De Atlantische Oceaan.
Twee uren lang dreef de boom op het onmetelijke meer zonder land te
bereiken. De vlammen, die aan hem knaagden, waren langzamerhand
uitgegaan. Het dreigendste gevaar op dien verschrikkelijken overtogt was
geweken. De majoor vergenoegde zich met te zeggen, dat het niet te
verwonderen zou zijn, indien zij gered werden.
De stroom had zijn eerste rigting behouden en liep nog altijd van het
zuidwesten naar het noordoosten. De duisternis, die naauwelijks hier en
daar door een enkelen bliksemstraal verlicht werd, was weder even
ondoordringbaar geworden, en te vergeefs zocht Paganel naar
herkenningspunten aan den gezigteinder. Het onweder was zoo goed als
voorbij. De groote regendroppels werden vervangen door ligt zeestof, dat
de wind opjoeg, en de dikke wolken, van haar vocht beroofd, verdeelden
zich in de bovenlucht.
De boom dreef snel voort met den onstuimigen stroom; hij gleed met
verbazende vaart verder, alsof onder zijn schors een sterk voortbewegend
werktuig verborgen ware. Er was niets waaruit men kon opmaken, hoelang
die vaart wel zou duren. Tegen drie ure in den morgen echter merkte de
majoor op, dat zijn wortels soms langs den grond schuurden. Met behulp
van een langen afgebroken tak peilde Tom Austin hoogst zorgvuldig en
bevond, dat de bodem langzaam rees. Werkelijk had er twintig minuten
later een schok plaats, zoodat de boom op eens onbewegelijk bleef
liggen.
"Land! land!" riep Paganel met donderende stem.
Het uiteinde der verkoolde toppen had gestooten tegen een verhevenheid
van den grond. Geen zeevaarder was ooit blijder, dat hij aan den grond
mogt raken. De klip was hier de haven.
Reeds hieven Robert en Wilson, nu zij land onder zich voelden, een
vreugdekreet aan, toen zij een welbekend fluitje vernamen. De galop van
een paard klonk over de vlakte, en weldra verhief zich de lange gestalte
van den Indiaan in de schaduw.
"Thalcave!" riep Robert.
"Thalcave!" herhaalden al zijn makkers.
"Vrienden!" zeide de Patagoniër, die de reizigers had afgewacht ter
plaatse, waar de stroom hen moest brengen, daar hij zelf op die plek was
aangespoeld.
Tevens nam hij Robert Grant in zijn armen, zonder te vermoeden, dat
Paganel zich aan hem vastklemde, en drukte hem aan zijn hart. Glenarvan,
de majoor en de zeelieden, verheugd hun getrouwen gids weder te zien,
drukten hem weldra met hartelijkheid de hand. Vervolgens geleidde de
Patagoniër hen onder het afdak eener verlatene vetweiderij. Daar vlamde
een goed vuur aan den haard, dat hen verwarmde, en braadden sappige
repen wildbraad, waarvan zij geen kruimeltje overlieten. En toen zij
genoegzaam bekomen waren om na te denken, kon niemand hunner gelooven,
dat hij aan dat verschrikkelijke gevaar was ontkomen, aan het water, het
vuur en de vreeselijke kaaimans der argentijnsche rivieren.
Met weinige woorden vertelde Thalcave zijn geschiedenis aan Paganel, en
stelde hij al de eer van hem gered te hebben op rekening van zijn moedig
paard. Paganel trachtte hem nu de nieuwe uitlegging van het document aan
het verstand te brengen en welke verwachtingen zij daarop meenden te
mogen bouwen. Begreep de Indiaan de schrandere onderstellingen van den
geleerde wel? Men mag het betwijfelen; maar hij zag, dat zijn vrienden
vol vertrouwen waren, en dat was alles, wat hij verlangde.
Men zal wel willen gelooven, dat die onverschrokken reizigers na hun
rustdag op den boom zich niet lieten bidden om weder op weg te gaan. Des
morgens ten acht ure waren zij gereed om te vertrekken. Men was te ver
zuidwaarts van de vetweiderijen en zouterijen af om zich middelen van
vervoer te verschaffen. Het was dus volstrekt noodig om te voet te gaan.
De geheele weg was dan ook maar veertig mijlen[1] lang, en Thaouka zou
niet weigeren om van tijd tot tijd een vermoeiden voetganger, zoo noodig
zelfs twee te dragen. In zes en veertig uren kon men de kust van den
Atlantischen Oceaan bereiken.
Toen het tijd was, verlieten de gids en zijn makkers het nog met water
bedekte onmetelijke laagland en gingen zij op weg over hooger gelegene
vlakten. Het argentijnsche gebied leverde weder zijn eentoonig voorkomen
op; eenig houtgewas, door europeesche handen geplant, stak hier en daar
boven het gras uit, maar het was toch even schaarsch als in den omtrek
van het Tandil- en het Tapalquem-gebergte; de inlandsche boomen wagen
het alleen om aan den zoom der lange grasvlakten en in de nabijheid van
kaap Corrientes te groeijen.
Zij legden dien dag een heel eind af. Vijftien mijlen van den Oceaan af,
deed zijn nabijheid zich des anderen daags reeds gevoelen. De "virazon,"
een zonderlinge wind, die regelmatig na den middag en na middernacht
waait, bragt het gras in eene golvende beweging. Op den schralen bodem
verhieven zich dunne bosschen, kleine boomachtige mimosa-planten,
acacia-struiken en bosjes "curra-mabol." Eenige plassen met zout water
spiegelden als stokken glas, en bemoeijelijkten den togt, daar men ze
moest omtrekken. Zij verhaastten hun schreden om nog dienzelfden dag het
meer Salado op de kust des Oceaans te bereiken, waardoor de reizigers
natuurlijk vrij vermoeid waren, toen zij des avonds ten acht ure de
twintig vademen hooge zandduinen bemerkten, die den schuimenden kant der
zee begrenzen. Weldra klonk het aanhoudend geraas van het wassende water
hun in de ooren.
"De Oceaan!" riep Paganel.
"Ja, de Oceaan!" herhaalde Thalcave.
En met opmerkelijke gezwindheid beklommen de wandelaars, die schijnbaar
geheel krachteloos waren, de duinen.
Maar het was reeds donker. Te vergeefs trachtten hunne blikken door de
digte duisternis heen te boren. Zij zochten de _Duncan_, maar bespeurden
haar niet.
"En toch is zij er," riep Glenarvan, "zij laveert met kleine gangen om
ons te wachten!"
"Morgen zullen wij haar wel zien," antwoordde Mac Nabbs.
Tom Austin praaide het onzigtbare jagt op de gis af, maar kreeg geen
antwoord. De wind was dan ook zeer sterk en de zee stond vrij hol; de
westewind joeg de wolken voort, en de schuimende kuif der golven vloog
als fijn stof over de duinen. Al was dus de _Duncan_ op de afgesprokene
plaats, dan kon de matroos in den mast toch evenmin hooren als gehoord
worden. De kust leverde geen schuilplaats op. Geen baai, geen inham,
geen haven. Zelfs geen kreek. Zij bestond uit lange zandbanken, die ver
in zee liepen, en welker nadering gevaarlijker is dan die van de blinde
klippen. De banken veroorzaken namelijk een zware branding; de zee is er
zeer hol en de schepen, die door stormweer op die zandige gronden
stranden, zijn onherstelbaar verloren.
Het was dus zeer natuurlijk, dat de _Duncan_ op een afstand bleef van
die gevaarlijke kust zonder vlugthaven. Met zijn gewone voorzigtigheid
moest John Mangles er zoover mogelijk van afhouden. Zoo dacht Tom Austin
er althans over; ook verklaarde hij, dat de _Duncan_ minstens vijf
mijlen ver van de kust moest blijven.
De majoor vermaande dus zijn ongeduldigen vriend om zich aan zijn lot te
onderwerpen. Er bestond geen middel om die digte duisternis te
verdrijven. Wat zou het dan baten om zijn oogen te vermoeijen met het
staren op den zwarten gezigteinder?
Dit gezegd hebbende, sloeg bij een soort van legerplaats achter de
duinen op; de laatste voorraad diende voor den laatsten maaltijd op deze
reis; daarna groeven allen in navolging van den majoor een soort van bed
in een vrij gemakkelijke holte, en de ontzaggelijke deken van zand tot
aan de kin ophalende, vielen zij in een diepen slaap.
Glenarvan alleen waakte. Er woei bij voortduring een stevige koelte, en
de Oceaan ondervond nog de nawerking van den laatsten storm. Zijn altijd
ontroerde baren braken met donderend geraas op de banken. Glenarvan kon
maar niet gelooven, dat de _Duncan_ zoo digt bij was. En toch kon hij
ook niet aannemen, dat zij niet op de afgesprokene plaats zou zijn.
Glenarvan had den 14den October de baai van Talcabuano verlaten en was
den 12den November aan de kust van den Atlantischen Oceaan gekomen. In
dien tijd van dertig dagen nu, dien zij noodig hadden gehad om Chili, de
Cordillera, de pampa's en de argentijnsche vlakte door te reizen, had de
_Duncan_ ruimschoots gelegenheid gehad om kaap Hoorn om te zeilen en de
tegenoverliggende kust te bereiken. Voor zulk een goed zeiler bestond
geen oponthoud; de storm was zeker geweldig geweest en had zwaar gewoed
op de ontzaggelijke kampplaats, den Atlantischen Oceaan; maar het jagt
was een goed schip en de kapitein een goed zeeman. Hij moest er wezen,
bij gevolg was hij er.
Die overdenkingen bragten echter Glenarvan niet tot bedaren. Wanneer
hart en rede elkander bestrijden, is deze zelden de sterkste. De heer
van Malcolm-Castle tastte in die duisternis allen, die hij liefhad, zijn
lieve Helena, Mary Grant, de geheele bemanning zijner _Duncan_. Hij
dwaalde langs den eenzamen oever, dien de golven met hun lichtgevende
loovertjes bedekten. Hij zag toe, hij luisterde, hij meende zelfs van
tijd tot tijd een flaauw schijnsel op zee waar te nemen.
"Ik bedrieg mij niet," zeide hij bij zichzelven; "ik heb het licht van
een schip gezien! het licht van de _Duncan_. Ach! konden mijn blikken
maar door die digte duisternis heenboren!"
Daar rees een gedachte bij hem op. Paganel beweerde, dat hij nachtziende
was, Paganel kon des nachts zien. Hij ging Paganel wekken.
De geleerde sliep als een mol in zijn gat, toen een sterke arm hem onder
zijn deken van zand weghaalde.
"Wie daar?" riep hij.
"Ik, Paganel!"
"Wie is dat, ik?"
"Glenarvan. Kom, ik heb uwe oogen noodig."
"Mijne oogen?" antwoordde Paganel, ze sterk wrijvende.
"Ja, uwe oogen, om onze _Duncan_ in die duisternis te onderscheiden.
Kom! ga mede!"
"De duivel hale het nachtzien!" zeide Paganel, die echter innerlijk
verheugd was, dat hij Glenarvan van dienst kon zijn.
En opstaande, zich uitrekkende en geeuwende, als iemand die wakker
wordt, volgde hij zijn vriend naar het strand.
Glenarvan verzocht hem om den duisteren gezigteinder der zee te
onderzoeken. Eenige minuten lang zag Paganel met de grootste
oplettendheid rond, maar zonder iets te ontdekken.
"Hoe is het! bemerkt gij niets?" vroeg Glenarvan.
"Niets! een kat zelfs zou geen twee schreden voor zich uit kunnen zien."
"Zoek een rood licht of een groen licht, dat is te zeggen, een
bakboordslicht of een stuurboordslicht."
"Ik zie noch een groen noch een rood licht! Alles is zwart!" antwoordde
Paganel, wiens oogen zich onwillekeurig sloten.
Een half uur lang volgde hij werktuigelijk zijn ongeduldigen vriend, nu
eens het hoofd op de borst latende zakken, en het dan weder plotseling
oprigtende. Hij antwoordde niet, hij sprak niet meer. Hij slingerde heen
en weder als een beschonkene. Glenarvan zag Paganel aan. Paganel sliep
loopende.
Glenarvan greep hem nu bij den arm en bragt hem, zonder hem wakker te
maken, naar zijn gat terug, waar hij hem behoorlijk instopte.
Bij het krieken van den dag vlogen allen overeind op het geroep van: "De
_Duncan_! de _Duncan_!"
"Hoera! hoera!" riepen de medgezellen van Glenarvan, terwijl zij naar
den oever snelden.
Werkelijk lag het jagt, vijf mijlen ver in zee, met gereefde zeilen
onder halven stoom; zijn rook vermengde zich met de ochtendnevels. De
zee was zeer onstuimig, en een schip van dien inhoud kon niet zonder
gevaar den voet der banken naderen.
Met den verrekijker van Paganel gewapend, bespiedde Glenarvan de
bewegingen der _Duncan_. John Mangles had zeker zijn passagiers niet
gezien; althans hij manoeuvreerde niet en bleef met bakboordshalzen
zeilen onder digtgereefd marszeil.
Maar thans loste Thalcave, na zijn karabijn goed aangezet te hebben,
zijn wapen in de rigting van het jagt.
Men luisterde. Men zag vooral uit. Driemaal wekten de losbrandingen der
karabijn de echo's der duinen op.
Eindelijk steeg er een witte rook van het jagt op.
"Zij hebben ons gezien!" riep Glenarvan. "Het is het kanon van de
_Duncan_!"
En eenige seconden later hoorde men op den oever flaauwtjes het doffe
geluid eener losbranding. Terstond veranderde de _Duncan_ haar marszeil,
stookte haar vuren aan, en maakte de noodige bewegingen om zoo digt
mogelijk aan de kust te komen.
Met behulp van den kijker zag men spoedig een boot van het schip
afsteken.
"Lady Helena zal niet kunnen komen," zeide Tom Austin, "de zee is te
onstuimig!"
"John Mangles evenmin," antwoordde Mac Nabbs, "hij kan zijn schip niet
verlaten."
"Zuster! lieve zuster!" riep Robert, zijn armen naar het jagt
uitstekende, dat geducht slingerde.
"O! hoe verlang ik aan boord te zijn!" riep Glenarvan.
"Geduld, Edward! Gij zult er binnen twee uren zijn," antwoordde de
majoor.
Twee uren! De sloep, met zes roeijers bemand, kon inderdaad niet in
korter tijd de heen- en terugreis volbrengen.
Nu begaf Glenarvan zich naar Thalcave, die met over elkander geslagen
armen, naast Thaouka staande, rustig de golvende oppervlakte der zee
gadesloeg.
Glenarvan vatte zijn hand en zeide, hem het jagt wijzende:
"Kom!"
De Indiaan schudde zachtjes het hoofd.
"Kom, mijn vriend!" hernam Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Thalcave zachtjes. "Hier is Thaouka, en dààr zijn de
pampa's!" voegde hij er met een hartstogtelijk gebaar bij, als wilde hij
de onmetelijke vlakte omhelzen.
Glenarvan begreep wel, dat de Indiaan nooit het land zou willen
verlaten, waar het gebeente zijner vaderen rustte. Hij kende de vrome
gehechtheid van die kinderen der woestijn aan hun geboorteland. Hij
drukte dus Thalcave de hand en drong er niet verder op aan. Hij hield
ook evenmin aan, toen de Indiaan, op zijne eigenaardige wijze
glimlagchende, alle belooning voor zijn diensten van de hand wees met de
woorden: "Uit vriendschap!"
Glenarvan kon hem van aandoening niet antwoorden. Hij zou toch zoo
gaarne den braven Indiaan iets achterlaten, dat hem aan zijn vrienden
uit Europa kon doen denken. Maar wat was hem overgebleven? Zijn paarden,
zijn wapenen, alles had hij verloren bij die noodlottige overstrooming.
Zijn vrienden waren niet rijker dan hij.
Hij wist dus niet, hoe hij de belangeloosheid van den braven gids zou
vergelden, toen hem iets te binnen schoot. Hij haalde uit zijn
brieventasch een kostbaar medaillon met een bewonderenswaardig portret,
een kunststuk van Lawrence, en bood het den Indiaan aan.
"Mijn vrouw!" zeide hij.
Thalcave beschouwde met aandoening het portret en zeide niets anders
dan:
"Schoon en goed!"
Vervolgens gingen Robert, Paganel, de majoor, Tom Austin en de beide
matrozen een roerend afscheid van den Patagoniër nemen. Die brave lieden
waren zeer aangedaan, nu zij dien onverschrokken en verknochten vriend
moesten verlaten. Thalcave drukte hen allen aan zijn breede borst.
Paganel drong hem eene kaart van Zuid-Amerika en der beide Oceanen op,
die de Indiaan dikwijls met belangstelling had beschouwd. Het was het
kostbaarste, dat de geleerde bezat. Robert had slechts liefkozingen uit
te deelen; hij spaarde ze niet voor zijn redder, en Thaouka werd bij die
uitdeeling niet over het hoofd gezien.
In dit oogenblik naderde de sloep van de _Duncan_; zij gleed in een
naauw vaarwater tusschen de banken door en zette het weldra op het
strand.
"Mijn vrouw?" vroeg Glenarvan.
"Mijn zuster?" riep Robert.
"Lady Helena en miss Grant wachten u aan boord," antwoordde de stuurman
der sloep. "Maar wij moeten vertrekken, Uwe Edelheid! wij hebben geen
oogenblik te verliezen, want de ebbe begint reeds."
Allen omhelsden nog eens den Indiaan. Thalcave vergezelde zijn vrienden
tot aan de sloep, die weder vlot werd gemaakt. Toen Robert haar zou
bestijgen, nam de Indiaan hem in zijn armen en zag hem liefderijk aan.
"En nu, ga!" zeide hij, "gij zijt een man!"
"Vaarwel, mijn vriend! vaarwel!" riep Glenarvan nog eens.
"Zullen wij elkander nimmer wederzien?" vroeg Paganel.
"Wie weet?" antwoordde Thalcave zijn hand hemelwaarts rigtende.
Dit waren de laatste woorden van den Indiaan, die in den wind vervlogen.
Men stak van wal. De boot werd door het vallende water medegesleept. Nog
lang was Thalcave, die roerloos staan bleef, door het schuim der baren
heen zigtbaar; vervolgens kromp zijn lange gestalte ineen, en eindelijk
verdween hij uit de oogen zijner vrienden van éénen dag.
Een uur later sprong Robert het eerst aan boord van de _Duncan_ en viel
hij Mary Grant om den hals, terwijl de bemanning van het jagt de lucht
met haar vrolijk hoera vervulde.
Zoo was de togt door Zuid-Amerika afgeloopen. Bergen noch rivieren
hadden de reizigers van hun weg kunnen afbrengen, en hadden zij al niet
te kampen gehad met de kwaadwilligheid der menschen,--de losgelaten
elementen hadden hun edelmoedige onverschrokkenheid dikwijls op zware
proeven gesteld.
[1] Omtrent vijftien uren.