geneigd zijn te gelooven, dat boomen alléén in een zeer vochtig klimaat
groeiden, want de grens van het woudland volgt op zeer merkwaardige
wijze die der vochtige winden. In het zuidelijk deel van het vasteland,
waar de westelijke koelten, bezwangerd met vocht uit den Stillen
Oceaan, de overhand hebben, is ieder eiland aan de gebroken westkust,
van 38° breedte tot de zuidelijkste punt van Vuurland (Tierra del
Fuego), dicht met ondoordringbare wouden bedekt. Aan de oostzijde van
de Cordilleras en over hetzelfde breedteverschil, waar een blauwe
hemel en een zeer schoon klimaat bewijzen, dat de atmospheer bij
het strijken over het gebergte van haar vocht beroofd is, bezitten
de dorre vlakten van Patagonië een zeer schralen plantengroei. In
het meer noordelijk deel van het vasteland, binnen de grenzen van
den vasten zuidoost-passaat, is de oostzijde met prachtige wouden
versierd, terwijl de westkust van 4° Z.B. tot 32° Z.B. beschreven
kan worden als eene woestijn. Aan deze westkust, noordelijk van 4°
Z.B., waar de passaatwind zijne regelmatigheid verliest en op gezette
tijden hevige regenvloeden vallen, krijgen de stranden van den Stillen
Oceaan, zoo uiterst woest in Peru, bij Kaap Blanco het kenmerk van
plantenweelde, waarom Guayaquil en Panama zoozeer geroemd worden. In
de zuidelijke en noordelijke deelen van het vasteland hebben dus
de woud- en woestijnlanden omgekeerde liggingen ten opzichte van
de Cordilleras, en deze liggingen worden blijkbaar bepaald door de
richting der heerschende winden.
In het midden van het vasteland is eene breede tusschenzone, omvattende
Midden-Chili en de provinciën van La Plata, waar de regenbrengende
winden niet over hooge bergen behoeven te gaan, en waar het land
noch eene woestijn noch met wouden bedekt is. Maar zelfs de regel,
dat boomen alléén bloeien in een klimaat, dat door regenbrengende
winden bevochtigd wordt, maakt, als men hem tot Zuid-Amerika beperkt,
ten opzichte van de Falklands Eilanden eene scherp in 't oog vallende
uitzondering. Deze eilanden, op dezelfde breedte gelegen als Vuurland
en op slechts twee- of driehonderd mijlen van daar: met een nagenoeg
gelijk klimaat en bijna dezelfde geologische formatie: met gunstige
liggingen en dezelfde soort van veengrond--kunnen niettemin op
weinig planten bogen die zelfs den naam van struiken verdienen,
terwijl het in Vuurland onmogelijk is een morgen lands te vinden,
die niet met de dichtste wouden is bedekt. In dit geval zijn èn de
richting der hevige windvlagen èn die der zeestroomen gunstig voor
het overbrengen van zaden uit Vuurland, zooals blijkt uit de kano's
en boomstammen, welke uit dat land komen aandrijven en vaak op de
stranden der Westelijke Falklands Eilanden worden geworpen. Dit is
misschien de reden waarom beide landen zooveel planten gemeen hebben;
maar wat de boomen van Vuurland betreft, zijn zelfs de pogingen tot
overplanten daarvan mislukt.
Tijdens ons verblijf te Maldonado verzamelde ik verscheidene
viervoetige dieren, tachtig soorten vogels en vele kruipende dieren,
waaronder negen species van slangen. Van de inheemsche zoogdieren
is Cervus campestris het eenig overgeblevene van noemenswaardige
grootte, dat algemeen voorkomt. Dit hert is buitengewoon talrijk en
leeft dikwijls in kleine troepen in de streken langs de Rio de la
Plata en in Noord-Patagonië. Als iemand, door dicht langs den grond te
kruipen, zulk een troep herten nadert, gebeurt het vaak, dat dit dier
uit nieuwsgierigheid dichter bij komt om hem te verkennen. Op die wijs
heb ik, van ééne plek uit, drie van denzelfden troep gedood. Ofschoon
zoo mak en nieuwsgierig, zijn zij toch uiterst behoedzaam, als men hen
te paard nadert. In dit land gaat niemand te voet; en het hert kent
den mensch slechts dan als zijn vijand, wanneer hij te paard zit en
met de bolas gewapend is. Te Bahia-Blanca, eene jonge nederzetting in
Noord-Patagonië, zag ik tot mijne verbazing, hoe weinig herten zich om
den knal van een geweer bekommerden. Op zekeren dag vuurde ik tienmaal
op een afstand van nog geen 80 yards op hetzelfde dier, dat nog veel
meer schrikte bij het slaan van den kogel tegen den grond, dan door
het geluid van het schot. Daar mijn kruit op was, moest ik (tot mijne
schande gezegd, hoewel ik een jachtliefhebber ben die vogels in vlucht
kan dooden) opstaan en overluid schreeuwen totdat het hert wegliep.
Het merkwaardigste feit betreffende dit dier is de overweldigend sterke
en onaangename reuk, die van den bok uitgaat. Het is niet mogelijk
dien te beschrijven. Toen ik bezig was het exemplaar te villen, dat nu
in het Zoölogisch Museum is opgezet, gebeurde het verscheidene malen
dat ik bijna braken moest. Ik bond de huid in een zijden zakdoek en
bracht haar zoo naar huis. Deze zakdoek, na flink te zijn gewasschen,
werd voortdurend door mij gebruikt en natuurlijk ook even dikwijls
gewasschen; toch bespeurde ik een jaar en zeven maanden lang duidelijk
dien reuk, telkens als ik den zakdoek openvouwde. Dit feit levert een
verrassend voorbeeld van de duurzaamheid eener stof, die uiteraard
toch zeer fijn en vluchtig moet zijn. Menigmaal heb ik, als wij op
eene halve mijl afstand onder den wind eene kudde voorbijgingen,
bespeurd dat de lucht geheel met deze vluchtige stof doortrokken
was. Ik geloof, dat de reuk van den bok het sterkst is in den tijd,
dat de horens tot volle ontwikkeling gekomen of van de haarhuid
bevrijd zijn. In dit stadium is het vleesch natuurlijk volstrekt
oneetbaar; maar de Gauchos beweren, dat de stank verdwijnt, als het
vleesch eenigen tijd lang in versche aarde wordt begraven. Ergens heb
ik gelezen, dat de eilanders in het noorden van Schotland de sterk
riekende lijken der visch-etende vogels op gelijke manier behandelen.
De orde der Rodentia telt hier vele species: alleen van muizen vond
ik niet minder dan 8 soorten. [45] Het grootste knaagdier ter wereld,
de Hydrochoerus capybara of Waterzwijn, [46] is hier ook algemeen. Een
door mij te Montevideo geschoten exemplaar woog 98 pounds; de lengte
van het eind van den snuit tot den stompvormigen staart bedroeg 3
voet 2 inches, en de omtrek van het lichaam bij het midden 3 voet 8
inches. Deze groote Rodentia bezoeken nu en dan de eilanden in den
mond der Plata-rivier, waar het water geheel zout is, doch zijn veel
talrijker aan de boorden van zoetwater-meren en rivieren. Bij Maldonado
leven meestal drie of vier te zamen. Over dag liggen zij tusschen de
waterplanten, of weiden vrij op de grasvlakte. [47] Op eenigen afstand
gezien, gelijken zij in kleur en gang op varkens; maar als zij, op de
hurken gezeten, met één oog opmerkzaam naar het een of ander voorwerp
kijken, krijgen zij weer het uiterlijk hunner voorvaderen, van Cabiai
[48] en konijnen. Van voren en van ter zijde gezien heeft hun hoofd
een belachelijk voorkomen wegens de groote diepte hunner kaken.
Te Maldonado waren deze dieren zeer mak; door voorzichtig loopen
kon ik vier oude tot op drie yards naderen. Waarschijnlijk is deze
makheid toe te schrijven aan het feit, dat de jaguar voor eenige jaren
verdreven is, en dat de Gaucho het niet de moeite waard acht hen te
jagen. Toen ik dichter bij kwam, lieten zij telkens hun eigenaardig
geluid hooren: een dof, afgebroken geknor, dat op zichzelf niet veel
toon inhoudt, doch meer een gevolg is van de plotselinge uitdrijving
der lucht. Het eenige mij bekende geluid, dat hiermeê overeenkomt, is
het eerste schorre geblaf van een grooten hond. Toen ik het viertal
eenige minuten lang op nog geen armslengte had gadegeslagen (en zij
mij), snelden zij in vollen galop en in den grootsten haast te water,
en lieten tegelijk hun geknor hooren. Na een korte duiking kwamen
zij weer aan de oppervlakte, maar lieten nu slechts het topje van
hun hoofd zien. Men zegt, dat als het wijfje jongen heeft, deze op
haren rug zitten als zij in 't water zwemt. Het is gemakkelijk deze
dieren in menigte te dooden; doch hunne huid heeft weinig waarde en
hun vleesch is zeer middelmatig. Op de eilanden in de Rio Parana zijn
zij buitengemeen talrijk en vormen hier de gewone prooi van den jaguar.
De Tucutuco (Ctenomys Brasiliensis) is een merkwaardig klein dier, dat
kortweg kan beschreven worden als een knaagdier met de eigenschappen
van een mol. In sommige deelen van het land is het zeer talrijk,
doch moeilijk te vangen; en naar ik meen, komt het nooit boven
den grond. Aan den ingang van zijn hol werpt het aardheuveltjes op
evenals die van den mol, maar kleiner. Groote stukken land zijn door
deze dieren zoo volkomen ondermijnd, dat paarden die er over loopen,
er tot boven de hielen inzakken. De tucutucos schijnen tot op zekere
hoogte in troepen te leven: de man, nl., die mij de exemplaren bracht,
had er zes tegelijk gevangen, en volgens zijn zeggen was dit een gewoon
geval. In hunne leefwijs zijn zij nachtdieren, en hun voornaamste
voedsel bestaat uit plantenwortels, die het doel zijn van hunne
uitgestrekte holen aan de oppervlakte.
Dit dier is algemeen bekend om een zeer bijzonder geluid, dat het maakt
wanneer het onder den grond is. Wie dit geluid voor 't eerst hoort,
staat zeer verwonderd; want het is niet gemakkelijk te zeggen van waar
het komt: ook kan men onmogelijk raden welk soort van schepsel het
voortbrengt. Het geluid bestaat in een kort, maar niet ruw neusgebrom,
dat ongeveer viermaal snel achtereen eentonig herhaald wordt. [49] De
naam Tucutuco zelf is ter nabootsing van het geluid gegeven. Daar waar
dit dier talrijk is, kan het op alle tijden van den dag gehoord worden,
en soms onmiddellijk onder onze voeten. Binnen een kamer gebracht,
bewegen de tucutucos zich langzaam en traag, wat een gevolg schijnt van
de buitenwaartsche beweging der achterpooten; en wegens het gemis van
een ligament in de holte van het dijbeen, zijn zij geheel onbekwaam om
zelfs over de kleinste verticale hoogte te springen. Zij zijn zeer dom
bij het doen van eene poging om te ontsnappen; en in oogenblikken van
toorn of schrik laten zij het "tucutuco" hooren. Van die welke ik in
leven hield, werden verscheidene, zelfs op den eersten dag, geheel mak
en poogden niet te bijten of te ontsnappen; andere waren wat wilder.
De man, die hen gevangen had, verzekerde dat er zeer vele gevonden
worden, die geheel blind zijn. Een door mij in spiritus liquor bewaard
exemplaar verkeerde in dien toestand, welke door Reid beschouwd wordt
als het gevolg van ontsteking in het knippend ooglid. Toen het dier
leefde, hield ik mijn vinger op nog geen halven inch afstand van
zijn hoofd, zonder dat dit in 't minst werd opgemerkt; toch vond
het dier bijna even goed zijn weg door de kamer als de andere. Let
men op de strikt onderaardsche leefwijs van den tucutuco, dan kan
de blindheid, ondanks hare algemeenheid, geen kwaad zijn van zeer
ernstigen aard. Het schijnt echter vreemd, dat een dier een orgaan moet
bezitten, hetwelk dikwijls aan letsel onderhevig is. Lamarck zou dit
feit, zoo hij het gekend had, verheugd hebben, toen hij (waarschijnlijk
met meer waarheid dan hij gewoon was) bespiegelingen maakte [50] over
de trapsgewijs verworven blindheid van den Aspalax--een knaagdier dat
onder den grond woont, en van den Proteus--een kruipend dier dat in
donkere met water gevulde holen leeft; bij deze dieren verkeert het
oog in bijna rudimentairen staat en is door een peesachtig vlies en
vel bedekt. Bij den gewonen mol is het oog buitengewoon klein maar
volkomen, hoewel vele ontleedkundigen twijfelen of het met den waren
gezichtszenuw verbonden is; zijn gezicht moet zeker onvolkomen zijn,
ofschoon het hem waarschijnlijk nuttig is bij het verlaten van zijn
hol. Bij den tucutuco, die, naar ik meen, nooit aan de oppervlakte van
den grond komt, is het oog wel iets grooter, maar dikwijls blind en
nutteloos, al schijnt dit het dier volstrekt niet te hinderen. Zonder
twijfel zou Lamarck gezegd hebben, dat de tucutuco nu in den toestand
van den Aspalax en Proteus overgaat.
Op de golvende grasvlakten rondom Maldonado komen vele soorten
vogels in buitengewone menigte voor. Daaronder zijn verscheidene
species eener familie, die in bouw en leefwijs aan onze spreeuw
verwant is; eene daarvan, (Molothrus niger), is merkwaardig om zijne
gewoonten. Dikwijls ziet men er verscheidene tegelijk op den rug van
een paard of koe staan; en zijn zij op eene haag neergestreken, dan
trachten zij soms, onder het opstrijken van hunne veêren in de zon,
te zingen of liever te fluiten; het geluid, dat zij daarbij maken,
is zeer eigenaardig en gelijkt op het borrelen van luchtbellen,
die snel uit eene kleine opening onder water ontsnappen, zoodat een
doordringend geluid ontstaat. Volgens Azara, legt deze vogel, evenals
de koekoek, zijne eieren in de nesten van andere vogels. Dikwijls
vertelde mij het landvolk, dat er stellig een vogel bestond die
deze gewoonte bezat; en mijn adsistent bij het verzamelen--een zeer
nauwkeurig man--vond een nest van de inheemsche musch (Zonotrichia
matutina), waarin een ei lag, grooter dan en verschillend in kleur
en vorm van de andere. In Noord-Amerika bestaat eene andere soort
Molothrus (M. pecoris), die eene dergelijke koekoekachtige gewoonte
bezit en in elk opzicht zeer na verwant is aan de La Plata-species,
zelfs in de beuzelachtige bijzonderheid, dat hij op den rug van het
vee gaat staan; het eenige verschil is, dat deze dieren iets kleiner,
en hunne veêren en eieren eenigszins anders getint zijn. Deze nauwe
overeenstemming in bouw en gewoonten bij plaatsvervangende soorten
uit tegengestelde hoeken van een groot vasteland, treft steeds als
zijnde een belangwekkend, ofschoon alledaagsch feit.
Swainson heeft juist opgemerkt, [51] dat, uitgezonderd Molothrus
pecoris, waarbij gevoegd moet worden M. niger, de koekoeken de
eenige vogels zijn, die werkelijk "parasieten" genoemd mogen worden:
nl. zoodanige, "die zich als 't ware op een ander levend dier
vasthechten, welks dierlijke warmte hunne jongen in 't leven roept,
van wiens voedsel zij leven, en welks dood den hunnen ten gevolge zou
hebben in de periode der kindsheid." Het is opmerkelijk, dat eenige
species, maar niet alle, zoowel van den Koekoek als van den Molothrus,
alléén in deze vreemde gewoonte van parasitische voortplanting zouden
overeenstemmen, terwijl zij in bijna alle andere gewoonten lijnrecht
verschillen. De Molothrus is, evenals onze spreeuw, uiterst gezellig,
en leeft zonder kunst of vermomming in de opene vlakten; daarentegen is
de koekoek, zooals ieder weet, een bijzonder schuwe vogel, bewoont de
meest afgelegen kreupelbosschen, en leeft van vruchten en rupsen. Ook
in bouw loopen deze twee families zeer uiteen.
Vele theorieën, zelfs phrenologische of hersenkundige, zijn
voorgedragen om te verklaren waarom de koekoek zijne eieren in de
nesten van andere vogels legt. Ik denk, dat alleen Prévost door
zijne waarnemingen licht op dit raadsel heeft geworpen. [52] Hij
vindt, dat de wijfjes-koekoek, die volgens de meeste waarnemers
minstens vier tot zes eieren legt, met het mannetje moet paren
telkens nadat zij slechts een of twee eieren heeft gelegd. Ware nu
de koekoek genoodzaakt op hare eigen eieren te zitten, dan moest
zij òf op alle tegelijk zitten en dus de eerst gelegde zoo lang in
den steek laten tot zij waarschijnlijk bedorven waren: òf zij zou
elk ei of twee eieren terstond na het leggen afzonderlijk moeten
uitbroeden. Maar wijl de koekoek korter in dit land blijft dan elke
andere trekvogel, zou zij stellig geen tijd genoeg hebben voor de
achtereenvolgende uitbroedingen. Wij kunnen dus in het feit, dat de
koekoek verscheidene keeren paart en hare eieren bij tusschenpoozen
legt, de oorzaak vinden waarom zij die in de nesten van andere vogels
legt en hen aan de zorg van pleegouders overlaat. Ik ben zeer geneigd
te gelooven, dat deze meening juist is, daar ik onafhankelijk hiervan
(gelijk wij hieronder zien zullen) tot eene overeenkomstige slotsom ben
gekomen ten opzichte van den Zuid-Amerikaanschen struisvogel, waarvan
de wijfjes, als ik het zoo zeggen mag, op elkander parasiteeren. Elk
wijfje legt verscheidene eieren in de nesten van vele andere wijfjes,
en de mannetjes-struisvogel belast zich met de zorgen der broeding,
evenals de vreemde pleegouders met den koekoek.
Ik zal slechts twee andere vogels vermelden, die zeer algemeen zijn en
door hunne gewoonten de aandacht trekken. De Saurophagus sulphuratus is
het type van den grooten Amerikaanschen stam der tyran-vliegenvangers
(Muscicapa). In bouw komt hij zeer nabij de ware Worgers of wilde
Eksters (Lanius) [53], maar in zijne gewoonten kan hij met vele vogels
vergeleken worden. Ik heb hem menigmaal een veld zien afjagen, waarbij
hij evenals een valk boven eene plek fladderde, om dan naar eene
andere te gaan. Als men hem zoo in de lucht ziet zweven, zou men op
korten afstand hem zeer licht voor een roofvogel kunnen houden; maar
de kracht en snelheid, waarmeê hij omlaag schiet, zijn veel geringer
dan bij een valk. Op andere tijden houdt de Saurophagus zich in de
nabijheid van water op, en vangt, terwijl hij hier als een ijsvogel
(Alcedo) post vat, elk vischje dat aan den kant verschijnt.
Niet zelden worden deze vogels gekortwiekt in kooien of op
binnenplaatsen gehouden. Zij worden spoedig mak en zijn zeer
vermakelijk om hunne koddige listige gewoonten, die mij beschreven
worden als op die van den gewonen ekster te gelijken. Hunne vlucht
is slingerend, doordien het gewicht van hoofd en snavel te groot
schijnt voor het lichaam. Des avonds vat de Saurophagus post op een
struik, dikwijls aan den kant van den weg, en laat voortdurend een
onveranderlijken, schrillen en eenigszins aangenamen kreet hooren,
die iets weg heeft van gearticuleerde woorden. De Spanjaarden zeggen
dat hij gelijkt op de woorden: Bien-te-veo (Ik-zie-je-wel), en hebben
hem diensvolgens dezen naam gegeven.
Een spot-vogel (Mimus orpheus), door de bewoners Calandria genoemd,
is merkwaardig om zijn gezang, hetwelk dat van alle andere vogels
in het land overtreft; inderdaad is hij omtrent de eenige vogel
in Zuid-Amerika, dien ik voor het zangen een bepaalden stand heb
zien aannemen. Het gezang kan vergeleken worden bij dat van het
veldsijsje, maar is krachtiger: eenige harde tonen en sommige zeer
hooge gaan daarin met een aangenaam gekweel gepaard. Men hoort het
alleen gedurende de lente. Op andere tijden is zijn kreet hard en
verre van welluidend. Bij Maldonado waren deze vogels mak en driest;
voortdurend zwierven zij in menigte bij de landhuizen, om aan het
vleesch te pikken dat aan muren of deurposten was gehangen. Voegde
zich een andere kleine vogel bij het gastmaal, dan joeg de Calandria
hem spoedig weg.
Op de uitgestrekte onbewoonde vlakten van Patagonië leeft eene andere
naverwante soort: Orpheus Patagonica (d'Orbignyi), die in de met
doornige struiken begroeide dalen huist; deze is een wilder vogel en
heeft een eenigszins ander stemgeluid. Het schijnt mij een merkwaardig
feit, als zijnde een bewijs voor de fijne verschillen in gewoonten,
dat, toen ik voor het eerst deze tweede soort zag en alleen van
het laatstgenoemde standpunt oordeelde, de gedachte in mij opkwam,
dat zij van de Maldonado-soort verschilde. Later, toen ik mij een
exemplaar verschafte en beide soorten zonder bijzondere aandacht met
elkander vergeleek, schenen zij mij zóó gelijk, dat ik van meening
veranderde. Maar nu zegt Gould, dat zij wel degelijk verschillen:
welke gevolgtrekking in overeenstemming is met het geringe verschil
in leefwijze, waarvan hij echter geen kennis droeg.
Het aantal, de tamheid en walgelijke gewoonten der aasetende valken
in Zuid-Amerika, maken hen bijzonder belangrijk voor iemand, die
slechts aan de vogels van Noord-Europa gewoon is. Tot deze groep
kunnen gerekend worden vier soorten van de Caracara's of Polyborus,
de Kalkoensche buizerd, de Gallinazo en de Condor. [54] De Caracara's
worden om hun lichaamsbouw tot de arenden gerekend; maar wij zullen
weldra zien hoe kwalijk hun zulk een hooge titel past. In hunne
gewoonten vervangen zij juist onze aaskraaien, eksters en raven--een
groep vogels die ruim verspreid zijn in het overige deel der wereld,
doch in Zuid-Amerika geheel ontbreken.
Te beginnen met de Polyborus Brasiliensis: deze vogel komt algemeen
voor en bewoont een uitgestrekt geographisch gebied; hij is het
talrijkst in de grasrijke savana's van La Plata (waar hij den naam
Carrancha draagt), en is lang niet zeldzaam op de dorre vlakten van
Patagonië. In de woestijn tusschen de rivieren Negro en Colorado
houden zich steeds verscheidene in de nabijheid van den grooten
weg op, om de lijken van dieren te verscheuren, die uitgeput door
honger en dorst gestorven zijn. Ofschoon dus algemeen in deze droge
en onbegroeide streken alsmede aan de dorre stranden van den Stillen
Oceaan, blijkt hij toch ook de vochtige, ondoordringbare wouden van
West-Patagonië en Vuurland te bewonen. De Carrancha's met de Chimango's
zwerven steeds in menigte op landgoederen voor vee-cultuur [55] en bij
slachthuizen. Sterft een dier op de vlakte, dan begint de Gallinazo
of Braziliaansche gier het maal, waarna de twee soorten Polyborus de
beenderen schoon pikken. Ofschoon deze vogels dus gewoonlijk samen
eten, zijn zij op verre na geen vrienden. Als de Carrancha rustig op
een boomtak of op den grond zit, vliegt de Chimango dikwijls lang
achtereen in een halven cirkel op en neer, voor- en achterwaarts,
waarbij hij, telkens als hij in 't laagste punt van zijne vliegbaan is,
zijn grooteren soortverwant poogt te raken. Behalve door het hoofd te
schudden, neemt de Carrancha weinig nota van die aanvallen. Hoewel
de Carrancha's zich dikwijls in grooten getale vereenigen, leven
zij niet in troepen; want op eenzame plaatsen kan men hen alleen of,
meer algemeen, bij paren aantreffen.
De Carrancha's heeten zeer listig te zijn en eieren in menigte te
stelen. Ook pogen zij, in vereeniging met de Chimango's, de roven van
de ontvelde of zeere ruggen der paarden en muildieren af te pikken. Aan
den eenen kant het arme dier met hangende ooren en gebogen rug: aan
den anderen de fladderende vogel, die op den afstand van een yard het
walgelijk hapje gadeslaat--vormen een tafereel, dat door kapitein Head
met de hem eigen bijzondere geestigheid en juistheid beschreven is
geworden. Deze valsche arenden dooden hoogst zelden een levenden vogel
of ander dier; en hunne gierachtige, op lijken azende gewoonten blijken
zeer duidelijk aan iemand, die op de woeste vlakten van Patagonië in
slaap is gevallen; want bij het ontwaken zal hij op elk heuveltje in
't rond een dezer vogels zien, die hem met boosaardigen blik geduldig
gadeslaat. Dit is een trek in het landschap dezer streken, welke door
ieder zal zijn opgemerkt, die er gereisd heeft. Als een troep mannen
met paarden en honden ter jacht gaan, zullen zij over dag door vele
dezer dieren vergezeld worden. Na het eten steekt de naakte krop
vooruit; op zulke oogenblikken, en eigenlijk in 't algemeen, is de
Carrancha een werkelooze, makke en laffe vogel. Zijn vlucht is traag
en langzaam, evenals die van de Engelsche kauw. Zelden vliegt hij hoog;
maar tweemaal heb ik er een op aanzienlijke hoogte met veel gemak door
de lucht zien zweven. Hij loopt (ter onderscheiding van huppelen),
doch niet zoo snel als zijne soortgenooten.
Nu en dan is de Carrancha luidruchtig, doch in 't algemeen niet; zijn
kreet is luid, zeer hard en eigenaardig, en kan vergeleken worden met
de Spaansche keelletter g, gevolgd door eene schorre, dubbele rr. Bij
het uiten van dien kreet zet hij den bek wijd open en richt den kop
al hooger en hooger, totdat zijn kruin bijna het achtereinde van den
rug raakt. Dit feit, hetwelk door sommigen in twijfel is getrokken, is
volkomen waar; ik heb hen verscheidene malen met den kop naar achteren
in een geheel omgekeerden stand gezien. Aan deze waarnemingen kan ik,
op het hooge gezag van Azara, toevoegen dat de Carrancha zich voedt
met wormen, schelpdieren, slakken, sprinkhanen en kikkers; dat hij
jonge lammeren doodt door hunne navelstreng open te rijten, en dat
hij den Gallinazo zoo lang vervolgt, tot deze vogel genoodzaakt is het
aas uit te braken, dat hij kort te voren heeft ingeslikt. Ten slotte
beweert Azara dat verscheidene Carrancha's, vijf of zes te zamen,
zich zullen vereenigen om op groote vogels, zelfs reigers bijv.,
jacht te maken. Al deze feiten getuigen, dat het een vogel is met
zeer veranderlijke gewoonten en groote scherpzinnigheid.