Ik vond niet minder dan 12 verschillende soorten van Land-planariae

in verschillende gedeelten van het zuidelijk halfrond. [24] Enkele

exemplaren, door mij op Van-Diemen's Land verkregen, hield ik bijna

twee maanden in 't leven, door hen met verrot hout te voeden. Toen

ik een hunner overdwars in twee bijna gelijke helften had verdeeld,

bezaten beide na verloop van 14 dagen den vorm van volledige dieren. Ik

had echter het lichaam zóó verdeeld, dat de eene helft de beide

onderopeningen bevatte, en de andere dus geene. Vijf en twintig dagen

na de bewerking, kon de meer volledige helft bijna niet meer van een

ander exemplaar onderscheiden worden. De andere was zeer in grootte

toegenomen; en aan het achtereinde had zich in de parenchym-houdende

massa eene heldere ruimte gevormd, waarin een rudimentaire bekervormige

mond duidelijk te onderscheiden was; aan de benedenoppervlakte was

de overeenkomstige spleet echter nog niet open. Zoo de toenemende

warmte van het weder, naarmate wij den equator naderden, niet alle

individuën gedood had, zou ongetwijfeld dit laatste stadium zijn

bouw hebben voltooid. Ofschoon het experiment zeer wel bekend is, was

't toch merkwaardig het trapswijze ontstaan van elk wezenlijk orgaan

eenvoudig uit de extremiteit van een ander dier gade te slaan. Het is

uiterst moeilijk deze Planariae te bewaren, want zoodra het ophouden

van het leven aan de gewone wetten van verandering gelegenheid geeft in

werking te treden, worden de lichamen in hun geheel zacht en vloeibaar,

zoo snel als ik nooit te voren gezien had.

Het eerst bezocht ik het woud, waarin deze Planariae gevonden waren,

in gezelschap van een ouden Portugeeschen priester, die mij mede op

de jacht nam. De laatste bestond hierin, dat men eenige honden in het

kreupelhout joeg en dan geduldig met vuren wachtte totdat zich een

of ander dier vertoonde. Wij werden vergezeld door den zoon van een

naburigen pachter--een echt voorbeeld van een wilden Braziliaanschen

jongeling. Hij was gekleed in een gescheurd oud hemd en dito broek,

en liep blootshoofd; een oud-models geweer en een groot mes vormden

zijne bewapening. De gewoonte van een mes te dragen is hier algemeen;

en bij het doortrekken van een dicht bosch is dit wapen haast

onmisbaar wegens de vele slingerplanten. Het menigvuldig voorkomen

van moord kan ten deele aan deze gewoonte worden toegeschreven. De

Brazilianen zijn zoo behendig met het mes, dat zij het nauwkeurig en

met voldoende kracht een eind ver kunnen werpen om eene noodlottige

wond toe te brengen. Ik heb een aantal kleine jongens deze kunst als

eene soort sport zien beoefenen, en uit de vaardigheid, waarmeê zij een

rechtop staanden stok troffen, beloofden zij heel wat voor ernstiger

aanslagen. Mijn metgezel had daags te voren twee groote gebaarde apen

geschoten. Deze dieren hebben grijpstaarten, waarvan het einde zelfs

na den dood het geheele lichaamsgewicht kan dragen. Een hunner bleef

aldus stevig aan een tak gehecht; en wij moesten een grooten boom

omhakken om hem machtig te worden. Dit was weldra volbracht, en met

een hevig gekraak kwamen boom en aap naar beneden. Behalve den aap,

bepaalde onze jacht zich dien dag tot verscheidene kleine groene

papegaaien en enkele pepervogels of toekanen. [25] Ik profiteerde

intusschen van mijne kennismaking met den Portugeeschen padre, want

bij eene andere gelegenheid gaf hij mij een fraai exemplaar van de

Jaguarondo of Jaguar-kat.

Ieder heeft wel eens gehoord van de schoonheid van het landschap

nabij Botofogo. Het huis, waar ik logeerde, lag dicht bij den voet

van den welbekenden Corcovado Berg. Zeer terecht is opgemerkt,

dat steile kegelvormige heuvels kenmerkend zijn voor de formatie,

door Von Humboldt met den naam van gneiss-graniet aangeduid. Niets

kan treffender zijn dan de indruk dezer reusachtige, ronde en naakte

steenen gevaarten, die uit den weelderigsten plantengroei omhoog

rijzen.

Dikwijls sloeg ik met belangstelling de wolken gade, die van den

zeekant komende, een bank vormden juist onder het hoogste punt van den

Corcovado. Zoo gedeeltelijk gesluierd, scheen deze berg, evenals vele

andere, zich veel hooger te verheffen dan zijne werkelijke hoogte van

2300 voet. Daniell heeft bij zijne weêrkundige proeven opgemerkt, dat

eene wolk somtijds aan een bergtop bevestigd schijnt, terwijl de wind

er voortdurend overheen blaast. Hier vertoonde hetzelfde verschijnsel

een eenigszins anderen aanblik. Men zag de wolk duidelijk omkrullen

en toen snel over den top schieten, zonder dat zij in grootte was af-

of toegenomen. De zon ging onder en eene zachte koelte, die tegen

den zuidkant van den berg blies, mengde haren stroom met de koudere

bovenlucht, tengevolge waarvan de damp zich verdichtte; maar op het

oogenblik, dat de lichte wolkkringen over den rand zweefden en onder

den invloed kwamen der warmere atmospheer aan de noordelijke helling,

losten zij zich terstond weer op.

Gedurende de maanden Mei en Juni--of het begin van den winter--was

het klimaat verrukkelijk. De gemiddelde temperatuur, bepaald

uit waarnemingen te 9 ure des morgens en des avonds, was slechts

72°. Dikwijls regende het hevig; maar de droge zuidenwind maakte de

wandelwegen spoedig weer aangenaam. Op zekeren morgen vielen in 6

uren tijds 1,6 inches regen. Toen deze stortbui over de bosschen trok,

die den Corcovado omgeven, was het geluid door de kletterende druppels

op de tallooze menigte bladeren voortgebracht, zeer merkwaardig. Het

kon op den afstand van een kwart mijl gehoord worden en geleek op

het geluid eene groote stroomende watermassa. Na de heete dagen was

het heerlijk, rustig in den tuin te zitten en den avond in nacht

te zien overgaan. In deze klimaten kiest de natuur hare zangers uit

nederiger virtuozen dan in Europa. Een kleine kikvorsch, behoorende

tot het geslacht Hyla, zit op een grashalm ongeveer een inch boven den

waterspiegel en brengt een aangenaam geluid voort; waar meerdere bijeen

zijn, zingen zij eendrachtig in verschillende tonen. Het kostte mij

eenige moeite een exemplaar van dezen kikvorsch te vangen. Bij het

geslacht Hyla eindigen de teenen in kleine zuigers; en ik zag, dat

dit dier tegen eene glasruit kon opkruipen, die volkomen verticaal

stond. Tegelijk onderhouden verschillende krekels en cicadae een

onafgebroken doordringend geschreeuw, dat echter, door den afstand

verzwakt, niet onaangenaam klinkt. Elken avond na donker begon dit

groote concert; en dikwijls heb ik er naar zitten luisteren, totdat

mijne aandacht door een of ander eigenaardig voorbijvliegend insect

werd afgeleid.

Op deze tijden ziet men de vuurvliegen van heg tot heg rondvliegen. In

een donkeren nacht kan haar licht omtrent tweehonderd pas ver gezien

worden. Het is merkwaardig, dat bij al de verschillende soorten

glimwormen, glinsterende springkevers (Elater) en verschillende

zeedieren (zooals de crustacea, medusae, nereïdae, een koraalgewas van

het geslacht Clytia, en Pyrosoma), welke door mij zijn waargenomen,

het licht van eene duidelijk merkbare groene kleur geweest is. Al de

vuurvliegen, die ik hier ving, behoorden tot de Lampyridae (tot welke

familie ook de Engelsche glimworm behoort), en het meerendeel der

exemplaren tot Lampyris occidentalis. [26] Ik vond, dat dit insect

de schitterendste flikkeringen uitstraalde, wanneer het geprikkeld

werd; in de tusschenpoozen werden de abdominale ringen verdonkerd. De

flikkering was bijna op hetzelfde oogenblik waarneembaar in de beide

ringen, doch iets eerder in den voorsten. De glinsterende stof was

vloeibaar en zeer klevig; kleine plekjes daar, waar de huid werd

afgetrokken, bleven helder glinsterend, terwijl de ongeschonden

deelen donker waren. Wanneer het insect onthoofd werd, bleven de

ringen voortdurend helder, maar niet zoo schitterend als te voren;

plaatselijke prikkels met eene naald verhoogden steeds de helderheid

van het licht. In één geval behielden de ringen hunne lichtende

eigenschap 24 uren na den dood van het insect.

Uit deze feiten zou duidelijk blijken, dat het dier alleen het

vermogen bezit om het licht voor korte tusschenpoozen te verbergen of

te dooven, en dat de uitstraling op andere tijden onwillekeurig is. Op

modderige en nat-zandige wandelplaatsen vond ik de larvae of maskers

van dezen Lampyris in grooten getale, die in vorm in 't algemeen op

het wijfje van den Engelschen glimworm geleken. Deze maskers bezaten

slechts zwak lichtende eigenschappen; zeer verschillend van hunne

ouders hielden zij zich bij de minste aanraking dood, en doofden

hun schijnsel; ook wekten prikkels geen nieuwe lichtuitstraling

op. Vele er van hield ik eenigen tijd in het leven. Hunne staarten

zijn zeer zonderlinge organen, want deze werken door eene geschikte

inrichting als zuigers of hechtorganen, en tevens als reservoirs of

bewaarplaatsen voor speeksel of dergelijke vloeistof. Bij herhaling

voedde ik hen met rauw vleesch, waarbij ik steeds opmerkte, dat het

einde van den staart om een haverklap naar den mond werd gebracht

en een druppel vloeistof op het vleesch gestort, dat dan voor het

gebruik gereed was. Ondanks zooveel oefening, scheen de staart niet

in staat zijn weg naar den mond te vinden: de nek, ten minste, werd

altijd het eerst aangeraakt, blijkbaar om als gids te dienen.

Toen wij te Bahia waren, scheen een Elater of kever (Pyrophorus

luminosus, Illig.) [27] het meest algemeene lichtgevende insect. Ook in

dit geval werd het licht door prikkeling schitterender gemaakt. Eens

vermaakte ik mij met het springvermogen van dit insect gade

te slaan, dat, naar mij toeschijnt, niet voldoende beschreven

is. [28] Als het dier, op den rug gelegd, zich gereedmaakte tot

springen, bewoog het zijn hoofd en borstkas achterwaarts, zoodat

de borst-ruggegraat naar buiten werd gedrongen en op den kant harer

scheede rustte. Bij voortzetting van dezelfde achterwaartsche beweging

werd de ruggegraat door de volle kracht der spieren als een veer

gebogen; en op dit oogenblik rustte het insect op het uiteinde van

zijn hoofd en vleugeldeksels. Bij plotselinge ontspanning van deze

beweging, vlogen hoofd en borstkas op, en sloeg bijgevolg de basis

der vleugeldeksels met zooveel kracht tegen het steunvlak, dat het

insect door de reactie een of twee inches hoog werd opgeworpen. De

uitstekende punten der borstkas en de scheede der ruggegraat dienden

om het geheele lichaam tijdens den sprong rechtop te houden. In de

door mij gelezen beschrijvingen schijnt geen voldoende nadruk gelegd

te zijn op de veerkracht der ruggegraat; zulk een plotselinge sprong

zou niet het gevolg kunnen zijn eener eenvoudige spiercontractie,

zonder behulp van een mechanischen kunstgreep.

Bij verschillende gelegenheden verlustigde ik mij in eenige korte,

maar hoogst aangename uitstapjes naar de naburige landstreek. Op

zekeren dag ging ik naar den Botanischen Tuin, waar men vele om haar

nut wel bekende planten kon zien groeien. De bladeren van de kamfer-,

peper-, kaneel- en kruidnagelboomen verspreidden een heerlijk aroma,

terwijl de broodvrucht, de jaca en de mango samen wedijverden in de

pracht van hun loof. Het landschap in den omtrek van Bahia ontleent

bijna zijn karakter aan de twee laatste boomen. Voordat ik hen zag,

had ik geen idee, dat er boomen waren, die zulk eene zwarte schaduw op

den grond konden werpen. Beiden staan tot de altijdgroene vegetatie

dezer klimaten in gelijksoortige verhouding als laurieren en hulsten

in Engeland tot het lichtere groen der na de bevruchting afvallende

boomen. Hier zij opgemerkt, dat de huizen in de tropen omringd zijn

door de schoonste vormen der plantenwereld, omdat vele er van tevens

hoogst nuttig zijn voor den mensch. Wie kan betwijfelen, dat deze

eigenschappen vereenigd zijn in den oranje- en broodboom, in de vele

soorten van palmboomen, in den banaan- en kokosboom?

Dien dag werd ik bijzonder getroffen door eene opmerking van Von

Humboldt, die dikwijls zinspeelt op "de ijle damp, welke, zonder de

doorschijnendheid der lucht te veranderen, hare tinten meer harmonisch

maakt en hare werkingen verzacht." Dit is een verschijnsel, dat ik

nooit in de gematigde gordels heb waargenomen. Gezien over den korten

afstand eener halve of driekwart mijl, was de dampkring volkomen

doorschijnend; maar op grooteren afstand smolten alle kleuren samen

tot een wonderschoonen, bleek-grijzen damp, waarin een zweem van blauw

vermengd was. De toestand der atmospheer gedurende den morgen tot

omstreeks den middag, toen het verschijnsel het meest in 't oog viel,

had, behalve in de droogte, geringe verandering ondergaan. In dien

tusschentijd was het verschil tusschen het dauwpunt en de temperatuur

van 7 1/2° tot 17° gestegen.

Bij eene andere gelegenheid ging ik vroeg van huis en wandelde tot

aan den Gavia of Marszeil-berg. De lucht was heerlijk koel en geurig,

en stil glinsterden de dauwdruppels op de bladeren der lelie-vormige

planten, die de klare waterstroompjes omzoomden. Gezeten op een

blok graniet, sloeg ik met welgevallen de verschillende insecten en

vogels gade, die langs mij heen vlogen. De kolibri schijnt bijzonder

verzot op zulke belommerde, afgelegen plekjes. Telkens als ik deze

kleine schepsels om eene bloem zag gonzen, waarbij hunne vleugels

zoo snel trilden, dat het nauwelijks zichtbaar was, werd ik aan den

Sphinx-vlinder [29] herinnerd. Inderdaad komen hunne bewegingen en

gewoonten in vele opzichten met elkaar overeen.

Een pad inslaande, trad ik een majestueus woud binnen, waar zich op

eene hoogte van 5 of 600 voet een dier prachtige panorama's ontrolde,

die in den geheelen omtrek van Rio zoo algemeen zijn. Op deze hoogte

bereikt het landschap zijne schitterendste tint; en elke vorm,

elk lommer overtreft al wat de Europeaan ooit in zijn eigen land

aanschouwde zoozeer in pracht, dat hij niet in staat is zijne gevoelens

uit te drukken. De algemeene indruk riep mij het levendigste decoratief

uit de opera of groote schouwburgen voor den geest. Nooit keerde ik met

ledige handen van deze uitstapjes terug. Dien dag vond ik een exemplaar

eener merkwaardige schimmelplant, Hymenophallus geheeten. Menigeen

kent den Engelschen Phallus, [30] die met zijn afschuwelijken geur

in den herfst de lucht bederft; maar, zooals de entomoloog wel weet,

is dit voor enkele kevers juist een heerlijke geur. Zoo ook hier:

want een Strongylus, door dezen geur aangetrokken, streek op de

schimmelplant neer, toen ik haar in mijne hand had. Wij zien hier in

twee verschillende landstreken eene gelijksoortige betrekking tusschen

planten en insecten van dezelfde families, ofschoon de species van

beide verschillend zijn. Is de mensch de leidende oorzaak bij den

invoer van eene nieuwe soort in een land, dan wordt deze verwantschap

vaak verbroken. Als voorbeeld daarvan wil ik meedeelen, dat de bladen

van kool en salade, welke in Engeland aan zulk eene menigte slakken en

rupsen voedsel verschaffen, in de tuinen nabij Rio onaangetast blijven.

Gedurende ons verblijf in Brazilië legde ik eene groote verzameling

insecten aan. Enkele algemeene opmerkingen over de vergelijkende

beteekenis der verschillende orden kunnen voor den Engelschen

entomoloog van belang zijn. De groote en schitterend gekleurde

Lepidoptera kenmerken de streek, die zij bewonen, veel duidelijker

dan eenig ander dierenras. Ik zinspeel alleen op de kapellen; want

in tegenstelling met wat men wegens den weligen plantengroei had

mogen verwachten, kwamen de nachtvlinders in veel geringer aantal

voor dan in onze eigen gematigde gordels. Zeer stond ik verrast over

de levenswijze van Papilio feronia. Deze kapel is niet zeldzaam en

bewoont meestal de boschjes oranjeboomen. Ofschoon een hoog vlieger,

strijkt zij zeer dikwijls op de stammen van boomen neer. Bij deze

gelegenheden is haar hoofd steeds benedenwaarts gericht, en strekken

haar vleugels zich uit in een horizontaal vlak, in plaats van, zooals

gewoonlijk, verticaal te zijn gevouwen. Dit is de eenige kapel, die ik

ooit de beenen tot loopen heb zien gebruiken. Onbekend met dit feit,

naderde ik behoedzaam met mijne tang, waarop het insect meer dan eens

uitweek, juist als het instrument op het punt was zich te sluiten--en

zoo ontsnapte. Maar een veel zonderlinger feit is het vermogen,

dat deze soort bezit om geluid te maken. Verscheidene keeren als een

paar--waarschijnlijk een mannetje en wijfje--elkander in ongeregelde

vlucht najoegen, gingen zij mij op enkele yards voorbij; en duidelijk

hoorde ik dan een tikkend geluid, evenals dat van een getand rad dat

onder een veerpal doorgaat. Het geluid werd met korte tusschenpoozen

vervolgd en kon circa 20 yards ver gehoord worden. Ik ben zeker,

dat er geen fout in de waarneming is. [31]

Ten opzichte van het algemeen voorkomen der Coleoptera werd ik

teleurgesteld. Het aantal kleine en donkergekleurde kevers is verbazend

groot. [32]

De Europeesche kabinetten kunnen vooralsnog alleen op de grootere

soorten uit tropische klimaten bogen; maar werpt men een blik op

de toekomstige afmetingen van een volledigen catalogus, dan is dit

voldoende om de gemoedsrust van een entomoloog te verstoren. De

vleeschetende kevers of Carabidae komen tusschen de keerkringen

in uiterst klein aantal voor, hetgeen des te opmerkelijker is, als

men het geval vergelijkt met de vleeschetende viervoetige dieren,

welke in heete landen zoo menigvuldig zijn. Deze ontdekking trof

mij zoowel bij mijne komst in Brazilië, als toen ik de vele fraaie

en beweeglijke vormen der Harpalidae opnieuw zag verschijnen in de

gematigde vlakten van La Plata. Vervangen soms de zeer talrijke

spinnen en roofzuchtige Hymenoptera de vleeschetende kevers? De

aaskevers en Brachelytra komen zeer weinig voor; daarentegen vindt

men de Rhyncophora en Chrysomelidae, die voor hun onderhoud alle van

de plantenwereld afhangen, in verbazende menigte. Ik spreek hier niet

van het aantal verschillende soorten, maar van dat der individuën,

want hiervan hangt het meest opvallende kenmerk der insectenkunde

van de verschillende landen af. De orden der Orthoptera en Hemiptera

zijn bijzonder talrijk; dit geldt ook voor de stekende afdeeling der

Hymenoptera, behalve misschien de bijen.

Voor het eerst een tropisch woud betredend, staat men verbaasd over

den arbeid der mieren. Goed aangelegde paden vertakken zich in alle

richtingen, waarop men een leger van nooit ontbrekende, komende en

gaande fourageerders kan zien, beladen met stukjes groen blad, die

soms grooter zijn dan zij zelven. Een kleine donkergekleurde mier

trekt soms in tallooze zwermen naar elders. Te Bahia werd op zekeren

dag mijne aandacht getrokken door een aantal spinnen, kakkerlakken

en andere insecten, benevens eenige hagedissen, die zich in de

grootste onrust over eene open plek gronds spoedden. Kort achter hen

was elke stengel, elk blad zwart van kleine mieren. Toen de zwerm de

open ruimte was overgetrokken, verdeelde zij zich en daalde langs een

ouden muur af. Een aantal insecten werd hierdoor geheel ingesloten, en

verwonderlijk waren de pogingen, die de arme kleine schepsels deden,

om zich aan zulk een dood te onttrekken. Toen de mieren aan den weg

kwamen, veranderden zij van koers en klommen in smalle rijen weder

tegen den muur op. Ik plaatste nu een kleinen steen zoodanig, dat hij

een dezer rijen den pas afsneed; waarna de geheele drom er op aanviel

en toen onmiddellijk terugtrok. Kort daarop viel een tweede troep op

de versperring aan; maar toen ook deze aanval zonder gevolg bleef,

werd deze marschroute geheel opgegeven. Door een omweg te maken van

een duim breed, hadden de mieren den steen kunnen vermijden; en dit

zou zonder twijfel gebeurd zijn als hij daar aanvankelijk gelegen had;

doch nu zij aangevallen werden, wilden de heldhaftige kleine strijders

van geen wijken weten.

In de nabijheid van Rio vindt men eene soort insecten, op wespen

gelijkende, die in de hoeken der waranda's kleicellen maken voor hunne

larven, en zeer talrijk zijn. Deze cellen stoppen zij vol halfdoode

spinnen en rupsen, die zij, naar 't schijnt, zoo wonderlijk weten te

steken, dat de slachtoffers verlammen maar in leven blijven totdat

de eitjes der anderen zijn uitgebroed. De larven voeden zich dan met

de afzichtelijke rompen van machtelooze, halfdoode slachtoffers--een

gezicht, dat door een enthousiastischen natuuronderzoeker als aangenaam

en merkwaardig beschreven is! [33]

Op zekeren dag sloeg ik met belangstelling een doodelijken strijd

gade tusschen eene wesp (Pepsis) en eene groote spin van het geslacht

Lycosa. De wesp deed een plotselingen stoot naar hare prooi, en

vloog toen weg. De spin was blijkbaar gewond, want toen zij poogde

te ontsnappen, rolde zij eene kleine helling af, maar had nog kracht

genoeg om in een dicht hoopje gras te kruipen. Weldra keerde de wesp

terug, en scheen verwonderd, dat zij haar slachtoffer niet dadelijk

vond. Zij begon toen eene even geregelde jacht als ooit een hond

een vos najoeg: beschreef korte halve cirkels, en trilde daarbij

voortdurend met hare vleugels en voelhorens. Het duurde niet lang of

de spin, hoe goed ook verborgen, werd ontdekt; waarna de wesp, die

blijkbaar nog bevreesd was voor de kaken van haren tegenstander,

dezen, na veel manoeuvers, twee steken aan de onderzijde der

borstkas toebracht. Na de nu roerloos liggende spin behoedzaam met

hare voelhorens onderzocht te hebben, maakte de wesp zich gereed het

lichaam weg te sleepen, toen ik zoowel den geweldenaar als zijn prooi

tegenhield. [34]

Het getal spinnen in verhouding tot andere insecten is hier,

vergeleken met Engeland, zeer veel grooter, wellicht meer dan met

eene andere afdeeling der gelede dieren het geval is. De afwisseling

in soorten onder de springende spinnen schijnt bijna oneindig. Het

geslacht, of liever de familie Epeïra (Kruisspin) [35] kenmerkt zich

hier door vele eigenaardige vormen; enkele bijzondere soorten hebben

puntige lederachtige schilden, andere breede en doornige tibiae. Elk

pad in het woud wordt versperd door het sterke gele web eener soort,

behoorende tot dezelfde afdeeling als de Epeïra clavipes van Fabricius,

die, volgens Sloane, [36] vroeger in West-Indië webben maakte, sterk

genoeg om vogels te vangen.

Eene kleine en aardige soort spin met zeer lange voorpooten en die

tot een onbeschreven geslacht schijnt te behooren, leeft als parasiet

op bijna al deze webben. Ik vermoed, dat zij voor de groote Epeïra

te onbeduidend is om er nota van te nemen, en dat deze haar daarom

toestaat op de kleine insecten jacht te maken, die anders vernield

zouden worden wanneer zij aan de draden blijven kleven. Als deze

kleine spin gestoord wordt, houdt zij zich dood door de voorpooten

uit te strekken, of laat zich plotseling uit het web vallen.

De Reis om de Wereld · 第 3 / 56 段