruchten van oorlogen en overwinningen tusschen de troepen van

Rosas en de wilde Indianen. Op zekeren dag kwam het bericht, dat eene

kleine afdeeling, op een der posten aan de lijn naar Buenos Aires,

tot den laatsten man vermoord was. Daags daarop kwamen 300 man van de

Colorado onder bevel van commandant Miranda. Onder deze bevond zich

een groot aantal tamme Indianen (mansos), behoorende tot den stam van

den Cacique Bernantio. Zij brachten hier den nacht door. Onmogelijk

kan men zich iets woesters en wilders voorstellen dan het tooneel van

hun bivouak. Enkelen dronken tot zij geheel bedwelmd waren; anderen

zwolgen het stroomende bloed van het vee, dat voor hun avondeten

geslacht was, bedronken zich tot zij alles weer uitbraakten, en

bevuilden zich zoo met bloed en onrein. Hier golden de woorden van

den Romeinschen dichter:

"Nam simul expletus dapibus, vinoque sepultus

Cervicem inflexam posuit, jacuitque per antrum

Immensus, saniem eructans, ac frusta cruenta

Per somnum commixta mero."

(Want tegelijk vol van spijzen, en door den wijn overweldigd,

Boog hij het hoofd neer, en lag in het hol

Zoolang hij was: in zijn slaap geronnen bloed

En bloedige brokken brakend, vermengd met wijn).

Des morgens vertrokken zij naar het tooneel van den moord, met bevel

om het spoor der Indianen te volgen, ook al zou hen dit naar Chili

leiden. Later hoorden wij, dat de wilde Indianen naar de groote Pampas

waren ontsnapt, en dat men hun spoor door de eene of andere oorzaak

verloren had. Eén blik op het spoor vertelt deze lieden eene geheele

geschiedenis. Onderstel dat zij het spoor van een duizendtal paarden

onderzoeken, dan zullen zij spoedig het getal bereden manschappen

raden door te zien hoe vele er in korten galop gereden hebben; uit

de diepte der andere indrukken--of er ook beladen paarden bij waren;

uit de onregelmatigheid der voetstappen--of zij vermoeid waren; uit

de wijze waarop het voedsel gekookt is--of de vervolgden in haast

voorttrokken; en uit het algemeene voorkomen van het spoor--hoelang

het geleden is dat zij voorbijgingen. Een spoor van tien of veertien

dagen beschouwen zij als versch genoeg om vervolgd te worden. Ook

vernamen wij, dat Miranda van het westelijke einde der Sierra Ventana

in rechte lijn voortrukte naar het 70 leagues van de monding der

Rio Negro gelegen eiland Cholechel. Dit is een afstand van tusschen

de twee- en driehonderd mijlen door een totaal onbekend land. Welke

andere troepen ter wereld zullen dit nadoen? Deze mannen, die geen

anderen gids hadden dan de zon, geen ander voedsel dan merrievleesch,

geen andere bedden dan hunne zadeldekken, zouden, zoolang er nog wat

water te vinden is, naar het einde der wereld kunnen trekken.

Weinige dagen later zag ik een anderen troep van deze bandietachtige

soldaten uittrekken op eene expeditie tegen een Indianenstam bij de

kleine Salinas, die door een gevangen Indiaanschen edelman verraden

was geworden. De Spanjaard, die het bevel tot deze expeditie bracht,

was een zeer schrander man. Hij deed mij een verhaal van het laatste

gevecht, dat hij had bijgewoond. Enkele gevangen genomen Indianen

brachten bericht van een stam, die ten noorden van de Colorado

leefde. Tweehonderd soldaten werden uitgezonden, die de Indianen

het eerst ontdekten aan een stofwolk, door de hoeven hunner paarden

bij het rijden opgejaagd. Het oord was bergachtig en woest, en

moest ver in 't binnenland gelegen zijn, want de Cordilleras waren

in zicht. De Indianen--mannen, vrouwen en kinderen--waren ongeveer

110 personen sterk en werden bijna alle gegrepen of gedood, daar de

soldaten elken man neersabelen. De Indianen zijn nu zoo verschrikt,

dat zij troepsgewijze geen weerstand bieden, maar vluchten en zelfs

vrouwen en kinderen in den steek laten; doch worden zij overvallen,

dan vechten zij als wilde dieren tot den laatsten man en tegen de

grootste overmacht. Een stervende Indiaan greep met zijn tanden den

duim van zijn tegenstander, en liet zich liever het oog uitsteken dan

den vinger loslaten. Een andere gewonde veinsde alsof hij dood was,

doch hield zijn mes gereed om opnieuw een noodlottigen stoot toe te

brengen. Mijn berichtgever zeide, dat hij een Indiaan vervolgde, die

om genade smeekte, maar tegelijk de bolas van zijn gordel losmaakte,

om deze om zijn hoofd te zwaaien en zoo zijn vervolgers te grijpen.

"Ik sloeg hem echter met mijn sabel tegen den grond, sprong toen van

mijn paard en sneed met mijn mes zijn keel af."

Dit is van Spaansche zijde een afschuwelijke daad; maar hoeveel

schandelijker nog is het onloochenbare feit, dat alle vrouwen boven

de 20 jaar in koelen bloede vermoord worden. Toen ik uitriep, dat

dit eigenlijk onmenschelijk was, antwoordde hij: "Och, wat hindert

het? Zij vermenigvuldigen zich zoo sterk!"

Elk hier is ten volle overtuigd, dat dit een rechtvaardige oorlog

is, omdat hij tegen barbaren gevoerd wordt. Wie zou gelooven, dat in

dezen tijd zulke wreedheden begaan konden worden in een christelijk,

beschaafd land? De Indiaansche kinderen worden gespaard om verkocht of

weggegeven te worden als dienstpersoneel--ook als slaven, voor zoolang

als de eigenaars hen daarvoor kunnen laten doorgaan. Ik geloof echter,

dat over de behandeling weinig te klagen valt.

In het gevecht reden vier mannen te zamen weg. Men vervolgde hen:

een werd gedood, en de drie anderen werden levend gevat. Zij bleken

boodschappers of afgezanten te zijn van een grooten troep Indianen,

die voor den algemeenen defensie-oorlog aan den voet der Cordilleras

bijeen was. De stam, tot wien zij gezonden waren, stond op het punt

een grooten raad bijeen te roepen; het gastmaal van merrievleesch

was gereed en de dans voorbereid; des morgens moesten deze gezanten

aan de Cordilleras terug zijn. Het waren bijzonder schoone mannen,

fraai gebouwd, meer dan zes voet lang, en allen nog geen 30 jaar

oud. De drie overgeblevenen waren natuurlijk in staat belangrijke

mededeelingen te doen; en om deze af te persen, werden zij op eene

rij gezet. Ondervraagd, antwoordden de twee eersten in 't Spaansch:

"No sé." (Ik weet het niet).

Achtereenvolgens werden beiden doodgeschoten. De derde zeide eveneens:

"No sé;" maar voegde er bij: "Tirad: yo soy hombre, y se

morir!" (Schiet: ik ben man en weet te sterven).

De dapperen wilden geen woord uitbrengen, dat de algemeene zaak van

hun land kon schaden! Het gedrag van den bovengenoemden edelman was

geheel anders: hij redde zijn leven door het voorgenomen krijgsplan

en het punt van samenkomst in de Andes te verraden. Naar men geloofde,

waren reeds zes- of zevenhonderd Indianen bijeen, en in den zomer zou

dit aantal wel verdubbelen. Men zou afgezanten sturen naar de Indianen

in de kleine Salinas bij Bahia Blanca, die, zooals ik zeide, door den

Indiaanschen edelman verraden waren. Bijgevolg strekt de gemeenschap

tusschen de Indianen zich uit van de Cordilleras tot aan de kust van

den Atlantischen Oceaan!

Het plan van generaal Rosas is: alle landloopers te dooden, de overigen

naar een gemeenschappelijk punt te drijven, en dan, geholpen door

de Chileenen, dezen geheelen troep in den zomer aan te tasten. Deze

veldtocht moet drie achtereenvolgende jaren herhaald worden. Dat men

den zomer kiest als tijd voor den hoofdaanval is, geloof ik, omreden de

vlakten dan gebrek aan water hebben, en de Indianen slechts in bepaalde

richtingen kunnen trekken. Het ontsnappen der Indianen ten zuiden van

de Rio Negro, waar zij in dit bijna onbekende land veilig zouden zijn,

wordt belet door eene overeenkomst tusschen Rosas en de Tehuelchen,

luidende: dat de generaal hun eene zekere som zal betalen voor het

dooden van elken Indiaan, die de rivier naar het zuiden overtrekt, maar

hen zelven zal uitroeien, indien zij de belofte niet nakomen. De oorlog

is hoofdzakelijk ondernomen tegen de Indianen bij de Cordilleras; want

vele stammen aan deze oostzijde vechten aan de zijde van Rosas. Daar

de generaal echter, evenals Lord Chesterfield, van meening is, dat

zijn vrienden van heden zijne vijanden in de toekomst kunnen worden,

plaatst hij hen steeds in de voorste gelederen, opdat hun aantal

zal afnemen. Sedert wij Zuid-Amerika verlieten hebben wij gehoord,

dat deze verdelgingsoorlog geheel mislukte.

Onder de in ditzelfde gevecht gevangen genomen meisjes, waren twee

zeer lieve Spaansche, die in hare vroege jeugd door de Indianen waren

weggevoerd en nu alléén Indiaansch konden spreken. Blijkens haar

verhaal waren zij van Salta afkomstig--een afstand van omtrent duizend

mijlen in rechte lijn gemeten. Dit geeft ons een grootsch idee van het

reusachtige gebied, waarover de Indianen zwerven; maar ondanks die

grootte, geloof ik niet, dat na een halve eeuw nog een enkele wilde

Indiaan ten noorden van de Rio Negro zal gevonden worden. De krijg

is te bloedig om lang te duren; de Christenen dooden elken Indiaan,

en de Indianen doen hetzelfde met de Christenen. Het zou een treurig

verhaal zijn, indien ik u vertelde hoe de Indianen voor de Spaansche

indringers geweken zijn. Schirdel zegt, dat er in 1535, [106] toen

Buenos Aires gesticht werd, dorpen waren, die twee- tot drieduizend

inwoners telden. Zelfs in Falconer's tijd (1750) deden de Indianen

tochten tot Luxan, Areco en Arrecife, doch nu zijn zij tot over

de Saldo verdreven. Niet slechts zijn geheele stammen uitgeroeid,

maar de overgebleven Indianen zijn veel wilder geworden; in plaats

van in groote dorpen te wonen en zich met de vischvangst zoowel als

met de jacht bezig te houden, zwerven zij nu op de open vlakten,

zonder woning of vaste bezigheid.

Ook hoorde ik een verhaal van een gevecht, dat enkele weken vóór

het straks gemelde op Cholechel had plaats gehad. Dit eiland is een

zeer belangrijk punt voor het overzetten van paarden over de rivier,

en was daarom een tijd lang het hoofdkwartier eener legerdivisie. Bij

hunne eerste komst aldaar vonden de troepen een afdeeling Indianen,

van wie zij 20 tot 30 doodden. De cacique ontkwam op eene wijze die

iedereen verbaasde. De Indiaansche hoofdlieden hebben altijd een

of twee uitstekende paarden, die zij voor dringende gevallen gereed

houden. Op een dezer paarden--een ouden schimmel--sprong de cacique,

zijn zoon met zich voerende. Het paard had toom noch zadel. Om de

kogels te ontwijken, reed de Indiaan op die bijzondere manier,

zijn volk eigen: namelijk met één arm om den hals van het paard

en het eene been op zijn rug. Terwijl hij zoo aan eene zijde hing,

streelde hij het paard over den kop en sprak het toe. De vervolgers

spanden alle krachten in om hem te bereiken: driemaal verwisselde

de commandant van paard--doch alles te vergeefs. De oude Indiaan en

zijn zoon ontkwamen en waren vrij. Welke fraaie schilderij kan men

zich in gedachten scheppen: de naakte, bronskleurige gestalte van den

ouden krijgsman met zijn jeugdigen knaap, die als een tweede Mazeppa

op zijn schimmel in duizelingwekkende vaart over de vlakte rent,

en de bende zijner vervolgers ver achter zich laat!

Op zekeren dag zag ik een soldaat vuur slaan met een stuk vuursteen,

dat ik terstond herkende als deel te hebben uitgemaakt van eene

pijlpunt. Hij vertelde mij, dat dit stuk bij het eiland Cholechel

gevonden was, en dat zij daar herhaaldelijk voorkwamen. Het was

tusschen de twee en drie inches lang, en dus tweemaal zoo groot als

die welke thans in Vuurland gebruikt worden. De spits was gemaakt

van doorschijnenden roomkleurigen vuursteen, maar de punten en

weerhaken waren met opzet afgebroken. Het is een welbekend feit, dat

Pampas-Indianen nu geen bogen en pijlen gebruiken; maar ik geloof,

dat een kleine stam in Oost-Banda daarop eene uitzondering maakt;

deze laatsten leven echter ver van de Pampas-Indianen gescheiden,

en grenzen dicht aan die stammen, welke de wouden bewonen en te voet

leven. Deze pijlpunten schijnen dus een antiquarisch overblijfsel

[107] te zijn van de Indianen vóór de groote verandering in hunne

leefwijzen, die op den invoer van paarden in Zuid-Amerika volgde.

HOOFDSTUK VI.

VAN BAHIA BLANCA NAAR BUENOS AIRES.

[8 September.]

Ik huurde een Gaucho om mij op mijn rit naar Buenos Aires te

vergezellen. Dit huren ging met eenige moeite gepaard, omdat de vader

van den man bevreesd was hem te laten gaan, terwijl een ander, die

oogenschijnlijk wel wilde, mij beschreven werd als zoo vreesachtig,

dat ik bang was hem te nemen; men zeide zelfs, dat, als deze man een

struisvogel in de verte zag, hij dit dier voor een Indiaan zou houden

en als de wind op de vlucht zou gaan. De afstand naar Buenos Aires is

omtrent 400 mijlen, welke weg bijna geheel door een onbewoond land

leidt. Wij reden vroeg in den morgen uit, stegen enkele honderden

voeten boven het groene grasdal waarin Bahia Blanca ligt, en kwamen

in eene uitgestrekte woeste vlakte. De bodem bestaat hier uit een

brokkelig mergelkalk-gesteente, dat wegens de droogte van het klimaat

niet anders voortbrengt dan verspreide bosjes verweerd gras, zonder

dat een enkele struik of boom de eentonigheid verbreekt.

Het weer was prachtig, maar de lucht opmerkelijk dampig. Ik dacht, dat

dit een storm voorspelde; maar de Gauchos zeiden, dat dit kwam omdat

de vlakte op grooten afstand in het binnenland in brand stond. Na een

langen galop en tweemaal van paarden verwisseld te hebben, bereikten

wij de Rio Sauce--een kleine, diepe, snelstroomende rivier van niet

meer dan 25 voet breedte. De tweede post op den weg naar Buenos Aires

ligt aan hare oevers; en iets verder op is eene waadbare plaats voor

paarden, waar het water niet tot aan hun buik reikt; maar vanaf dit

punt is de rivier in haar loop naar zee volkomen ondoorwaadbaar,

en vormt zoo een voortreffelijke grensscheiding tegen de Indianen.

In weerwil, dat deze stroom zoo onbeduidend is, stelt de Jezuïet

Falconer, wiens berichten in 't algemeen zeer nauwkeurig zijn, hem

voor als eene belangrijke rivier, die aan den voet der Cordilleras

ontspringt. Wat haren oorsprong betreft, twijfel ik niet of deze

opgaaf is juist; want de Gauchos verzekerden mij, dat deze stroom in

't midden van den drogen zomer tegelijk met de Colorado periodieke

vloeden heeft, die alleen ontstaan kunnen zijn door het smelten

van de sneeuw op de Andes. Dat zulk een kleine stroom, als de Sauce

toen was, het vasteland in zijne volle breedte zou doorsnijden, is

onwaarschijnlijk; en ware hij het overblijfsel eener groote rivier, dan

zouden zijne waters, gelijk in andere gevallen bevestigd is, inderdaad

zout bevatten. Des winters moeten wij de bronnen rondom de Sierra

Ventana als den oorsprong van zijn helderen, doorschijnenden stroom

beschouwen. Ik vermoed, dat de vlakten van Patagonië, evenals die in

Australië, van vele stroomen worden doorsneden, die hun eigenlijken

loop alleen in bepaalde perioden volbrengen. Waarschijnlijk is dit

het geval met het water, dat in het havenhoofd van Port Desiré vloeit,

alsmede met de Rio Chupat, op welker oevers de officieren, die met de

opmeting belast waren, groote hoeveelheden van zeer poreuze slakken

of scoriae gevonden hebben.

Daar het bij onze aankomst nog vroeg in den namiddag was, namen wij

versche paarden en een soldaat als gids, en reden naar de Sierra

de la Ventana. Deze berg is van de ankerplaats te Bahia Blanca

zichtbaar, en bezit volgens kapitein Fitz-Roy eene hoogte van 3340

voet [108]--een cijfer, dat voor deze oostzijde van het vasteland zeer

merkwaardig mag heeten. Ik weet niet of deze berg, vóór mijn bezoek,

reeds door een anderen vreemdeling bestegen is; maar zeker is 't dat

zeer weinige van de te Bahia Blanca in garnizoen liggende soldaten

iets van hem af weten. Zoo hoorden wij van steenkolenlagen, van goud

en zilver, holen en wouden: hetgeen alles mijne nieuwsgierigheid

prikkelde, maar per saldo teleurstelde. De afstand van den post

bedroeg ongeveer zes leagues, over eene effen vlakte van dezelfde

soort als te voren. Naarmate de berg echter zijn waren vorm begon

te vertoonen, werd de rit belangwekkender. Toen wij den voet der

hoofdsteilte bereikten, kostte het ons veel moeite wat water te

vinden, en dachten wij genoodzaakt te zullen zijn zonder dit den

nacht door te brengen. Eindelijk ontdekten wij iets door vlak bij den

berg te zoeken; want zelfs op enkele honderden yards afstand lagen de

stroompjes verscholen en verloren zij zich geheel in den brokkeligen

kalksteen en het losse puin van den berg.

De Reis om de Wereld · 第 10 / 56 段