Mr. Harris, een te Patagones wonend Engelschman, een gids en vijf

Gauchos, die zich naar het strijdvoerende leger begaven, waren mijne

reisgenooten. Zooals ik reeds zeide, ligt de Colorado omstreeks

80 mijlen ver; en daar wij langzaam reisden, waren wij twee en een

halven dag onder weg. De geheele streek die wij doortrokken, verdient

ternauwernood een beteren naam dan dien van woestijn. Water vindt

men er slechts in twee kleine putten en heet "frisch;" maar zelfs in

dezen tijd van het jaar--het regenseizoen--was het geheel brak. Des

zomers moet het hier een ellendige tocht zijn, want nu was hij al

mistroostig genoeg. Het dal van de Rio Negro is, ondanks zijn breedte,

geheel in de zandsteenvlakte uitgehold; want onmiddellijk boven den

oever waarop de stad ligt, begint een vlakke landstreek, die slechts

door enkele onbeduidende dalen en ondiepten wordt afgebroken. Overal

heeft het landschap hetzelfde dorre aanzien: een droge grofzandige

grond waarop bosjes bruin verweerd gras, en laag verspreid struikgewas

met doorns gewapend.

Kort nadat wij de eerste bron voorbij waren, kregen wij een

vermaarden boom in zicht, dien de Indianen als het altaar van Walleechu

vereeren. Hij ligt op een hoog gedeelte der vlakte en is dus eene baak,

die op grooten afstand zichtbaar is. Zoodra een Indianenstam hem in

't oog krijgt, beginnen zij hem met luide kreten te aanbidden. De

boom zelf is laag, doch vertakt en doornig; vlak boven den wortel

heeft hij eene middellijn van omstreeks drie voet. Hij staat geheel

alleen zonder buurman, en was werkelijk de eerste boom dien wij zagen;

later ontmoetten wij enkele andere van dezelfde soort; maar zij waren

verre van algemeen. Daar het winter was, had de boom geen bladeren;

doch in plaats hiervan tallooze draden, waaraan de verschillende

offeranden, als: sigaren, brood, vleesch, stukken doek, enz. waren

opgehangen. Arme Indianen, die niets beters hebben, trekken alleen

een draad uit hunne poncho's, en hechten dien aan den boom. Rijkere

Indianen zijn gewoon geestrijke dranken en maté in eene bepaalde

opening te gieten, en tabaksrook omhoog te blazen, in de meening

Walleechu zoodoende alle mogelijke genot te verschaffen. Om het

schouwspel te voltooien, was de boom door de gebleekte beenderen

van paarden omringd, die als offers geslacht waren geworden. Alle

Indianen van elken leeftijd en beide seksen brengen hunne offeranden;

zij denken dan, dat hunne paarden niet moede zullen worden en dat

zij zelven voorspoedig zullen zijn. De Gaucho die dit alles vertelde,

zeide, dat hij dit schouwspel in vredestijd gezien had, en dat hij en

anderen gewoon waren te wachten tot de Indianen hunne hielen hadden

gelicht, om dan de offeranden van Walleechu te stelen.

De Gauchos denken, dat de Indianen den boom als den God zelven

beschouwen; maar het schijnt veel aannemelijker, dat zij hem voor het

altaar aanzien. De eenige reden die ik voor deze keus bedenken kan is,

dat de boom een baken is op een gevaarlijken tocht. De Sierra de la

Ventana is op zeer verren afstand zichtbaar; en een Gaucho vertelde

mij, dat hij eens enkele mijlen ten noorden van de Rio Colorado

met een Indiaan reed, toen deze plotseling hetzelfde luide geraas

begon te maken, dat op het eerste gezicht van den verwijderden boom

gebruikelijk is; tegelijk hield hij de hand voor het hoofd en wees

in de richting van de Sierra. Naar de reden hiervan gevraagd, zeide

de Indiaan in gebrekkig Spaansch: "Zie voor het eerst de Sierra."

Omstreeks twee leagues voorbij dezen zeldzamen boom hielden wij halt om

te overnachten. Op dit oogenblik kregen de scherpziende Gauchos eene

ongelukkige koe in het oog, die zij in vollen ren achterna snelden,

weinige minuten later met hunne lazos binnensleepten en daarna

slachtten. Wij hadden hier de vier levensbehoeften "en el campo,"

nl. gras voor de paarden, water (slechts een modderpoel), vleesch

en brandstof. De Gauchos waren hoogst vernuftig in het vinden van al

deze weelde, en weldra begonnen wij de arme koe op te peuzelen. Dit

was de eerste nacht dien ik onder den blooten hemel doorbracht,

met het gareel van mijn zadel als bed. Er ligt een groot genot in

het onafhankelijke leven van den Gaucho, waar deze elk oogenblik

zijn paard kan laten stilstaan en zeggen: "Hier zullen wij den nacht

doorbrengen." De doodsche stilte der vlakte, de wakende honden, de

zigeuner-gestalten der Gauchos, die om het vuur hun leger opsloegen,

hebben het beeld van dien eersten nacht zoo diep in mijne ziel gegrift,

dat ik het nimmer zal vergeten.

Den volgenden dag vertoonde het land weer hetzelfde gelijkvormige

karakter, als boven is omschreven. Het wordt bewoond door enkele vogels

of dieren van iedere soort. Nu en dan kan men een hert of guanaco

(wilde lama of schaapkameel) zien; maar het Aguti (Cavia Patagonica)

[64] is de meest voorkomende viervoeter. Dit dier vertegenwoordigt

hier onze hazen, doch verschilt van deze in vele belangrijke punten, en

heeft bijv. slechts drie teenen aan de achtervoeten. Ook is het bijna

tweemaal zoo groot, bij een gewicht van 20 tot 25 Eng. ponden. Het

aguti is een getrouw vriend der woestijn; zoo is het iets gewoons

in dit landschap twee of drie in eene rechte lijn snel achter

elkander over deze woeste vlakten te zien springen. Men vindt hen

noordwaarts tot aan de sierra Tapalguen (37°30' breedte), waar de

vlakte plotseling groener en vochtiger wordt; en hunne zuidelijke

grens ligt tusschen Port Desiré en St.-Julian, waar de natuur van

het land niet verandert. Het is een zonderling feit, dat, hoewel

het aguti thans niet zoover zuidelijk als Port St.-Julian voorkomt,

kapitein Wood op zijne reis in het jaar 1670 zegt, dat zij daar

talrijk waren. Welke oorzaak kan het trekgebied van zulk een dier

in een uitgestrekt, onbewoond en schaars bezocht land veranderd

hebben? Ook blijkt uit het aantal door kapitein Wood op één dag

te Port Desiré geschoten stuks, dat zij daar vroeger aanmerkelijk

talrijker moeten geweest zijn dan nu. Daar, waar de bizcacha [65]

leeft en zijn hol maakt, maakt het aguti er gebruik van; waar echter,

zooals te Bahia Blanca, de bizcacha niet gevonden wordt, graaft het

aguti voor zichzelf. Hetzelfde gebeurt met den kleinen Pampas-uil

(Athene cunicularia), waarvan de beschrijving zoo dikwijls gezegd

heeft, dat hij als schildwacht aan den ingang der holen staat;

want in Oost-Banda is deze vogel, bij afwezigheid van de bizcacha,

verplicht zijn eigen woning te graven.

Toen wij den volgenden morgen de Rio Colorado naderden, veranderde

de aanblik van het landschap. Weldra kwamen wij aan eene met gras

bedekte vlakte, die om hare bloemen, hooge klaver en kleine uilen

op de Pampas geleek. Ook trokken wij door een slijkmoeras van

aanzienlijke uitgestrektheid, dat des zomers opdroogt en met eene

korst van verschillende zouten bedekt wordt; om die reden draagt het

den naam van salitrál. Nu was het bedekt met lage sappige planten,

van gelijke soort als die aan het zeestrand groeien.

Ter plaatse waar wij de Colorado overtrokken, is de rivier slechts

60 yards breed; doch in 't algemeen moet hare breedte het dubbele

bedragen. Haar loop is zeer bochtig en slingert zich tusschen

wilgeboomen en rietbanken. Naar men zegt is de afstand tot den

mond der rivier in rechte lijn negen leagues, maar te water vijf en

twintig. Toen wij in booten de rivier overstaken, werden wij door

talrijke troepen merriën opgehouden, die over de rivier zwommen

om eene afdeeling soldaten naar het binnenland te volgen. Koddiger

schouwspel heb ik nooit gezien dan die honderden en honderden koppen,

alle naar één kant gericht, met gespitste ooren, snuivende, gezwollen

neusgaten, en even boven het water uitstekende als een groote school

van eene of andere amphibie. Merrievleesch is het eenige voedsel,

dat de soldaten hebben als zij op expeditie zijn. Dit verschaft hun

eene groote gemakkelijkheid van beweging, aangezien paarden zeer ver

over deze vlakten gedreven kunnen worden. Men verzekerde mij, dat een

onbelast paard vele dagen achtereen honderd mijlen daags kan afleggen.

Het kamp van generaal Rosas lag dicht bij de rivier, en vormde een

vierkant van wagens, kanonnen, stroohutten, enz. De manschappen waren

bijna allen cavaleristen; maar ik geloof, dat er nooit een leger

heeft bestaan zoo schelm- en bandietachtig als dit. Het meerendeel der

soldaten was van gemengd ras, van Negers, Indianen en Spanjaarden. Ik

weet niet waarom, maar lieden van dergelijke afkomst hebben zelden

eene gunstige gelaatsuitdrukking. Ik vroeg naar den officier van

administratie om mijn paspoort te toonen. Deze begon mij op de

hooghartigste en geheimzinnigste manier te ondervragen. Gelukkig

had ik een aanbevelingsbrief van het gouvernement te Buenos Aires

aan den commandant van Patagones. [66] Deze brief werd naar generaal

Rosas gebracht, die mij eene zeer beleefde boodschap zond, welke de

officier mij lachend en hoffelijk overbracht. Wij namen onzen intrek

in den rancho of hoeve van een merkwaardigen ouden Spanjaard, die

onder Napoleon op diens tocht naar Rusland gediend had.

Wij toefden twee dagen aan de Rio Colorado. Ik had hier weinig te doen,

want het omringende land was een moeras, dat des zomers (December),

als de sneeuw op de Cordilleras smelt, door de rivier overstroomd

wordt. Mijne voornaamste bezigheid bestond in het gadeslaan van de

Indiaansche gezinnen, als zij in den rancho, waar wij logeerden,

kleine artikelen kwamen koopen. Er werd ondersteld, dat generaal

Rosas omstreeks 600 Indiaansche bondgenooten had.

Deze Indianen behoorden tot een lang, fraai ras; doch later was aan

de Vuurlandsche wilden gemakkelijk te zien, hoezeer koude, gebrek

aan voedsel en geringere beschaving hetzelfde voorkomen afschuwelijk

maakten. Sommige schrijvers hebben in hunne bepaling van de eerste

menschenrassen deze Indianen in twee klassen verdeeld; maar dit is

zeker niet nauwkeurig. Onder de jonge vrouwen of chinas verdienden

enkele zelfs den naam van "schoon." Heur haar was grof, doch zwart

en glanzend, en zij droegen het in twee vlechten die tot aan het

middel hingen. Zij hadden eene hooge kleur en schitterende, fonkelende

oogen; hare beenen, voeten en armen waren klein en sierlijk gevormd;

hare enkels en soms hare middels prijkten met breede braceletten of

blauwe kralen. Geen belangwekkender schouwspel dan enkele van deze

gezinnen bijeen te zien. Eene moeder kwam dikwijls met een of twee

dochters op hetzelfde paard gezeten, naar onzen rancho. Zij reden

als mannen, maar met de knieën hooger opgetrokken. Deze gewoonte komt

misschien hieruit voort, dat zij bij het reizen steeds de lastpaarden

berijden. De vrouwen zijn verplicht de paarden te laden en te ontladen,

de tenten op te slaan voor den nacht, in 't kort, om als de vrouwen

van alle wilden, nuttige slavinnen te zijn.

De mannen vechten, jagen, zorgen voor de paarden en maken het

rijgarnituur. Een hunner voornaamste bezigheden thuis is, twee

steenen zoolang tegen elkander te slaan, dat zij rond worden, om

daarvan bolas te maken. Met dit belangrijke wapen vangt de Indiaan

zijn wild, en ook zijn paard, dat vrij over de vlakte zwerft. In het

gevecht is zijne eerste poging het paard van zijn tegenstander met

de bolas te doen neertuimelen; en als deze door den val in de klem

raakt, hem met den chuzo te dooden. Grijpen de bolas slechts den hals

of het lichaam van een dier, zonder meer, dan worden zij den werper

dikwijls uit de handen gerukt en zijn verloren. Daar het afronden van

de steenen twee dagen werk eischt, is de vervaardiging daarvan eene

zeer gewone bezigheid. Verscheidene mannen en vrouwen hadden rood

geverfde gezichten; maar nooit zag ik de horizontale strepen, die

zoo algemeen zijn onder de Vuurlanders. Hun voornaamste trots is om

alles van zilver te hebben. Ik heb een cacique gezien, wiens sporen,

stijgbeugels, mesgreep en toom van dit metaal waren; hoofdstel en

teugels bestonden uit zilverdraad, niet dikker dan zweeptouw. Het

was een fraai gezicht een vurigen Indiaanschen hengst onder zulk

een schitterend tooisel te zien zwenken, wat aan de rijkunst een

merkwaardig kenmerk van sierlijkheid gaf.

Generaal Rosas gaf zijn wensch te kennen mij te zien--eene

omstandigheid waarover ik later zeer verheugd was. Hij is een man van

buitengewoon karakter, en heeft een zeer overwegenden invloed in het

land, dien hij waarschijnlijk tot voorspoed en ontwikkeling ervan

zal aanwenden. [67] Naar men zegt, is hij eigenaar van 74 vierkante

leagues land en ongeveer 300000 stuks vee. Zijne landgoederen worden

voortreffelijk bestuurd en leveren veel meer koren op dan die van

anderen. Hij kreeg het eerst zijne vermaardheid door zijne wetten

voor zijn eigen landgoederen en door het onder tucht houden van

verscheidene honderden manschappen, waardoor hij in staat was de

aanvallen der Indianen met goed gevolg te weerstaan. Er zijn vele

verhalen in omloop over de ruwe manier waarop zijne wetten werden

toegepast. Een dezer was, dat niemand, op straffe van in het blok

te worden gesloten, des Zondags zijn mes mocht dragen; want daar

dit de voornaamste dag was voor dobbelen en drinken, ontstonden vele

twisten, die, wegens de algemeene gewoonte om met het mes te vechten,

dikwijls noodlottig eindigden. Op zekeren Zondag kwam de Gouverneur

in groot tenue de estáncia bezoeken. Deze onverwachte gebeurtenis

verraste generaal Rosas zoozeer, dat hij door den haast, waarin hij

den Gouverneur tegemoet ging, vergat zijn mes thuis te laten, dat naar

gewoonte in zijn gordel stak. De rentmeester tikte hem daarom op den

schouder en herinnerde hem aan de wet; waarop de generaal zich tot

den Gouverneur wendde, zeggende, dat het hem zeer speet, maar dat hij

in het blok moest en zelfs in zijn eigen huis geen macht had voordat

hij er weer uit kwam. Na een poos haalde men den rentmeester over

het blok te openen en den generaal vrij te laten; maar nauwelijks was

dit gebeurd, of Rosas keerde zich tot den rentmeester met de woorden:

"Nu hebt gij de wet overtreden en moet daarom mijne plaats in het blok

innemen." Dergelijke handelingen vielen in den smaak der Gauchos, die

allen een hoogen dunk hebben van hunne eigen waardigheid en gelijkheid.

Generaal Rosas is ook een uitstekend ruiter--eene eigenschap van

geen geringe beteekenis in een land, waar een op de been gebracht

leger zijn generaal koos door de volgende proef. Een troep ongetemde

paarden werd in een corrál gedreven en door een poort, waarboven een

dwarsbalk hing, weer uitgelaten. Nu werd overeengekomen, dat wie van

den balk op een dezer paarden kon springen, terwijl het naar buiten

snelde, en in staat was zonder zadel of toom het niet alleen te

berijden, maar ook naar de deur van den corrál terug te brengen--hun

generaal zou zijn. De persoon, die daarin slaagde, werd dan gekozen

en vormde ongetwijfeld een geschikt generaal voor zulk een leger. Deze

buitengewone daad was ook door Rosas volbracht.

Hierdoor en omdat hij zich in kleeding en gewoonten naar de Gauchos

schikte, heeft hij eene onbeperkte volksgunst in het land verworven,

en bijgevolg eene gebiedende macht. Een Engelsch koopman verzekerde

mij, dat een man, die een ander vermoord had, bij zijne gevangenneming

en toen hem naar de reden van zijn daad gevraagd werd, antwoordde:

"Hij sprak op oneerbiedige wijze over generaal Rosas; daarom doodde

ik hem." Een week later werd de moordenaar in vrijheid gesteld,

hetgeen zonder twijfel een daad was van de partij van den generaal,

en niet van dezen zelf.

In gesprek is hij vol geestdrift, lichtgeraakt en zeer ernstig. Zijn

ernst gaat zelfs zeer ver. Ik hoorde een van zijne hofnarren (want

hij houdt er twee, zooals voorheen de baronnen), de volgende anecdote

vertellen:

"Ik was zeer verlangend zeker muziekstuk te hooren, en zoo ging

ik twee- of driemaal naar den generaal om hem dit te vragen. Hij

antwoordde: "Ga aan uw werk, want ik ben bezig." Ik kwam voor de tweede

maal; toen zeide hij: "Als ge nog eens komt, zal ik u straffen." Toen

ik voor de derde maal vroeg, begon hij te lachen. Ik sidderde en

snelde de tent uit; maar het was te laat. Hij beval twee soldaten mij

te grijpen en op de palen te leggen. Ik smeekte bij alle heiligen in

den hemel mij te laten gaan; maar hij gaf niet toe. Als de generaal

lacht, spaart hij narren noch wijzen."

De arme grappenmaker keek zeer verdrietig bij de herinnering aan

die straf. Deze is werkelijk zeer streng: vier palen worden in den

grond geslagen, en daarop legt men den man met de armen en beenen in

horizontalen stand, en laat hem zoo verscheidene uren liggen. Het

denkbeeld is blijkbaar ontleend aan de gewone manier om huiden te

drogen. Mijn gesprek met den generaal verliep zonder een enkelen

glimlach; en ik kreeg een paspoort en een bevel voor rijks-postpaarden,

welke beide stukken mij op de vriendelijkste en bereidwilligste manier

gegeven werden.

Des morgens vertrokken wij naar Bahia Blanca, dat wij in twee dagen

bereikten. Toen wij het legerkamp verlieten, trokken wij voorbij de

toldos der Indianen. Deze zijn rond, als ovens, en met huiden overdekt;

bij den ingang van elke tent was een spits toeloopende chuzo in den

grond gestoken. De toldos waren in afzonderlijke groepen verdeeld,

welke tot de stammen der verschillende caciquen behoorden; en de

groepen wederom in kleinere, naar gelang van de bloedverwantschap

der eigenaars. Vele mijlen ver reisden wij door het dal van de Rio

Colorado. De alluviale vlakten aan den kant schenen vruchtbaar en deden

vermoeden, dat zij wel geschikt zijn voor den groei van koren. Van de

rivier noordwaarts gaande, kwamen wij spoedig in eene streek, die van

de vlakten ten zuiden der rivier verschilde. Wel was het land nog droog

en onvruchtbaar, maar het bevatte vele verschillende plantensoorten;

en het gras, hoewel bruin en verweerd, werd overvloediger naarmate

de doornstruiken schaarscher werden. Na eene kleine uitgestrektheid

verdwenen deze laatsten geheel, en was de kale vlakte nergens met

eenig struikgewas bedekt. Deze verandering in plantengroei kenmerkt

het begin der groote mergelkalk-formatie, waaruit de uitgestrekte

ruimte der Pampas bestaat en die het granietgesteente van Oost-Banda

bedekt. [68] Van de Straat van Magelhaen tot de Rio Colorado--een

afstand van omtrent 800 mijlen--bestaat de oppervlakte van het land

alom uit grof zand en keisteenen. De keisteenen zijn hoofdzakelijk

porfier en danken hun ontstaan vermoedelijk aan de rotsen van de

Cordilleras. Ten noorden van de Rio Colorado neemt de dikte dezer

formatie af, en worden de steenen uiterst klein; tegelijk houdt hier

de karakteristieke plantengroei van Patagonië op.

Na omstreeks 25 mijl gereden te hebben, kwamen wij aan een breede

strook zandduinen, die zich, zoo ver het oog reikt, naar het oosten en

westen uitstrekt. Doordien deze zandheuvels op de klei rusten, doen

zij kleine waterpoelen ontstaan, en leveren zoodoende in dit droge

land een onwaardeerbaren toevoer van zoet water. Het groote voordeel,

dat uit holligheden en verhevenheden van den bodem voortvloeit, is

ons dikwijls niet duidelijk. De twee armzalige bronnen op den langen

tocht tusschen de Negro- en Colorado-rivieren waren een gevolg van

geringe oneffenheden in de vlakte; zonder deze zou geen druppel water

gevonden zijn. De strook zandduinen is omtrent acht mijlen breed,

en vormde waarschijnlijk in een vroeger tijdperk den rand van een

grooten riviermond, waar nu de Colorado vloeit. In dit district, waar

overtuigende bewijzen zijn van landrijzing in een niet lang verleden,

kunnen zulke beschouwingen moeilijk veronachtzaamd worden, al let men

ook alleen op de physisch geographische gesteldheid van het land. Na

de zandige streek te zijn doorgetrokken, kwamen wij des avonds aan een

der posthuizen; en daar de versche paarden op een afstand graasden,

besloten wij hier den nacht door te brengen.

Het huis was gelegen aan den voet eener tusschen de honderd en

tweehonderd voet hooge verhevenheid--een zeer merkwaardig verschijnsel

in deze streek. Deze post werd bestuurd door een neger-luitenant,

uit Afrika geboortig. Tot zijn eer moet gezegd worden, dat er tusschen

de Colorado-rivier en Buenos Aires geen enkele rancho zoo net in orde

was als de zijne. Hij had eene kleine kamer voor vreemdelingen, en een

kleinen corrál voor de paarden, alles van takken en riet gemaakt; ook

had hij eene gracht om zijn huis gegraven als middel van verdediging

bij mogelijke aanvallen. Dit zou echter weinig gebaat hebben indien er

Indianen waren gekomen; maar zijn voornaamste troost scheen te liggen

in de gedachte om zijn leven duur te verkoopen. Kort te voren was er

des nachts een troep Indianen voorbij gekomen; zoo deze het posthuis

hadden opgemerkt, zou onze zwarte vriend met zijne vier soldaten

ongetwijfeld zijn omgebracht. Nergens ontmoette ik een beleefder en

voorkomender man dan deze neger; en daarom was het des te grievender

te zien, dat hij niet met ons wilde aanzitten en samen eten.

Des morgens lieten wij zeer vroeg de paarden halen en zetten ons

andermaal in een opwekkenden galop. Wij reden voorbij de Cabeza

del Buey: een oude naam, die gegeven is aan den uitlooper van een

groot moeras, dat zich tot Bahia Blanca uitstrekt. Hier wisselden

wij van paarden en trokken eenige mijlen ver door slijklanden en

zoutmoerassen. Voor het laatst van paarden verwisselende, begonnen

wij opnieuw door den modder te waden. Plotseling viel mijn paard en

werd ik deerlijk in het zwarte slijk gedompeld--een zeer onaangenaam

voorval, als men niet in 't bezit van andere kleêren is. Eenige mijlen

van het fort ontmoetten wij een man, die ons vertelde, dat er een

groot kanon was afgevuurd, hetwelk een sein is dat er Indianen in de

buurt zijn. Onmiddellijk verlieten wij den weg en volgden den zoom

van een moeras, dat nog de beste gelegenheid tot vluchten biedt, als

men wordt nagezet. Tot onze blijdschap kwamen wij binnen de muren van

het fort, doch vernamen hier, dat al het alarm om niets was geweest,

daar de Indianen vreedzame lieden bleken te zijn, die naar Generaal

Rosas wilden gaan.

Bahia Blanca verdient ternauwernood den naam van dorp. Enkele huizen

en de barakken voor de troepen zijn door eene diepe gracht en een

versterkten wal omgeven. De nederzetting is nog van jonge dagteekening

(1828), en heeft bij hare ontwikkeling moeilijke dagen doorleefd. Het

gouvernement van Buenos Aires nam haar onrechtmatig met geweld in

bezit, in plaats van het wijze voorbeeld der Spaansche onderkoningen te

volgen, die het land bij de oudere nederzetting aan de Rio Negro van

de Indianen kochten. Vandaar de behoefte aan vestingwerken; vandaar

de weinige huizen en het weinige bebouwde land buiten de grenzen der

omwalling. Zelfs het vee is niet veilig voor de aanvallen der Indianen

buiten de grensscheidingen der vlakte waarop de vesting staat.

Wijl het punt van de haven waar de Beagle voornemens was te ankeren,

25 mijlen ver lag, kreeg ik van den commandant een gids en paarden mede

om te zien of het schip reeds was aangekomen. Bij het verlaten van de

groene grasvlakte, die zich langs den zoom van een beekje uitstrekte,

kwamen wij weldra in een wijde vlakke wildernis, bestaande uit zand,

zoutmoerassen of enkel modder. Sommige gedeelten waren met lage

kreupelbosschen bedekt, en andere met die sappige planten, welke

alléén tieren op plaatsen waar overvloed van zout is. In weerwil dat

het land slecht was, vloeide het over van struisvogels, herten, agutis

en armadillen of gordeldieren (Dasypus). Mijn gids vertelde mij, dat

hij twee maanden geleden er nauwelijks het leven had afgebracht; hij

jaagde met twee andere mannen niet ver van dit gedeelte van het land,

toen zij plotseling een troep Indianen ontmoetten, die hen nazetten,

weldra inhaalden en zijne twee vrienden doodden. Ook de pooten van

zijn eigen paard werden door de bolas gegrepen; maar hij sprong uit

den zadel en sneed het werptuig met zijn mes af. Terwijl hij dit

deed, was hij genoodzaakt om zijn paard heen te snellen, waarbij

hij twee ernstige wonden door hunne chuzos opliep. Weer in den zadel

springende, manoeuvreerde hij met verbazende vlugheid voor de lange

speren zijner vervolgers uit, die hem tot in 't gezicht van het fort

najoegen. Sedert dien tijd was er streng bevolen, dat niemand zich ver

van de nederzetting mocht verwijderen. Ik wist dit niet toen ik het

fort verliet, en had met verwondering gezien hoe ernstig mijn gids naar

een hert keek, dat geschrokken scheen door iets dat van verre opdook.

De Reis om de Wereld · 第 7 / 56 段