In de zee rondom Tierra del Fuego (Vuurland) en niet ver van het

land, heb ik smalle strepen water gezien van eene helderroode kleur,

tengevolge van een aantal Crustacea, die in vorm eenigszins op groote

garnalen gelijken. De zeelieden noemden hen walvischvoedsel. Of

zij werkelijk tot voedsel van walvisschen dienen, weet ik niet;

maar zeezwaluwen, zeeraven en reusachtige troepen groote, plompe

robben vinden op sommige gedeelten der kust hun hoofdvoedsel in deze

zwemmende krabben. Zeelieden schrijven de verkleuring van het water

onveranderlijk toe aan kuit; maar slechts in één geval vond ik dit

bewaarheid. Op verscheidene mijlen afstands van den Galápagos-Archipel,

zeilde het schip door drie smalle strooken van een donkergeel of

modderachtig water; deze strooken waren eenige mijlen lang, doch

slechts weinige yards breed en van het omringende water gescheiden

door een gebogen, maar duidelijk waarneembaren rand. De kleur was

een gevolg van kleine geleiachtige balletjes met eene middellijn van

omstreeks een vijfde inch, waarin talrijke kleine bolvormige eitjes

lagen; die balletjes waren van tweederlei soort: de eene roodachtig

gekleurd en in vorm van de andere afwijkend. Ik kon niet nagaan tot

welke twee diersoorten deze organismen behoorden. Kapitein Colnet

merkt op, dat dit verschijnsel tusschen de Galápagos Eilanden zeer

algemeen is, en dat de richting der strooken die der stroomingen

aanwijst; in het genoemde geval was de lijn echter een gevolg van

den wind. Het eenige verschijnsel dat ik nog te vermelden heb, is

eene dunne olieachtige deklaag op het water, die de kleuren van den

regenboog vertoont. Aan de kust van Brazilië zag ik een uitgestrekte

strook water, welke met deze laag bedekt was en door de zeelieden

werd toegeschreven aan het rottende lijk van een of anderen walvisch,

dat waarschijnlijk niet ver van daar ronddreef. Ik spreek hier niet

van de kleine geleiachtige deeltjes (waarop ik later terugkom), die

dikwijls door het water verspreid zijn, want deze zijn niet talrijk

genoeg om eenige kleurverandering te veroorzaken.

In de bovenstaande verhalen zijn twee omstandigheden, die ons

merkwaardig voorkomen: 1o. Hoe worden de verschillende lichamen, die

de strooken met begrensde randen vormen, saâmgehouden? In het geval der

garnaalachtige krabben waren hare bewegingen even gelijktijdig als bij

een regiment soldaten; maar dit kan bij de eitjes of de watermossen

niet het gevolg zijn van eene zekere vrijwillige handeling; ook bij

de infusoria is dit niet waarschijnlijk. 2o. Wat is de oorzaak, dat

de strooken zoo lang en smal zijn? Het verschijnsel gelijkt zoozeer op

hetgeen men bij elken vloed kan zien, waar de stroom het in draaikolken

verzamelde schuim in lange strepen verdeelt, dat ik het resultaat

aan eene dergelijke werking moet toeschrijven, hetzij van de lucht-

of van de zeestroomen. Dit vooropstellende, moeten wij aannemen, dat

de verschillende bewerktuigde lichamen op zekere gunstige plaatsen

zijn voortgebracht, en door het spel van wind en water vandaar zijn

weggevoerd. Ik beken echter, dat het zeer moeilijk is zich een plek

voor te stellen als de geboorteplaats van millioenen bij millioenen

kleine diertjes en watermossen. Immers: vanwaar komen de kiemen op

zulke plaatsen, als de lichamen der ouders door wind en golven over

den onmetelijken oceaan verspreid zijn geraakt? Toch kan ik met geen

andere hypothese hunne groepeering in lijnen verklaren. Ik kan hier

de opmerking van Scoresby bijvoegen, dat in een bepaald gedeelte der

N.-IJszee altijd groen water wordt aangetroffen, waarin een overvloed

van pelagische diervormen.

HOOFDSTUK II.

RIO DE JANEIRO.

[4 April tot 5 Juli 1832.]

Weinige dagen na onze aankomst, maakte ik kennis met een Engelschman,

die zijne plantage ging bezoeken, welke iets meer dan honderd mijlen

van de hoofdstad ten noorden van Kaap Frio was gelegen. Gaarne nam

ik zijn vriendelijk aanbod om hem daarheen te vergezellen, aan.

[8 April.]

Ons gezelschap bestond uit zeven personen. De eerste pleisterplaats

was zeer interessant. De dag was brandend heet, en toen wij door de

bosschen gingen, was alles in een toestand van rust, behalve de groote

en schitterende vlinders, die traag in 't rond vlogen. Het panorama,

dat wij bij het overtrekken van de heuvels achter Praia Grande zagen,

was allerschoonst; onder de levendige kleuren had het donkerblauw eene

overheerschende tint; de lucht en de kalme waters der baai wedijverden

saâm in pracht. Na eenig bouwland te zijn doorgegaan, kwamen wij

in een woud, dat alom eene grootschheid vertoonde, die de stoutste

verwachtingen overtrof. Tegen den middag bereikten wij Ithacaia--een

klein dorp, dat in eene vlakte ligt en waar het raadhuis omringd

is door de hutten der negers. De regelmatige vorm en ligging dezer

hutten deden mij denken aan de teekeningen der Hottentotten-woningen

in Zuid-Afrika.

Daar de maan vroeg opkwam, besloten wij denzelfden avond naar onze

nachtkwartieren aan het Lagoa Marica [18] te vertrekken. Toen het

donker werd, gingen wij langs een dier reusachtige, naakte en steile

bergen van graniet, welke in dit land zoo algemeen zijn. Deze plek

is merkwaardig, omdat zij langen tijd de verblijfplaats is geweest

van weggeloopen slaven, die door het bebouwen van een klein stuk

grond nabij den top hun leven poogden te rekken. Eindelijk werden zij

ontdekt, en allen door een op hen afgezonden troep soldaten gegrepen

met uitzondering van eene oude vrouw, die zich van den bergtop te

pletter wierp, liever dan opnieuw in slavernij te vervallen. In eene

Romeinsche vrouw zou deze daad met den naam van vrijheidsliefde

bestempeld zijn geworden; bij eene arme negerin is zij eenvoudig

beestachtige koppigheid...

Wij reden eenige uren voort. Op het laatst werd de weg enkele mijlen

ver moeilijk en liep door eene verlaten wildernis van moerassen en

lagunen. Gezien bij het nevelig maanlicht, was het landschap zoo

mistroostig mogelijk. Enkele vuurvliegen fladderden om ons heen; de

eenzame snip vloog onder het aanheffen van zijn klaagkreet omhoog,

en van verre klonk het doffe gebruis der zee, dat nauwelijks in staat

was de stilte van den nacht te verbreken.

[9 April.]

Wij verlieten onze ellendige slaapplaatsen vóór zonsopgang. De weg

liep door eene smalle zandige vlakte, gelegen tusschen de zee en

de zoutlagunen aan de landzijde. De menigte fraaie vischvogels,

als reigers en kraanvogels, en de sappige planten in de meest

phantastische vormen, gaven aan het landschap eene bekoring, welke

het anders zou gemist hebben. De enkele schrale boomen waren beladen

met parasiteerende planten, waaronder eenige schoone, welriekende

orchideeën het meest te bewonderen waren. Toen de zon opging, werd

de lucht brandend heet, en was de weerkaatsing van het licht en de

warmte op het witte zand zeer hinderlijk.

Wij aten het middagmaal te Mandetiba, toen de thermometer 84° in

de schaduw wees. Het fraaie uitzicht op de begroeide heuvels in de

verte, weerkaatst in het volkomen stille water eener uitgestrekte

lagune, wekte ons geheel op. Daar de vénda hier zeer goed was, en de

aangename maar zeldzame herinnering aan een goeden maaltijd mij bij is

gebleven, zal ik ze uit dankbaarheid als type in hare soort terstond

beschrijven. Dikwijls zijn de véndas groote huizen, gebouwd van dikke

rechtopstaande palen, onderling door takken verbonden en daarna

bepleisterd. Zij hebben zelden vloeren en nooit glazen vensters,

maar in 't algemeen goede daken. Gewoonlijk is het voorgedeelte

open, eene soort waranda vormende, waaronder tafels en banken zijn

geplaatst. Aan elken kant bevinden zich de slaapkamers, en hier kan de

reiziger zoo gemakkelijk mogelijk op een houten platform slapen, dat

met eene dunne stroomat bedekt is. De vénda staat op eene binnenplaats,

waar de paarden gevoederd worden. Bij de eerste aankomst plachten wij

de paarden te ontzadelen en hun hunne maïs voor te zetten; daarna

vroegen wij den senhór met eene lichte buiging zoo goed te willen

zijn ons wat eten te geven.

"Al wat gij verkiest, mijnheer," was het gewone antwoord.

De eerste twee keeren dankte ik onnoodig de Voorzienigheid, dat Zij

ons bij zulk een goed man gebracht had; maar in den loop van het

gesprek nam de zaak meestal eene onaangename wending.

"Kunt ge ons dan den visch geven, dien wij wenschen?"

"O neen, mijnheer."

"Dan een soep die wij verlangen?"

"Neen, mijnheer."

"Brood dan?"

"O neen, mijnheer."

"Dan soms gedroogd vleesch?"

"O neen, mijnheer."

Zoo wij geluk hadden, kregen wij na een paar uren wachtens gevogelte,

rijst en farinha (meel). Niet zelden gebeurde het, dat wij genoodzaakt

waren om zelf de kippen voor ons avondeten met steenen te dooden. Als

wij, geheel uitgeput van vermoeienis en honger, schroomvallig te

kennen gaven, dat wij blijde zouden zijn ons maal te ontvangen,

was het hoogdravende (ofschoon ware) en geheel onvoldoende antwoord:

"Het zal gereed zijn als het gereed is!"

Hadden wij het gewaagd verdere opmerkingen te maken, dan zou

ons eenvoudig zijn aangezegd onze reis te vervolgen, omdat wij te

onbeschaamd waren. De herbergiers zijn zeer onwellevend en onaangenaam

in hunne manieren; hunne huizen en personeel zijn dikwijls in hooge

mate vuil; het gemis van het gerief van messen, lepels en vorken

is aan de orde van den dag; en ik ben er zeker van, dat in geheel

Engeland geen hut of kot is te vinden, die zoo volmaakt van alle

gerief verstoken is. Te Campos Novos, echter, was mijn voedsel

voortreffelijk: bij het middagmaal rijst en gevogelte, beschuit,

wijn en geestrijke dranken; des avonds koffie, en bij het ontbijt

visch en koffie. Dit alles, benevens goed voedsel voor de paarden,

kostte slechts 2 shil. 6 p. per hoofd. Maar toen wij den herbergier

dezer vénda vroegen, of hij ook iets wist van eene zweep, die een

van het gezelschap verloren had, antwoordde hij ruw:

"Hoe zou ik dat weten? Waarom hebt gij er niet op gepast? Ik denk,

dat de honden haar hebben opgegeten."

Na ons vertrek uit Mandetiba, trokken wij verder door een

woest labyrint van meren, waarvan sommige zoetwater-, andere

zoutwaterschelpdieren bevatten. Van de eerste soort vond ik

talrijke individuën van eene Limnaea in een meer, alwaar, zooals de

inboorlingen mij verzekerden, de zee eens en somtijds meermalen in 't

jaar binnenstroomt en het water geheel verzout. Ik heb vele stellige en

gewichtige bewijzen in verband met het feit, dat men in deze keten van

lagunen, die de kust van Brazilië omspant, zee- en zoetwaterdieren zou

kunnen vinden. M. Gay [19] heeft verklaard, dat hij in de nabijheid van

Rio schelpen heeft gevonden van de zeegeslachten Solen en Mytilus, die

samen met de zoetwatersoorten Ampullariae in brak water leefden. Ook

vond ik dikwijls in de lagune bij den Plantentuin, waar het water

slechts iets minder zout is dan in zee, eene soort Hydrophilus, veel

overeenkomende met een watertor, welke in de slooten van Engeland

algemeen is; in hetzelfde meer behoorde de eenige voorkomende schelp

tot een soort, die gewoonlijk in riviermonden gevonden wordt.

De kust voor eenigen tijd verlatende, trokken wij opnieuw het woud

binnen. De boomen waren zeer hoog en merkwaardig om hunne witte

stammen, vergeleken bij die in Europa. In mijn notitieboek schreef

ik: "wondervolle en fraaie bloeiende parasieten troffen mij steeds

als de nieuwste vormingen in deze grootsche natuurtooneelen." Op

onzen verderen tocht trokken wij door strooken weiland, die veel

geleden hadden van de reusachtige, bijna 12 voet hooge kegelvormige

mierennesten. Zij gaven aan de vlakte geheel het voorkomen der

moddervulkanen van den Jorullo, zooals Humboldt die afbeeldt.

Wij kwamen te Engenhodo, toen het reeds donker was, na tien uur in

den zadel te hebben gezeten. Gedurende den ganschen tocht was ik

verbaasd over de krachtsinspanning, die de paarden konden verduren;

ook schenen zij zich veel eerder van eenig letsel te herstellen dan

onze Engelsche fokdieren. De bloedzuiger-vleermuis veroorzaakt dikwijls

veel last, door de paarden in hunne schoften te bijten. Gewoonlijk

is het letsel niet zoozeer te wijten aan het bloedverlies, als aan

de ontsteking die naderhand de drukking van den zadel veroorzaakt. In

Engeland is onlangs het geheele geval in twijfel getrokken; zoodat ik

mij gelukkig achtte toen in mijne tegenwoordigheid zulk een vleermuis

(Desmodus D'Orbignyi, Wat.) werkelijk op den rug van een paard gevangen

werd. Eens bivouakeerden wij laat in den avond bij Coquimbo in Chili,

toen mijn bediende, opmerkende dat een der paarden zeer stug werd,

ging onderzoeken wat er aan de hand was, en meenende dat hij iets

kon onderscheiden, plotseling zijne hand op de schoften van het paard

legde en den vampier greep. Des morgens kon men de plek, waar de beet

was toegebracht, gemakkelijk aan eene lichte, bloederige opzwelling

onderscheiden. Drie dagen later bereden wij het paard zonder eenige

kwade gevolgen.

[13 April.]

Na drie dagen reizens kwamen wij te Socégo, de plantage van Senhór

Manuel Figuireda, een bloedverwant van iemand uit ons gezelschap. Het

huis was eenvoudig en, al had het de gedaante van eene schuur, wel

voor het klimaat geschikt. In de zitkamer vormden vergulde stoelen

en sofa's een zonderling contrast met de gewitte muren, het rieten

dak en de vensters zonder ruiten. Het huis, benevens de korenschuren,

stallen en werkplaatsen voor de zwarten, die in verschillende ambachten

onderwezen waren geworden, vormden eene soort onregelmatigen vierhoek,

in het midden waarvan een groote stapel koffie lag te drogen. Deze

gebouwen stonden op een lagen heuvel, die het uitzicht had over den

bebouwden grond en aan alle zijden omringd was door een muur van donker

groen en dichtbegroeid bosch. Het hoofdproduct in dit gedeelte van

het land is koffie. Iedere boom wordt ondersteld gemiddeld twee pond

's jaars op te leveren; maar sommige brengen er wel acht op. Mandioca

of Cassave [20] wordt eveneens in groote hoeveelheid gekweekt. Elk

deel van deze plant is nuttig: de bladeren en stengels worden door de

paarden gegeten, en de wortels tot pulp gemalen, dat, drooggeperst en

gebakken, de farinha vormt--het voornaamste voedingsmiddel in Brazilië.

Het is een merkwaardig ofschoon wel bekend feit, dat het sap dezer

zeer voedzame plant in hooge mate giftig is. Weinige jaren geleden

stierf eene koe in deze fazénda, doordien zij er wat van gedronken

had. Senhór Figuireda vertelde mij, dat hij het vorig jaar één zak

feijões of boonen en drie zakken rijst geplant had, waarvan de eerste

het 80-voud, de laatste het 320-voud voortbrachten. Het weiland voedt

een fraaien veestapel en de bosschen zijn zoo vol wild, dat op elk

der drie voorgaande dagen een hert gedood was. Deze overvloed van

voedsel bleek bij het middagmaal, waar, zoo niet de tafels, dan toch

de gasten er onder zuchtten; want elk persoon wordt geacht van iederen

schotel te eten. Op zekeren dag, toen ik mijne berekeningen zoo gemaakt

dacht te hebben, dat niets onaangeroerd zou weggaan, verschenen tot

mijne groote verslagenheid een gebraden kalkoen en een varken in al

hunne stoffelijke werkelijkheid op tafel. Gedurende de maaltijden

was een man belast met een aantal oude honden en dozijnen zwarte

kleine kinderen uit de kamer te jagen, die bij elke gelegenheid naar

binnen drongen. Indien men het denkbeeld van slavernij verbannen kon,

lag er iets uitermate bekorends in deze eenvoudige en aartsvaderlijke

leefwijze; het was zulk een volkomen afzondering en onafhankelijkheid

van de overige wereld. Zoodra men een vreemdeling ziet komen, wordt

een groote bel geluid en gewoonlijk een klein kanon afgeschoten. De

gebeurtenis wordt aldus aan rotsen en wouden bekend gemaakt, doch

aan niets anders.

Op zekeren morgen wandelde ik een uur vóór zonsopgang naar buiten,

om de plechtige stilte van het landschap te bewonderen. Eindelijk

werd de stilte verbroken door een morgengezang, dat door de geheele

familie van zwarten met kracht werd aangeheven. Meestal begint op deze

wijze de dagelijksche arbeid. Ik twijfel niet of op zulke fazèndas,

als deze, brengen de slaven gelukkig en tevreden hun leven door. Op

Zaterdag en Zondag werken zij voor zich zelven; en in dit vruchtbare

klimaat is het werk van twee dagen voldoende om een man en zijn gezin

de geheele week te onderhouden.

[14 April.]

Socégo verlatende, reden wij naar eene andere plantage aan den Rio

Macahé, welke het laatste plekje bebouwde grond in die richting was. De

plantage was twee en een halve mijl lang, maar hoe breed--dit was

de eigenaar vergeten. Slechts een zeer klein stuk bosch was gekapt;

toch was bijna elke acre grond geschikt om al de verschillende

rijke producten van een tropisch land op te leveren. De reusachtige

oppervlakte van Brazilië in aanmerking genomen, kan de hoeveelheid

bebouwde grond, vergeleken bij die welke nog in den natuurstaat is,

nauwelijks in aanmerking komen; maar welk eene reusachtige bevolking

zal dit land in de toekomst kunnen voeden! [21]

Gedurende onzen tocht op den tweeden dag vonden wij den weg dermate

versperd, dat het noodig was een man met een zwaard vooruit te

laten gaan, om de slingerplanten weg te kappen. Het woud vloeide

over van fraaie planten, waaronder de boomvarens, hoewel niet groot,

om haar helder groen loof en de sierlijke kromming harer bladerkronen

alleszins de bewondering verdienden.

Des avonds viel er een hevige regen, en ofschoon de thermometer 65°

wees, had ik het zeer koud. Het was merkwaardig de buitengewone

verdamping op te merken, die, toen de regen ophield, over de geheele

uitgestrektheid van het bosch begon. Ter hoogte van omstreeks

honderd voet waren de heuvels in een dichten witten damp gehuld,

die als rookzuilen uit de dichtstbegroeide deelen en in 't bijzonder

uit de dalen opsteeg. Dit verschijnsel nam ik bij verschillende

gelegenheden waar, en ik meen het te moeten toeschrijven aan de groote

bladerenoppervlakte, die vooraf door de zonnestralen verwarmd is.

Tijdens mijn verblijf op deze plantage scheelde het zeer weinig of

ik was getuige geweest van een dier wreede handelingen, welke alleen

in een slavenland kunnen plaats vinden. Tengevolge van een twist

en een rechtsgeding, was de eigenaar op het punt om alle vrouwen

en kinderen aan de mannelijke slaven te ontnemen en op de publieke

veiling in Rio afzonderlijk te verkoopen. Eigenbelang en geenszins

een gevoel van medelijden verhinderde deze handeling. Inderdaad:

ik geloof niet, dat de eigenaar zelfs eenig begrip heeft gehad van

de onmenschelijkheid om dertig gezinnen te scheiden, die vele jaren

te zamen hadden gewoond. Toch durf ik de verzekering geven, dat hij

in menschelijkheid en goedhartigheid boven het gewone slag menschen

stond. Men kan zeggen, dat er geen grens bestaat voor de blindheid

van het eigenbelang en zelfzuchtige gewoonten. Ik wil hier eene zeer

onbeduidende anecdote vertellen, die destijds een dieperen indruk

op mij maakte dan een verhaal over wreedheid. In gezelschap van een

buitengewoon dommen neger trok ik over een veer. Pogende mij door

hem te doen verstaan, sprak ik luid en maakte teekens, waarbij ik met

mijne hand dicht langs zijn gezicht ging. Vermoedelijk dacht de man,

dat ik driftig was en hem zou slaan, want onmiddellijk liet hij met

een verschrikt gezicht en half gesloten oogen de handen zakken. Nooit

zal ik het gevoel van verwondering, afkeer en schaamte vergeten,

dat in mij opwelde toen ik een groot, sterk man zelfs bevreesd zag

om een slag af te wenden, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt

was. Deze man was door het drillen gedemoraliseerd tot een trap,

lager dan de slavernij van het meest hulpelooze dier.

[18 April.]

Bij onzen terugkeer brachten wij twee dagen op Socégo door, welke ik

besteedde aan het verzamelen van insecten in het woud. De meeste boomen

meten, trots hunne hoogte, niet meer dan drie of vier voet in omtrek,

waaronder natuurlijk ook enkele van veel grootere afmetingen. Senhór

Manuel was toen bezig een kano te maken van 70 voet lengte uit een

enkelen stam, die oorspronkelijk 110 voet lang en zeer dik geweest

was. De tegenstelling, als palmboomen groeien temidden van de

gewone takkenschietende soorten, geeft aan het landschap steeds een

intertropisch karakter. Hier prijkten de wouden met den Koolpalm,

[22] een der fraaiste van deze familie. Met een stam zoo dun,

dat men hem met twee handen zou kunnen omvatten, verheft hij zijn

sierlijken kruin tot eene hoogte van 40 of 50 voet boven den grond. De

houtslingerplanten, zelven door andere slingerplanten bedekt, bereikten

eene groote dikte; enkele, die ik mat, waren twee voet in omtrek. Vele

oudere boomen leverden met de aan hunne takken hangende slingers van

lianen, die op bundels hooi geleken, een zeer merkwaardigen aanblik op.

Wendde het oog zich van de bladerenwereld boven naar den grond

daaronder, dan werd het geboeid door de buitengewone sierlijkheid

der bladeren van varens en mimosae. De laatsten bedekten den bodem

op sommige plaatsen met een kreupelhout van slechts enkele inches

hoogte. Wandelde men door deze dichte lagen van mimosae heen, dan

vormde zich een breed spoor, kenbaar aan de verandering in schaduw,

die deze plantjes door het laten hangen van hunne gevoelige bladstelen

teweegbrengen. Het is gemakkelijk een voor een de voorwerpen te

vermelden, die in deze majestueuze tafereelen onze bewondering wekken;

maar onmogelijk is 't een voldoend idee te geven van de hoogere

gevoelens van verwondering, van stomme verbazing en diepen eerbied,

welke de ziel vervullen en tot hooger stemmen.

[19 April.]

Na ons vertrek uit Socégo, keerden wij de eerste twee dagen op

onze schreden terug. Het was een zeer vermoeiend werk, daar de weg

meestal door eene gloeiend heete zandvlakte liep, niet ver van de

kust. Ik merkte op, dat telkens als mijn paard zijn poot op het fijne

kiezelzand zette, een aangenaam rinkelend geluid werd voortgebracht. Op

den derden dag sloegen wij eene andere richting in en trokken door

het vriendelijke dorpje Madre de Déos. De gekozen richting is een

van de hoofdwegen in Brazilië; niettemin was de weg zoo slecht,

dat geen voertuig op wielen, behalve de plompe ossenwagen, hem kon

berijden. Op onzen ganschen tocht passeerden wij geene enkele steenen

brug; en die, welke van houten blokken waren gemaakt, hadden meestal

zooveel herstel noodig, dat men genoodzaakt was langs één kant te

gaan om ze te vermijden. Alle afstanden waren onjuist bekend. De weg

is dikwijls met kruizen in plaats van mijlsteenen gemerkt, om aan te

duiden waar menschenbloed vergoten is. Op den avond van den 23sten

kwamen wij te Rio, en hadden ons aangenaam uitstapje volbracht.

Gedurende de rest van mijn verblijf te Rio woonde ik in een landhuis

aan de Botofogo Baai. Onmogelijk kon men iets aangenamers wenschen dan

zoo eenige weken in zulk eene prachtige landstreek door te brengen. In

Engeland geniet een minnaar van de natuurlijke historie op zijne

wandelingen het groote voorrecht, dat hij altijd iets heeft hetwelk

zijne aandacht trekt; maar in deze vruchtbare, van leven overvloeiende

klimaten zijn de aantrekkelijkheden zoo talrijk, dat hij bijna in

't geheel niet kan gaan wandelen.

De weinige waarnemingen, welke ik doen kon, bepaalden zich bijna

uitsluitend tot de ongewervelde dieren. Het bestaan eener afdeeling van

het geslacht Planaria, die het droge land bewoont, boezemde mij veel

belang in. Deze dieren hebben zulk een eenvoudigen bouw, dat Cuvier

[23] hen onder de ingewandswormen heeft gerangschikt, ofschoon zij

nooit in de lichamen van andere dieren gevonden zijn. Talrijke soorten

bewonen zout- en zoetwater; maar de door mij bedoelden werden, zelfs in

de drogere gedeelten van het woud, onder blokken rottend hout gevonden,

waarop zij, geloof ik, teerden. Wat vorm betreft, gelijken zij in

't algemeen op kleine slakken; maar zij zijn naar evenredigheid veel

smaller, en verscheidene soorten zijn fraai gekleurd met overlangsche

(longitudinale) strepen. Hun bouw is zeer eenvoudig: bij het midden

van de onder- of kruipvlakte bevinden zich twee kleine dwarsspleten,

uit de voorste waarvan een trechtervormige en zeer prikkelbare mond

kan worden gestoken. Eenigen tijd nadat de rest van het dier geheel

dood was aan de gevolgen van zoet water of eene andere oorzaak,

behield dit orgaan nog zijne levensvatbaarheid.

De Reis om de Wereld · 第 2 / 56 段