Bij onze aankomst was de Beagle er nog niet, zoodat wij den

terugtocht aanvaardden; maar wijl de paarden spoedig vermoeid waren,

moesten wij op de vlakte bivouakeeren. Des morgens hadden wij een

gordeldier gevangen, dat, ofschoon een uitmuntend voedsel als het

in zijn pantser gebraden wordt, voor twee hongerige menschen geen

zeer krachtig ontbijt en middagmaal opleverde. Op de plek waar wij

den nacht zouden doorbrengen, was de grond omkorst met een laag van

zwavelzure soda en bevatte dus natuurlijk geen water. Toch wisten

vele kleinere knaagdieren zelfs hier hun leven op te houden, en den

halven nacht liet de tucutuco zijn zonderling zwak geknor onder mijn

hoofd hooren. Onze paarden waren van treurig gehalte, en in den loop

van den morgen waren zij wegens gebrek aan drinken spoedig uitgeput,

zoodat wij verplicht waren te loopen. Omstreeks 9 ure doodden de honden

een jonge geit, die wij braadden. Ik at er iets van, maar kreeg daarop

een ondragelijken dorst. Dit was des te verdrietiger, wijl het pas

geregend had en de weg vol was van kleine plassen helder water, waarvan

echter geen druppel drinkbaar. Ik was nauwelijks 20 uur zonder water

geweest, en slechts gedeeltelijk onder een blakende zon; toch maakte

de dorst mij zeer slap. Hoe sommige menschen twee of drie dagen in

zulke omstandigheden kunnen doorbrengen, kan ik niet begrijpen; maar

tevens moet ik bekennen, dat mijn gids er in 't geheel niet door leed

en zich verwonderde, dat één dag ontbering voor mij zoo'n straf was.

Ik heb verscheidene malen er op gezinspeeld, dat de bodemoppervlakte

met een zoutkorst bedekt was. Dit verschijnsel is geheel iets anders

dan bij de salinas en meer ongewoon. In vele deelen van Zuid-Amerika,

waar het klimaat matig droog is, komen korstvormingen voor; doch

nergens heb ik ze zoo menigvuldig gezien als bij Bahia Blanca. Het

zout bestaat hier, en ook in andere deelen van Patagonië, hoofdzakelijk

uit zwavelzure soda met geringe bijmengsels van gewoon zout. Zoo lang

de grond in deze salitráles (gelijk de Spanjaarden hen ten onrechte

noemen, die deze stof voor salpeter aanzien) vochtig blijft, is er

niets anders te zien dan eene uitgestrekte vlakte met een zwarten

modderigen bodem, waarop verspreide bosjes van sappige planten. Keert

men echter na eene week hitte door een dezer streken terug, dan

staat men verbaasd de vlakte vierkante mijlen ver zoo wit te zien,

als ware er een fijne sneeuw gevallen, die hier en daar in hoopjes

is opgewaaid. Dit laatste verschijnsel wordt voornamelijk hierdoor

veroorzaakt, dat, gedurende de langzame verdamping van het vocht,

door ronde doode grasscheutjes, houtstompjes en stukken losse aarde

de zouten worden omhoog getrokken, in plaats van op den bodem der

waterpoelen te kristalliseeren. De salitráles komen voor op vlakke

gronden, die slechts enkele voeten boven den zeespiegel liggen,

of op alluviaal land dat aan rivieren grenst. Parchappe [69] vond,

dat de zoutkorst in de vlakte op enkele mijlen afstand van zee,

voornamelijk uit zwavelzure soda (Na2SO4) bestond, met slechts 7%

gewoon zout (NaCl), terwijl dichter bij de kust het gehalte aan

gewoon zout steeg tot 37 procent. Door deze omstandigheid zouden

wij geneigd zijn te gelooven, dat de zwavelzure soda in den bodem

ontstaan is uit het chloornatrium of zeezout, dat gedurende de

langzame en jongste rijzing van dit droge land aan de oppervlakte

is achtergebleven. Het geheele verschijnsel is wel de aandacht van

natuuronderzoekers waard. Bezitten de sappige, zoutopnemende planten,

die naar men weet veel soda bevatten, het vermogen chloornatrium te

ontleden? Levert de zwarte, stinkende modder, zoo rijk aan organische

stof, de zwavel en laatstelijk het zwavelzuur?

Twee dagen later reed ik opnieuw naar de haven, toen mijn metgezel,

dezelfde van vroeger, niet ver van de plaats onzer bestemming drie

ruiters over de vlakte zag rennen. Onmiddellijk steeg hij af, en hen

opmerkzaam gadeslaande, zeide hij:

"Zij rijden als Christenen; en niemand mag uit het fort!"

De drie jagers vereenigden zich en stegen van hunne paarden. Eindelijk

sprong er een weer in den zadel en reed over den heuvel uit het

gezicht.

"Wij moeten nu ook weer te paard. Laad uw pistool!" zeide mijn

metgezel, terwijl hij naar zijn zwaard keek.

"Zijn dat Indianen?" vroeg ik.

"Quien sabe?" [70] Zoo het er niet meer dan drie zijn, heeft het niet

veel te beteekenen."

Toen viel mij in, dat de eene ruiter waarschijnlijk over den heuvel

was gegaan om de rest van den troep te halen; welk vermoeden ik mijn

makker mededeelde. Doch al wat ik ten antwoord kreeg was:

"Quien sabe?"

Langzaam en zonder tusschenpoozen verkende zijn oog den verren

horizon. Daar ik zijne buitengewone koelheid voor een overdreven grap

hield, vroeg ik hem waarom wij niet naar huis terugkeerden. Ik schrok

toen hij antwoordde:

"Wij keeren terug, maar in eene richting die dicht langs een moeras

gaat. Hierin kunnen wij onze paarden laten galoppeeren zoover zij

kunnen, en dan op onze eigen beenen vertrouwen. Zoo is er geen gevaar."

Ik vertrouwde daar niet zoo geheel op, en wilde onzen draf versnellen.

"Neen," sprak hij, "niet voordat zij het doen."

Als een kleine verhevenheid ons aan het oog onttrok, reden wij

stapvoets. Eindelijk bereikten wij een dal, sloegen links af en

draafden snel naar den voet van een heuvel. Mijn metgezel gaf mij zijn

paard om vast te houden, deed de honden knielen, en kroop op handen

en voeten rond om de ruiters te verkennen. In die houding bleef hij

eenigen tijd; maar eindelijk barstte hij in een gelach uit, en riep:

"Son mujeres!" (Het zijn vrouwen.)

Nu herkende hij in haar de vrouw en schoonzuster van den zoon van

den majoor, die naar struisvogeleieren zochten. Ik heb opzettelijk

het gedrag van dezen man beschreven, omdat hij handelde in de volle

overtuiging dat zij Indianen waren. Doch zoodra was deze dwaze

vergissing ontdekt, of hij noemde mij honderd redenen, waarom het

geen Indianen zijn konden. Op die oogenblikken had hij echter al deze

redenen vergeten. Wij reden daarop kalm en gerustgesteld naar een

hoog punt, Punta Alta genaamd, waar wij de groote haven van Bahia

Blanca bijna geheel konden overzien.

De uitgestrekte watervlakte wordt door talrijke groote modderbanken

verstopt, welke de inwoners Cangrejáles noemen, vanwege het aantal

kleine krabben. De modder is zoo week, dat het zelfs over zeer

korte afstanden onmogelijk is er over te loopen. Van vele banken is

de oppervlakte met hooge biezen bedekt, waarvan de toppen alleen

bij hoog water zichtbaar zijn. Eens, toen wij in eene boot zaten,

geraakten wij in deze ondiepten zoo verdwaald, dat wij er met veel

moeite weer uit kwamen. Er was niets te zien dan vlakke modderplaten;

de lucht was niet zeer helder en met sterke straalbreking, of, zooals

de zeelieden zeggen: "Een sterke kimrijzing." Het eenige niet vlakke

voorwerp, dat binnen het bereik van ons oog lag, was de horizon;

de biezen geleken op struiken die in de lucht hingen, het water op

modderbanken en de modderbanken op water.

Wij overnachtten op Punta Alta, waar ik mij bezighield met het zoeken

naar fossiele beenderen, wijl dit punt een waar graf is van monsters

van uitgestorven diersoorten. De avond was volkomen stil en helder,

en de uiterst eentonige aanblik der omgeving maakte hem aantrekkelijk

zelfs te midden van modderbanken en zeemeeuwen, van zandheuvels en

gieren. Toen wij des morgens terugreden, kruisten wij een zeer versch

spoor van een Puma, [71] maar konden hem niet vinden. Ook zagen

wij een paar Zorillo's of Peruaansche stinkdieren, die niet vaak

gevonden worden. Wat zijn voorkomen betreft, gelijkt de zorillo in

't algemeen op een bunzing, maar is iets grooter en naar verhouding

veel dikker. In het bewustzijn van zijne macht, zwerft hij bij dag

over de open vlakte en vreest menschen noch honden. Als een hond tot

den aanval wordt gedwongen, doen een paar druppels van de stinkende

olie, die een hevige ziekte en ettering uit den neus tengevolge

heeft, zijn moed terstond bekoelen. Wat eens er mede besmet wordt,

is voor altijd onbruikbaar. Azara zegt, dat de reuk op een league

afstand kan worden waargenomen; en meer dan eens, als wij de haven

van Montevideo bij landwind binnenvoeren, hebben wij den stank van

dit dier zelfs aan boord van de Beagle bemerkt. Een feit is 't,

dat elk dier den zorillo eerbiedig uit den weg gaat.

HOOFDSTUK V.

BAHIA BLANCA.

Den 24sten Augustus kwam de Beagle hier aan, en zeilde een week

later naar de Plata. Met goedvinden van kapitein Fitz-Roy werd ik

achtergelaten om over land naar Buenos Aires te reizen. Ik zal hier

eenige waarnemingen vermelden, die gedurende dit bezoek en bij eene

vorige gelegenheid, toen de Beagle met het opmeten van de haven bezig

was, gedaan werden.

Op enkele mijlen afstands van de kust behoort de vlakte tot de groote

Pampas-formatie, welke deels uit roode klei en deels uit een sterk

kalkhoudend mergelgesteente bestaat. Dichter bij de kust zijn eenige

vlakten gevormd uit het puin der bovenvlakte, alsmede uit modder,

kiezel en zand, die gedurende de langzame rijzing van het land door

de zee zijn opgeworpen. Een bewijs van die rijzing zien wij in de

drooggelegde lagen met jonge schelpsoorten, en de ronde puimsteenen die

over het land verspreid zijn. Op Punta Alta hebben wij eene doorsnede

van een dezer later gevormde kleine vlakten, die zeer belangwekkend

is om het aantal en het ongewone karakter der overblijfsels van

reusachtige landdieren, welke hier bedolven liggen. Deze zijn door

Prof. Richard Owen uitvoerig beschreven in de Dierkunde van de Reis

van de Beagle, en berusten bij het College of Surgeons. Ik zal hier

slechts eene korte schets geven van hunne geaardheid.

Ten eerste: stukken van drie hoofden en andere beenderen van het

Megatherium, welks groote afmetingen door den naam worden uitgedrukt

[72]--Ten tweede: de Megalonyx, een groot daaraan verwant dier--Ten

derde: het Scelidotherium, [73] eveneens een verwante soort, waarvan

ik een bijna volledig skelet vond. Het moet bijna zoo groot geweest

zijn als een rhinoceros; in den bouw van zijn hoofd komt het, volgens

Richard Owen, het dichtst bij den Kaapschen Miereneter (Myrmecophaga);

maar in enkele andere opzichten komt het met de armadillen overeen

[74]--Ten vierde: de Mylodon Darwinii, een naverwant geslacht van

weinig mindere grootte--Ten vijfde: een andere reusachtige viervoeter,

ook tot de Edentata of Tandeloozen behoorende--Ten zesde: een groot

dier met een beenachtig, in vakken verdeeld pantser, dat veel van

een armadil wegheeft--Ten zevende: een uitgestorven paardensoort,

waarop ik nader zal terugkomen--Ten achtste: een tand van een tot de

Pachydermata of Dikhuidigen behoorend dier, waarschijnlijk hetzelfde

als de Macrauchenia: [75] een zeer groot dier met een langen hals,

evenals een kameel, waarop ik eveneens zal terugkomen--Eindelijk:

de Toxodon, een der zonderlingste dieren welke ooit ontdekt zijn; in

grootte evenaarde het een oliphant of megatherium, maar de bouw zijner

tanden--gelijk Owen opmerkt--getuigt onwederlegbaar, dat het nauw aan

de Knaagdieren verwant was, de orde die tegenwoordig het meerendeel

der kleinste viervoetige dieren omvat. In vele opzichten is het aan de

Pachydermata verwant; naar den stand zijner oogen, ooren en neusgaten

te oordeelen, was het vermoedelijk een waterdier, gelijk de doegong

(Halicore) of manati (Manatus), waaraan het eveneens verwant is. [76]

Hoe wonderlijk scherp zijn thans de verschillende orden gescheiden, die

in den bouw van den Toxodon op verschillende wijzen vereenigd waren!

Men vond de overblijfselen dezer 9 groote viervoeters, met vele

losse beenderen, binnen eene ruimte van omtrent 200 vierkante yards

in den bodem van het strand bedolven. Het is een merkwaardig feit,

dat zooveel verschillende species bijeen gevonden worden, en getuigt

hoe veelsoortig de oude bewoners van dit land moeten geweest zijn. Op

ongeveer 30 mijlen afstand van Punta Alta, vond ik in eene kliprots

van roode aarde verscheidene brokstukken van beenderen: enkele van

aanzienlijke grootte. Daaronder waren de tanden van een knaagdier,

welke in grootte zeer op die van de Capybara geleken, wier gewoonten

wij reeds vroeger beschreven hebben, en dat dus waarschijnlijk een

waterdier was. Ook was er een stuk van het hoofd van een Ctenomys:

eene soort, die van den tucutuco verschilde, doch er in 't algemeen

zeer op geleek. De roode aarde, evenals die van de Pampas waarin deze

overblijfsels bedolven waren, bevat, volgens Prof. Ehrenberg, acht

zoetwater- en één zoutwater-infusie-diertjes, en was dus waarschijnlijk

een riviermond-bezinksel.

De overblijfsels te Punta Alta waren in gelaagd kiezelzand en rooden

modder begraven, juist zooals de zee thans op een ondiepen oever

zou kunnen neerslaan. Zij lagen dooreen met 23 soorten schelpen,

waarvan 13 nieuwere en 4 andere, die nauw aan nieuwere vormen verwant

waren. Of de zes overige uitgestorven of eenvoudig onbekend zijn,

is onzeker, wijl op deze kust nog weinig schelpdierenverzamelingen

gehouden zijn geworden. Daar echter de jongere soorten in nagenoeg

dezelfde getalverhouding bedolven lagen met die welke nu in de baai

leven, geloof ik dat er weinig twijfel bestaat of deze laag behoort

tot een zeer jonge tertiaire formatie. Uit het feit, dat de beenderen

van het Scelidotherium (waaronder zelfs de knieschijf of patella) in

hunne juiste standen begraven waren, en dat het beenachtig pantser

van het groote armadil-achtige dier tegelijk met de beenderen van

een zijner pooten zoo goed bewaard zijn gebleven, mogen wij veilig

besluiten, dat deze overblijfsels versch en door hunne ligamenten

verbonden waren, toen zij met de schelpen in het kiezel werden

afgezet. Bijgevolg hebben wij goede bewijzen, dat de bovengenoemde

reusachtige viervoeters, die meer van de tegenwoordige verschillen

dan de oudste tertiaire viervoeters in Europa, leefden toen de zee

met de meeste harer tegenwoordige bewoners bevolkt was; en hebben wij

die merkwaardige wet bevestigd, waarop Charles Lyell zoo vaak gewezen

heeft: namelijk: dat de levensduur der soorten bij de Zoogdieren over

het geheel korter is dan die der Testacea of schelpdieren. [77]

De aanzienlijke grootte van de beenderen der Megatheroida (waartoe

het Megatherium, Megalonyx, Scelidotherium en Mylodon behooren),

is inderdaad verrassend. De leefwijzen dezer dieren brachten

natuuronderzoekers geheel in verlegenheid, totdat Prof. Owen het

vraagstuk onlangs met merkwaardige scherpzinnigheid oploste. [78] De

tanden bewijzen door hun eenvoudigen bouw, dat deze Megatheroida van

plantenvoedsel leefden, en waarschijnlijk van de bladeren en kleinere

takken van boomen. Hunne zware lichaamsvormen en groote, sterke

gekromde klauwen [79] schijnen zoo weinig voor locomotie of verandering

van plaats geschikt, dat enkele uitnemende natuuronderzoekers

werkelijk gemeend hebben, dat zij, evenals de Luiaards, waaraan

zij nauw verwant zijn, hun voedsel zochten door achterwaarts uit de

boomen te klimmen, en de bladeren er van te eten. Het was een stout,

om niet te zeggen ongerijmd denkbeeld aan te nemen, dat er vóór het

Diluvium zelfs boomen bestaan hebben, waarvan de takken sterk genoeg

geweest zouden zijn om dieren te dragen, zoo groot als oliphanten. [80]

Prof. Owen gelooft met veel meer waarschijnlijkheid, dat deze dieren,

in plaats van in boomen te klimmen, de takken tot zich omlaag trokken,

en de kleinere bij de wortels afbraken, om zich zoo met de bladeren

te voeden. De kolossale breedte en zwaarte van hunne achterdeelen,

die men zich moeilijk kan voorstellen zonder ze gezien te hebben,

worden, van dit standpunt gezien, een blijkbaar voordeel in plaats van

een last; hunne schijnbare logheid of plompheid verdwijnt. Met hunne

groote staarten en reusachtige hielen evenals een drievoet stevig op

den grond staande, konden zij al de kracht hunner geweldige armen

en groote klauwen vrijelijk gebruiken. Inderdaad, sterke wortels

moet de boom gehad hebben, die aan zulke kracht weerstand bood! De

Mylodon bezat daarenboven eene zeer rekbare tong, evenals de giraffe,

welke aldus, door een van die schoone voorzorgen der natuur, met zijn

langen hals zijn bladvoedsel bereikt. Ik moet hierbij opmerken, dat,

volgens Bruce, de oliphant in Abyssinië, als hij de bladeren met zijn

snuit niet kan bereiken, met zijn slagtanden diepe inkervingen maakt

in den stam van den boom, op en neer en overal in 't rond, totdat de

boom genoegzaam verzwakt is om te worden doorgebroken.

De lagen, die bovengenoemde versteende resten bevatten, liggen

slechts 15 tot 20 voet boven hoogwaterpeil; indien er dus geen

tusschenperiode van daling geweest is (waarvan wij geen bewijs hebben),

is de landrijzing, sedert de groote viervoeters over de omringende

vlakten zwierven, gering geweest, en moet het uiterlijk voorkomen van

het land destijds bijna hetzelfde geweest zijn als nu. Hoedanig--zoo

vraagt men natuurlijk allicht--was het karakter der plantenwereld in

dat geologisch tijdperk? Was het land even ellendig onvruchtbaar, als

het nu is? Daar zoovele van de mede begraven schelpdieren dezelfde

zijn als die welke thans in de baai leven, was ik eerst geneigd te

gelooven, dat de voormalige plantengroei vermoedelijk gelijk was aan

de bestaande. Maar dit zou eene verkeerde gevolgtrekking geweest zijn;

want eenige van deze zelfde schelpdieren leven aan de plantenrijke kust

van Brazilië; en in 't algemeen is het karakter der zeebewoners een

onbruikbare gids ter beoordeeling van de landbewoners. Toch geloof ik

niet, op grond van de volgende overwegingen, dat het feit dat vele

reusachtige viervoeters op de vlakte rondom Bahia Blanca geleefd

hebben, op zichzelf een veilige grond is voor de onderstelling, dat

zij vroeger met een weligen plantengroei bedekt waren. Ik twijfel niet,

of de dorre, eenigszins zuidelijk bij de Rio Negro gelegen landstreek

met hare doornige verspreide boomen, zou vele en groote viervoeters

kunnen onderhouden.

Dat groote dieren een weligen plantengroei vereischen, is eene

algemeene onderstelling geweest, die van het eene boek in het andere is

overgegaan; maar ik aarzel niet te zeggen, dat zij geheel valsch is, en

dat zij het oordeel der geologen over eenige punten van groot belang in

de oude geschiedenis der wereld ongeldig heeft gemaakt. Waarschijnlijk

is het vooroordeel afkomstig uit Indië en de Indische eilanden,

waar troepen oliphanten, maagdelijke wouden en ondoordringbare

dsjungels [81] in ieders geest samengaan. Nemen wij echter het een

of ander werk over reizen in de zuidelijke streken van Afrika ter

hand, dan zullen wij op bijna elke bladzijde zinspelingen vinden

op het woestijnachtige karakter der streek, of op het aantal groote

dieren die haar bewonen. Hetzelfde blijkt uit de vele teekeningen,

welke van verschillende deelen uit het binnenland in 't licht zijn

gegeven. Toen de Beagle in Kaapstad was, deed ik een uitstapje van

eenige dagen het land in, dat minstens voldoende was om hetgeen ik

gelezen had duidelijker te maken.

Andrew Smith, die aan het hoofd van zijn vermetelen troep er

onlangs in geslaagd is den Steenbokskeerkring te passeeren, bericht

mij, dat, zoo men het zuidelijk deel van Afrika in zijn geheel

beschouwt, er geen twijfel kan bestaan dat het een dor land is. Aan

de zuidelijke en zuidoostelijke kusten zijn eenige fraaie wouden;

maar deze uitgezonderd, kan de reiziger dagen lang door open vlakten

trekken, die met een armen en schralen plantengroei bedekt zijn. Het

is moeilijk een juist denkbeeld te geven van vergelijkende trappen

van vruchtbaarheid; doch veilig kan men zeggen, dat de rijkdom der

plantenwereld welken Groot-Brittannië op zekeren tijd [82] bezit,

dien van eene gelijke oppervlakte in de binnenlanden van Zuid-Afrika

misschien zelfs tienmaal overtreft. Het feit, dat ossenwagens in elke

richting kunnen rijden, behalve in de nabijheid der kust, zonder meer

dan een half uur oponthoud nu en dan voor het weghakken van struiken,

geeft misschien een duidelijker begrip van de schaarschheid van den

plantengroei.

Werpen wij nu een blik op de dieren, die deze wijde vlakten bewonen,

dan zullen wij hen vinden in buitengewoon groot aantal, gepaard aan

een reusachtig volume. Wij noemen hier den oliphant; drie soorten

rhinoceros (en volgens Dr. Smith nog twee andere); het nijlpaard;

de giraffe; den Zuid-Afrikaanschen os (Bos caffer), zoo groot als een

volwassen stier; den weinig minder grooten eland; twee zebra's; den

quagga (paard-zebra); twee gnoe's (paard- of stierhert) en verscheidene

antilopen, die zelfs grooter zijn dan de laatstgenoemde dieren. Nu

zou men wellicht denken, dat, ofschoon de species talrijk zijn, het

aantal individuën van elke soort gering is. Door de welwillendheid

van Dr. Smith ben ik in staat aan te toonen, dat dit niet het geval

is. Hij bericht mij, dat hij op 24° breedte gedurende ééne dagreis met

de ossenwagens, zonder zich ver naar links of naar rechts te begeven,

tusschen de 100 en 150 rhinocerossen zag, welke tot drie soorten

behoorden. Denzelfden dag zag hij verscheidene kudden giraffen, te

zamen ongeveer een honderdtal; en ofschoon geen oliphant gezien werd,

waren zij toch in dat district te vinden. Op weinig meer dan een

uur gaans van hunne legerplaats van den vorigen nacht, doodde zijn

gezelschap op ééne plek acht nijlpaarden en zag er nog verscheidene

meer. In dezelfde rivier waren ook krokodillen. Natuurlijk was

het een zeer buitengewoon geval zooveel groote dieren bijeen te

zien; maar blijkbaar bewijst het, dat zij er in groot aantal moeten

bestaan. Dr. Smith beschrijft het land, waardoor hij dien dag reisde,

als dun bedekt met gras, met struiken van omtrent vier voet hoogte,

en nog dunner met mimosa-boschjes. Niets belette den wagens in bijna

rechte lijn voort te gaan.

Behalve deze groote dieren, heeft elk die ook maar even met de

natuurlijke historie van de Kaap bekend is, gelezen van de groote

kudden antilopen, welke alleen bij zwermen trekvogels te vergelijken

zijn. Voorts pleit het aantal leeuwen, panthers en hyena's,

alsook de menigte roofvogels duidelijk voor den overvloed der

kleinere viervoetige dieren. Op één avond telde men zeven leeuwen,

die tegelijk om de legerplaats van Dr. Smith slopen. Zooals deze

bekwame natuuronderzoeker mij opmerkte, moet het dagelijksch bloedbad

in Zuid-Afrika schrikbarend groot zijn! Ik beken, dat het werkelijk

verrassend is hoe zulk een menigte dieren bestaan kan vinden in een

land, dat zoo weinig voedsel voortbrengt. De grootere viervoeters

zwerven ongetwijfeld door uitgebreide streken om het te zoeken, en

hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit laaghout, dat waarschijnlijk

veel voedsel in een klein volume bevat. Ook bericht Dr. Smith mij, dat

de plantenwereld een snellen groei heeft; nauwelijks is een gedeelte

verbruikt, of een nieuwe voorraad neemt zijn plaats in. Er kan echter

geen twijfel bestaan, of onze ideeën over de schijnbare hoeveelheid

voedsel, noodig voor het onderhoud van groote viervoeters, zijn

zeer overdreven. Laat ons bedenken, dat de kameel, een dier van geen

geringe grootte, steeds als het zinnebeeld der woestijn beschouwd is.

De Reis om de Wereld · 第 8 / 56 段