terugtocht aanvaardden; maar wijl de paarden spoedig vermoeid waren,
moesten wij op de vlakte bivouakeeren. Des morgens hadden wij een
gordeldier gevangen, dat, ofschoon een uitmuntend voedsel als het
in zijn pantser gebraden wordt, voor twee hongerige menschen geen
zeer krachtig ontbijt en middagmaal opleverde. Op de plek waar wij
den nacht zouden doorbrengen, was de grond omkorst met een laag van
zwavelzure soda en bevatte dus natuurlijk geen water. Toch wisten
vele kleinere knaagdieren zelfs hier hun leven op te houden, en den
halven nacht liet de tucutuco zijn zonderling zwak geknor onder mijn
hoofd hooren. Onze paarden waren van treurig gehalte, en in den loop
van den morgen waren zij wegens gebrek aan drinken spoedig uitgeput,
zoodat wij verplicht waren te loopen. Omstreeks 9 ure doodden de honden
een jonge geit, die wij braadden. Ik at er iets van, maar kreeg daarop
een ondragelijken dorst. Dit was des te verdrietiger, wijl het pas
geregend had en de weg vol was van kleine plassen helder water, waarvan
echter geen druppel drinkbaar. Ik was nauwelijks 20 uur zonder water
geweest, en slechts gedeeltelijk onder een blakende zon; toch maakte
de dorst mij zeer slap. Hoe sommige menschen twee of drie dagen in
zulke omstandigheden kunnen doorbrengen, kan ik niet begrijpen; maar
tevens moet ik bekennen, dat mijn gids er in 't geheel niet door leed
en zich verwonderde, dat één dag ontbering voor mij zoo'n straf was.
Ik heb verscheidene malen er op gezinspeeld, dat de bodemoppervlakte
met een zoutkorst bedekt was. Dit verschijnsel is geheel iets anders
dan bij de salinas en meer ongewoon. In vele deelen van Zuid-Amerika,
waar het klimaat matig droog is, komen korstvormingen voor; doch
nergens heb ik ze zoo menigvuldig gezien als bij Bahia Blanca. Het
zout bestaat hier, en ook in andere deelen van Patagonië, hoofdzakelijk
uit zwavelzure soda met geringe bijmengsels van gewoon zout. Zoo lang
de grond in deze salitráles (gelijk de Spanjaarden hen ten onrechte
noemen, die deze stof voor salpeter aanzien) vochtig blijft, is er
niets anders te zien dan eene uitgestrekte vlakte met een zwarten
modderigen bodem, waarop verspreide bosjes van sappige planten. Keert
men echter na eene week hitte door een dezer streken terug, dan
staat men verbaasd de vlakte vierkante mijlen ver zoo wit te zien,
als ware er een fijne sneeuw gevallen, die hier en daar in hoopjes
is opgewaaid. Dit laatste verschijnsel wordt voornamelijk hierdoor
veroorzaakt, dat, gedurende de langzame verdamping van het vocht,
door ronde doode grasscheutjes, houtstompjes en stukken losse aarde
de zouten worden omhoog getrokken, in plaats van op den bodem der
waterpoelen te kristalliseeren. De salitráles komen voor op vlakke
gronden, die slechts enkele voeten boven den zeespiegel liggen,
of op alluviaal land dat aan rivieren grenst. Parchappe [69] vond,
dat de zoutkorst in de vlakte op enkele mijlen afstand van zee,
voornamelijk uit zwavelzure soda (Na2SO4) bestond, met slechts 7%
gewoon zout (NaCl), terwijl dichter bij de kust het gehalte aan
gewoon zout steeg tot 37 procent. Door deze omstandigheid zouden
wij geneigd zijn te gelooven, dat de zwavelzure soda in den bodem
ontstaan is uit het chloornatrium of zeezout, dat gedurende de
langzame en jongste rijzing van dit droge land aan de oppervlakte
is achtergebleven. Het geheele verschijnsel is wel de aandacht van
natuuronderzoekers waard. Bezitten de sappige, zoutopnemende planten,
die naar men weet veel soda bevatten, het vermogen chloornatrium te
ontleden? Levert de zwarte, stinkende modder, zoo rijk aan organische
stof, de zwavel en laatstelijk het zwavelzuur?
Twee dagen later reed ik opnieuw naar de haven, toen mijn metgezel,
dezelfde van vroeger, niet ver van de plaats onzer bestemming drie
ruiters over de vlakte zag rennen. Onmiddellijk steeg hij af, en hen
opmerkzaam gadeslaande, zeide hij:
"Zij rijden als Christenen; en niemand mag uit het fort!"
De drie jagers vereenigden zich en stegen van hunne paarden. Eindelijk
sprong er een weer in den zadel en reed over den heuvel uit het
gezicht.
"Wij moeten nu ook weer te paard. Laad uw pistool!" zeide mijn
metgezel, terwijl hij naar zijn zwaard keek.
"Zijn dat Indianen?" vroeg ik.
"Quien sabe?" [70] Zoo het er niet meer dan drie zijn, heeft het niet
veel te beteekenen."
Toen viel mij in, dat de eene ruiter waarschijnlijk over den heuvel
was gegaan om de rest van den troep te halen; welk vermoeden ik mijn
makker mededeelde. Doch al wat ik ten antwoord kreeg was:
"Quien sabe?"
Langzaam en zonder tusschenpoozen verkende zijn oog den verren
horizon. Daar ik zijne buitengewone koelheid voor een overdreven grap
hield, vroeg ik hem waarom wij niet naar huis terugkeerden. Ik schrok
toen hij antwoordde:
"Wij keeren terug, maar in eene richting die dicht langs een moeras
gaat. Hierin kunnen wij onze paarden laten galoppeeren zoover zij
kunnen, en dan op onze eigen beenen vertrouwen. Zoo is er geen gevaar."
Ik vertrouwde daar niet zoo geheel op, en wilde onzen draf versnellen.
"Neen," sprak hij, "niet voordat zij het doen."
Als een kleine verhevenheid ons aan het oog onttrok, reden wij
stapvoets. Eindelijk bereikten wij een dal, sloegen links af en
draafden snel naar den voet van een heuvel. Mijn metgezel gaf mij zijn
paard om vast te houden, deed de honden knielen, en kroop op handen
en voeten rond om de ruiters te verkennen. In die houding bleef hij
eenigen tijd; maar eindelijk barstte hij in een gelach uit, en riep:
"Son mujeres!" (Het zijn vrouwen.)
Nu herkende hij in haar de vrouw en schoonzuster van den zoon van
den majoor, die naar struisvogeleieren zochten. Ik heb opzettelijk
het gedrag van dezen man beschreven, omdat hij handelde in de volle
overtuiging dat zij Indianen waren. Doch zoodra was deze dwaze
vergissing ontdekt, of hij noemde mij honderd redenen, waarom het
geen Indianen zijn konden. Op die oogenblikken had hij echter al deze
redenen vergeten. Wij reden daarop kalm en gerustgesteld naar een
hoog punt, Punta Alta genaamd, waar wij de groote haven van Bahia
Blanca bijna geheel konden overzien.
De uitgestrekte watervlakte wordt door talrijke groote modderbanken
verstopt, welke de inwoners Cangrejáles noemen, vanwege het aantal
kleine krabben. De modder is zoo week, dat het zelfs over zeer
korte afstanden onmogelijk is er over te loopen. Van vele banken is
de oppervlakte met hooge biezen bedekt, waarvan de toppen alleen
bij hoog water zichtbaar zijn. Eens, toen wij in eene boot zaten,
geraakten wij in deze ondiepten zoo verdwaald, dat wij er met veel
moeite weer uit kwamen. Er was niets te zien dan vlakke modderplaten;
de lucht was niet zeer helder en met sterke straalbreking, of, zooals
de zeelieden zeggen: "Een sterke kimrijzing." Het eenige niet vlakke
voorwerp, dat binnen het bereik van ons oog lag, was de horizon;
de biezen geleken op struiken die in de lucht hingen, het water op
modderbanken en de modderbanken op water.
Wij overnachtten op Punta Alta, waar ik mij bezighield met het zoeken
naar fossiele beenderen, wijl dit punt een waar graf is van monsters
van uitgestorven diersoorten. De avond was volkomen stil en helder,
en de uiterst eentonige aanblik der omgeving maakte hem aantrekkelijk
zelfs te midden van modderbanken en zeemeeuwen, van zandheuvels en
gieren. Toen wij des morgens terugreden, kruisten wij een zeer versch
spoor van een Puma, [71] maar konden hem niet vinden. Ook zagen
wij een paar Zorillo's of Peruaansche stinkdieren, die niet vaak
gevonden worden. Wat zijn voorkomen betreft, gelijkt de zorillo in
't algemeen op een bunzing, maar is iets grooter en naar verhouding
veel dikker. In het bewustzijn van zijne macht, zwerft hij bij dag
over de open vlakte en vreest menschen noch honden. Als een hond tot
den aanval wordt gedwongen, doen een paar druppels van de stinkende
olie, die een hevige ziekte en ettering uit den neus tengevolge
heeft, zijn moed terstond bekoelen. Wat eens er mede besmet wordt,
is voor altijd onbruikbaar. Azara zegt, dat de reuk op een league
afstand kan worden waargenomen; en meer dan eens, als wij de haven
van Montevideo bij landwind binnenvoeren, hebben wij den stank van
dit dier zelfs aan boord van de Beagle bemerkt. Een feit is 't,
dat elk dier den zorillo eerbiedig uit den weg gaat.
HOOFDSTUK V.
BAHIA BLANCA.
Den 24sten Augustus kwam de Beagle hier aan, en zeilde een week
later naar de Plata. Met goedvinden van kapitein Fitz-Roy werd ik
achtergelaten om over land naar Buenos Aires te reizen. Ik zal hier
eenige waarnemingen vermelden, die gedurende dit bezoek en bij eene
vorige gelegenheid, toen de Beagle met het opmeten van de haven bezig
was, gedaan werden.
Op enkele mijlen afstands van de kust behoort de vlakte tot de groote
Pampas-formatie, welke deels uit roode klei en deels uit een sterk
kalkhoudend mergelgesteente bestaat. Dichter bij de kust zijn eenige
vlakten gevormd uit het puin der bovenvlakte, alsmede uit modder,
kiezel en zand, die gedurende de langzame rijzing van het land door
de zee zijn opgeworpen. Een bewijs van die rijzing zien wij in de
drooggelegde lagen met jonge schelpsoorten, en de ronde puimsteenen die
over het land verspreid zijn. Op Punta Alta hebben wij eene doorsnede
van een dezer later gevormde kleine vlakten, die zeer belangwekkend
is om het aantal en het ongewone karakter der overblijfsels van
reusachtige landdieren, welke hier bedolven liggen. Deze zijn door
Prof. Richard Owen uitvoerig beschreven in de Dierkunde van de Reis
van de Beagle, en berusten bij het College of Surgeons. Ik zal hier
slechts eene korte schets geven van hunne geaardheid.
Ten eerste: stukken van drie hoofden en andere beenderen van het
Megatherium, welks groote afmetingen door den naam worden uitgedrukt
[72]--Ten tweede: de Megalonyx, een groot daaraan verwant dier--Ten
derde: het Scelidotherium, [73] eveneens een verwante soort, waarvan
ik een bijna volledig skelet vond. Het moet bijna zoo groot geweest
zijn als een rhinoceros; in den bouw van zijn hoofd komt het, volgens
Richard Owen, het dichtst bij den Kaapschen Miereneter (Myrmecophaga);
maar in enkele andere opzichten komt het met de armadillen overeen
[74]--Ten vierde: de Mylodon Darwinii, een naverwant geslacht van
weinig mindere grootte--Ten vijfde: een andere reusachtige viervoeter,
ook tot de Edentata of Tandeloozen behoorende--Ten zesde: een groot
dier met een beenachtig, in vakken verdeeld pantser, dat veel van
een armadil wegheeft--Ten zevende: een uitgestorven paardensoort,
waarop ik nader zal terugkomen--Ten achtste: een tand van een tot de
Pachydermata of Dikhuidigen behoorend dier, waarschijnlijk hetzelfde
als de Macrauchenia: [75] een zeer groot dier met een langen hals,
evenals een kameel, waarop ik eveneens zal terugkomen--Eindelijk:
de Toxodon, een der zonderlingste dieren welke ooit ontdekt zijn; in
grootte evenaarde het een oliphant of megatherium, maar de bouw zijner
tanden--gelijk Owen opmerkt--getuigt onwederlegbaar, dat het nauw aan
de Knaagdieren verwant was, de orde die tegenwoordig het meerendeel
der kleinste viervoetige dieren omvat. In vele opzichten is het aan de
Pachydermata verwant; naar den stand zijner oogen, ooren en neusgaten
te oordeelen, was het vermoedelijk een waterdier, gelijk de doegong
(Halicore) of manati (Manatus), waaraan het eveneens verwant is. [76]
Hoe wonderlijk scherp zijn thans de verschillende orden gescheiden, die
in den bouw van den Toxodon op verschillende wijzen vereenigd waren!
Men vond de overblijfselen dezer 9 groote viervoeters, met vele
losse beenderen, binnen eene ruimte van omtrent 200 vierkante yards
in den bodem van het strand bedolven. Het is een merkwaardig feit,
dat zooveel verschillende species bijeen gevonden worden, en getuigt
hoe veelsoortig de oude bewoners van dit land moeten geweest zijn. Op
ongeveer 30 mijlen afstand van Punta Alta, vond ik in eene kliprots
van roode aarde verscheidene brokstukken van beenderen: enkele van
aanzienlijke grootte. Daaronder waren de tanden van een knaagdier,
welke in grootte zeer op die van de Capybara geleken, wier gewoonten
wij reeds vroeger beschreven hebben, en dat dus waarschijnlijk een
waterdier was. Ook was er een stuk van het hoofd van een Ctenomys:
eene soort, die van den tucutuco verschilde, doch er in 't algemeen
zeer op geleek. De roode aarde, evenals die van de Pampas waarin deze
overblijfsels bedolven waren, bevat, volgens Prof. Ehrenberg, acht
zoetwater- en één zoutwater-infusie-diertjes, en was dus waarschijnlijk
een riviermond-bezinksel.
De overblijfsels te Punta Alta waren in gelaagd kiezelzand en rooden
modder begraven, juist zooals de zee thans op een ondiepen oever
zou kunnen neerslaan. Zij lagen dooreen met 23 soorten schelpen,
waarvan 13 nieuwere en 4 andere, die nauw aan nieuwere vormen verwant
waren. Of de zes overige uitgestorven of eenvoudig onbekend zijn,
is onzeker, wijl op deze kust nog weinig schelpdierenverzamelingen
gehouden zijn geworden. Daar echter de jongere soorten in nagenoeg
dezelfde getalverhouding bedolven lagen met die welke nu in de baai
leven, geloof ik dat er weinig twijfel bestaat of deze laag behoort
tot een zeer jonge tertiaire formatie. Uit het feit, dat de beenderen
van het Scelidotherium (waaronder zelfs de knieschijf of patella) in
hunne juiste standen begraven waren, en dat het beenachtig pantser
van het groote armadil-achtige dier tegelijk met de beenderen van
een zijner pooten zoo goed bewaard zijn gebleven, mogen wij veilig
besluiten, dat deze overblijfsels versch en door hunne ligamenten
verbonden waren, toen zij met de schelpen in het kiezel werden
afgezet. Bijgevolg hebben wij goede bewijzen, dat de bovengenoemde
reusachtige viervoeters, die meer van de tegenwoordige verschillen
dan de oudste tertiaire viervoeters in Europa, leefden toen de zee
met de meeste harer tegenwoordige bewoners bevolkt was; en hebben wij
die merkwaardige wet bevestigd, waarop Charles Lyell zoo vaak gewezen
heeft: namelijk: dat de levensduur der soorten bij de Zoogdieren over
het geheel korter is dan die der Testacea of schelpdieren. [77]
De aanzienlijke grootte van de beenderen der Megatheroida (waartoe
het Megatherium, Megalonyx, Scelidotherium en Mylodon behooren),
is inderdaad verrassend. De leefwijzen dezer dieren brachten
natuuronderzoekers geheel in verlegenheid, totdat Prof. Owen het
vraagstuk onlangs met merkwaardige scherpzinnigheid oploste. [78] De
tanden bewijzen door hun eenvoudigen bouw, dat deze Megatheroida van
plantenvoedsel leefden, en waarschijnlijk van de bladeren en kleinere
takken van boomen. Hunne zware lichaamsvormen en groote, sterke
gekromde klauwen [79] schijnen zoo weinig voor locomotie of verandering
van plaats geschikt, dat enkele uitnemende natuuronderzoekers
werkelijk gemeend hebben, dat zij, evenals de Luiaards, waaraan
zij nauw verwant zijn, hun voedsel zochten door achterwaarts uit de
boomen te klimmen, en de bladeren er van te eten. Het was een stout,
om niet te zeggen ongerijmd denkbeeld aan te nemen, dat er vóór het
Diluvium zelfs boomen bestaan hebben, waarvan de takken sterk genoeg
geweest zouden zijn om dieren te dragen, zoo groot als oliphanten. [80]
Prof. Owen gelooft met veel meer waarschijnlijkheid, dat deze dieren,
in plaats van in boomen te klimmen, de takken tot zich omlaag trokken,
en de kleinere bij de wortels afbraken, om zich zoo met de bladeren
te voeden. De kolossale breedte en zwaarte van hunne achterdeelen,
die men zich moeilijk kan voorstellen zonder ze gezien te hebben,
worden, van dit standpunt gezien, een blijkbaar voordeel in plaats van
een last; hunne schijnbare logheid of plompheid verdwijnt. Met hunne
groote staarten en reusachtige hielen evenals een drievoet stevig op
den grond staande, konden zij al de kracht hunner geweldige armen
en groote klauwen vrijelijk gebruiken. Inderdaad, sterke wortels
moet de boom gehad hebben, die aan zulke kracht weerstand bood! De
Mylodon bezat daarenboven eene zeer rekbare tong, evenals de giraffe,
welke aldus, door een van die schoone voorzorgen der natuur, met zijn
langen hals zijn bladvoedsel bereikt. Ik moet hierbij opmerken, dat,
volgens Bruce, de oliphant in Abyssinië, als hij de bladeren met zijn
snuit niet kan bereiken, met zijn slagtanden diepe inkervingen maakt
in den stam van den boom, op en neer en overal in 't rond, totdat de
boom genoegzaam verzwakt is om te worden doorgebroken.
De lagen, die bovengenoemde versteende resten bevatten, liggen
slechts 15 tot 20 voet boven hoogwaterpeil; indien er dus geen
tusschenperiode van daling geweest is (waarvan wij geen bewijs hebben),
is de landrijzing, sedert de groote viervoeters over de omringende
vlakten zwierven, gering geweest, en moet het uiterlijk voorkomen van
het land destijds bijna hetzelfde geweest zijn als nu. Hoedanig--zoo
vraagt men natuurlijk allicht--was het karakter der plantenwereld in
dat geologisch tijdperk? Was het land even ellendig onvruchtbaar, als
het nu is? Daar zoovele van de mede begraven schelpdieren dezelfde
zijn als die welke thans in de baai leven, was ik eerst geneigd te
gelooven, dat de voormalige plantengroei vermoedelijk gelijk was aan
de bestaande. Maar dit zou eene verkeerde gevolgtrekking geweest zijn;
want eenige van deze zelfde schelpdieren leven aan de plantenrijke kust
van Brazilië; en in 't algemeen is het karakter der zeebewoners een
onbruikbare gids ter beoordeeling van de landbewoners. Toch geloof ik
niet, op grond van de volgende overwegingen, dat het feit dat vele
reusachtige viervoeters op de vlakte rondom Bahia Blanca geleefd
hebben, op zichzelf een veilige grond is voor de onderstelling, dat
zij vroeger met een weligen plantengroei bedekt waren. Ik twijfel niet,
of de dorre, eenigszins zuidelijk bij de Rio Negro gelegen landstreek
met hare doornige verspreide boomen, zou vele en groote viervoeters
kunnen onderhouden.
Dat groote dieren een weligen plantengroei vereischen, is eene
algemeene onderstelling geweest, die van het eene boek in het andere is
overgegaan; maar ik aarzel niet te zeggen, dat zij geheel valsch is, en
dat zij het oordeel der geologen over eenige punten van groot belang in
de oude geschiedenis der wereld ongeldig heeft gemaakt. Waarschijnlijk
is het vooroordeel afkomstig uit Indië en de Indische eilanden,
waar troepen oliphanten, maagdelijke wouden en ondoordringbare
dsjungels [81] in ieders geest samengaan. Nemen wij echter het een
of ander werk over reizen in de zuidelijke streken van Afrika ter
hand, dan zullen wij op bijna elke bladzijde zinspelingen vinden
op het woestijnachtige karakter der streek, of op het aantal groote
dieren die haar bewonen. Hetzelfde blijkt uit de vele teekeningen,
welke van verschillende deelen uit het binnenland in 't licht zijn
gegeven. Toen de Beagle in Kaapstad was, deed ik een uitstapje van
eenige dagen het land in, dat minstens voldoende was om hetgeen ik
gelezen had duidelijker te maken.
Andrew Smith, die aan het hoofd van zijn vermetelen troep er
onlangs in geslaagd is den Steenbokskeerkring te passeeren, bericht
mij, dat, zoo men het zuidelijk deel van Afrika in zijn geheel
beschouwt, er geen twijfel kan bestaan dat het een dor land is. Aan
de zuidelijke en zuidoostelijke kusten zijn eenige fraaie wouden;
maar deze uitgezonderd, kan de reiziger dagen lang door open vlakten
trekken, die met een armen en schralen plantengroei bedekt zijn. Het
is moeilijk een juist denkbeeld te geven van vergelijkende trappen
van vruchtbaarheid; doch veilig kan men zeggen, dat de rijkdom der
plantenwereld welken Groot-Brittannië op zekeren tijd [82] bezit,
dien van eene gelijke oppervlakte in de binnenlanden van Zuid-Afrika
misschien zelfs tienmaal overtreft. Het feit, dat ossenwagens in elke
richting kunnen rijden, behalve in de nabijheid der kust, zonder meer
dan een half uur oponthoud nu en dan voor het weghakken van struiken,
geeft misschien een duidelijker begrip van de schaarschheid van den
plantengroei.
Werpen wij nu een blik op de dieren, die deze wijde vlakten bewonen,
dan zullen wij hen vinden in buitengewoon groot aantal, gepaard aan
een reusachtig volume. Wij noemen hier den oliphant; drie soorten
rhinoceros (en volgens Dr. Smith nog twee andere); het nijlpaard;
de giraffe; den Zuid-Afrikaanschen os (Bos caffer), zoo groot als een
volwassen stier; den weinig minder grooten eland; twee zebra's; den
quagga (paard-zebra); twee gnoe's (paard- of stierhert) en verscheidene
antilopen, die zelfs grooter zijn dan de laatstgenoemde dieren. Nu
zou men wellicht denken, dat, ofschoon de species talrijk zijn, het
aantal individuën van elke soort gering is. Door de welwillendheid
van Dr. Smith ben ik in staat aan te toonen, dat dit niet het geval
is. Hij bericht mij, dat hij op 24° breedte gedurende ééne dagreis met
de ossenwagens, zonder zich ver naar links of naar rechts te begeven,
tusschen de 100 en 150 rhinocerossen zag, welke tot drie soorten
behoorden. Denzelfden dag zag hij verscheidene kudden giraffen, te
zamen ongeveer een honderdtal; en ofschoon geen oliphant gezien werd,
waren zij toch in dat district te vinden. Op weinig meer dan een
uur gaans van hunne legerplaats van den vorigen nacht, doodde zijn
gezelschap op ééne plek acht nijlpaarden en zag er nog verscheidene
meer. In dezelfde rivier waren ook krokodillen. Natuurlijk was
het een zeer buitengewoon geval zooveel groote dieren bijeen te
zien; maar blijkbaar bewijst het, dat zij er in groot aantal moeten
bestaan. Dr. Smith beschrijft het land, waardoor hij dien dag reisde,
als dun bedekt met gras, met struiken van omtrent vier voet hoogte,
en nog dunner met mimosa-boschjes. Niets belette den wagens in bijna
rechte lijn voort te gaan.
Behalve deze groote dieren, heeft elk die ook maar even met de
natuurlijke historie van de Kaap bekend is, gelezen van de groote
kudden antilopen, welke alleen bij zwermen trekvogels te vergelijken
zijn. Voorts pleit het aantal leeuwen, panthers en hyena's,
alsook de menigte roofvogels duidelijk voor den overvloed der
kleinere viervoetige dieren. Op één avond telde men zeven leeuwen,
die tegelijk om de legerplaats van Dr. Smith slopen. Zooals deze
bekwame natuuronderzoeker mij opmerkte, moet het dagelijksch bloedbad
in Zuid-Afrika schrikbarend groot zijn! Ik beken, dat het werkelijk
verrassend is hoe zulk een menigte dieren bestaan kan vinden in een
land, dat zoo weinig voedsel voortbrengt. De grootere viervoeters
zwerven ongetwijfeld door uitgebreide streken om het te zoeken, en
hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit laaghout, dat waarschijnlijk
veel voedsel in een klein volume bevat. Ook bericht Dr. Smith mij, dat
de plantenwereld een snellen groei heeft; nauwelijks is een gedeelte
verbruikt, of een nieuwe voorraad neemt zijn plaats in. Er kan echter
geen twijfel bestaan, of onze ideeën over de schijnbare hoeveelheid
voedsel, noodig voor het onderhoud van groote viervoeters, zijn
zeer overdreven. Laat ons bedenken, dat de kameel, een dier van geen
geringe grootte, steeds als het zinnebeeld der woestijn beschouwd is.