welige plantengroei bestaan moet, is des te zonderlinger, omdat
het omgekeerde verre van waar is. Burchell deed mij de opmerking,
dat, toen hij Brazilië introk, niets hem zoozeer trof als de
pracht der Zuid-Amerikaansche plantenwereld in tegenstelling met
die van Zuid-Afrika, gevoegd bij de afwezigheid van alle groote
viervoeters. In zijne reizen [83] heeft hij de meening uitgesproken,
dat de vergelijking van de respectievelijke gewichten (zoo er voldoende
gegevens waren) van een gelijk aantal der grootste plantenetende
viervoeters uit elke landstreek, uiterst belangrijk zou zijn. Nemen
wij eenerzijds den oliphant, [84] het nijlpaard, de giraffe, den
Zuid-Afrikaanschen os (Bos caffer), den eland, en zeker drie, maar
vermoedelijk vijf soorten rhinocerossen; en aan Amerikaansche zijde
twee tapirs, den guanaco, drie herten, de vicugna (het Peruaansche
of Vigogne-schaap), het pecari, [85] de capybara (waarna wij onder de
apen moeten kiezen om het cijfer voltallig te maken): en plaatsen wij
nu deze twee groepen naast elkander, dan is het niet gemakkelijk meer
wanverhoudingen in grootte te bedenken dan deze reeksen ons te zien
geven. Volgens bovenstaande feiten moeten wij dus, tegen vroegere
waarschijnlijkheid in, [86] besluiten dat er onder de zoogdieren
geen nauwe verwantschap bestaat tusschen het volume der soorten en
de hoeveelheid planten in de door hen bewoonde landen.
Wat het getal groote viervoeters betreft, bestaat er zeker geen streek
op aarde, die de vergelijking met Zuid-Afrika kan doorstaan. Na de
verschillende gegeven verhalen, zal het uiterst woestijnachtig karakter
dier streek wel niet betwist worden. In het werelddeel Europa moeten
wij naar de tertiaire tijdvakken teruggaan, om onder de zoogdieren
een staat van zaken te vinden, overeenkomende met dien, welke
thans aan de Kaap de Goede Hoop bestaat. Deze tertiaire tijdvakken,
die wij als buitengewoon rijk aan groote dieren mogen beschouwen,
omdat wij op sommige plaatsen de overblijfsels van vele formatiën
bijeengehoopt zien, konden moeilijk op meer groote viervoeters bogen,
dan nu Zuid-Afrika. Bij onze bespiegelingen, echter, over den aard der
plantenwereld gedurende die tijdvakken, zijn wij althans in zoover
verplicht bestaande analogieën in aanmerking te nemen, dat wij een
weligen plantengroei niet als volstrekt noodzakelijk beschouwen, nu
wij aan de Kaap de Goede Hoop een geheel anderen stand van zaken zien.
Wij weten, dat de uiterste gewesten van Noord-Amerika, vele graden
boven de grens waar de grond op enkele voeten diepte voortdurend
bevroren is, met wouden van zwaar en hoog geboomte bedekt zijn. [87]
Evenzoo zien wij in Siberië wouden van berke-, denne-, espe- en
lorkeboomen groeien op eene breedte, [88] (64°), waar de gemiddelde
luchttemperatuur onder het vriespunt daalt, en waar de aarde zoo geheel
bevroren is, dat de karkas van een daarin begraven dier volkomen
bewaard is. Met deze feiten voor oogen moeten wij, wat alleen de
quantiteit van den plantengroei betreft, toegeven, dat de groote
viervoeters der latere tertiaire tijdvakken in de meeste gedeelten
van Noord-Europa en Azië geleefd kunnen hebben op de plaatsen waar
thans hunne overblijfselen worden gevonden. Ik spreek hier niet van
de soort planten, noodig voor hun onderhoud; want daar er bewijzen
zijn van physieke veranderingen en de dieren uitgestorven zijn, mogen
wij aannemen, dat ook de plantsoorten verandering hebben ondergaan.
Men veroorlove mij hierbij te voegen, dat deze opmerkingen rechtstreeks
gelden voor de in het ijs bewaard gebleven Siberische dieren. De vaste
overtuiging dat eene vegetatie, welke het kenmerk bezat van tropischen
rijkdom, noodig was voor het onderhoud van zulke groote dieren, en
de onmogelijkheid om dit te rijmen met de nabijheid van eeuwigdurend
ijs, waren eene van de hoofdoorzaken der verschillende theorieën van
plotselinge klimaatomwentelingen en overweldigende natuurrampen, die
ter verklaring van hunne begraving werden uitgedacht. Ik onderstel
op verre na niet, dat het klimaat sinds den tijd waarin deze dieren
leefden die nu in het ijs begraven liggen, niet veranderd is. Voor
het oogenblik wil ik slechts aantoonen dat, voor zoover alleen de
hoeveelheid voedsel betreft, de oude rhinocerossen over de steppen
van Midden-Siberië, [89] zelfs in haren tegenwoordigen toestand,
gezworven kunnen hebben, evenzeer als de levende rhinocerossen en
oliphanten over de Karroos van Zuid-Afrika.
Nu zal ik spreken over de leefwijzen van eenige meer belangrijke
vogels, die in de woeste vlakten van Noord-Patagonië thuis behoorden;
en allereerst van den grootsten, of Zuid-Amerikaanschen struisvogel. De
gewone eigenschappen van den struisvogel zijn aan ieder bekend. Zij
leven van plantaardig voedsel, als wortels en gras; maar te Bahia
Blanca heb ik herhaaldelijk drie of vier bij laag water naar de
uitgestrekte modderbanken zien komen (welke dan droog zijn), om,
zooals de Gauchos zeggen, zich met kleine visschen te voeden. Hoewel
zoo schuw, behoedzaam en eenzelvig van aard, en daarbij zoo vlug
ter been, wordt de struisvogel door de met bolas gewapende Indianen
of Gauchos zonder veel moeite gevangen. Als verscheidene ruiters in
een halven cirkel naderen, wordt hij verlegen en weet niet welken
kant uit te vluchten. In 't algemeen loopen zij bij voorkeur tegen
den wind in; maar bij den eersten aanloop slaan zij de vleugels uit
en zetten, evenals een schip, alle zeilen bij. Op een fraaien heeten
dag zag ik een aantal struisvogels een bosch van hooge biezen ingaan,
waar zij nederhurkten en zich schuil hielden, totdat men hen dicht
genaderd was. Niet algemeen bekend is het feit, dat struisvogels zich
licht te water begeven. Mr. King bericht mij, dat hij deze vogels
in de Baai van San Blas en te Port Valdès in Patagonië verscheidene
malen van het eene eiland naar het andere zag zwemmen. Zij liepen
het water in wanneer zij naar een punt gedreven werden, maar ook uit
eigen beweging, als men hen niet verschrikte; de afstand waarover
zij zwommen was ongeveer 200 yards. Onder het zwemmen vertoont zich
zeer weinig van hun lichaam boven water; hunne halzen zijn iets naar
voren gestrekt en langzaam komen zij verder. Tweemaal zag ik eenige
struisvogels over de rivier Santa Cruz zwemmen, op een plek waar deze
rivier circa 400 yards breed was en een snelle strooming had. Toen
kapitein Sturt de Murrumbidgee in Australië afzakte, zag hij twee emus
(ongehelmde casuarissen) bezig met zwemmen.
De bewoners van het land onderscheiden, zelfs op een afstand,
gemakkelijk het mannetje van het wijfje. Het eerste is grooter en
donkerder van kleur, en heeft een dikkeren kop. [90] De struisvogel
[91]--ik geloof het mannetje--brengt een zonderling, diep klinkend,
fluitend geluid voort; toen ik dit voor het eerst hoorde, terwijl
ik tusschen eenige zandheuvels stond, dacht ik dat het van een wild
dier afkomstig was; want het is een geluid, dat men niet kan zeggen
vanwaar het komt, noch hoe ver het af is. Toen wij in de maanden
September en October te Bahia Blanca waren, werden de eieren in
buitengewoon aantal over het geheele land gevonden; zij liggen òf
verspreid en stuksgewijze, in welk geval zij nooit uitgebroed en
door de Spanjaarden guachos [92] genoemd worden--òf te zamen in een
ondiepe holte, die het nest vormt. Van de vier nesten die ik zag,
bevatten drie elk 22 eieren, en het vierde 27. Gedurende een dag jagen
te paard werden 64 eieren gevonden; van deze lagen 44 in twee nesten,
en de overige 20 waren verspreide guachos. Eenstemmig verklaren de
Gauchos--en er is geen reden om aan hunne woorden te twijfelen--dat
het mannetje alléén de eieren uitbroedt, en later de jongen eenigen
tijd vergezelt. Het mannetje ligt zeer dicht op het nest; ik zelf ben
er bijna over heen gereden. Men beweert, dat zij in zulke tijden soms
woest en zelfs gevaarlijk zijn, en dat zij een man te paard aanvallen,
pogende hem te schoppen en tegen hem op te springen. Mijn berichtgever
wees mij een oud man, die eens, door zulk een struisvogel achtervolgd,
in grooten angst verkeerd had. In Burchell's reizen in Zuid-Afrika
vind ik de opmerking: "Toen ik eens een mannetjes-struis gedood had,
wiens vederen morsig waren, vertelden mij de Hottentotten, dat het een
nestvogel was." Ik verneem, dat de mannelijke emu in den Zoölogischen
Tuin zich met de zorg over het nest belast; deze eigenschap is dus
aan de familie gemeen.
De Gauchos getuigen eenstemmig, dat verscheidene wijfjes in één
nest leggen; en met zekerheid is mij verteld, dat men vier of vijf
wijfjes op het midden van den dag achter elkander naar hetzelfde
nest heeft zien gaan. Ik kan er nog bijvoegen, dat men in Afrika
gelooft, dat twee of meer wijfjes in één nest leggen. [93] Ofschoon
deze gewoonte, oppervlakkig beschouwd, zeer vreemd schijnt, geloof
ik toch, dat de oorzaak op eenvoudige wijze te verklaren is. Het
getal eieren in het nest wisselt af van 20 tot 40, en zelfs tot 50
(volgens Azara soms tot 70 of 80). Ofschoon het nu, deels omdat het
aantal in één district gevonden eieren zoo buitengewoon groot is in
verhouding tot de ouders, anderdeels wegens den bouw van het ovarium
bij het wijfje--zeer waarschijnlijk is, dat dit in den loop van het
seizoen een groot aantal eieren legt, moet de tijd daarvoor toch
zeer lang zijn. Azara zegt, [94] dat een wijfje in tammen staat 17
eieren legde, elk na drie dagen tusschenruimte. Ware nu het wijfje
genoodzaakt hare eigen eieren te broeden voordat het laatste gelegd
was, dan zou het eerste waarschijnlijk bedorven of verrot zijn; maar
zoo elk op achtereenvolgende tijdstippen en in verschillende nesten een
paar eieren legde, en verscheidene wijfjes zich vereenigden (zooals
werkelijk bevestigd is), dan zouden de eieren in één verzameling
ongeveer even oud zijn. Zoo het getal eieren in één dezer nesten
gemiddeld niet grooter is (naar ik geloof) dan het aantal dat een
wijfje in het seizoen legt, moeten er evenveel nesten als wijfjes zijn,
en zal elk mannetje zijn juist aandeel in het werk der broeding hebben,
en wel gedurende een tijdperk dat de wijfjes waarschijnlijk niet
konden zitten, omdat zij nog niet al hare eieren gelegd hadden. [95]
Reeds heb ik over het groot aantal guachos of verlaten eieren
gesproken, waarvan er op één dag twintig gevonden kunnen
worden. Zonderling schijnt het, dat zoo vele verloren gaan. Zou dit
niet hieruit voortkomen, dat vele wijfjes zich moeilijk vereenigen en
een mannetje vinden, bereid de taak der broeding op zich te nemen? Het
is duidelijk, dat er allereerst zekere neiging tot vereenigen moet
bestaan tusschen minstens twee wijfjes; anders zouden de eieren over de
uitgestrekte vlakten verspreid liggen op afstanden veel te groot opdat
het mannetje ze in één nest zou kunnen verzamelen. Enkele schrijvers
hebben gemeend, dat de verspreide eieren als voedsel voor de jonge
vogels gelegd werden. In Amerika kan dit moeilijk het geval wezen, daar
de guachos, ofschoon dikwijls bedorven en verrot, meestal heel zijn.
Toen ik aan de Rio Negro in Noord-Patagonië was, hoorde ik de Gauchos
herhaaldelijk spreken over een zeer zeldzamen vogel, dien zij Avestruz
Petise noemden. [96] Zij beschreven hem als kleiner dan de gewone
struisvogel (die daar veel voorkomt), doch in 't algemeen er veel op
gelijkende. Zij zeiden, dat zijne kleur donker en gevlekt was, en dat
zijn pooten korter en lager gevederd waren dan die van den gewonen
struisvogel. Hij wordt gemakkelijker met de bolas gevangen dan de
andere soort. De weinige bewoners die beide soorten gezien hadden,
bevestigden dat zij de vogels op grooten afstand van elkander konden
onderscheiden. De eieren der kleine soort schenen echter meer algemeen
bekend; en tot mijne verbazing merkte ik op, dat zij zeer weinig
kleiner waren dan die van den Struthio rhea, doch eenigszins anders van
vorm en met een zweem naar lichtblauw. Deze soort vindt men zeer zelden
in de vlakten langs de Rio Negro; maar ongeveer 1°30' zuidelijker zijn
zij vrij talrijk. Gedurende mijn verblijf te Port Desiré in Patagonië
(48° breedte) schoot Martens een struisvogel. Bij het zien van dit
dier, vergat ik voor het oogenblik op de onverklaarbaarste wijze
de geheele species der Abestrúz Petise, en hield den vogel voor
een niet volwassen exemplaar der gewone soort. Hij was gekookt en
gegeten voordat mijn geheugen terugkeerde. Gelukkig waren kop, hals,
pooten, vleugels, verscheidene groote veêren en een groot stuk van
de huid bewaard gebleven, waaruit een nagenoeg volledig exemplaar
werd bijeengebracht en thans in het Museum der Zoological Society
tentoon gesteld is. Bij zijne beschrijving van deze nieuwe species,
heeft Gould mij de eer aangedaan ze naar mij te noemen.
Onder de Patagonische Indianen in de Straat van Magelhaen vonden wij
een halfbloed Indiaan, die eenige jaren bij zijn stam geleefd had,
maar in de noordelijke provinciën geboren was. Ik vroeg hem of hij ooit
van den Abestrúz Petise gehoord had. Hij antwoordde met te zeggen:
"Wel, in deze zuidelijke streken zijn geen andere." Hij deelde mij
mede, dat het getal eieren in het nest van den Petise aanmerkelijk
kleiner is dan in dat der andere soort, namelijk gemiddeld niet
meer dan vijftien; maar hij verzekerde, dat zij door meer dan één
wijfje gelegd werden. Aan de Santa Cruz zagen wij verscheidene dezer
vogels. Zij waren uiterst voorzichtig, en ik geloof dat zij iemand
konden zien naderen op afstanden te ver om zelve gezien te worden. Bij
het opvaren van de rivier zagen wij er weinige; doch toen wij haar in
snelle vaart afzakten, werden er vele in troepen van twee, vier of vijf
gezien. Wij merkten op, dat deze vogel niet de vleugels uitspreidde als
hij zijn eersten aanloop nam, gelijk de noordelijke species gewoon is
te doen. Tot besluit wil ik opmerken dat de Struthio rhea het land van
La Plata bewoont tot 41° breedte--even bezuiden de Rio Negro, en dat
de Struthio Darwinii hem in zuidelijk Patagonië vervangt, zoodat het
deel nabij de Rio Negro onzijdig gebied is. Toen A. d'Orbigny zich aan
de Rio Negro bevond, deed hij groote moeite om dezen vogel machtig te
worden, wat hem echter nooit gelukt is. [97] Aan Dobrizhoffer was het
lang geleden bekend, dat er twee soorten struisvogels zijn. [98] Hij
zegt: "Daarbij moet gij weten, dat de emus in verschillende deelen van
het land in grootte en eigenschappen verschillen. Zij, die de vlakten
van Buenos Aires en Tucuman bewonen, zijn grooter en hebben zwarte,
witte en grijze veêren; de andere bij de Straat van Magelhaen zijn
kleiner en fraaier, want hunne witte veêren zijn aan het einde zwart
gepunt, en omgekeerd hebben hunne zwarte veêren witte punten."
Een zeer zonderlinge kleine vogel, Tinochorus rumicivorus, is hier
inheemsch. In zijne eigenschappen en algemeen voorkomen draagt
hij ongeveer de kenmerken zoo van den kwartel als van de snip--hoe
verschillend deze ook zijn. Den Tinochorus vindt men over geheel
Zuid-Amerika, waar dorre vlakten of open droge weilanden zijn. Hij
bewoont paarsgewijze of in kleine troepen de eenzaamste plaatsen,
waar haast geen ander levend wezen bestaan kan. Als men hen nadert,
hurken zij laag bij den grond, en zijn dan zeer moeilijk hiervan te
onderscheiden. Wanneer zij voedsel zoeken, loopen zij langzaam, met de
pooten wijd vaneen. Op wegen en zandige plaatsen wentelen zij zich in
't stof; en er zijn dan bepaalde plekken, waar men hen dag aan dag kan
vinden. Verschrikt, vliegen zij als patrijzen in ééne vlucht weg. In
al deze bijzonderheden: in den gespierden, voor plantaardig voedsel
geschikten krop; in den gewelfden bek en vleezige neusgaten, in de
korte pooten en vorm der voeten gelijkt de Tinochorus zeer veel op den
kwartel. Maar nauwelijks ziet men den vogel vliegen, of zijn geheele
voorkomen verandert; de lange puntige vleugels, zoo verschillend van
die in de orde der Gallinaceae; de onregelmatige wijze van vliegen,
en de klagende kreet, dien hij uit op het oogenblik van stijgen, doen
denken aan de snip. De jagers van de Beagle noemden hem eenstemmig de
kortsnavelige snip. Zijn skelet toont aan, dat hij werkelijk aan dit
geslacht, of liever aan de Orde der Steltloopers (Grallae) verwant is.
De Tinochorus is nauw aan eenige andere Zuid-Amerikaansche vogels
verwant. Twee soorten van het geslacht Attagis zijn, wat hare
leefwijzen en gewoonten betreft, in bijna alle opzichten sneeuwhoenders
(Lagopus; familie der woudhoenders of Tetraonidae) [99]; de eene leeft
in Vuurland, boven de grenzen van het woudland, en de andere juist
onder de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili. Een vogel van
een ander naverwant geslacht, Chionis alba, bewoont de Zuidpoolstreken;
hij leeft van zeewier en schelpdieren op de rotsen, die met het
getij droog loopen. Ofschoon hij om eene onverklaarbare reden geen
zwempooten heeft, wordt hij dikwijls ver in zee aangetroffen. Deze
kleine vogel-familie is een dergene die, hoewel zij den systematischen
natuuronderzoeker nu niets dan moeilijkheden oplevert, ten slotte
door hare gewijzigde verwantschappen tot andere familiën dienstig kan
zijn om het groote schema van dit en vroegere tijdperken te openbaren,
naar hetwelk de organische wezens geschapen zijn.
Het geslacht Furnarius omvat verscheidene soorten kleine vogels,
die op den grond leven en open droge streken bewonen. In bouw kunnen
zij niet bij eenigen Europeeschen vorm vergeleken worden. Ornithologen
hebben hen algemeen onder de Pimpelmeezen of Boomkruipers (Certhiidae)
[100] gerangschikt, ofschoon zij in al hunne gewoonten lijnrecht van
die familie afwijken. De best bekende soort is de gewone Ovenvogel van
La Plata, de Casara of Huizenmaker der Spanjaarden. Het nest, waaraan
hij zijn naam ontleent, bevindt zich op de meest blootgestelde punten:
als op den top van een paal, eene naakte rots of op een cactus. Het is
samengesteld uit modder en stukjes stroo, en heeft lange dikke wanden;
in vorm gelijkt het volmaakt op een oven of ingedrukten bijenkorf. De
opening is breed en gewelfd; en vlak vooraan in het nest is eene
afdeeling, die bijna tot het dak reikt en zoo eene voorkamer of
doorgang vormt naar het eigenlijke nest.
Eene andere en kleinere soort Furnarius (F. cunicularius) gelijkt op
den ovenvogel in de meestal roodachtige tint zijner vederen, in een
eigenaardigen schellen herhaalden kreet, en in zijne zonderlinge manier
van loopen met sprongen. Om zijn verwantschap tot de Casara, noemen de
Spanjaarden hem Casarita (of kleine Huizenmaker), niettegenstaande de
bouw van zijn nest een geheel andere is. De casarita bouwt haar nest
op den bodem van een smal cilindervormig gat, dat zich ongeveer zes
voet horizontaal onder den grond heet uit te strekken. Verscheidene
landlieden vertelden mij, dat zij als jongens getracht hadden zulk
een nest uit te halen, maar bijna nooit het einde van het gat hadden
kunnen bereiken. De vogel kiest een lagen dam of stevigen zandgrond
aan den kant van een weg of stroom. Hier (in Bahia Blanca) zijn de
muren om de huizen van harden modder gebouwd; en ik merkte op, dat
een die eene binnenplaats omringde waar ik gelogeerd was, op een
twintigtal plaatsen van ronde gaten was doorboord. Op mijne vraag
aan den eigenaar naar de oorzaak hiervan, klaagde hij bitter over de
kleine casarita, waarvan ik later verscheidene aan het werk zag. Het
is merkwaardig te zien hoe onvatbaar deze vogels zijn om eenig begrip
van dikte te krijgen; want hoewel zij voortdurend over den lagen muur
fladderden, gingen zij vruchteloos voort met er doorheen te boren,
meenende dat de muur een uitmuntende dam voor hunne nesten was. Ik
twijfel niet of elke vogel moet zeer verbaasd geweest zijn, telkens
als hij aan den anderen kant het daglicht zag.
Ik heb reeds bijna alle zoogdieren opgenoemd, die in dit land
voorkomen. Van armadillen vindt men drie soorten, namelijk: Dasypus
minutus of pichy; D. villosus of peludo, en de apár. De eerste
verspreidt zich 10 graden zuidelijker dan een der andere soorten;
een vierde soort, mulita, wordt op de breedte van Bahia Blanca of
zuidelijker niet aangetroffen. Deze vier soorten hebben bijna dezelfde
gewoonten; maar de peludo is een nachtdier, terwijl de andere bij dag
over de open vlakte zwerven en leven van kevers, larven, wortels en
zelfs van kleine slangen. De apár, gewoonlijk mataco geheeten, is
merkwaardig omdat hij slechts drie beweeglijke ringen heeft, [101]
terwijl de rest van zijn pantser bijna onbuigzaam is. Hij bezit het
vermogen zich tot een volkomen bal samen te rollen, evenals eene soort
Europeesche houtluis. In dezen toestand is hij veilig voor de aanvallen
van honden; want niet in staat den geheelen bol in zijn bek te nemen,
tracht de hond er in te bijten, met het gevolg dat de bal wegrolt. Het
gladde harde pantser van den Mataco biedt eene betere verdediging,
dan de scherpe pennen van het stekelvarken (Hystrix).
De Pichy geeft de voorkeur aan een zeer drogen grond: en de zandduinen
bij de kust, waar hij vele maanden lang geen water kan proeven, zijn
zijn geliefkoosd toevluchtsoord. Dikwijls tracht hij aan de aandacht
te ontsnappen door zich plat tegen den grond te drukken. Gedurende
een dag rijden in de omstreken van Bahia Blanca komt men er meestal
verscheidene tegen. Op het oogenblik dat er een gezien werd, moest men
bijna van zijn paard vallen om hem te grijpen; want in een zachten
grond groef het dier zich zoo snel in, dat zijne achterpooten haast
verdwenen eer men af kon stijgen. Het schijnt bijna jammer zulke
aardige kleine dieren te dooden; want zooals een Gaucho, die zijn mes
op den rug van een hunner scherpte, terecht zeide: "Son tan mansos"
(Zij zijn zoo zachtaardig).
Van kruipende dieren vindt men vele soorten. Een slang (Trigonocephalus
of Cophias) moet, wegens de grootte van het giftkanaal in hare
gifttanden, zeer doodelijk zijn. In tegenstelling met eenige andere
natuuronderzoekers, noemt Cuvier haar een subgenus van de Ratelslang
(Crotalus), staande tusschen deze en de adder (Vipera, Coluber). Deze
meening wordt bevestigd door een feit, hetwelk ik waarnam en dat mij
zeer merkwaardig en leerrijk toeschijnt, wijl het aantoont, dat elk
kenmerk neiging heeft tot langzame veranderingen, al is het ook in
zekeren zin onafhankelijk van den bouw zelven. Het staarteinde dezer
slang loopt uit in een punt, die zeer zwak vergroot wordt; als nu
de slang voortglijdt, brengt zij het laatste eindje in gestadige
trilling, zoodat, als het tegen het droge gras of struikgewas
aanslaat, een ratelend geluid wordt voortgebracht, dat op zes voet
afstands duidelijk hoorbaar is. Telkens als het dier geplaagd of
verrast werd, schudde het zijn staart; en de trillingen waren zeer
snel. De neiging tot deze gewone beweging bleek zelfs, zoolang het
lichaam zijne prikkelbaarheid behield. De Trigonocephalus heeft dus
in sommige opzichten den bouw van een adder, met de eigenschappen van
eene ratelslang; het geluid wordt hier echter door een eenvoudiger
inrichting voortgebracht. De gelaatsuitdrukking van deze slang was
afschuwelijk en woest; de pupil bestond uit een verticale spleet in
een gevlekte en koperkleurige iris; de kaken waren aan het ondereinde
breed, en de neus eindigde in een driehoekig uitsteeksel. Ik herinner
mij niet ooit iets leelijkers gezien te hebben, behalve misschien
enkele vledermuizen. Dit terugstootend uiterlijk is, geloof ik,
hieraan te wijten dat de trekken onderling geplaatst zijn in standen,
welke eenige overeenkomst hebben met die van het menschelijk gelaat;
en zoo verkrijgen wij eene schaal van afzichtelijkheid.