XXV.

Tusschen het vuur en het water.

Jacques Paganel legde veel eer in met zijn geschiedenis. Men juichte hem

sterk toe; maar allen hielden hun meening voor zich, en de geleerde

verkreeg den gewonen uitslag van elken redetwist, dat wil zeggen, hij

overtuigde niemand. Op één punt was men het echter eens: dat men zich in

zijn lot moet schikken, en zich met een boom vergenoegen, wanneer men

geen hut noch paleis heeft.

Onder deze en andere gesprekken was de dag verloopen. Een goede slaap

kon het eenige waardige besluit van dien drukken dag zijn. De

boombewoners gevoelden zich niet alleen vermoeid door de gevaren der

overstrooming, maar vooral afgemat door de hitte, welke dien dag

buitengemeen groot was geweest. Hun gevleugelde medgezellen gaven reeds

het sein om te rusten; de "hilguero's," die nachtegalen der pampa,

staakten reeds hun welluidend gezang en alle vogels in den boom waren in

het diepste donker der bladeren verdwenen. Het best wat men kon doen was

hun voorbeeld te volgen.

Alvorens echter "in hun nest te kruipen" zooals Paganel het uitdrukte,

klommen Glenarvan, Robert en hij naar het observatorium, om nog eens de

watervlakte te onderzoeken. Het was omstreeks negen ure. De zon ging

onder in de vonkelende nevels van den westelijken gezigteinder. Die

geheele helft van het hemelgewelf tot aan het toppunt baadde zich in

heete dampen. De schitterende gesternten van het zuidelijk halfrond

schenen met ligt gaas omsluijerd en begonnen flaauw te schijnen.

Niettemin waren zij helder genoeg om ze te onderscheiden, en Paganel

maakte zijn vriendje Robert opmerkzaam op die poolstreek, waar de

sterren zoo heerlijk flonkeren. Ook Glenarvan trok daar nut uit. Onder

anderen wees hij hem op het Zuiderkruis, een groep van vier sterren van

de eerste en tweede grootte, die in den vorm van een ruit digt bij de

pool staan; den Centaurus, waarin de ster schittert die het digtst bij

de aarde staat, daar zij er slechts acht millioenen uren van verwijderd

is; de wolken van Magellaan, twee zeer groote nevelvlekken, waarvan de

grootste een ruimte beslaat, die twee honderd maal grooter is dan de

schijnbare oppervlakte der maan; eindelijk nog dat "zwarte gat," waar

een volslagen gebrek aan sterren schijnt te bestaan.

Het speet hem zeer, dat Orion, die op beide halfronden zigtbaar is, zich

nog niet vertoonde; maar hij deelde zijn beiden leerlingen een

merkwaardige bijzonderheid mede uit de beschrijving van Patagonië. In

het oog van die dichterlijke Indianen stelt Orion een ontzaggelijken

lasso en drie bola's voor, welke de hand van den jager, die de weiden

des hemels doorloopt, geslingerd heeft. Al die sterrebeelden, welke de

spiegelgladde oppervlakte des waters weerkaatste, wekten de bewondering

op, door als het ware een dubbelen hemel rondom de aanschouwers te

scheppen.

Terwijl de geleerde Paganel zoo sprak, kreeg de geheele oostelijke

gezigteinder een stormachtig voorkomen. Een dikke en donkere, scherp

begrensde wolkenlaag kwam langzamerhand opzetten, en onderschepte het

licht der sterren. Die zoo dreigende wolk bedekte weldra de eene helft

van het hemelgewelf, dat zij scheen te dempen. De kracht, die haar

voortstuwde, moest in haar zelve liggen, want er was geen windje aan de

lucht; de luchtlagen bleven in ongestoorde rust; het was bladstil; geen

golfje krulde de oppervlakte des waters; er scheen zelfs geen lucht te

zijn, alsof het een of ander groote luchtwerktuig haar verdund had. De

dampkring was verzadigd met electriciteit van hooge drukking, en elk

levend wezen voelde ze langs zijn zenuwen stroomen.

Die electrische golven maakten een diepen indruk op Glenarvan, Paganel

en Robert.

"Wij krijgen onweer," zeide Paganel.

"Zijt gij niet bang voor den donder?" vroeg Glenarvan den knaap.

"Wel neen, mylord!" antwoordde Robert.

"Des te beter; want het onweer is niet veraf."

"En het zal zwaar zijn," hernam Paganel, "naar het voorkomen der lucht

te oordeelen."

"Het onweer maakt mij niet ongerust," hervatte Glenarvan; "maar wel de

stortregens die er mede gepaard zullen gaan. Wij zullen tot op het hemd

toe nat worden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, Paganel! een nest is niet

voldoende voor een mensch, zooals gij spoedig tot uw nadeel zult

leeren."

"O! met wat wijsbegeerte!" antwoordde de geleerde.

"Maar die wijsbegeerte beschut niet tegen den regen."

"Neen, maar zij verwarmt."

"Kom!" zeide Glenarvan, "wij zullen onze vrienden maar opzoeken en hen

waarschuwen om zich zoo digt mogelijk in hun wijsbegeerte en hun mantels

te wikkelen, en vooral om geduld op te doen, want dat zullen wij noodig

hebben!"

Glenarvan sloeg nog een laatsten blik op den dreigenden hemel. De

wolkenmassa bedekte hem nu geheel en al. Ter naauwernood viel er op een

onduidelijke streep in het westen nog wat schemerlicht. Het water kreeg

een donkere kleur en geleek op een groote laaghangende wolk, die op het

punt stond met de zware dampen ineen te smelten. De schaduw was niet

eens meer zigtbaar. De gewaarwordingen van licht of gedruisch drongen

niet meer tot de oogen of de ooren door. De stilte werd even diep als de

duisternis.

"Laten wij naar beneden gaan!" zeide Glenarvan, "het zal spoedig gaan

bliksemen."

Hij liet zich met zijn beide vrienden langs de gladde wanden afglijden;

zij waren verwonderd, toen zij in een soort van zeer verrassend

halflicht kwamen; het werd voortgebragt door een ontelbare menigte

lichtgevende punten, die op de oppervlakte des waters al gonzende door

elkander vlogen.

"Is dat het lichten van het water?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Paganel. "Het zijn lichtgevende insecten, echte

Johannes-kevers, levende en goedkoope diamanten, waarvan de dames in

Buenos-Ayres prachtige tooisels maken!"

"Wat!" riep Robert, "zijn dat insecten, die daar als vonken vliegen?"

"Ja, mijn jongen!"

Robert maakte zich van een van die schitterende insecten meester.

Paganel had zich niet vergist. Het was een soort van groote zweefvlieg,

wel een duim lang, die de Indianen "tuco-tuco" noemen. Dit merkwaardig

schildvleugelig insect gaf licht uit twee vlekken, vooraan zijn

borststuk; dat licht was helder genoeg om er in de duisternis bij te

lezen. Paganel bragt het insect bij zijn horlogie en kon zien, dat het

op tien ure stond.

Toen Glenarvan weder bij den majoor en de drie zeelieden was, beval hij

hun de noodige voorzorgen voor den nacht aan. Er was een geducht onweder

ophanden. Na het eerste gerommel van den donder zou de wind zonder

twijfel losbreken en de boom sterk geschud worden. Elk werd dus verzocht

om zich stevig vast te sjorren in het bed van takken, dat hem ten deel

was gevallen. Al kon men het water uit den hemel niet ontgaan, men moest

zich toch wachten voor het water van de aarde, en niet in dien snellen

stroom vallen, die tegen den voet des booms brak.

Men wenschte elkander dus goeden nacht, zonder er echter veel op te

rekenen. Daarna kropen allen in hun luchtige legersteden, draaiden zich

in hun mantels en wachtten den slaap af.

Maar de nadering der groote natuurverschijnsels veroorzaakt in het hart

van elk gevoelig wezen een zekere onbestemde onrust, waarvan de

sterksten zich niet kunnen ontdoen. Ongerust en ternedergeslagen konden

de boombewoners geen oog toedoen, en vond de eerste donderslag hen allen

wakende. Dit had even vóór elven plaats in den vorm van een verwijderd

gerommel. Glenarvan kroop naar het uiteinde van den liggenden tak en

waagde het zijn hoofd buiten het gebladerte te steken.

De donkere nachtelijke hemel was reeds gescheurd door heldere en

schitterende inkervingen, die het water van het meer zuiver weerkaatste.

De wolken scheurden op verscheidene plaatsen, maar als een zacht en

katoenachtig weefsel zonder knersend geluid. Na het toppunt en den

gezigteinder, die in dezelfde duisternis ineenliepen, waargenomen te

hebben, keerde Glenarvan naar den top van den stam terug.

"Wat zegt gij er van, Glenarvan?" vroeg Paganel.

"Ik zeg, dat het een mooi begin is, vrienden! en dat, als het zoo

voortgaat, het onweer verschrikkelijk zal zijn."

"Des te beter!" antwoordde Paganel opgewonden "ik mag lijden dat het een

mooi schouwspel zal zijn, daar ik het toch niet ontloopen kan."

"Dat is weer een van uw theoriën," zeide de majoor.

"En een van mijn beste, Mac Nabbs! Ik ben het met lord Glenarvan eens,

dat het een heerlijk onweer zal zijn. Daar even, terwijl ik trachtte te

slapen, heb ik mij verscheidene feiten herinnerd, die mij er hoop op

geven; want wij zijn juist in de streek der groote electrieke stormen.

Zoo heb ik ergens gelezen, dat in 1793, juist in de provincie

Buenos-Ayres, de bliksem zeven en dertig maal gedurende één onweder is

ingeslagen. Mijn ambtgenoot, de heer Massin de Moussy, heeft een

onafgebroken gerommel van vijf en vijftig minuten waargenomen."

"Met het horlogie in de hand?" vroeg de majoor.

"Met het horlogie in de hand. Maar één ding zou mij ongerust kunnen

maken," voegde Paganel er bij, "indien de ongerustheid kon dienen om het

gevaar te ontgaan, namelijk, dat het eenige uitstekende punt dezer

vlakte juist de boom is, waarop wij ons bevinden. Een bliksemafleider

zou hier goed te pas komen, want onder al de boomen der pampa is het

juist deze, welke den bliksem bijzonder aantrekt. Gij weet ook,

vrienden! dat de geleerden verbieden om als het onweert een schuilplaats

onder de boomen te zoeken."

"Goed!" zeide de majoor; "die waarschuwing komt op haar tijd!"

"Ik moet bekennen, Paganel!" antwoordde Glenarvan, "dat gij een goed

oogenblik kiest om ons al die geruststellende dingen te vertellen!"

"Ba!" zeide Paganel, "alle oogenblikken zijn goed om wat te leeren. Ha!

daar begint het!"

Hevige donderslagen braken dit ongelegen gesprek af; hun kracht groeide

aan, hun geluid werd steeds sterker; zij kwamen naderbij en gingen van

de lage tot de middelstem over, om aan den zang een zeer juiste

vergelijking te ontleenen. Weldra werden zij knersend en bragten zij de

snaren der lucht in een snel trillende beweging. De hemel stond in vuur,

en in dien gloed kon men niet onderscheiden welke electrieke vonk dat

tot in het oneindige verlengde gerommel veroorzaakte, dat de echo tot

aan de uiteinden des hemels voortplantte.

De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan. Sommige,

die loodregt naar de aarde werden geslingerd, herhaalden zich tot vijf

en zes malen toe op dezelfde plaats. Andere zouden in de hoogste mate de

nieuwsgierigheid van een geleerde opgewekt hebben; want heeft Arago in

zijn merkwaardige statistiek maar twee voorbeelden van gevorkte

bliksemstralen opgenomen, hier kwamen zij bij honderden voor. Sommige

die zich in duizend verschillende takken verdeelden, vertoonden zich aan

het oog als koraalvormige zigzaglijnen, en bragten op het hemelgewelf

verbazende spelingen van boomvormig licht te weeg.

Weldra was de geheele hemel van het oosten naar het noorden onderspannen

door een sterk lichtgevende phosphorische strook. Die brand breidde zich

langzamerhand langs den geheelen gezigteinder uit, zette de wolken in

vuur, als waren zij een opeenhooping van brandstoffen, en weldra door

het spiegelende water teruggekaatst, vormde hij een onmetelijken

vuurbol, waarvan de boom het middelpunt uitmaakte.

In stilte beschouwden Glenarvan en zijn makkers dat schrikwekkend

tooneel. Trouwens, zij zouden elkander toch niet verstaan hebben.

Stroomen wit licht vielen op hen, en in dat kortstondige schijnsel

verschenen en verdwenen plotseling nu eens de kalme houding van den

majoor, dan weder het nieuwsgierige gelaat van Paganel of de krachtige

trekken van Glenarvan, soms ook het ontstelde gezigt van Robert of het

onbezorgde voorkomen der matrozen, naarmate dat spookachtige licht hen

bescheen.

Intusschen bleef het nog altijd droog en stil. Maar weldra werden de

sluizen des hemels geopend en loodregte strepen als de draden van een

wever op den zwarten grond des hemels gespannen. Die groote

regendruppels spatten, wanneer zij de oppervlakte des meers raakten, in

duizenden vonken op, die het bliksemvuur verlichtte.

Kondigde die regen het einde van het onweer aan? Zouden Glenarvan en

zijn makkers vrij komen met eenige krachtig toegediende stortbaden?

Neen. In het hevigst van die worsteling van het vuur des hemels,

verscheen plotseling aan het uiteinde van dien liggenden hoofdtak een

vuurbol, zoo groot als een vuist en door zwarten rook omgeven. Na eenige

seconden achtereen rondgedraaid te hebben, sprong die bol als een bom

met zulk een geraas, dat het hoorbaar was in het midden van het

algemeene tumult. Zwaveldamp vervulde den dampkring. Er ontstond een

oogenblik stilte, en men kon de stem van Tom Austin hooren, die riep:

"De boom staat in brand!"

Tom Austin vergiste zich niet. In een oogenblik liep de vlam, alsof zij

zich aan een ontzaggelijk groot vuurwerk had medegedeeld, langs den

geheelen westkant van den boom; het doode hout, de nesten van gedroogd

gras, en eindelijk het sponsachtige spint verschaften rijkelijk voedsel

aan haar verslindende kracht.

De wind stak nu op en blies dien brand aan. Zij moesten vlugten.

Sprakeloos, ontsteld, verschrikt, klauterende, glijdende, zich op takken

wagende, die onder hunne zwaarte bogen, vlugtten Glenarvan en de zijnen

in alle haast naar het oostelijk gedeelte van den boom, dat de vlam tot

nog toe gespaard had. Intusschen verschrompelden, kraakten en kronkelden

de takken in het vuur als levend verbrande slangen; hun witgloeijende

overblijfselen vielen in het water en dreven, een rooden gloed

verspreidende, met den stroom mede. Nu eens verhieven zich de vlammen

tot een ontzettende hoogte en verdwenen zij in den brand van den

dampkring; door den losgebroken orkaan nedergeslagen, wikkelden zij zich

dan weder om den boom, gelijk het kleed van Nessus. Glenarvan, Robert,

de majoor, Paganel, de matrozen, allen waren verstijfd van schrik; de

digte rook deed hen stikken; een onuitstaanbare hitte verschroeide hen,

reeds naderde de brand dat gedeelte van den boom, waar zij zich

bevonden; niets kon hem stuiten noch blusschen, en zij zagen zich

onherroepelijk veroordeeld tot de doodstraf van die slagtoffers, die in

de gloeijende holte eener hindoesche godheid zijn opgesloten.

Eindelijk was de toestand niet houdbaar meer, en moesten zij van twee

dooden den minst pijnlijken kiezen.

"Te water!" riep Glenarvan.

Reeds was Wilson, dien de vlammen bereikten, in het meer gesprongen,

toen men hem in den doodelijksten angst hoorde roepen:

"Help! help!"

Austin sprong hem na en hielp hem weder op den top van den stam.

"Wat is er gebeurd?"

"De kaaimans! de kaaimans!" antwoordde Wilson. En werkelijk bleek de

voet des booms omringd te zijn door de vreeselijkste dieren van de orde

der hagedissen. Hun schubben vonkelden in de breede lichtstrepen, die de

brand wierp, hun regtopstaande afgeplatte staart, hun kop gelijk aan het

ijzer eener lans, hun uitpuilende oogen, hun tot achter de ooren

gespleten kaken, al die kenmerken bewezen Paganel met wie hij te doen

had. Hij herkende de wreede alligators, die in Amerika gevonden en in de

spaansche bezittingen kaaimans genoemd worden. Er waren er wel tien bij

elkaar; zij sloegen met hun vreeselijken staart op het water en tastten

den boom aan met de lange tanden hunner onderkaak.

Op dit gezigt gevoelden de ongelukkigen, dat zij verloren waren. Een

verschrikkelijke dood wachtte hen, onverschillig of zij in de vlammen of

door de tanden der kaaimans omkwamen. De majoor zelfs zeide op een

bedaarden toon:

"Dat zou wel het einde van het einde kunnen zijn."

Er zijn omstandigheden, waarin de mensch buiten magte is om te

worstelen, en waarin de losgelaten elementen alleen door andere

elementen kunnen bestreden worden. Met een verwilderde blik staarde

Glenarvan op het vuur en het water, die zich tegen hem verbonden hadden,

en wist niet meer welke hulp hij van den hemel zou afsmeeken.

De storm was nu aan het afnemen; maar hij had in den dampkring een

aanzienlijke hoeveelheid dampen ontwikkeld, waaraan de electrische

verschijnselen een buitengewone kracht zouden mededeelen. In het zuiden

vormde zich allens een ontzaggelijke hoos, een kegel van dampen, met de

punt naar beneden en de basis naar boven, die het kokende water met de

onweerswolken verbond. Dit luchtverschijnsel naderde weldra, met

duizelingwekkende snelheid ronddraaiende, het trok in zijn middelpunt

een waterzuil op, die het meer moest afstaan, terwijl het door de kracht

van zijn draaijende beweging al de luchtstroomen uit den omtrek tot zich

trok.

Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom

en kronkelde zich er om heen. De boom werd tot in zijn wortels geschokt.

Glenarvan meende, dat de kaaimans hem met hun stevige kaken aangrepen en

uit den grond haalden. Hij en zijn makkers hielden elkander stijf vast;

zij voelden dat de sterke boom bezweek en omviel; zijn brandende takken

stortten met een vreeselijk gesis in het onstuimige water. Dat alles was

het werk van een seconde. De hoos was reeds voorbij en ging elders haar

verwoestende kracht uitoefenen, terwijl zij het meer op haar doortogt

scheen leeg te pompen.

De boom, die nu op het water rustte, dreef weg onder de vereenigde

pogingen van wind en stroom. De kaaimans waren gevlugt op één na, die op

de omgekeerde wortels kroop en met opgesperde kaken naderde; maar

Mulrady brak een half verkoolden tak af en gaf er het dier zulk een

zwaren slag mede, dat hij zijn lendenen verbrijzelde. Zoo onzacht

bejegend dook de kaaiman onder in de kolken van den stroom, dien hij nog

met verbazende kracht met zijn geduchten staart beukte.

Van die vraatzuchtige hagedissen bevrijd, haastten Glenarvan en zijn

makkers zich om de takken te bereiken, die te loefwaarts van den brand

lagen, terwijl de boom, wiens vlammen door den storm aangeblazen wel

witgloeijende zeilen geleken, in de schaduw van den nacht als een

aangestoken brander voortdreef.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 36 / 37 题