conica is uiterst algemeen, vooral op droge plaatsen. Haar web, dat
meestal tusschen de groote bladeren der gewone agave of Amerikaansche
aloë gespannen is, wordt soms nabij het midden versterkt door een
tweetal, of zelfs vier zigzagvormige banden, die twee opvolgende
stralen verbinden. Is een of ander groot insect, bijv. een sprinkhaan
of wesp, gevangen, dan wentelt de spin het door eene fluksche beweging
zeer snel om, schiet tegelijk een bundel draden uit hare spinklieren,
en hult hare prooi in een koker, evenals de pop van een zijdeworm. Nu
onderzoekt de spin het machtelooze slachtoffer, en geeft het den
noodlottigen beet op de achterzijde der borstkas; daarna trekt
zij zich terug en wacht geduldig tot het gif zijne werking heeft
volbracht. De sterkte van dit gif laat zich beoordeelen uit het feit,
dat ik eene halve minuut later de pop openende, eene groote wesp geheel
levenloos vond. De Epeïra staat altijd met het hoofd benedenwaarts
bij het midden van het web. Wordt zij gestoord, dan handelt zij
verschillend naar omstandigheden: is er een kreupelboschje onder,
dan valt zij plotseling omlaag, en duidelijk heb ik den draad uit de
spinklieren door het dier zien verlengen, terwijl het nog stilstond,
als eene voorbereiding tot zijn val. Is de grond beneden onbegroeid,
dan laat de Epeïra zich zelden vallen, maar kruipt snel door eene
middenopening van de eene naar de andere zijde. Nog verder gestoord,
voert zij eene allermerkwaardigste handeling uit: staande in het
midden van het web, dat aan buigzame takken is gehecht, rukt zij dit
krachtig heen en weer, totdat het geheele dradenweefsel eindelijk zulk
eene snelle trillende beweging verkrijgt, dat zelfs de omtrekken van
het lichaam der spin onduidelijk worden.
Het is een welbekend feit, dat de meeste Britsche spinnen, als een
groot insect in hare webben gevangen is, de draden pogen af te breken
en hare prooi bevrijden, om hare webben tegen totale vernieling
te vrijwaren. Maar eens zag ik in eene broeikas te Shropshire eene
groote wijfjes-wesp gevangen in het onregelmatige web eener zeer kleine
spin. In stede nu dat deze haar web afbrak, ging zij ijverig voort met
het lichaam en vooral de vleugels van haar prooi te verstrikken. In
't eerst deed de wesp herhaalde vergeefsche uitvallen met haren angel
op den kleinen tegenstander. Nadat ik de wesp meer dan een uur had
laten worstelen, kreeg ik eindelijk medelijden met haar, doodde ze
en legde ze toen weer in het web. Weldra keerde de spin terug; en
een uur later vond ik deze tot mijne groote verwondering met hare
kaken in de opening geboord, door welke de levende wesp haren angel
naar buiten steekt. Twee- of driemaal verjoeg ik de spin; maar de
eerste 24 uren vond ik haar steeds op dezelfde plek opnieuw aan het
zuigen. Door de sappen van haar prooi, die verscheidene malen grooter
was dan zij zelve, werd de spin zeer opgeblazen.
Het is hier de plaats mede te deelen, dat ik dicht bij Sa-Fé Bajada
vele groote zwarte spinnen zag, met robijnkleurige figuren op den rug
en die de gewoonte hadden troepsgewijze te leven. De webben hadden
een verticalen stand, zooals met het geslacht Epeïra steeds het geval
is, en waren onderling gescheiden door eene ruimte van omstreeks twee
voet. Alle waren echter aan zekere gemeenschappelijke draden gehecht,
die eene groote lengte hadden en zich naar alle zijden der gemeenschap
uitstrekten. Op deze wijze waren de toppen van eenige hooge struiken
door de vereenigde webben ingesloten.
Azara [37] heeft eene in Paraguay troepsgewijze levende spin
beschreven, die volgens Walckenaer een Theridion moet zijn, doch
waarschijnlijk eene Epeïra is en mogelijk van dezelfde soort als de
mijne. Ik kan mij echter niet herinneren een centraalweb te hebben
gezien zoo groot als een hoed, waarin, gelijk Azara zegt, gedurende
den herfst als de spinnen sterven, de eitjes worden gelegd. Daar
alle spinnen, die ik hier zag, even groot waren, moeten zij ongeveer
even oud geweest zijn. Deze gewoonte om troepsgewijze te leven bij
een zoo typisch geslacht als Epeïra: bij insecten zoo bloeddorstig
en eenzelvig, dat zelfs de beide seksen elkander aanvallen, is een
zeer zonderling feit.
In eene hooggelegen vallei van de Cordilléra, bij Mendoza, vond
ik eene andere spin met een zonderling gevormd web. Sterke draden
straalden in een verticaal vlak uit een gemeenschappelijk middelpunt,
waar het insect zijne standplaats had; maar slechts twee stralen waren
door een symmetrisch mazennet verbonden, zoodat het web, instede van
cirkelvormig zooals meestal het geval is, uit een wigvormig segment
bestond. Alle webben waren gelijkvormig samengesteld.
HOOFDSTUK III.
MALDONADO.
[5 Juli 1832.]
In den morgen lichtten wij het anker en verlieten de prachtige
haven van Rio de Janeiro. Op onzen tocht naar de Rio de la Plata
zagen wij niets bijzonders, behalve op zekeren dag eene groote school
bruinvisschen, vele honderden in getal. De zee werd op sommige plaatsen
geheel er van doorploegd; en een zeer buitengewoon schouwspel vertoonde
zich, toen honderden tegelijk met sprongen, waarbij hun lichaam geheel
boven water kwam, de zee doorkliefden. Toen het schip negen knoopen
in het uur liep, konden deze dieren met het grootste gemak heen en
weer langs den boeg gaan, en daarna recht vooruit schieten.
Zoodra wij den zeearm der Plata-rivier invoeren, werd het weder
zeer onbestendig. In een donkeren nacht werden wij omringd door
tallooze robben en pinguins, die zulke vreemde geluiden maakten,
dat de officier van de wacht rapporteerde, dat hij het vee op den
oever kon hooren loeien. Den daarop volgenden nacht woonden wij een
prachtig schouwspel van natuurlijk vuurwerk bij. De top van den mast
en de einden der raas blonken in het St.-Elmusvuur [38]; en bijna
kon men den vorm der vlag onderscheiden, alsof zij met phosphorus
bestreken was. De zee lichtte zoo sterk, dat de sporen der pinguins
door een vurig zog kenbaar waren; en elk oogenblik werd de duisternis
der lucht door den helsten bliksemschijn verlicht.
Toen wij in den riviermond waren, zag ik met belangstelling hoe
langzaam het water van zee en rivier zich mengden. Het laatste,
modderig en kleurloos, dreef door zijn kleiner soortelijk gewicht op
het oppervlak van het zoute water. Duidelijk was dit te zien in het
kielwater van het schip, waar men een streep blauw water in kleine
draaikolkjes zich met de omringende vloeistof zag mengen.
[26 Juli.]
Wij ankerden te Montevideo. De Beagle maakte zich gereed de uiterste
zuid- en oostkusten van Amerika, ten zuiden van de Plata-rivier,
gedurende twee achtereenvolgende jaren op te meten. Om onnoodige
herhalingen te voorkomen, zal ik die gedeelten van mijn dagboek
samenvatten, welke op dezelfde districten betrekking hebben, zonder
steeds op de volgorde te letten, waarin wij ze bezochten.
Maldonado is gelegen aan den noordelijken oever der Plata-rivier en
niet heel ver van de monding van den zeearm. Het is een zeer rustig,
verlaten stadje, waarvan de straten, zooals algemeen in deze landen
het geval is, onderling rechthoekig zijn aangelegd, en met eene
ruime plaza of plein in het midden, dat door zijne grootte de geringe
bevolking nog meer doet uitkomen. Het heeft bijna geen handel, en de
uitvoer bepaalt zich tot enkele huiden en levend vee. De inwoners
zijn voornamelijk landeigenaars, benevens enkele winkeliers en de
noodige handwerkslieden, als grofsmeden en timmerlieden, die binnen
een omtrek van 50 mijlen bijna al het werk doen. De stad is van de
rivier gescheiden door een strook zandheuvels van ongeveer een mijl
breedte, en aan alle andere zijden omringd door een onbegroeid, zwak
golvend terrein, dat met eene gelijkvormige fraaigroene graslaag,
waarop tallooze kudden vee, schapen en paarden grazen, bedekt
is. Zelfs dicht bij de stad is zeer weinig land in cultuur. Enkele
hagen van cactussen en agaven wijzen aan, waar eenige tarwe of maïs
geplant is. De aanblik van het land is zeer gelijkvormig langs den
geheelen noordelijken Plata-oever, en het eenige verschil is, dat de
granietheuvels hier wat steiler zijn. Het landschap is zeer weinig
aanlokkend: er is nauwelijks een huis, een omheind stuk grond of
zelfs een boom, die er een zweem van vroolijkheid aan geeft. En toch,
als men een tijd op een schip gevangen heeft gezeten, ligt er iets
bekoorlijks in het onbestemde gevoel van over grenzenlooze grasvlakten
te wandelen. Daarenboven, als uw uitzicht tot eene kleine ruimte is
beperkt, bezitten vele voorwerpen schoonheid. Eenige kleinere vogels
zijn schitterend gekleurd, en het heldergroene, door het vee afgeweide
grasveld, is versierd met dwergbloemen, waaronder eene plant, die
er uitziet als het madeliefje, aanspraak maakte op den naam van een
oud vriend. Wat zou een bloemkweeker wel zeggen van geheele strooken
grond, zoo dicht met Verbena melindres (ijzerkruid) bedekt, dat zij
zelfs op een afstand in het bontste scharlakenrood prijken?
Ik bleef tien weken te Maldonado en verschafte mij in dien tijd
eene bijna volledige verzameling vogels, viervoetige en kruipende
dieren. Alvorens eenige opmerkingen daarover te doen, zal ik een klein
uitstapje vertellen, dat ik deed naar de omstreeks zeventig mijlen
ver in noordelijke richting gelegen rivier Polanco. Als een bewijs
hoe goedkoop alles in dit land is, wil ik meedeelen, dat ik slechts
twee dollars of acht shillings daags betaalde voor twee mannen met
een troep van omstreeks twaalf rijpaarden. Mijne metgezellen waren
goed gewapend met sabels en pistolen--eene voorzorg, die ik dacht
dat eigenlijk onnoodig zou zijn; doch het eerste nieuwtje dat wij
hoorden was, dat daags te voren een reiziger uit Montevideo met
afgesneden hals dood op den weg was gevonden. Dit gebeurde dicht bij
een kruis--de herinnering aan een vroegeren moord.
Den eersten nacht sliepen wij in een afgelegen landhuisje, waar ik
spoedig tot de ontdekking kwam, dat ik twee of drie artikelen bezat--in
't bijzonder een zakkompas--welke grenzenlooze verbazing wekten. In elk
huis werd mij gevraagd het kompas te laten zien en daarmee, gevoegd bij
eene kaart, de richting van verschillende plaatsen aan te wijzen. Het
wekte de levendigste bewondering, dat ik, een volslagen vreemdeling,
den weg kende (want weg en richting zijn synoniem in dit open land)
naar plaatsen, waar ik nog nooit geweest was. In één huis liet eene
jonge vrouw, die ziek te bed lag, mij verzoeken binnen te komen om
haar het kompas te laten zien. Was hare verbazing groot--de mijne
was nog grooter, dat er zooveel onwetendheid gevonden werd onder
menschen, die duizenden stuks vee en uitgestrekte landgoederen
bezaten. Het kan alléén verklaard worden door het feit, dat dit
afgelegen deel des lands maar zelden door vreemdelingen bezocht
wordt. Ook vroeg men mij of de aarde dan wel de zon zich bewoog;
of het in 't noorden warmer of kouder was; waar Spanje lag en vele
andere dergelijke vragen. Het meerendeel der bewoners had een vaag
denkbeeld, dat Engeland, Londen en Noord-Amerika verschillende namen
waren voor dezelfde plaats; maar de beter ingelichten wisten wel,
dat Londen en Noord-Amerika verschillende landen waren, dicht bij
elkander gelegen, en dat Engeland een groote stad in Londen was!
Ik droeg eenige Prometheus-zwavelstokken bij mij, die ik aanstak door
er op te bijten. Nu vond men het zoo wonderlijk, dat een mensch in
staat was vuur te maken met zijn tanden, dat doorgaans de geheele
familie bijeenkwam om het te zien. Eens werd mij een dollar voor
een enkelen zwavelstok geboden. In het dorp Las Minas gaf het feit,
dat ik des morgens mijn gezicht wiesch, veel stof tot bespiegeling;
een voornaam handelaar ondervroeg mij uitvorschend over zulk een
zonderlinge gewoonte, en tevens waarom wij aan boord onze baarden
droegen: want hij had van mijn gids gehoord dat wij dit deden. Hij keek
mij zeer wantrouwend aan; misschien had hij gehoord van reinigingen in
den Mohammedaanschen godsdienst en kwam hij, wetende dat ik een ketter
was, waarschijnlijk tot de slotsom, dat alle ketters Turken waren.
In dit land is het de algemeene gewoonte om aan het eerste huis het
beste nachtverblijf te vragen. De verbazing over het kompas en mijne
andere goocheltoeren waren in zekeren zin voordeelig, omdat ik daarmee
en met de lange verhalen, die mijne gidsen deden over mijne kunst van
steenen te breken, giftige en onschadelijke slangen te onderscheiden,
insecten te verzamelen, enz. enz. de lieden voor hunne gastvrijheid
betaalde. Ik schrijf alsof ik onder de bewoners van Midden-Afrika
geweest was; Oost-Banda zou zich door deze vergelijking niet gevleid
achten, maar zoo waren mijne indrukken in die dagen.
Den volgenden dag reden wij naar het dorp Las Minas. Het land was iets
heuvelachtiger, maar droeg overigens hetzelfde karakter; een bewoner
van de Pampas zou het ongetwijfeld als een echt Alpenland beschouwd
hebben. Het land is zoo dun bevolkt, dat wij den ganschen dag bijna
niemand ontmoetten. Las Minas is nog veel kleiner dan Maldonado, ligt
in eene kleine vlakte en is door lage rotsachtige bergen omgeven. Het
bezit den gewonen symmetrischen vorm en ziet er met zijne gewitte,
in het midden staande kerk vrij aardig uit. De buiten de kom gelegen
huizen, die geen tuinen of binnenplaatsen bezaten, lagen als geheel
verlaten in de vlakte. Dit is op het land algemeen het geval, en
bijgevolg hebben alle huizen een ongezellig aanzien.
Tegen den nacht hielden wij stil voor een pulperia of drankwinkel,
waar in den loop van den avond een aantal Gauchos [39] spiritualiën
kwamen drinken en sigaren rooken. Het voorkomen dezer lieden is zeer
opmerkelijk; meestal zijn zij groot en knap, maar hun uiterlijk
is trotsch en losbandig. Vele dragen knevels, en lang zwart haar
dat over hun rug golft. Met hunne helderkleurige gewaden, groote
sporen die tegen de hielen rinkelen, en hunne als dolken in den gordel
gestoken messen, zien zij er uit als lieden geheel verschillend van wat
volgens hun naam Gauchos, of eenvoudige landlieden, verwacht zou mogen
worden. Hunne beleefdheid is overdreven; nooit raken zij hunne dranken
aan zonder af te wachten dat gij die zult proeven; maar terwijl zij
hunne uiterst bevallige buiging maken, schijnen zij volkomen gereed
om, als de gelegenheid schoon is, u de keel af te snijden.
Den derden dag volgden wij een eenigszins onregelmatigen koers,
daar ik met het onderzoek van eenige marmerlagen bezig was. Op
de fraaie grasvlakten zagen wij een aantal struisvogels (Struthio
rhea). Enkele troepen telden twintig tot dertig vogels. Stonden deze
dieren op eene kleine verhevenheid, zoodat zij zich op den helderen
hemel afteekenden, dan boden zij een zeer fraai schouwspel. Nooit heb
ik in een ander deel van het land zulke tamme struisvogels ontmoet;
met gemak kon men tot op korten afstand naar hen toe galoppeeren;
maar dan spreidden zij de vleugels uit, schoten recht voor den wind
weg, en lieten de paarden spoedig achter zich.
Des nachts kwamen wij aan het huis van een rijken landeigenaar, Don
Juan Fuentes, maar die aan geen mijner metgezellen persoonlijk bekend
was. Als men het huis van een vreemdeling nadert, worden gewoonlijk
verscheidene kleine regels der etiquette in acht genomen. Men rijdt
langzaam naar de deur, groet met de woorden "Ave Maria," en stijgt
in den regel niet eer van het paard, voordat iemand naar buiten komt
en u verzoekt af te stijgen; het vormelijke antwoord van den eigenaar
is dan: "Sin pecado concebido." [40] Is men het huis binnengetreden,
dan wordt eenige minuten lang een algemeen gesprek gevoerd, totdat
men verlof vraagt er den nacht door te brengen--hetgeen als eene
natuurlijke zaak wordt toegestaan. De vreemdeling doet dan zijn maal
met het gezin, en men wijst hem eene kamer aan, waar hij met de tot
zijn recado [41] behoorende paardendekken zijn bed maakt. Het is
merkwaardig hoezeer gelijksoortige omstandigheden gelijksoortige
gewoonten ten gevolge hebben. Aan de Kaap de Goede Hoop worden
dezelfde gastvrijheid en op zeer weinig na dezelfde regels der
etiquette algemeen in acht genomen; niettemin blijkt het verschil
tusschen het karakter van den Spanjaard en dat van den Hollandschen
Boer hieruit, dat de eerste zijn gast nooit eene enkele vraag doet
buiten de stiptste regelen der beleefdheid, terwijl de eerlijke
Hollander vraagt waar hij geweest is, waar hij heengaat, wat zijn
beroep is, en zelfs hoeveel broeders, zusters of kinderen hij heeft.
Kort na onze komst in de woning van Don Juan, werd een der groote
kudden vee naar huis gedreven, en werden drie beesten uitgekozen om als
voedsel voor het gezin geslacht te worden. Dit halfwilde vee is zeer
snel ter been; en den noodlottigen lazo zeer wel kennende, bezorgde
het den paarden eene langdurige en vermoeiende jacht. Vergeleken bij
de ruwe weelde, die in het getal dienstboden, paarden en de menigte
vee ten toon werd gespreid, bood het armzalige huis van Don Juan een
zonderlingen aanblik. De vloer bestond uit geharden modder, en de
vensters hadden geen ruiten; de zitkamer boogde slechts op een paar
van de ruwste stoelen en banken, benevens een paar tafels. Ofschoon
verscheidene vreemdelingen aanzaten, bestond het avondeten slechts
uit twee groote stapels vleesch: een van gebraden rund-, de tweede
van gekookt vleesch, met enkele stukken pompoen; buiten deze laatste,
was er geen andere vrucht of groente, en zelfs geen stuk brood. Als
drank diende een groote aarden kruik met water voor het geheele
gezelschap. Toch was deze man eigenaar van verscheidene vierkante
mijlen land, waarvan bijna elke morgen koren en met geringe moeite alle
gewone groenten kon opleveren. De avond werd met rooken doorgebracht,
benevens wat zingen voor de vuist, onder begeleiding van de gitaar. De
segnorita's zaten alle bij elkander in een hoek van de kamer en aten
niet met de mannen.
Er zijn zooveel werken over deze landen geschreven, dat het bijna
overbodig is den lazo of de bolas te beschrijven. De lazo bestaat uit
een zeer sterk, maar dun, goed gevlochten koord van ongelooide huid
vervaardigd. Het eene eind is aan den breeden gordel bevestigd, die het
saâmgestelde tuig van den recado (of den in de Pampas gebruikelijken
zadel) bijeenbindt; het andere einde bestaat uit een kleinen ijzeren
of koperen ring, waardoor een loopende knoop kan worden geschoven. Als
de Gaucho den lazo wil gebruiken, neemt hij een kleinen kronkel in de
hand, die den teugel vasthoudt; in de andere houdt hij den loopenden
knoop, die zeer ruim genomen, meestal eene middellijn heeft van omtrent
acht voet. Dezen zwaait hij om zijn hoofd, houdt door eene behendige
pols-beweging den knoop open, en werpt hem dan zonder te missen naar
de plek, die hij verkiest. Wordt de lazo niet gebruikt, dan bindt
men hem in een kleinen kronkel aan de achterzijde van den recado.
De bolas of ballen zijn van tweederlei soort; de eenvoudigste, die in
hoofdzaak voor het vangen van struisvogels gebruikt worden, bestaan
uit twee ronde met leder overdekte steenen, welke door een dunnen
gevlochten riem van circa acht voet lengte verbonden zijn. De tweede
soort verschilt van de eerste alleen hierin, dat er drie ballen door
de riemen aan een gemeenschappelijk middelpunt verbonden zijn. De
Gaucho houdt den kleinsten der drie ballen in de hand en zwaait de
twee andere om zijn hoofd; dan neemt hij zijn mikpunt, en slingert
hen als een draaienden kettingkogel door de lucht. Nauwelijks treffen
de ballen het een of ander voorwerp, of zij winden er zich om heen,
kruisen zich en kronkelen stevig samen. Grootte en gewicht der ballen
verschillen naar gelang van het doel waarvoor zij gemaakt worden;
zijn zij van steen, dan worden zij, hoewel niet grooter dan een appel,
met zooveel kracht geworpen, dat zij somtijds zelfs een paard het
been verbrijzelen.
Ik heb ballen gezien van hout en zoo groot als een raap, die bestemd
waren om paarden te vangen zonder hen te kwetsen. Soms zijn de ballen
van ijzer, en deze kunnen het verst geworpen worden. De grootste
moeilijkheid bij het gebruik van den lazo of de bolas ligt in de
kunst om zoo goed te rijden, dat men in staat is in vollen ren en
bij plotselinge zwenkingen hen zoo juist om het hoofd te zwaaien,
dat er mee gemikt kan worden; te voet leert iemand de kunst vrij
spoedig. Eens vermaakte ik mij met in vollen galop de ballen om mijn
hoofd te zwaaien, toen het vrije einde bij ongeluk tegen een struik
sloeg. Daar de draaiende beweging zoodoende gestuit werd, viel die bal
onmiddellijk op den grond en greep, als bij tooverslag, een achterpoot
van mijn paard; de andere bal werd toen uit mijne handen gerukt en mijn
paard fluks tot staan gebracht. Gelukkig was het een oud gedresseerd
dier en wist het wat dit beteekende; anders zou het waarschijnlijk
zoo lang achteruit geslagen hebben, tot het gevallen was. De Gauchos
schaterden van het lachen; zij schreeuwden, dat zij alle soorten
dieren hadden zien vangen, maar nog nooit een mensch zichzelf.
Op de twee volgende dagen bereikte ik het verste punt, dat ik wenschte
te onderzoeken. Het land bood denzelfden aanblik, totdat het fraai
groene gras eindelijk vervelender werd dan een stoffige tolweg. Overal
zagen wij groote menigten patrijzen (Nothura major). Deze vogels gaan
niet in scharen, en houden zich ook niet schuil zooals de Engelsche
soort. Hij schijnt een zeer onnoozele vogel. Een man te paard kan,
door in een cirkel of liever in een spiraal rond te rijden zoodat hij
telkens dichter bij komt, er zooveel dooden als hij maar wil. De meer
gebruikelijke manier is, dat men hem vangt met een loopenden knoop of
kleinen lazo, die van eene struisveerschacht gemaakt en aan het einde
van een langen stok bevestigd is. Een jongen op een mak oud paard zal
er op die wijs menigmaal dertig of veertig per dag vangen. In het hooge
noorden van Noord-Amerika vangen de Indianen den Lepus Variabilis
door, als hij in zijn hol is, in een spiraal er om heen te loopen;
men acht daarvoor den besten tijd het midden van den dag, als de zon
hoog staat en de schaduw van den jager niet zeer lang is. [42]
Op onzen terugkeer naar Maldonado volgden wij eene eenigszins andere
richting. Bij Pan de Azucar--een landbaken, welbekend aan allen die de
Plata-rivier zijn opgevaren--vertoefde ik een dag in het huis van een
zeer gastvrijen ouden Spanjaard. Vroeg in den morgen bestegen wij de
Sierra de las Animas. Bij het licht der opgaande zon was het landschap
bijna schilderachtig. Westwaarts weidde de blik over eene onmetelijke
effen vlakte tot aan den Berg--tot Montevideo, en oostwaarts over
het heuvelachtige land van Maldonado. Op den top van den berg lagen
verscheidene kleine steenhopen, die er blijkbaar al vele jaren hadden
gelegen. Mijn metgezel verzekerde mij, dat zij het werk waren van
Indianen uit den ouden tijd. Ofschoon op veel kleiner schaal, kwamen
die hoopen overeen met die, welke zoo algemeen op de bergen in Wales
worden gevonden. Het schijnt, dat de zucht om eene gebeurtenis door
een teeken op het hoogste punt van het naburige land aan te duiden,
een algemeene hartstocht van het menschdom is. Tegenwoordig bestaat
er in dit deel der provincie geen enkele Indiaan, beschaafd of wild,
meer; ook is mij niet bekend of de vroegere bewoners duurzamere
herinneringen hebben achtergelaten, dan deze onbeduidende steenhoopen
op den top der Sierra de las Animas.
Het algemeen en bijna volslagen gemis van boomen in Oost-Banda
is opmerkelijk. Enkele rotsachtige heuvels zijn gedeeltelijk met
kreupelbosschen bedekt, en aan de oevers der grootere rivieren,
vooral ten noorden van Las Minas, zijn wilgeboomen niet zeldzaam. Bij
den Arroyo Tapes hoorde ik van een palmenbosch; en een dezer boomen,
die eene aanzienlijke hoogte had, zag ik bij den Pan de Azucar, op
eene breedte van 35°. Deze en de door de Spanjaarden geplante boomen
vormen de eenige uitzonderingen op de algemeene schaarschheid aan
hout. Onder de ingevoerde soorten mogen genoemd worden: populieren,
olijf-, perzik- en andere vruchtboomen; de perzikboomen gedijen
zoo goed, dat zij de stad Buenos Aires voor het grootste deel van
brandhout voorzien. Bijzonder vlakke landstreken, zooals de Pampas,
schijnen zelden voor den groei van boomen geschikt. Mogelijk is
dit toe te schrijven aan de kracht der winden of aan de wijze van
bevloeiing. Maar in de natuur van het land om Maldonado is zulk een
reden niet duidelijk; de rotsachtige bergen bieden beschutte plaatsen
met verschillende bodemsoorten; waterstroompjes komen in bijna elke
dalkom voor, en de kleiachtige natuur van den grond schijnt geschikt
om vocht vast te houden. Met veel waarschijnlijkheid is beweerd, dat
de aanwezigheid van boschland meestal door de jaarlijksche hoeveelheid
neerslag wordt bepaald [43]; maar in deze provincie vallen des winters
hevige en menigvuldige regens, en de zomer, hoewel droog, is dit
niet in buitengewone mate. [44] Wij zien bijna geheel Australië met
hooggaand geboomte bedekt, en toch bezit dit land een veel droger
klimaat. Bij gevolg moeten wij naar eene andere en onbekende reden
zoeken.