Vervolg.
Dit onverwacht gezegde werd met diepe verwondering aangehoord. Wat wilde
de aardrijkskundige zeggen? Was hij zijn verstand kwijt? En toch sprak
hij op zulk een toon van overtuiging, dat allen de oogen op Glenarvan
vestigden. Deze verklaring van Paganel was een regtstreeksch antwoord op
de pas gedane vraag. Maar Glenarvan vergenoegde zich met een ontkennende
beweging te maken, die niet gunstig voor den geleerde was.
Zoodra deze zijn aandoening bedwongen had, nam hij het woord weder op.
"Ja!" zeide hij met vaste stem, "ja! wij hebben gedwaald in onze
nasporingen en iets op het document gelezen, dat er niet op staat!"
"Verklaar u nader, Paganel!" zeide de majoor, "en houd u bedaard!"
"Het is zeer eenvoudig, majoor! Ik heb even als gij gedwaald, ik heb er
even als gij een verkeerde uitlegging aan gegeven; maar toen ik zoo even
uit den top van den boom uwe vragen beantwoordde en bij het woord
"Australië" ophield, schoot mij een gedachte te binnen en ging een licht
voor mij op."
"Hoe!" riep Glenarvan, "gij beweert, dat Harry Grant?..."
"Ik beweer," antwoordde Paganel, "dat het woord _austral_, dat op het
document voorkomt, geen volledig woord is, zooals wij tot nu toe gedacht
hebben, maar wel de wortel van het woord _Australië_."
"Dat zou vreemd zijn!" antwoordde de majoor.
"Vreemd!" zeide Glenarvan zijn schouders ophalende, "het is
doodeenvoudig onmogelijk."
"Onmogelijk!" hernam Paganel. "Dat is een woord, dat wij in Frankrijk
niet kennen."
"Hoe!" voegde Glenarvan op den toon van het grootste ongeloof er bij,
"durft gij met het document in de hand beweren, dat de schipbreuk der
_Britannia_ op de kusten van Australië heeft plaats gehad?"
"Ik ben er zeker van!" antwoordde Paganel.
"Op mijn eer, Paganel!" zeide Glenarvan, "ik ben hoogst verwonderd over
zulk een bewering, en dan nog al uit den mond van een secretaris van een
aardrijkskundig genootschap."
"Waarom?" vroeg Paganel, die zich in zijn zwak voelde getast.
"Omdat gij door het woord _Australië_ aan te nemen, tevens aanneemt, dat
daar _Indianen_ zijn, hetgeen ongehoord is."
Paganel was geenszins door dat bewijs verrast. Hij verwachtte het zeker,
en begon te glimlagchen.
"Waarde Glenarvan!" zeide hij "verheug u niet te vroeg over uw
zegepraal; ik zal u "geheel en al verslaan," zooals wij Franschen
zeggen, en nooit zal een Engelschman zulk een nederlaag geleden hebben!
Het zal de wraak zijn voor Crecy en Azincourt[1]!"
"Dat zal mij zeer aangenaam zijn, sla mij, Paganel!"
"Luister dan. In den tekst van het document wordt evenmin van Indianen
als van Patagonië gesproken! Het afgebroken woord _indi_ ... beteekent
niet _Indianen_ maar wel _indigènes_ (inboorlingen)! Gij geeft toch
zeker toe, dat er in Australië "inboorlingen" zijn?"
Om de waarheid hulde te doen moeten wij zeggen, dat Glenarvan Paganel
thans stijf aanzag.
"Bravo, Paganel!" riep de majoor.
"Neemt gij mijn uitlegging aan, waarde lord?"
"Ja!" antwoordde Glenarvan, "wanneer gij mij bewijst, dat de laatste
letters _gonie_ niet slaan op het land der Patagoniërs!"
"Zeker niet!" riep Paganel, "er is geen sprake van _Patagonië!_ lees al
wat gij wilt, maar dat niet."
"Wat dan?"
"_Cosmogonie_! _theogonie_! _agonie_!..." (Leer der schepping van de
wereld, leer der wording van de godheden uit de fabelleer, doodsangst).
"_Doodsangst_!" zeide de majoor.
"Dat is mij hetzelfde!" antwoordde Paganel; "het woord komt er niet op
aan. Ik wil zelfs niet eens naar zijn beteekenis zoeken. De hoofdzaak
is, dat _austral_ beteekent _Australië_, en alleen doordien wij
blindelings een verkeerden weg ingeslagen hadden, hebben wij niet reeds
terstond zulk een duidelijke verklaring gevonden. Wanneer ik het
document gevonden had, wanneer mijn oordeel niet door uwe uitlegging op
een dwaalspoor was gebragt, zou ik het nooit anders opgevat hebben!"
Na deze opheldering werd Paganel met hoera's, gelukwenschingen en
vleijerijen overladen. Austin, de matrozen, de majoor, maar vooral
Robert, die zich gelukkig gevoelde nu hij opnieuw mogt hopen, juichten
den waardigen geleerde toe. Glenarvan, wiens oogen langzamerhand open
gingen, was op het punt om zich overwonnen te verklaren.
"Los mij nog ééne bedenking op, waarde Paganel!" zeide hij, "en ik buig
mij neder voor uwe scherpzinnigheid."
"Spreek, Glenarvan!"
"Hoe maakt gij een geheel van die woorden, na die nieuwe uitlegging, en
hoe leest gij het document?"
"Niets gemakkelijker dan dat. Hier is het document," zeide Paganel,
terwijl hij het kostbare papier overgaf, dat hij sedert eenige dagen zoo
naauwkeurig bestudeerde.
Er ontstond een diepe stilte, terwijl de aardrijkskundige zich eenigen
tijd bedacht, voor hij antwoordde. Met den vinger volgde hij op het
document de afgebroken regels, terwijl hij met een vaste stem en op
sommige woorden drukkende, het volgende las:
"_Den 7den junij 1862 is de driemaster Britannia van Glasgow gezonken
na_..." zet hier, wanneer gij wilt, "_twee dagen, drie dagen_" of "_de
uiterste krachtsinspanning_" het komt er niet op aan, het is volkomen
onverschillig, "_op de kusten van Australië. Zich naar land begevende,
zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten te landen_" of "_hebben
het vaste land bereikt, waar zij door wreede inboorlingen gevangen
genomen zullen worden_" of "_zijn_". _Zij hebben dit document
geworpen_," enz. enz. Is het duidelijk?"
"Het is duidelijk," antwoordde Glenarvan, "wanneer men den naam
"vastland" mag geven aan Australië, dat maar een eiland is!"
"Stel u gerust, waarde Glenarvan! de beste aardrijkskundigen zijn het
onderling eens om dit eiland, "het australische vastland" te noemen."
"Dan heb ik nog maar één ding te zeggen, vrienden!" riep Glenarvan.
"Naar Australië, en moge de Hemel ons bijstaan!"
"Naar Australië!" herhaalden zijn makkers met eenparige stemmen.
"Weet gij wel, Paganel!" voegde Glenarvan er bij, "dat uw
tegenwoordigheid aan boord van de _Duncan_ een leiding der
Voorzienigheid is?"
"Goed," antwoordde Paganel. "Laten wij het ervoor houden, dat ik door
God gezonden ben, en er verder niet meer over spreken."
Zoo eindigde dat gesprek, dat later zulke gewigtige gevolgen had. Het
bragt een geheelen omkeer te weeg in de gemoedsstemming der reizigers.
Zij hadden den draad weder gevat in dien doolhof, waarin zij meenden
verdwaald te zijn. Een nieuwe hoop verrees op de puinhoopen hunner
verijdelde plannen. Zij konden onbevreesd het amerikaansche vastland
achter zich laten, en hunne gedachten vlogen hun reeds vooruit naar
Australië. Wanneer zij de _Duncan_ weder beklommen, zouden zij haar
passagiers geen wanhoop aan boord medebrengen, en lady Helena en Mary
Grant zouden het onherroepelijk verlies van kapitein Grant niet behoeven
te betreuren! Zoo vergaten zij de gevaren van hun toestand om zich aan
de vreugde over te geven, en het speet hen maar, dat zij niet
oogenblikkelijk konden vertrekken.
Het was nu vier ure in den namiddag. Men besloot ten zes ure het
avondeten te gebruiken. Paganel wilde dezen gelukkigen dag met een
heerlijk feestmaal vieren. Daar Schraalhans echter keukenmeester was,
stelde hij aan Robert voor om "in het naburige bosch" te gaan jagen.
Robert klapte in de handen over dien heerlijken inval. Zij namen den
kruidhoren van Thalcave, maakten de revolvers schoon, laadden ze met
hagel en vertrokken.
"Past op, dat gij niet te ver afdwaalt!" zeide de majoor deftig tegen de
twee jagers.
Na hun vertrek gingen Glenarvan en Mac Nabbs naar de in den boom
gemaakte kerven zien, terwijl Wilson en Mulrady de kolen aan den haard
weder aanbliezen.
Toen Glenarvan de oppervlakte van het verbazende meer had bereikt, zag
hij nog niet het geringste bewijs van verval. Toch scheen het water zijn
hoogsten stand bereikt te hebben; maar het geweld, waarmede het van het
zuiden naar het noorden stroomde, bewees dat het evenwigt tusschen de
argentijnsche rivieren nog niet hersteld was. Die watermassa moest, voor
zij zakken kon, eerst tot rust komen, evenals de zee op het oogenblik,
dat de vloed afloopt en de ebbe begint. Er viel dus op geen daling van
het water te rekenen, zoolang het met die verbazende snelheid naar het
noorden bleef loopen.
Terwijl Glenarvan en de majoor hun waarnemingen deden, knalden er
geweerschoten in den boom, vergezeld door bijna even luide
vreugdekreten. De sopraan van Robert paarde zich aan de bas van Paganel.
Zij wedijverden, wie het uitgelatenst zou zijn. De jagt stelde zich goed
in en het liet zich aanzien, dat de keuken eens goed voorzien zou
worden. Toen de majoor en Glenarvan bij het vuur terugkwamen, konden zij
Wilson geluk wenschen met een uitmuntend denkbeeld, waarop hij gekomen
was. Die brave zeeman zat te visschen met een speld aan een eindje touw.
Verscheidene dozijnen vischjes, die zoo smakelijk waren als spieringen
en "mojarra's" heetten, spartelden in een plooi van zijn mantel en
beloofden een lekkeren schotel te zullen opleveren.
Juist daalden de jagers uit de toppen van den boom. Paganel droeg
voorzigtig zwarte zwaluweijeren, en een rist musschen, die hij later zou
ronddienen onder den naam van leeuwerikken. Robert had zeer handig
verscheidene paren "hilguero's" geschoten, kleine vogels met groene en
gele vederen, die lekker smaken en te Montevideo veel aan de markt
komen. Paganel, die een en vijftig wijzen kende om eijeren klaar te
maken, moest zich voor ditmaal tevreden stellen met ze in de heete asch
hard te laten worden. Niettemin was de maaltijd even afwisselend als
lekker. Het drooge vleesch, de harde eijeren, de geroosterde
"mojarra's," de gebraden musschen en "hilguero's" maakten dien disch tot
een feestmaal, waaraan allen steeds zouden denken.
Het gesprek was zeer vrolijk. Paganel werd zeer geprezen èn als jager èn
als kok. De geleerde nam die dankbetuigingen aan met de zedigheid, die
het kenmerk der ware verdienste is. Vervolgens weidde hij uit in
belangrijke beschouwingen over dien prachtigen notenboom, die hen met
zijn gebladerte beschutte en welks omvang, naar zijn zeggen, onmeetbaar
was.
"Robert en ik," voegde hij er schertsend bij, "dachten in een wezenlijk
bosch op de jagt te zijn. Een oogenblik vreesde ik, dat wij zouden
verdwalen. Ik kon den weg niet terugvinden! De zon ging aan den
gezigteinder onder! Te vergeefs zocht ik naar het spoor van mijn
voetstappen! De honger kwelde mij vreeselijk! Reeds weergalmde het
duistere geboomte van het gebrul der wilde dieren.... Ik vergis mij, er
zijn geen wilde dieren en dat spijt mij!"
"Hoe!" zeide Glenarvan, "spijt het u, dat er geen wilde dieren zijn?"
"Ja, zeker!"
"Intusschen, wanneer men alles van hun wreedheid te dachten heeft...."
"De wreedheid bestaat niet ... wetenschappelijk gesproken," antwoordde
de geleerde.
"Het zal u toch nooit gelukken om mij van het nut der wilde dieren te
overtuigen, Paganel!" zeide de majoor. "Waar zijn ze goed voor?"
"Majoor!" riep Paganel, "zij dienen om klassen, orden, familiën,
geslachten, soorten te vormen...."
"Een groot voordeel," zeide Mac Nabbs. "Ik wil het gaarne missen! Ware
ik een der medgezellen van Noach bij den zondvloed geweest, dan zou ik
dien onvoorzigtigen aartsvader stellig belet hebben om paren leeuwen,
tijgers, panters, beeren en andere even moordlustige als nuttelooze
dieren in de ark te brengen!"
"Zoudt gij dat gedaan hebben?" vroeg Paganel.
"Dat zou ik gedaan hebben."
"Welnu! dan zoudt gij uit het oogpunt der dierkunde ongelijk gehad
hebben!"
"Maar niet uit het oogpunt der menschlievendheid," antwoordde de majoor.
"Ik zou er boos om kunnen worden!" hernam Paganel. "Ik voor mij zou
juist den reuzenluiaard, de vleugelvingerige hagedis en al de
voorwereldlijke dieren behouden hebben, waarvan wij zoo ongelukkig
beroofd zijn geworden...."
"En ik zeg u," antwoordde Mac Nabbs, "dat Noach er zeer wel aan gedaan
heeft met ze aan hun lot over te laten, voorondersteld dat zij te zijnen
tijde nog leefden."
"En ik zeg u, dat Noach er zeer verkeerd aan gedaan heeft," antwoordde
Paganel, "en dat hij tot aan het einde der eeuwen den vloek der
geleerden verdient!"
De toehoorders van Paganel en van den majoor konden hun lachlust niet
bedwingen, toen zij de beide vrienden zoo over den ouden Noach hoorden
twisten. In strijd met al zijn beginselen, lag de majoor, die zijn leven
lang nooit met iemand geredetwist had, dagelijks met Paganel overhoop.
Het scheen, dat de geleerde hem bijzonder in het vaarwater zat.
Volgens zijn gewoonte kwam Glenarvan in den twist tusschen beiden,
zeggende:
"Het moge, hetzij uit het oogpunt der wetenschap, hetzij uit dat der
menschlievendheid, al dan niet te betreuren zijn, dat wij van wilde
dieren beroofd zijn, wij moeten ons nu toch in hun gemis schikken.
Paganel kon toch niet hopen, dat hij er in dit luchtbosch zou
aantreffen."
"Waarom niet?" vroeg de geleerde.
"Wilde beesten op een boom?" zeide Tom Austin.
"Wel zeker! De amerikaansche tijger, de jaguar, vlugt wanneer de jagers
hem te veel in het naauw brengen, op de boomen! Heel ligt zou een van
die dieren, door de overstrooming verrast zijnde, een schuilplaats
hebben kunnen zoeken in de takken van dezen boom."
"Gij hebt er toch geen een ontmoet, denk ik?" zeide de majoor.
"Neen!" antwoordde Paganel, "hoewel wij het geheele woud doorkruist
hebben. Het is jammer; want het zou een heerlijke jagt geweest zijn. Die
jaguar is een geducht verscheurend dier! Met een enkelen slag met zijn
poot draait hij een paard den hals om! Als hij eens menschenvleesch
geproefd heeft, krijgt hij er smaak in. Het liefst heeft hij den
Indiaan, daarna den Neger, vervolgens den Mulat en eindelijk den
Blanke."
"Ik ben blijde, dat ik eerst in de vierde plaats kom!" zeide Mac Nabbs.
"Zoo! dat bewijst enkel, dat gij laf zijt!" gaf Paganel op een toon van
minachting ten antwoord.
"Ik ben blij, dat ik laf ben!" sprak de majoor.
"En ik zeg, dat het vernederend is!" antwoordde de onhandelbare Paganel.
"De blanke beroemt er zich op, dat hij aan het hoofd des menschdoms
staat! De heeren jaguars schijnen niet van hetzelfde gevoelen te zijn!"
"Dat mag wezen zooals het wil, dappere Paganel!" zeide Glenarvan, "maar
nu er onder ons geen Indianen, Negers of Mulatten zijn, verheug ik mij
over de afwezigheid uwer lieve jaguars. Onze toestand is zoo aangenaam
niet...."
"Wat! aangenaam!" riep Paganel, dit woord aanhoudende om een anderen
loop aan het gesprek te geven, "klaagt gij over uw lot, Glenarvan?"
"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan; "of zijt gij op uw gemak in die
lompe en onbehouwen takken?"
"Ik heb het nooit gemakkelijker gehad, zelfs niet in mijn
studeervertrek. Wij leven als de vogels! wij zingen! wij fladderen! Ik
zou haast gaan gelooven, dat de menschen bestemd zijn om op de boomen te
leven."
"Het ontbreekt hun alleen maar aan vleugels!" zeide de majoor.
"Die zullen zij vroeger of later wel maken!"
"Sta mij intusschen toe, waarde vriend!" antwoordde Glenarvan, "om het
zand van een park, den vloer van een huis of het dek van een schip boven
deze woning in de lucht te verkiezen!"
"Glenarvan!" antwoordde Paganel, "men moet de dingen nemen, zooals zij
zijn! Zijn zij goed, des te beter. Zijn zij slecht, dan moet men er maar
niet op letten. Ik zie, dat gij naar de gemakken van het kasteel Malcolm
verlangt."
"Neen, maar...."
"Ik ben zeker, dat Robert volmaakt gelukkig is," viel Paganel hem
haastig in de rede, om ten minste één aanhanger voor zijn theorie te
winnen.
"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert vrolijk uit.
"Dat brengt zijn leeftijd mede," antwoordde Glenarvan.
"En de mijne!" zeide de geleerde. "Hoe minder gemaklievend men is, des
te minder behoeften heeft men. Hoe minder behoeften men heeft, des te
gelukkiger is men."
"Mooi zoo!" riep de majoor, "daar gaat Paganel een uitval doen tegen de
rijkdommen en de paleizen."
"Neen, Mac Nabbs!" antwoordde de geleerde; "maar wanneer gij het
verlangt, zal ik u dienaangaande een korte arabische geschiedenis
vertellen, die mij juist te binnen schiet."
"Ja, ja! mijnheer Paganel!" zeide Robert.
"En wat zal uwe geschiedenis bewijzen?" vroeg de majoor.
"Wat alle geschiedenissen bewijzen, mijn wakkere kameraad!"
"Dus niet veel!" antwoordde Mac Nabbs. "Maar begin toch maar,
Sheherazade! en vertel ons een van die sprookjes, die gij zoo goed kunt
vertellen."
"Er was eens," zeide Paganel, "een zoon van den grooten
Haroun-al-Raschid, die niet gelukkig was. Hij ging een ouden dervis
raadplegen. De wijze grijsaard antwoordde hem, dat het geluk niet
gemakkelijk op deze aarde te vinden was. "Toch ken ik," voegde hij er
bij, "een onfeilbaar middel om u het geluk te verschaffen."--"En dat
is?" vroeg de jonge vorst.--"Gij moet," antwoordde de dervis, "het hemd
van een gelukkige aantrekken!"--Daarop omhelsde de jonge vorst den
grijsaard en ging zijn talisman opzoeken. Op zijn reis bezocht hij al de
hoofdsteden der aarde. Hij beproeft de kracht van de hemden van
koningen, keizers, prinsen en heeren. Vergeefsche moeite. Hij wordt maar
niet gelukkiger! Nu doet hij hemden aan van kunstenaars, krijgslieden en
kooplieden. Het baat evenmin. Hij dwaalde dus lang rond zonder het geluk
te vinden. Eindelijk kwam hij, wanhopend over de krachteloosheid van
zooveel hemden, op zekeren morgen zeer bedroefd in het paleis zijns
vaders terug. Daar ziet hij op het land een braven landman, die vrolijk
zingende zijn ploeg volgt. "Dat is toch wel een gelukkig man", zeide hij
bij zich zelven, "of er bestaat geen geluk op deze aarde." Hij gaat naar
hem toe. "Vriend!" zegt hij, "zijt gij gelukkig?"--"Ja!" antwoordt de
andere.--"Begeert gij niets?"--"Neen."--"Zoudt gij uw lot niet willen
ruilen met dat eens konings?"--"Nooit!"--"Welnu, verkoop mij dan uw
hemd!"--"Mijn hemd? ik heb er geen!""
[1] De Engelschen sloegen onder hun koning Eduard III de Franschen in
1346 bij Crecy en onder Hendrik V bij Azincourt in 1415.