XXIV.

Vervolg.

Dit onverwacht gezegde werd met diepe verwondering aangehoord. Wat wilde

de aardrijkskundige zeggen? Was hij zijn verstand kwijt? En toch sprak

hij op zulk een toon van overtuiging, dat allen de oogen op Glenarvan

vestigden. Deze verklaring van Paganel was een regtstreeksch antwoord op

de pas gedane vraag. Maar Glenarvan vergenoegde zich met een ontkennende

beweging te maken, die niet gunstig voor den geleerde was.

Zoodra deze zijn aandoening bedwongen had, nam hij het woord weder op.

"Ja!" zeide hij met vaste stem, "ja! wij hebben gedwaald in onze

nasporingen en iets op het document gelezen, dat er niet op staat!"

"Verklaar u nader, Paganel!" zeide de majoor, "en houd u bedaard!"

"Het is zeer eenvoudig, majoor! Ik heb even als gij gedwaald, ik heb er

even als gij een verkeerde uitlegging aan gegeven; maar toen ik zoo even

uit den top van den boom uwe vragen beantwoordde en bij het woord

"Australië" ophield, schoot mij een gedachte te binnen en ging een licht

voor mij op."

"Hoe!" riep Glenarvan, "gij beweert, dat Harry Grant?..."

"Ik beweer," antwoordde Paganel, "dat het woord _austral_, dat op het

document voorkomt, geen volledig woord is, zooals wij tot nu toe gedacht

hebben, maar wel de wortel van het woord _Australië_."

"Dat zou vreemd zijn!" antwoordde de majoor.

"Vreemd!" zeide Glenarvan zijn schouders ophalende, "het is

doodeenvoudig onmogelijk."

"Onmogelijk!" hernam Paganel. "Dat is een woord, dat wij in Frankrijk

niet kennen."

"Hoe!" voegde Glenarvan op den toon van het grootste ongeloof er bij,

"durft gij met het document in de hand beweren, dat de schipbreuk der

_Britannia_ op de kusten van Australië heeft plaats gehad?"

"Ik ben er zeker van!" antwoordde Paganel.

"Op mijn eer, Paganel!" zeide Glenarvan, "ik ben hoogst verwonderd over

zulk een bewering, en dan nog al uit den mond van een secretaris van een

aardrijkskundig genootschap."

"Waarom?" vroeg Paganel, die zich in zijn zwak voelde getast.

"Omdat gij door het woord _Australië_ aan te nemen, tevens aanneemt, dat

daar _Indianen_ zijn, hetgeen ongehoord is."

Paganel was geenszins door dat bewijs verrast. Hij verwachtte het zeker,

en begon te glimlagchen.

"Waarde Glenarvan!" zeide hij "verheug u niet te vroeg over uw

zegepraal; ik zal u "geheel en al verslaan," zooals wij Franschen

zeggen, en nooit zal een Engelschman zulk een nederlaag geleden hebben!

Het zal de wraak zijn voor Crecy en Azincourt[1]!"

"Dat zal mij zeer aangenaam zijn, sla mij, Paganel!"

"Luister dan. In den tekst van het document wordt evenmin van Indianen

als van Patagonië gesproken! Het afgebroken woord _indi_ ... beteekent

niet _Indianen_ maar wel _indigènes_ (inboorlingen)! Gij geeft toch

zeker toe, dat er in Australië "inboorlingen" zijn?"

Om de waarheid hulde te doen moeten wij zeggen, dat Glenarvan Paganel

thans stijf aanzag.

"Bravo, Paganel!" riep de majoor.

"Neemt gij mijn uitlegging aan, waarde lord?"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "wanneer gij mij bewijst, dat de laatste

letters _gonie_ niet slaan op het land der Patagoniërs!"

"Zeker niet!" riep Paganel, "er is geen sprake van _Patagonië!_ lees al

wat gij wilt, maar dat niet."

"Wat dan?"

"_Cosmogonie_! _theogonie_! _agonie_!..." (Leer der schepping van de

wereld, leer der wording van de godheden uit de fabelleer, doodsangst).

"_Doodsangst_!" zeide de majoor.

"Dat is mij hetzelfde!" antwoordde Paganel; "het woord komt er niet op

aan. Ik wil zelfs niet eens naar zijn beteekenis zoeken. De hoofdzaak

is, dat _austral_ beteekent _Australië_, en alleen doordien wij

blindelings een verkeerden weg ingeslagen hadden, hebben wij niet reeds

terstond zulk een duidelijke verklaring gevonden. Wanneer ik het

document gevonden had, wanneer mijn oordeel niet door uwe uitlegging op

een dwaalspoor was gebragt, zou ik het nooit anders opgevat hebben!"

Na deze opheldering werd Paganel met hoera's, gelukwenschingen en

vleijerijen overladen. Austin, de matrozen, de majoor, maar vooral

Robert, die zich gelukkig gevoelde nu hij opnieuw mogt hopen, juichten

den waardigen geleerde toe. Glenarvan, wiens oogen langzamerhand open

gingen, was op het punt om zich overwonnen te verklaren.

"Los mij nog ééne bedenking op, waarde Paganel!" zeide hij, "en ik buig

mij neder voor uwe scherpzinnigheid."

"Spreek, Glenarvan!"

"Hoe maakt gij een geheel van die woorden, na die nieuwe uitlegging, en

hoe leest gij het document?"

"Niets gemakkelijker dan dat. Hier is het document," zeide Paganel,

terwijl hij het kostbare papier overgaf, dat hij sedert eenige dagen zoo

naauwkeurig bestudeerde.

Er ontstond een diepe stilte, terwijl de aardrijkskundige zich eenigen

tijd bedacht, voor hij antwoordde. Met den vinger volgde hij op het

document de afgebroken regels, terwijl hij met een vaste stem en op

sommige woorden drukkende, het volgende las:

"_Den 7den junij 1862 is de driemaster Britannia van Glasgow gezonken

na_..." zet hier, wanneer gij wilt, "_twee dagen, drie dagen_" of "_de

uiterste krachtsinspanning_" het komt er niet op aan, het is volkomen

onverschillig, "_op de kusten van Australië. Zich naar land begevende,

zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten te landen_" of "_hebben

het vaste land bereikt, waar zij door wreede inboorlingen gevangen

genomen zullen worden_" of "_zijn_". _Zij hebben dit document

geworpen_," enz. enz. Is het duidelijk?"

"Het is duidelijk," antwoordde Glenarvan, "wanneer men den naam

"vastland" mag geven aan Australië, dat maar een eiland is!"

"Stel u gerust, waarde Glenarvan! de beste aardrijkskundigen zijn het

onderling eens om dit eiland, "het australische vastland" te noemen."

"Dan heb ik nog maar één ding te zeggen, vrienden!" riep Glenarvan.

"Naar Australië, en moge de Hemel ons bijstaan!"

"Naar Australië!" herhaalden zijn makkers met eenparige stemmen.

"Weet gij wel, Paganel!" voegde Glenarvan er bij, "dat uw

tegenwoordigheid aan boord van de _Duncan_ een leiding der

Voorzienigheid is?"

"Goed," antwoordde Paganel. "Laten wij het ervoor houden, dat ik door

God gezonden ben, en er verder niet meer over spreken."

Zoo eindigde dat gesprek, dat later zulke gewigtige gevolgen had. Het

bragt een geheelen omkeer te weeg in de gemoedsstemming der reizigers.

Zij hadden den draad weder gevat in dien doolhof, waarin zij meenden

verdwaald te zijn. Een nieuwe hoop verrees op de puinhoopen hunner

verijdelde plannen. Zij konden onbevreesd het amerikaansche vastland

achter zich laten, en hunne gedachten vlogen hun reeds vooruit naar

Australië. Wanneer zij de _Duncan_ weder beklommen, zouden zij haar

passagiers geen wanhoop aan boord medebrengen, en lady Helena en Mary

Grant zouden het onherroepelijk verlies van kapitein Grant niet behoeven

te betreuren! Zoo vergaten zij de gevaren van hun toestand om zich aan

de vreugde over te geven, en het speet hen maar, dat zij niet

oogenblikkelijk konden vertrekken.

Het was nu vier ure in den namiddag. Men besloot ten zes ure het

avondeten te gebruiken. Paganel wilde dezen gelukkigen dag met een

heerlijk feestmaal vieren. Daar Schraalhans echter keukenmeester was,

stelde hij aan Robert voor om "in het naburige bosch" te gaan jagen.

Robert klapte in de handen over dien heerlijken inval. Zij namen den

kruidhoren van Thalcave, maakten de revolvers schoon, laadden ze met

hagel en vertrokken.

"Past op, dat gij niet te ver afdwaalt!" zeide de majoor deftig tegen de

twee jagers.

Na hun vertrek gingen Glenarvan en Mac Nabbs naar de in den boom

gemaakte kerven zien, terwijl Wilson en Mulrady de kolen aan den haard

weder aanbliezen.

Toen Glenarvan de oppervlakte van het verbazende meer had bereikt, zag

hij nog niet het geringste bewijs van verval. Toch scheen het water zijn

hoogsten stand bereikt te hebben; maar het geweld, waarmede het van het

zuiden naar het noorden stroomde, bewees dat het evenwigt tusschen de

argentijnsche rivieren nog niet hersteld was. Die watermassa moest, voor

zij zakken kon, eerst tot rust komen, evenals de zee op het oogenblik,

dat de vloed afloopt en de ebbe begint. Er viel dus op geen daling van

het water te rekenen, zoolang het met die verbazende snelheid naar het

noorden bleef loopen.

Terwijl Glenarvan en de majoor hun waarnemingen deden, knalden er

geweerschoten in den boom, vergezeld door bijna even luide

vreugdekreten. De sopraan van Robert paarde zich aan de bas van Paganel.

Zij wedijverden, wie het uitgelatenst zou zijn. De jagt stelde zich goed

in en het liet zich aanzien, dat de keuken eens goed voorzien zou

worden. Toen de majoor en Glenarvan bij het vuur terugkwamen, konden zij

Wilson geluk wenschen met een uitmuntend denkbeeld, waarop hij gekomen

was. Die brave zeeman zat te visschen met een speld aan een eindje touw.

Verscheidene dozijnen vischjes, die zoo smakelijk waren als spieringen

en "mojarra's" heetten, spartelden in een plooi van zijn mantel en

beloofden een lekkeren schotel te zullen opleveren.

Juist daalden de jagers uit de toppen van den boom. Paganel droeg

voorzigtig zwarte zwaluweijeren, en een rist musschen, die hij later zou

ronddienen onder den naam van leeuwerikken. Robert had zeer handig

verscheidene paren "hilguero's" geschoten, kleine vogels met groene en

gele vederen, die lekker smaken en te Montevideo veel aan de markt

komen. Paganel, die een en vijftig wijzen kende om eijeren klaar te

maken, moest zich voor ditmaal tevreden stellen met ze in de heete asch

hard te laten worden. Niettemin was de maaltijd even afwisselend als

lekker. Het drooge vleesch, de harde eijeren, de geroosterde

"mojarra's," de gebraden musschen en "hilguero's" maakten dien disch tot

een feestmaal, waaraan allen steeds zouden denken.

Het gesprek was zeer vrolijk. Paganel werd zeer geprezen èn als jager èn

als kok. De geleerde nam die dankbetuigingen aan met de zedigheid, die

het kenmerk der ware verdienste is. Vervolgens weidde hij uit in

belangrijke beschouwingen over dien prachtigen notenboom, die hen met

zijn gebladerte beschutte en welks omvang, naar zijn zeggen, onmeetbaar

was.

"Robert en ik," voegde hij er schertsend bij, "dachten in een wezenlijk

bosch op de jagt te zijn. Een oogenblik vreesde ik, dat wij zouden

verdwalen. Ik kon den weg niet terugvinden! De zon ging aan den

gezigteinder onder! Te vergeefs zocht ik naar het spoor van mijn

voetstappen! De honger kwelde mij vreeselijk! Reeds weergalmde het

duistere geboomte van het gebrul der wilde dieren.... Ik vergis mij, er

zijn geen wilde dieren en dat spijt mij!"

"Hoe!" zeide Glenarvan, "spijt het u, dat er geen wilde dieren zijn?"

"Ja, zeker!"

"Intusschen, wanneer men alles van hun wreedheid te dachten heeft...."

"De wreedheid bestaat niet ... wetenschappelijk gesproken," antwoordde

de geleerde.

"Het zal u toch nooit gelukken om mij van het nut der wilde dieren te

overtuigen, Paganel!" zeide de majoor. "Waar zijn ze goed voor?"

"Majoor!" riep Paganel, "zij dienen om klassen, orden, familiën,

geslachten, soorten te vormen...."

"Een groot voordeel," zeide Mac Nabbs. "Ik wil het gaarne missen! Ware

ik een der medgezellen van Noach bij den zondvloed geweest, dan zou ik

dien onvoorzigtigen aartsvader stellig belet hebben om paren leeuwen,

tijgers, panters, beeren en andere even moordlustige als nuttelooze

dieren in de ark te brengen!"

"Zoudt gij dat gedaan hebben?" vroeg Paganel.

"Dat zou ik gedaan hebben."

"Welnu! dan zoudt gij uit het oogpunt der dierkunde ongelijk gehad

hebben!"

"Maar niet uit het oogpunt der menschlievendheid," antwoordde de majoor.

"Ik zou er boos om kunnen worden!" hernam Paganel. "Ik voor mij zou

juist den reuzenluiaard, de vleugelvingerige hagedis en al de

voorwereldlijke dieren behouden hebben, waarvan wij zoo ongelukkig

beroofd zijn geworden...."

"En ik zeg u," antwoordde Mac Nabbs, "dat Noach er zeer wel aan gedaan

heeft met ze aan hun lot over te laten, voorondersteld dat zij te zijnen

tijde nog leefden."

"En ik zeg u, dat Noach er zeer verkeerd aan gedaan heeft," antwoordde

Paganel, "en dat hij tot aan het einde der eeuwen den vloek der

geleerden verdient!"

De toehoorders van Paganel en van den majoor konden hun lachlust niet

bedwingen, toen zij de beide vrienden zoo over den ouden Noach hoorden

twisten. In strijd met al zijn beginselen, lag de majoor, die zijn leven

lang nooit met iemand geredetwist had, dagelijks met Paganel overhoop.

Het scheen, dat de geleerde hem bijzonder in het vaarwater zat.

Volgens zijn gewoonte kwam Glenarvan in den twist tusschen beiden,

zeggende:

"Het moge, hetzij uit het oogpunt der wetenschap, hetzij uit dat der

menschlievendheid, al dan niet te betreuren zijn, dat wij van wilde

dieren beroofd zijn, wij moeten ons nu toch in hun gemis schikken.

Paganel kon toch niet hopen, dat hij er in dit luchtbosch zou

aantreffen."

"Waarom niet?" vroeg de geleerde.

"Wilde beesten op een boom?" zeide Tom Austin.

"Wel zeker! De amerikaansche tijger, de jaguar, vlugt wanneer de jagers

hem te veel in het naauw brengen, op de boomen! Heel ligt zou een van

die dieren, door de overstrooming verrast zijnde, een schuilplaats

hebben kunnen zoeken in de takken van dezen boom."

"Gij hebt er toch geen een ontmoet, denk ik?" zeide de majoor.

"Neen!" antwoordde Paganel, "hoewel wij het geheele woud doorkruist

hebben. Het is jammer; want het zou een heerlijke jagt geweest zijn. Die

jaguar is een geducht verscheurend dier! Met een enkelen slag met zijn

poot draait hij een paard den hals om! Als hij eens menschenvleesch

geproefd heeft, krijgt hij er smaak in. Het liefst heeft hij den

Indiaan, daarna den Neger, vervolgens den Mulat en eindelijk den

Blanke."

"Ik ben blijde, dat ik eerst in de vierde plaats kom!" zeide Mac Nabbs.

"Zoo! dat bewijst enkel, dat gij laf zijt!" gaf Paganel op een toon van

minachting ten antwoord.

"Ik ben blij, dat ik laf ben!" sprak de majoor.

"En ik zeg, dat het vernederend is!" antwoordde de onhandelbare Paganel.

"De blanke beroemt er zich op, dat hij aan het hoofd des menschdoms

staat! De heeren jaguars schijnen niet van hetzelfde gevoelen te zijn!"

"Dat mag wezen zooals het wil, dappere Paganel!" zeide Glenarvan, "maar

nu er onder ons geen Indianen, Negers of Mulatten zijn, verheug ik mij

over de afwezigheid uwer lieve jaguars. Onze toestand is zoo aangenaam

niet...."

"Wat! aangenaam!" riep Paganel, dit woord aanhoudende om een anderen

loop aan het gesprek te geven, "klaagt gij over uw lot, Glenarvan?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan; "of zijt gij op uw gemak in die

lompe en onbehouwen takken?"

"Ik heb het nooit gemakkelijker gehad, zelfs niet in mijn

studeervertrek. Wij leven als de vogels! wij zingen! wij fladderen! Ik

zou haast gaan gelooven, dat de menschen bestemd zijn om op de boomen te

leven."

"Het ontbreekt hun alleen maar aan vleugels!" zeide de majoor.

"Die zullen zij vroeger of later wel maken!"

"Sta mij intusschen toe, waarde vriend!" antwoordde Glenarvan, "om het

zand van een park, den vloer van een huis of het dek van een schip boven

deze woning in de lucht te verkiezen!"

"Glenarvan!" antwoordde Paganel, "men moet de dingen nemen, zooals zij

zijn! Zijn zij goed, des te beter. Zijn zij slecht, dan moet men er maar

niet op letten. Ik zie, dat gij naar de gemakken van het kasteel Malcolm

verlangt."

"Neen, maar...."

"Ik ben zeker, dat Robert volmaakt gelukkig is," viel Paganel hem

haastig in de rede, om ten minste één aanhanger voor zijn theorie te

winnen.

"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert vrolijk uit.

"Dat brengt zijn leeftijd mede," antwoordde Glenarvan.

"En de mijne!" zeide de geleerde. "Hoe minder gemaklievend men is, des

te minder behoeften heeft men. Hoe minder behoeften men heeft, des te

gelukkiger is men."

"Mooi zoo!" riep de majoor, "daar gaat Paganel een uitval doen tegen de

rijkdommen en de paleizen."

"Neen, Mac Nabbs!" antwoordde de geleerde; "maar wanneer gij het

verlangt, zal ik u dienaangaande een korte arabische geschiedenis

vertellen, die mij juist te binnen schiet."

"Ja, ja! mijnheer Paganel!" zeide Robert.

"En wat zal uwe geschiedenis bewijzen?" vroeg de majoor.

"Wat alle geschiedenissen bewijzen, mijn wakkere kameraad!"

"Dus niet veel!" antwoordde Mac Nabbs. "Maar begin toch maar,

Sheherazade! en vertel ons een van die sprookjes, die gij zoo goed kunt

vertellen."

"Er was eens," zeide Paganel, "een zoon van den grooten

Haroun-al-Raschid, die niet gelukkig was. Hij ging een ouden dervis

raadplegen. De wijze grijsaard antwoordde hem, dat het geluk niet

gemakkelijk op deze aarde te vinden was. "Toch ken ik," voegde hij er

bij, "een onfeilbaar middel om u het geluk te verschaffen."--"En dat

is?" vroeg de jonge vorst.--"Gij moet," antwoordde de dervis, "het hemd

van een gelukkige aantrekken!"--Daarop omhelsde de jonge vorst den

grijsaard en ging zijn talisman opzoeken. Op zijn reis bezocht hij al de

hoofdsteden der aarde. Hij beproeft de kracht van de hemden van

koningen, keizers, prinsen en heeren. Vergeefsche moeite. Hij wordt maar

niet gelukkiger! Nu doet hij hemden aan van kunstenaars, krijgslieden en

kooplieden. Het baat evenmin. Hij dwaalde dus lang rond zonder het geluk

te vinden. Eindelijk kwam hij, wanhopend over de krachteloosheid van

zooveel hemden, op zekeren morgen zeer bedroefd in het paleis zijns

vaders terug. Daar ziet hij op het land een braven landman, die vrolijk

zingende zijn ploeg volgt. "Dat is toch wel een gelukkig man", zeide hij

bij zich zelven, "of er bestaat geen geluk op deze aarde." Hij gaat naar

hem toe. "Vriend!" zegt hij, "zijt gij gelukkig?"--"Ja!" antwoordt de

andere.--"Begeert gij niets?"--"Neen."--"Zoudt gij uw lot niet willen

ruilen met dat eens konings?"--"Nooit!"--"Welnu, verkoop mij dan uw

hemd!"--"Mijn hemd? ik heb er geen!""

[1] De Engelschen sloegen onder hun koning Eduard III de Franschen in

1346 bij Crecy en onder Hendrik V bij Azincourt in 1415.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 35 / 37 题