species. Hij is inderdaad omnivorus (allesetend), en zal zelfs brood
eten. Men verzekerde mij, dat hij aan de aardappeloogsten op Chiloë
werkelijke schade toebrengt door de wortels uit te roeien na het
eerste planten. Van alle aaseters is hij gewoonlijk de laatste, die
het geraamte van een dier verlaat; en dikwijls kan men hem tusschen
de ribben van een koe of paard zien, evenals een vogel in eene kooi.
Eene andere soort is de Polyborus Novae Zelandiae, die bijzonder
algemeen is op de Falklands Eilanden. In hunne gewoonten gelijken deze
vogels in vele opzichten op de Carrancha's. Zij leven van het vleesch
van doode dieren en van zeevoortbrengselen; en op de Ramirez-Rotsen
moet hun geheele bestaan afhangen van de zee. Zij zijn buitengewoon
mak en onbevreesd, en zwerven in den omtrek van huizen voor afval. Als
een jachtgezelschap een dier doodt, verzamelt zich spoedig een aantal
dezer vogels, die geduldig aan alle kanten van het terrein staan
te wachten. Na het eten worden hunne naakte kroppen ver naar voren
gestoken, hetgeen hun een walgelijk voorkomen geeft. Gewonde vogels
vallen zij dadelijk aan; een zeeraaf (Corvus marinus), die gewond
mee naar het strand was genomen, werd onmiddellijk door verscheidene
aangevallen, die door hunne slagen zijn dood verhaastten.
De Beagle was alleen gedurende den zomer bij de Falklands Eilanden;
maar de officieren van de Adventure, die er in den winter waren,
vertellen vele buitengewone staaltjes van de driestheid en roofzucht
dezer vogels. Stoutweg schoten zij neer op een hond, die bij een van
het gezelschap in diepen slaap lag; en de jagers hadden moeite om te
beletten, dat de gewonde ganzen voor hunne oogen werden weggerukt. Men
zegt, dat er verscheidene bij den ingang van een konijnenhol staan te
wachten (in dit opzicht gelijken zij op de Carrancha's) en gezamenlijk
het dier grijpen als het naar buiten komt. Zij vlogen voortdurend
aan boord van het schip zoolang dit in de haven lag; en men moest
goed uitkijken, dat zij het leder niet van het want of het vleesch
en wild van het achterschip rukten.
Deze vogels zijn zeer kwaadwillig en nieuwsgierig. Zij zullen bijna
alles van den grond oppikken. Een groote, zwartglimmende hoed werd
bijna eene mijl ver weggedragen, evenals een paar zware bolas, die voor
het vangen van vee gebruikt werden. Usborne leed gedurende de opmeting
een ernstiger verlies, doordien de vogels een klein Kater-kompas in
rood marocco-lederen étui stalen, dat nooit teruggevonden werd. Ook
zijn deze vogels twistziek en zeer oploopend: van woede rukken zij
het gras met hunne snavels uit. Zij leven niet bepaald in troepen,
vliegen niet hoog en hunne vlucht is log en onbeholpen; op den grond
loopen zij uiterst snel, zeer veel op de manier van fazanten. Zij zijn
luidruchtig en uiten verscheidene harde kreten, waarvan een op dien van
de Engelsche kauw gelijkt; daarom noemen de robbenvangers hen altijd
kauwen. Merkwaardig is het, dat zij bij het schreeuwen den kop omhoog
en naar achteren werpen op dezelfde manier als de Carrancha's. Zij
nestelen in de rotsachtige klippen der zeekust, maar alleen op de
nabijgelegen eilandjes, en niet op de twee hoofd-eilanden; bij zulk
een makken en onversaagden vogel is dit een zonderlinge voorzorg. De
robbenvangers zeggen, dat het vleesch van dezen vogel, gekookt, zeer
blank en goed eetbaar is; maar de man, die zulk een maal aandurft,
dient moed te hebben.
Wij hebben nu alleen nog den Kalkoenschen Buizerd (Vultur aura)
[56] en den Gallinazo te vermelden. Den eersten vindt men overal
waar het land matig vochtig is, van Kaap Hoorn tot Noord-Amerika. In
tegenstelling met den Polyborus Brasiliensis en den Chimango, heeft hij
zijn weg naar de Falklands Eilanden gevonden. De Kalkoensche Buizerd
is een eenzelvige vogel; hoogstens leeft hij paarsgewijze. Men kan
hem op verren afstand terstond herkennen aan zijne hooge, stijgende
en zeer sierlijke vlucht. Met zekerheid weet men, dat hij een echte
aaseter is. Aan de westkust van Patagonië, te midden der dicht
begroeide eilandjes en landriffen, leeft hij uitsluitend van wat de
zee opwerpt, en van de lijken van doode robben. Waar deze dieren op
de rotsen verzameld zijn, kan men de buizerds vinden.
De Gallinazo (Cathartes atratus) [57] bewoont een ander gebied
dan laatstgenoemde soort, en komt nooit zuidelijker dan 41°
breedte. Azara zegt, dat er eene overlevering bestaat, volgens
welke deze vogels ten tijde der Verovering niet in de nabijheid van
Montevideo gevonden werden, en dat zij de bewoners allengs uit meer
noordelijke districten gevolgd zijn. Tegenwoordig zijn zij talrijk in
het dal der Colorado-rivier, dat 300 mijlen ten zuiden van Montevideo
ligt. Waarschijnlijk is het, dat deze verdere trek sedert Azara's tijd
heeft plaats gehad. De Gallinazo verkiest in 't algemeen een vochtig
klimaat, of liever de nabijheid van zoet water; daarom is hij uiterst
talrijk in Brazilië en La Plata, terwijl hij nooit gevonden wordt
op de dorre en verlaten vlakten van Noord-Patagonië, behalve in de
nabijheid van een stroom. Deze vogels bewonen de geheele Pampas tot
aan den voet der Cordilleras; maar nooit zag of hoorde ik van een in
Chili. In Peru worden zij beschermd als straatvegers. Van deze gieren
kan met zekerheid gezegd worden, dat zij in troepen leven; want zij
scheppen behagen in gezelligheid en worden niet alleen door het lokaas
van een gemeenschappelijke prooi te zamen gebracht. Dikwijls kan
men op een fraaien dag een zwerm hoog in de lucht zien, waarbij elke
vogel, zonder de vleugels in te trekken, in de bevalligste wendingen
rondzwiert. Blijkbaar geschiedt dit uit louter oefeningsvermaak,
of mogelijk staat het in verband met hunne huwelijksverbintenissen.
Ik heb nu alle aaseters opgenoemd, behalve den Condor of Grijpgier,
van wien het gepaster is eene beschrijving te geven, als wij eene
landstreek bezoeken, die meer aan zijne gewoonten beantwoordt dan de
vlakten van La Plata.
In eene breede strook zandheuvels, welke de Laguna del Potrero
scheidt van de oevers der Plata-rivier, en op enkele mijlen afstands
van Maldonado, vond ik eene groep van die verglaasde kwartshoudende
buizen, die door het inslaan van den bliksem in los zand gevormd
worden. Deze buizen gelijken in alle bijzonderheden op die uit
Drigg in Cumberland, beschreven in de Geological Transactions,
Vol. II, blz. 528. [58] De zandheuvels van Maldonado, welke door geen
plantengroei beschut worden, veranderen voortdurend van plaats. Om
die reden staken de buizen boven de oppervlakte; en talrijke in de
nabijheid liggende brokstukken bewezen, dat zij vroeger dieper geboord
waren geworden. Vier kokers daalden loodrecht in het zand; door mijne
handen er in te steken, peilde ik een tot eene diepte van twee voet;
en toen ik enkele stukken, die blijkbaar tot dezelfde buis behoord
hadden, bij het andere gedeelte voegde, werd eene diepte verkregen
van vijf voet drie inches. De geheele buis had eene ongeveer gelijke
middellijn, en daarom moeten wij aannemen, dat zij oorspronkelijk een
veel grootere diepte heeft gehad. Deze afmetingen zijn echter gering
vergeleken bij die van de buizen te Drigg, waarvan eene gepeild werd
tot eene diepte van niet minder dan 30 voet.
De binnenoppervlakte is geheel verglaasd, glanzig en effen. Een
klein stuk, met den microscoop onderzocht, geleek door de menigte
kleine ingesloten lucht- of mogelijk dampbellen, op een proefje, dat
voor de blaaspijp gesmolten was. Het zand is geheel of grootendeels
kwartshoudend; maar sommige punten zijn zwart van kleur en bezitten
door hunne glanzige oppervlakte een metaalachtigen weerschijn. De
dikte van den buiswand wisselt af van 1/30 tot 1/20 inch en bedraagt
in sommige gevallen zelfs 1/10. Aan den buitenkant zijn de zandkorrels
afgerond en hebben een zwak glanzig aanzien; ik kon geen teekenen van
kristallisatie ontdekken. Op eene dergelijke wijze als in de Geological
Transactions is beschreven, zijn de buizen meestal samengedrukt en
hebben diepe overlangsche groeven, zoodat zij zeer veel overeenkomst
hebben met een verschrompelden plantenstengel, of met de schors van
een olm- of kurkboom. Haar omtrek bedraagt omstreeks twee inches;
maar in sommige cilindervormige stukken waarin geen groeven zijn,
bedraagt zij vier inches. De samendrukking door het omringende losse
zand, die geschiedde toen de buis nog week was tengevolge van de hevige
hitte, heeft blijkbaar de kreuken of groeven veroorzaakt. Te oordeelen
naar de niet samengedrukte stukken, moet de maat of boorwijdte van
den bliksem (indien wij zulk een woord mogen bezigen) ongeveer 1 1/4
inch hebben bedragen.
Aan Hachette en Beudant te Parijs [59] gelukte het buizen te maken,
welke in de meeste opzichten op deze fulgurites geleken, door fijn
gepoederd glas aan de werking van zeer sterke galvanische stroomen
bloot te stellen; door toevoeging van zout, om de smeltbaarheid te
verhoogen, werden de buizen in alle afmetingen grooter. De proeven
mislukten met fijn verdeeld veldspaat en kwarts. Eene dergelijke
van gestampt glas gemaakte buis was ongeveer een inch (0.982) lang,
en bezat eene binnenmiddellijn van 0.19 inch. Als wij weten, dat
in Parijs de sterkste batterij gebruikt werd, en dat haar vermogen
om buizen te vormen in zulk eene licht smeltbare stof als glas zoo
gering was--dan moeten wij ten hoogste verbaasd staan over de kracht
van den bliksemstraal, die het zand op verschillende plaatsen trof
en cilinders heeft gevormd, eens een van minstens 30 voet diepte,
waarvan het boorgat op de niet samengedrukte plaatsen eene wijdte had
van ruim 1 1/2 inch. En dat in zulk eene buitengewoon weerspannige
stof als kwarts!
Zooals ik reeds heb opgemerkt, loopen de buizen in bijna verticale
richting door het zand. Maar eene, die minder regelmatig was dan de
andere, week bij haren sterksten bocht 33° van de raaklijn af. Uit
diezelfde buis ontsproten, ongeveer een voet van elkander, twee kleine
takken, de een benedenwaarts en de ander naar boven gericht. Dit
laatste geval is merkwaardig, wijl de electrische middenstof
onder den scherpen hoek van 26° tot hare hoofdrichting moet zijn
teruggekeerd. Behalve de vier buizen, die ik in verticale richting
onder den grond vond loopen, waren er verscheidene andere groepen van
stukken, waarvan de oorspronkelijke ligplaatsen ongetwijfeld in de
nabijheid waren. Allen kwamen voor op een vlak terrein van stuifzand,
zestig yards lang bij twintig breed, dat tusschen eenige zandheuveltjes
omstreeks een halve mijl verwijderd lag van eene vier- of vijfhonderd
voet hooge heuvelreeks. De meest merkwaardige omstandigheid, naar
het mij voorkomt, zoowel hier als te Drigg in Cumberland, alsmede in
een door Ribbentrop in Duitschland beschreven geval, is het aantal
buizen, dat binnen zulke enge ruimten gevonden is. Te Drigg werden
binnen eene ruimte van 15 yards drie ontdekt, en in Duitschland vond
men hetzelfde getal. In het door mij beschreven geval bevonden zich
stellig meer dan vier binnen de ruimte van 60 bij 20 yards. Daar het
niet waarschijnlijk is, dat de buizen door opvolgende, verschillende
ontladingen ontstaan zijn, moeten wij aannemen dat de bliksem, kort
voordat hij in den grond dringt, zich in verschillende takken verdeelt.
De omstreken van de Plata-rivier schijnen bijzonder aan electrische
verschijnselen onderhevig. In het jaar 1793 [60] ontlastte zich boven
Buenos Aires een der meest vernielende onweders, die ooit beleefd zijn:
op 37 plaatsen in de stad sloeg de bliksem in, en 19 menschen werden
gedood. Wegens feiten, die in verschillende reisverhalen bevestigd
worden, ben ik geneigd te onderstellen, dat onweders zeer algemeen zijn
bij de monden van groote rivieren. Zou mogelijkerwijs de vermenging
van groote hoeveelheden zout- en zoetwater het electrisch evenwicht
verstoren? Zelfs gedurende onze gelegenheidsbezoeken aan dit gedeelte
van Zuid-Amerika hoorden wij, dat een schip, twee kerken en een huis
waren getroffen. Het huis en een der kerken zag ik kort daarna; het
huis behoorde aan Hood, den consul-generaal te Montevideo. Sommige
uitwerkselen waren merkwaardig. Ongeveer een voet aan weerszijden
van de lijn waar de beldraden hadden geloopen, was het behangsel
zwart geworden. Het metaal was gesmolten; en ofschoon de kamer
ongeveer 15 voet hoog was, hadden de druppels die op stoelen en
huisraad waren gevallen, daarin een reeks van gaatjes geboord. Een
deel van den muur was als door buskruit verbrijzeld, en de brokken
met zooveel kracht weggeslingerd, dat zij den overstaanden muur der
kamer gedeukt hadden. De lijst van den spiegel was zwart geworden
en het verguldsel ongetwijfeld vervluchtigd, want eene reukflesch,
die op den schoorsteen stond, was met heldere metaalvlekken bedekt,
die er zoo vast aan hechtten, alsof zij er op geëmailleerd waren.
HOOFDSTUK IV.
VAN DE RIO NEGRO NAAR BAHIA BLANCA.
[24 Juli 1833.]
De Beagle zeilde uit Maldonado en kwam den 3den Augustus ter hoogte
van de monding van de Rio Negro. Deze is de voornaamste rivier langs
de geheele kustlijn tusschen de Straat van Magelhaen en de Rio de la
Plata, en valt omstreeks 300 mijlen ten zuiden van den zeearm dezer
laatste in zee. Omtrent 50 jaar geleden, onder het oude Spaansche
gouvernement, was hier eene kleine kolonie gevestigd; en nog is
dit punt het zuidelijkste (41° B.) aan deze oostkust van Amerika,
dat door beschaafde menschen bewoond wordt.
Het land nabij den riviermond is uitermate woest. Aan de zuidzijde
begint eene lange lijn van loodrechte klippen, die eene doorsnede van
den geologischen bodem van het land te zien geven. De lagen zijn van
zandsteen, en ééne laag was merkwaardig omdat zij bestond uit een vast
samenhangend conglomeraat van puimsteenen, die meer dan 400 mijlen
ver van de Andes afkomstig moeten zijn. Overal is de oppervlakte
bedekt met eene dikke laag grofzand, welke zich heinde en ver over
de open vlakte uitstrekt. Water is uiterst schaarsch, en waar het
nog gevonden wordt, altijd brak. Ook de plantengroei is schraal,
en hoewel er vele soorten struiken groeien, zijn alle met geweldige
doorns gewapend, die den vreemdeling schijnen te waarschuwen niet in
deze ongastvrije oorden door te dringen.
Achttien mijlen ver de rivier op ligt de nederzetting. De weg volgt
den voet der steile rotsketen, die de noordelijke grens der groote
vallei vormt, waardoor de Rio Negro vloeit. Onderweg gingen wij
voorbij de ruïnen van eenige fraaie estáncias, die eenige jaren
geleden door de Indianen verwoest waren. Zij hadden verscheidene
aanvallen doorstaan. Een man, die bij een er van tegenwoordig was
geweest, gaf mij eene levendige beschrijving van het voorgevallene. De
bewoners waren voldoende van het plan ingelicht om al het vee en de
paarden naar den corrál te drijven die het huis omringde, [61] en
ook om een klein kanon op te stellen. De Indianen waren Araucaniërs
uit het zuiden van Chili, verscheidene honderden sterk en uitstekend
gedrild. Het eerst verschenen zij in twee groepen op een naburigen
heuvel; hier stegen zij af, ontdeden zich van hunne bonten mantels,
en gingen toen naakt tot de bestorming over. Het eenige wapen van
een Indiaan is een zeer lange bamboe of chuzo (spies), die met
struisveêren versierd is en in eene scherpe speerpunt eindigt. Mijn
zegsman scheen zich met bijzonderen schrik het gekletter dezer spiezen
te herinneren, toen de Indianen naderden. Nauwelijks waren zij in
de nabijheid, of de Cacique Pincheira eischte de belegerden op hunne
wapenen af te geven: anders zou hij hun allen de keel afsnijden. Daar
dit vermoedelijk toch gebeurd zou zijn indien zij binnenkwamen,
werd de opeisching met eene hagelbui van kogels beantwoord. De
Indianen kwamen nu met groote vastberadenheid tot aan het paalwerk
van den corrál, maar zagen tot hunne verwondering, dat de palen
niet met lederen riemen doch met ijzeren spijkers waren gekoppeld,
die zij met hunne messen natuurlijk niet door konden snijden. Dit
redde het leven der christenen: vele gewonde Indianen werden door
hunne makkers weggedragen; en toen eindelijk een der onder-caciquen
gewond werd, schalde de horen het sein tot den aftocht. Zij keerden
naar hunne paarden terug en schenen krijgsraad te houden. Dit waren
voor de Spanjaarden angstige oogenblikken, daar al hun kruit en lood
verschoten was, behalve een paar kartetsen. Plotseling sprongen de
Indianen te paard en galoppeerden weg. Een volgende maal werden zij
nog spoediger afgeslagen. Een koelbloedige Franschman bediende het
kanon; hij wachtte tot de Indianen vlak bij waren, en overstelpte
hen toen met schroot, waardoor 39 man buiten gevecht werden gesteld;
en na zulk een verlies verstrooide zich natuurlijk de geheele bende.
De stad wordt zoowel El Carmen als Patagones genoemd. Zij is gebouwd
op de helling van eene klip tegenover de rivier, en vele huizen
zijn zelfs in den zandsteen uitgehouwen. De rivier is ongeveer
twee- of driehonderd yards breed, alsmede diep en snel. De vele
eilanden met hunne wilgeboomen, gevoegd bij de vlakke landtongen
bieden, als men ze in het heldere zonlicht achter elkander op
den noordelijken zoom der breede groene vallei ziet liggen, een
allerschilderachtigsten aanblik. Het getal inwoners bedraagt niet
meer dan enkele honderden. Deze Spaansche koloniën dragen niet de
kiemen van ontwikkeling in zich, zooals de Engelsche. Hier wonen
verscheidene Indianen van echten bloede: de stam van den Cacique
Lucanee heeft steeds zijne tóldos [62] aan de grenzen der stad. Het
plaatselijk bestuur voorziet hen gedeeltelijk van levensmiddelen door
hun alle oude versleten paarden te geven, terwijl zij zelven wat met
het maken van paardedekken en ander voergerei verdienen. Deze Indianen
gaan voor beschaafd door; maar wat hun karakter gewonnen heeft door
een mindere mate van wreedheid, wordt bijna opgewogen door hunne
verregaande zedeloosheid. Niettemin zijn enkele jonge mannen op den
weg ter verbetering: zij willen werken, en een troep die onlangs op
eene robbenjacht uitging, gedroeg zich zeer goed. Nu genoten zij de
vruchten van hun werk door in zeer opzichtige, schoone kleêren rond
te loopen en flink te luieren. De smaak, dien zij in hunne kleeding
aan den dag legden, was bewonderenswaardig; en als men een dezer
jonge Indianen in een bronzen standbeeld had kunnen veranderen,
zou zijne drapeering hoogst bevallig zijn geweest.
Op zekeren dag reed ik naar een groot zoutmeer of salina, dat 15
mijlen van de stad ligt. Des winters vormt dit een ondiep pekelmeer,
dat des zomers in een veld van sneeuwwit zout verandert. De laag
nabij den rand is vier tot vijf inches dik, doch naar het midden
neemt de dikte toe. Dit meer was twee en een halve mijl lang en één
breed. In den omtrek vindt men andere, die vele malen grooter zijn,
en met een zoutbodem van twee en drie voet dikte, zelfs als zij des
winters onder water liggen. Zulk eene schitterend witte en vlakke
ruimte biedt een ongewoon schouwspel te midden van de bruine en
woeste vlakte. Eene aanzienlijke hoeveelheid zout wordt jaarlijks
uit de salina gewonnen, en groote stapels, sommige van honderd ton
gewicht, lagen ter verzending gereed. Het seizoen voor de ontginning
der salinas is de oogsttijd van Patagones, want daarvan hangt de
voorspoed der plaats af. Bijna de gansche bevolking kampeert aan
de oevers der rivier, en het volk wordt gebruikt om het zout in
ossenwagens aan land te halen. Dit zout kristalliseert in groote kuben,
en is bijzonder zuiver. Trenham Reeks is voor mij zoo vriendelijk
geweest er iets van te onderzoeken, en vindt er slechts 0.26% gips
en 0.22% aardbestanddeelen in. Het is zonderling, dat dit zout niet
zoo dienstig is voor het bewaren van vleesch, als zeezout van de
Kaap-Verdische Eilanden; en een koopman te Buenos Aires vertelde mij,
dat hij het 50% minder waard achtte. Zoodoende wordt er steeds zout
van de Kaap-Verdische Eilanden ingevoerd en met dat uit deze salinas
vermengd. De zuiverheid van het Patagonische zout, of het ontbreken
daarin van die andere zoutverbindingen welke steeds in zeewater worden
gevonden, is de eenig aanwijsbare grond voor deze minderwaardigheid:
eene gevolgtrekking, die waarschijnlijk niemand vermoed zou hebben,
maar door het onlangs gestaafde feit verklaard wordt, dat zoodanige
zouten 't best voor het bewaren van vleesch geschikt zijn, welke de
meeste oplosbare chloriden bevatten.
De oever van het meer bestaat uit modder; en hierin liggen talrijke
groote gipskristallen, waarvan sommige drie inches lang zijn, terwijl
andere kristallen van zwavelzure soda (glauberzout) aan de oppervlakte
zijn verspreid. De Gauchos noemen het eerste "Padre del Sal" en het
tweede "Madre del Sal," daarbij bewerende, dat deze voorouderlijke
zouten steeds op de oevers der salinas voorkomen, als het water
begint te verdampen. De modder is zwart en heeft een stinkenden
reuk. Eerst kon ik mij niet voorstellen wat hiervan de oorzaak was;
doch later bemerkte ik, dat het schuim, hetwelk de wind naar het
strand dreef, groen gekleurd was, alsof het watermossen bevatte. Ik
poogde wat van die groene stof mee naar huis te nemen, maar slaagde
daarin ongelukkig niet. Sommige deelen van het meer schenen, op korten
afstand gezien, roodachtig gekleurd, hetgeen waarschijnlijk aan eenige
infusie-diertjes was toe te schrijven. Op vele plaatsen werd de modder
door talrijke wormen of Annelides van de eene of andere soort naar
boven geworpen. Hoe wonderlijk, dat er nog wezens in staat zijn om
in pekel te leven en tusschen kristallen van zwavelzure kalk en soda
rond te kruipen! En wat wordt er van deze wormen als de oppervlakte
gedurende den langen zomer tot eene vaste zoutlaag is verhard?
Talrijke flamingo's (Phoenicopterus) bewonen dit meer, en broeden hier;
door geheel Patagonië, in Noord-Chili en op de Galápagos Eilanden
ontmoette ik deze vogels overal waar zoutmeren waren. Ik zag hen hier
rondwaden om voedsel te zoeken--vermoedelijk wormen die in den modder
graven; en de laatsten leven waarschijnlijk van infusie-diertjes of
watermossen. Zoo hebben wij dan eene kleine levende wereld op zich
zelve, die voor deze binnenlandsche pekelmeren geschikt is. Een klein
schaaldier (Cancer salinus) leeft, naar men zegt, in tallooze menigte
in de zoutputten van Lymington, [63] doch alleen in die, waar de
vloeistof door verdamping sterk geconcentreerd is (bij ongeveer 1/4
pond zout op één pint water). Terecht mogen wij beweren, dat elk deel
van de wereld bewoonbaar is! Hetzij pekelmeren, of zoodanige, welke
onder vulkanische bergen verborgen zijn: hetzij warme minerale bronnen;
de uitgestrekte ruimten en diepten der zee; de hoogere streken van den
dampkring en zelfs het oppervlak der eeuwige sneeuw--alle onderhouden
organische wezens!
Noordelijk van de Rio Negro, tusschen deze rivier en het bewoonde land
bij Buenos Aires, hebben de Spanjaarden slechts eene kleine kolonie,
welke onlangs te Bahia Blanca gevestigd is. De afstand in rechte lijn
naar Buenos Aires bedraagt op zeer weinig na 500 Britsche mijlen. Daar
de zwervende stammen der bereden Indianen, die steeds het grootste
deel van dit land bewoond hebben, de verwijderde estancias onlangs
zeer lastig vielen, rustte de regeering te Buenos Aires eenigen tijd
geleden een leger uit onder bevel van generaal Rosas, met het doel
hen uit te roeien. Thans waren de troepen gekampeerd aan de oevers
der Colorado-rivier, die omstreeks 80 mijlen ten noorden van de Rio
Negro ligt. Toen generaal Rosas Buenos Aires verliet, trok hij in
eene rechte lijn over de maagdelijke vlakten; en nadat het land op die
wijs vrijwel van Indianen gezuiverd was, liet hij op groote afstanden
kleine detachementen bereden soldaten achter (zoogenaamde posta's),
ten einde zoo de gemeenschap met de hoofdstad te onderhouden. Daar de
Beagle voornemens was Bahia Blanca voor kort te bezoeken, besloot ik
er over land heen te gaan; en eindelijk breidde ik mijn plan hiertoe
uit om den geheelen weg naar Buenos Aires over de posta's af te leggen.
[11 Augustus.]