Tusschen het vuur en het water.
Jacques Paganel legde veel eer in met zijn geschiedenis. Men juichte hem
sterk toe; maar allen hielden hun meening voor zich, en de geleerde
verkreeg den gewonen uitslag van elken redetwist, dat wil zeggen, hij
overtuigde niemand. Op één punt was men het echter eens: dat men zich in
zijn lot moet schikken, en zich met een boom vergenoegen, wanneer men
geen hut noch paleis heeft.
Onder deze en andere gesprekken was de dag verloopen. Een goede slaap
kon het eenige waardige besluit van dien drukken dag zijn. De
boombewoners gevoelden zich niet alleen vermoeid door de gevaren der
overstrooming, maar vooral afgemat door de hitte, welke dien dag
buitengemeen groot was geweest. Hun gevleugelde medgezellen gaven reeds
het sein om te rusten; de "hilguero's," die nachtegalen der pampa,
staakten reeds hun welluidend gezang en alle vogels in den boom waren in
het diepste donker der bladeren verdwenen. Het best wat men kon doen was
hun voorbeeld te volgen.
Alvorens echter "in hun nest te kruipen" zooals Paganel het uitdrukte,
klommen Glenarvan, Robert en hij naar het observatorium, om nog eens de
watervlakte te onderzoeken. Het was omstreeks negen ure. De zon ging
onder in de vonkelende nevels van den westelijken gezigteinder. Die
geheele helft van het hemelgewelf tot aan het toppunt baadde zich in
heete dampen. De schitterende gesternten van het zuidelijk halfrond
schenen met ligt gaas omsluijerd en begonnen flaauw te schijnen.
Niettemin waren zij helder genoeg om ze te onderscheiden, en Paganel
maakte zijn vriendje Robert opmerkzaam op die poolstreek, waar de
sterren zoo heerlijk flonkeren. Ook Glenarvan trok daar nut uit. Onder
anderen wees hij hem op het Zuiderkruis, een groep van vier sterren van
de eerste en tweede grootte, die in den vorm van een ruit digt bij de
pool staan; den Centaurus, waarin de ster schittert die het digtst bij
de aarde staat, daar zij er slechts acht millioenen uren van verwijderd
is; de wolken van Magellaan, twee zeer groote nevelvlekken, waarvan de
grootste een ruimte beslaat, die twee honderd maal grooter is dan de
schijnbare oppervlakte der maan; eindelijk nog dat "zwarte gat," waar
een volslagen gebrek aan sterren schijnt te bestaan.
Het speet hem zeer, dat Orion, die op beide halfronden zigtbaar is, zich
nog niet vertoonde; maar hij deelde zijn beiden leerlingen een
merkwaardige bijzonderheid mede uit de beschrijving van Patagonië. In
het oog van die dichterlijke Indianen stelt Orion een ontzaggelijken
lasso en drie bola's voor, welke de hand van den jager, die de weiden
des hemels doorloopt, geslingerd heeft. Al die sterrebeelden, welke de
spiegelgladde oppervlakte des waters weerkaatste, wekten de bewondering
op, door als het ware een dubbelen hemel rondom de aanschouwers te
scheppen.
Terwijl de geleerde Paganel zoo sprak, kreeg de geheele oostelijke
gezigteinder een stormachtig voorkomen. Een dikke en donkere, scherp
begrensde wolkenlaag kwam langzamerhand opzetten, en onderschepte het
licht der sterren. Die zoo dreigende wolk bedekte weldra de eene helft
van het hemelgewelf, dat zij scheen te dempen. De kracht, die haar
voortstuwde, moest in haar zelve liggen, want er was geen windje aan de
lucht; de luchtlagen bleven in ongestoorde rust; het was bladstil; geen
golfje krulde de oppervlakte des waters; er scheen zelfs geen lucht te
zijn, alsof het een of ander groote luchtwerktuig haar verdund had. De
dampkring was verzadigd met electriciteit van hooge drukking, en elk
levend wezen voelde ze langs zijn zenuwen stroomen.
Die electrische golven maakten een diepen indruk op Glenarvan, Paganel
en Robert.
"Wij krijgen onweer," zeide Paganel.
"Zijt gij niet bang voor den donder?" vroeg Glenarvan den knaap.
"Wel neen, mylord!" antwoordde Robert.
"Des te beter; want het onweer is niet veraf."
"En het zal zwaar zijn," hernam Paganel, "naar het voorkomen der lucht
te oordeelen."
"Het onweer maakt mij niet ongerust," hervatte Glenarvan; "maar wel de
stortregens die er mede gepaard zullen gaan. Wij zullen tot op het hemd
toe nat worden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, Paganel! een nest is niet
voldoende voor een mensch, zooals gij spoedig tot uw nadeel zult
leeren."
"O! met wat wijsbegeerte!" antwoordde de geleerde.
"Maar die wijsbegeerte beschut niet tegen den regen."
"Neen, maar zij verwarmt."
"Kom!" zeide Glenarvan, "wij zullen onze vrienden maar opzoeken en hen
waarschuwen om zich zoo digt mogelijk in hun wijsbegeerte en hun mantels
te wikkelen, en vooral om geduld op te doen, want dat zullen wij noodig
hebben!"
Glenarvan sloeg nog een laatsten blik op den dreigenden hemel. De
wolkenmassa bedekte hem nu geheel en al. Ter naauwernood viel er op een
onduidelijke streep in het westen nog wat schemerlicht. Het water kreeg
een donkere kleur en geleek op een groote laaghangende wolk, die op het
punt stond met de zware dampen ineen te smelten. De schaduw was niet
eens meer zigtbaar. De gewaarwordingen van licht of gedruisch drongen
niet meer tot de oogen of de ooren door. De stilte werd even diep als de
duisternis.
"Laten wij naar beneden gaan!" zeide Glenarvan, "het zal spoedig gaan
bliksemen."
Hij liet zich met zijn beide vrienden langs de gladde wanden afglijden;
zij waren verwonderd, toen zij in een soort van zeer verrassend
halflicht kwamen; het werd voortgebragt door een ontelbare menigte
lichtgevende punten, die op de oppervlakte des waters al gonzende door
elkander vlogen.
"Is dat het lichten van het water?" vroeg Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Paganel. "Het zijn lichtgevende insecten, echte
Johannes-kevers, levende en goedkoope diamanten, waarvan de dames in
Buenos-Ayres prachtige tooisels maken!"
"Wat!" riep Robert, "zijn dat insecten, die daar als vonken vliegen?"
"Ja, mijn jongen!"
Robert maakte zich van een van die schitterende insecten meester.
Paganel had zich niet vergist. Het was een soort van groote zweefvlieg,
wel een duim lang, die de Indianen "tuco-tuco" noemen. Dit merkwaardig
schildvleugelig insect gaf licht uit twee vlekken, vooraan zijn
borststuk; dat licht was helder genoeg om er in de duisternis bij te
lezen. Paganel bragt het insect bij zijn horlogie en kon zien, dat het
op tien ure stond.
Toen Glenarvan weder bij den majoor en de drie zeelieden was, beval hij
hun de noodige voorzorgen voor den nacht aan. Er was een geducht onweder
ophanden. Na het eerste gerommel van den donder zou de wind zonder
twijfel losbreken en de boom sterk geschud worden. Elk werd dus verzocht
om zich stevig vast te sjorren in het bed van takken, dat hem ten deel
was gevallen. Al kon men het water uit den hemel niet ontgaan, men moest
zich toch wachten voor het water van de aarde, en niet in dien snellen
stroom vallen, die tegen den voet des booms brak.
Men wenschte elkander dus goeden nacht, zonder er echter veel op te
rekenen. Daarna kropen allen in hun luchtige legersteden, draaiden zich
in hun mantels en wachtten den slaap af.
Maar de nadering der groote natuurverschijnsels veroorzaakt in het hart
van elk gevoelig wezen een zekere onbestemde onrust, waarvan de
sterksten zich niet kunnen ontdoen. Ongerust en ternedergeslagen konden
de boombewoners geen oog toedoen, en vond de eerste donderslag hen allen
wakende. Dit had even vóór elven plaats in den vorm van een verwijderd
gerommel. Glenarvan kroop naar het uiteinde van den liggenden tak en
waagde het zijn hoofd buiten het gebladerte te steken.
De donkere nachtelijke hemel was reeds gescheurd door heldere en
schitterende inkervingen, die het water van het meer zuiver weerkaatste.
De wolken scheurden op verscheidene plaatsen, maar als een zacht en
katoenachtig weefsel zonder knersend geluid. Na het toppunt en den
gezigteinder, die in dezelfde duisternis ineenliepen, waargenomen te
hebben, keerde Glenarvan naar den top van den stam terug.
"Wat zegt gij er van, Glenarvan?" vroeg Paganel.
"Ik zeg, dat het een mooi begin is, vrienden! en dat, als het zoo
voortgaat, het onweer verschrikkelijk zal zijn."
"Des te beter!" antwoordde Paganel opgewonden "ik mag lijden dat het een
mooi schouwspel zal zijn, daar ik het toch niet ontloopen kan."
"Dat is weer een van uw theoriën," zeide de majoor.
"En een van mijn beste, Mac Nabbs! Ik ben het met lord Glenarvan eens,
dat het een heerlijk onweer zal zijn. Daar even, terwijl ik trachtte te
slapen, heb ik mij verscheidene feiten herinnerd, die mij er hoop op
geven; want wij zijn juist in de streek der groote electrieke stormen.
Zoo heb ik ergens gelezen, dat in 1793, juist in de provincie
Buenos-Ayres, de bliksem zeven en dertig maal gedurende één onweder is
ingeslagen. Mijn ambtgenoot, de heer Massin de Moussy, heeft een
onafgebroken gerommel van vijf en vijftig minuten waargenomen."
"Met het horlogie in de hand?" vroeg de majoor.
"Met het horlogie in de hand. Maar één ding zou mij ongerust kunnen
maken," voegde Paganel er bij, "indien de ongerustheid kon dienen om het
gevaar te ontgaan, namelijk, dat het eenige uitstekende punt dezer
vlakte juist de boom is, waarop wij ons bevinden. Een bliksemafleider
zou hier goed te pas komen, want onder al de boomen der pampa is het
juist deze, welke den bliksem bijzonder aantrekt. Gij weet ook,
vrienden! dat de geleerden verbieden om als het onweert een schuilplaats
onder de boomen te zoeken."
"Goed!" zeide de majoor; "die waarschuwing komt op haar tijd!"
"Ik moet bekennen, Paganel!" antwoordde Glenarvan, "dat gij een goed
oogenblik kiest om ons al die geruststellende dingen te vertellen!"
"Ba!" zeide Paganel, "alle oogenblikken zijn goed om wat te leeren. Ha!
daar begint het!"
Hevige donderslagen braken dit ongelegen gesprek af; hun kracht groeide
aan, hun geluid werd steeds sterker; zij kwamen naderbij en gingen van
de lage tot de middelstem over, om aan den zang een zeer juiste
vergelijking te ontleenen. Weldra werden zij knersend en bragten zij de
snaren der lucht in een snel trillende beweging. De hemel stond in vuur,
en in dien gloed kon men niet onderscheiden welke electrieke vonk dat
tot in het oneindige verlengde gerommel veroorzaakte, dat de echo tot
aan de uiteinden des hemels voortplantte.
De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan. Sommige,
die loodregt naar de aarde werden geslingerd, herhaalden zich tot vijf
en zes malen toe op dezelfde plaats. Andere zouden in de hoogste mate de
nieuwsgierigheid van een geleerde opgewekt hebben; want heeft Arago in
zijn merkwaardige statistiek maar twee voorbeelden van gevorkte
bliksemstralen opgenomen, hier kwamen zij bij honderden voor. Sommige
die zich in duizend verschillende takken verdeelden, vertoonden zich aan
het oog als koraalvormige zigzaglijnen, en bragten op het hemelgewelf
verbazende spelingen van boomvormig licht te weeg.
Weldra was de geheele hemel van het oosten naar het noorden onderspannen
door een sterk lichtgevende phosphorische strook. Die brand breidde zich
langzamerhand langs den geheelen gezigteinder uit, zette de wolken in
vuur, als waren zij een opeenhooping van brandstoffen, en weldra door
het spiegelende water teruggekaatst, vormde hij een onmetelijken
vuurbol, waarvan de boom het middelpunt uitmaakte.
In stilte beschouwden Glenarvan en zijn makkers dat schrikwekkend
tooneel. Trouwens, zij zouden elkander toch niet verstaan hebben.
Stroomen wit licht vielen op hen, en in dat kortstondige schijnsel
verschenen en verdwenen plotseling nu eens de kalme houding van den
majoor, dan weder het nieuwsgierige gelaat van Paganel of de krachtige
trekken van Glenarvan, soms ook het ontstelde gezigt van Robert of het
onbezorgde voorkomen der matrozen, naarmate dat spookachtige licht hen
bescheen.
Intusschen bleef het nog altijd droog en stil. Maar weldra werden de
sluizen des hemels geopend en loodregte strepen als de draden van een
wever op den zwarten grond des hemels gespannen. Die groote
regendruppels spatten, wanneer zij de oppervlakte des meers raakten, in
duizenden vonken op, die het bliksemvuur verlichtte.
Kondigde die regen het einde van het onweer aan? Zouden Glenarvan en
zijn makkers vrij komen met eenige krachtig toegediende stortbaden?
Neen. In het hevigst van die worsteling van het vuur des hemels,
verscheen plotseling aan het uiteinde van dien liggenden hoofdtak een
vuurbol, zoo groot als een vuist en door zwarten rook omgeven. Na eenige
seconden achtereen rondgedraaid te hebben, sprong die bol als een bom
met zulk een geraas, dat het hoorbaar was in het midden van het
algemeene tumult. Zwaveldamp vervulde den dampkring. Er ontstond een
oogenblik stilte, en men kon de stem van Tom Austin hooren, die riep:
"De boom staat in brand!"
Tom Austin vergiste zich niet. In een oogenblik liep de vlam, alsof zij
zich aan een ontzaggelijk groot vuurwerk had medegedeeld, langs den
geheelen westkant van den boom; het doode hout, de nesten van gedroogd
gras, en eindelijk het sponsachtige spint verschaften rijkelijk voedsel
aan haar verslindende kracht.
De wind stak nu op en blies dien brand aan. Zij moesten vlugten.
Sprakeloos, ontsteld, verschrikt, klauterende, glijdende, zich op takken
wagende, die onder hunne zwaarte bogen, vlugtten Glenarvan en de zijnen
in alle haast naar het oostelijk gedeelte van den boom, dat de vlam tot
nog toe gespaard had. Intusschen verschrompelden, kraakten en kronkelden
de takken in het vuur als levend verbrande slangen; hun witgloeijende
overblijfselen vielen in het water en dreven, een rooden gloed
verspreidende, met den stroom mede. Nu eens verhieven zich de vlammen
tot een ontzettende hoogte en verdwenen zij in den brand van den
dampkring; door den losgebroken orkaan nedergeslagen, wikkelden zij zich
dan weder om den boom, gelijk het kleed van Nessus. Glenarvan, Robert,
de majoor, Paganel, de matrozen, allen waren verstijfd van schrik; de
digte rook deed hen stikken; een onuitstaanbare hitte verschroeide hen,
reeds naderde de brand dat gedeelte van den boom, waar zij zich
bevonden; niets kon hem stuiten noch blusschen, en zij zagen zich
onherroepelijk veroordeeld tot de doodstraf van die slagtoffers, die in
de gloeijende holte eener hindoesche godheid zijn opgesloten.
Eindelijk was de toestand niet houdbaar meer, en moesten zij van twee
dooden den minst pijnlijken kiezen.
"Te water!" riep Glenarvan.
Reeds was Wilson, dien de vlammen bereikten, in het meer gesprongen,
toen men hem in den doodelijksten angst hoorde roepen:
"Help! help!"
Austin sprong hem na en hielp hem weder op den top van den stam.
"Wat is er gebeurd?"
"De kaaimans! de kaaimans!" antwoordde Wilson. En werkelijk bleek de
voet des booms omringd te zijn door de vreeselijkste dieren van de orde
der hagedissen. Hun schubben vonkelden in de breede lichtstrepen, die de
brand wierp, hun regtopstaande afgeplatte staart, hun kop gelijk aan het
ijzer eener lans, hun uitpuilende oogen, hun tot achter de ooren
gespleten kaken, al die kenmerken bewezen Paganel met wie hij te doen
had. Hij herkende de wreede alligators, die in Amerika gevonden en in de
spaansche bezittingen kaaimans genoemd worden. Er waren er wel tien bij
elkaar; zij sloegen met hun vreeselijken staart op het water en tastten
den boom aan met de lange tanden hunner onderkaak.
Op dit gezigt gevoelden de ongelukkigen, dat zij verloren waren. Een
verschrikkelijke dood wachtte hen, onverschillig of zij in de vlammen of
door de tanden der kaaimans omkwamen. De majoor zelfs zeide op een
bedaarden toon:
"Dat zou wel het einde van het einde kunnen zijn."
Er zijn omstandigheden, waarin de mensch buiten magte is om te
worstelen, en waarin de losgelaten elementen alleen door andere
elementen kunnen bestreden worden. Met een verwilderde blik staarde
Glenarvan op het vuur en het water, die zich tegen hem verbonden hadden,
en wist niet meer welke hulp hij van den hemel zou afsmeeken.
De storm was nu aan het afnemen; maar hij had in den dampkring een
aanzienlijke hoeveelheid dampen ontwikkeld, waaraan de electrische
verschijnselen een buitengewone kracht zouden mededeelen. In het zuiden
vormde zich allens een ontzaggelijke hoos, een kegel van dampen, met de
punt naar beneden en de basis naar boven, die het kokende water met de
onweerswolken verbond. Dit luchtverschijnsel naderde weldra, met
duizelingwekkende snelheid ronddraaiende, het trok in zijn middelpunt
een waterzuil op, die het meer moest afstaan, terwijl het door de kracht
van zijn draaijende beweging al de luchtstroomen uit den omtrek tot zich
trok.
Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom
en kronkelde zich er om heen. De boom werd tot in zijn wortels geschokt.
Glenarvan meende, dat de kaaimans hem met hun stevige kaken aangrepen en
uit den grond haalden. Hij en zijn makkers hielden elkander stijf vast;
zij voelden dat de sterke boom bezweek en omviel; zijn brandende takken
stortten met een vreeselijk gesis in het onstuimige water. Dat alles was
het werk van een seconde. De hoos was reeds voorbij en ging elders haar
verwoestende kracht uitoefenen, terwijl zij het meer op haar doortogt
scheen leeg te pompen.
De boom, die nu op het water rustte, dreef weg onder de vereenigde
pogingen van wind en stroom. De kaaimans waren gevlugt op één na, die op
de omgekeerde wortels kroop en met opgesperde kaken naderde; maar
Mulrady brak een half verkoolden tak af en gaf er het dier zulk een
zwaren slag mede, dat hij zijn lendenen verbrijzelde. Zoo onzacht
bejegend dook de kaaiman onder in de kolken van den stroom, dien hij nog
met verbazende kracht met zijn geduchten staart beukte.
Van die vraatzuchtige hagedissen bevrijd, haastten Glenarvan en zijn
makkers zich om de takken te bereiken, die te loefwaarts van den brand
lagen, terwijl de boom, wiens vlammen door den storm aangeblazen wel
witgloeijende zeilen geleken, in de schaduw van den nacht als een
aangestoken brander voortdreef.