XXVI.

De Atlantische Oceaan.

Twee uren lang dreef de boom op het onmetelijke meer zonder land te

bereiken. De vlammen, die aan hem knaagden, waren langzamerhand

uitgegaan. Het dreigendste gevaar op dien verschrikkelijken overtogt was

geweken. De majoor vergenoegde zich met te zeggen, dat het niet te

verwonderen zou zijn, indien zij gered werden.

De stroom had zijn eerste rigting behouden en liep nog altijd van het

zuidwesten naar het noordoosten. De duisternis, die naauwelijks hier en

daar door een enkelen bliksemstraal verlicht werd, was weder even

ondoordringbaar geworden, en te vergeefs zocht Paganel naar

herkenningspunten aan den gezigteinder. Het onweder was zoo goed als

voorbij. De groote regendroppels werden vervangen door ligt zeestof, dat

de wind opjoeg, en de dikke wolken, van haar vocht beroofd, verdeelden

zich in de bovenlucht.

De boom dreef snel voort met den onstuimigen stroom; hij gleed met

verbazende vaart verder, alsof onder zijn schors een sterk voortbewegend

werktuig verborgen ware. Er was niets waaruit men kon opmaken, hoelang

die vaart wel zou duren. Tegen drie ure in den morgen echter merkte de

majoor op, dat zijn wortels soms langs den grond schuurden. Met behulp

van een langen afgebroken tak peilde Tom Austin hoogst zorgvuldig en

bevond, dat de bodem langzaam rees. Werkelijk had er twintig minuten

later een schok plaats, zoodat de boom op eens onbewegelijk bleef

liggen.

"Land! land!" riep Paganel met donderende stem.

Het uiteinde der verkoolde toppen had gestooten tegen een verhevenheid

van den grond. Geen zeevaarder was ooit blijder, dat hij aan den grond

mogt raken. De klip was hier de haven.

Reeds hieven Robert en Wilson, nu zij land onder zich voelden, een

vreugdekreet aan, toen zij een welbekend fluitje vernamen. De galop van

een paard klonk over de vlakte, en weldra verhief zich de lange gestalte

van den Indiaan in de schaduw.

"Thalcave!" riep Robert.

"Thalcave!" herhaalden al zijn makkers.

"Vrienden!" zeide de Patagoniër, die de reizigers had afgewacht ter

plaatse, waar de stroom hen moest brengen, daar hij zelf op die plek was

aangespoeld.

Tevens nam hij Robert Grant in zijn armen, zonder te vermoeden, dat

Paganel zich aan hem vastklemde, en drukte hem aan zijn hart. Glenarvan,

de majoor en de zeelieden, verheugd hun getrouwen gids weder te zien,

drukten hem weldra met hartelijkheid de hand. Vervolgens geleidde de

Patagoniër hen onder het afdak eener verlatene vetweiderij. Daar vlamde

een goed vuur aan den haard, dat hen verwarmde, en braadden sappige

repen wildbraad, waarvan zij geen kruimeltje overlieten. En toen zij

genoegzaam bekomen waren om na te denken, kon niemand hunner gelooven,

dat hij aan dat verschrikkelijke gevaar was ontkomen, aan het water, het

vuur en de vreeselijke kaaimans der argentijnsche rivieren.

Met weinige woorden vertelde Thalcave zijn geschiedenis aan Paganel, en

stelde hij al de eer van hem gered te hebben op rekening van zijn moedig

paard. Paganel trachtte hem nu de nieuwe uitlegging van het document aan

het verstand te brengen en welke verwachtingen zij daarop meenden te

mogen bouwen. Begreep de Indiaan de schrandere onderstellingen van den

geleerde wel? Men mag het betwijfelen; maar hij zag, dat zijn vrienden

vol vertrouwen waren, en dat was alles, wat hij verlangde.

Men zal wel willen gelooven, dat die onverschrokken reizigers na hun

rustdag op den boom zich niet lieten bidden om weder op weg te gaan. Des

morgens ten acht ure waren zij gereed om te vertrekken. Men was te ver

zuidwaarts van de vetweiderijen en zouterijen af om zich middelen van

vervoer te verschaffen. Het was dus volstrekt noodig om te voet te gaan.

De geheele weg was dan ook maar veertig mijlen[1] lang, en Thaouka zou

niet weigeren om van tijd tot tijd een vermoeiden voetganger, zoo noodig

zelfs twee te dragen. In zes en veertig uren kon men de kust van den

Atlantischen Oceaan bereiken.

Toen het tijd was, verlieten de gids en zijn makkers het nog met water

bedekte onmetelijke laagland en gingen zij op weg over hooger gelegene

vlakten. Het argentijnsche gebied leverde weder zijn eentoonig voorkomen

op; eenig houtgewas, door europeesche handen geplant, stak hier en daar

boven het gras uit, maar het was toch even schaarsch als in den omtrek

van het Tandil- en het Tapalquem-gebergte; de inlandsche boomen wagen

het alleen om aan den zoom der lange grasvlakten en in de nabijheid van

kaap Corrientes te groeijen.

Zij legden dien dag een heel eind af. Vijftien mijlen van den Oceaan af,

deed zijn nabijheid zich des anderen daags reeds gevoelen. De "virazon,"

een zonderlinge wind, die regelmatig na den middag en na middernacht

waait, bragt het gras in eene golvende beweging. Op den schralen bodem

verhieven zich dunne bosschen, kleine boomachtige mimosa-planten,

acacia-struiken en bosjes "curra-mabol." Eenige plassen met zout water

spiegelden als stokken glas, en bemoeijelijkten den togt, daar men ze

moest omtrekken. Zij verhaastten hun schreden om nog dienzelfden dag het

meer Salado op de kust des Oceaans te bereiken, waardoor de reizigers

natuurlijk vrij vermoeid waren, toen zij des avonds ten acht ure de

twintig vademen hooge zandduinen bemerkten, die den schuimenden kant der

zee begrenzen. Weldra klonk het aanhoudend geraas van het wassende water

hun in de ooren.

"De Oceaan!" riep Paganel.

"Ja, de Oceaan!" herhaalde Thalcave.

En met opmerkelijke gezwindheid beklommen de wandelaars, die schijnbaar

geheel krachteloos waren, de duinen.

Maar het was reeds donker. Te vergeefs trachtten hunne blikken door de

digte duisternis heen te boren. Zij zochten de _Duncan_, maar bespeurden

haar niet.

"En toch is zij er," riep Glenarvan, "zij laveert met kleine gangen om

ons te wachten!"

"Morgen zullen wij haar wel zien," antwoordde Mac Nabbs.

Tom Austin praaide het onzigtbare jagt op de gis af, maar kreeg geen

antwoord. De wind was dan ook zeer sterk en de zee stond vrij hol; de

westewind joeg de wolken voort, en de schuimende kuif der golven vloog

als fijn stof over de duinen. Al was dus de _Duncan_ op de afgesprokene

plaats, dan kon de matroos in den mast toch evenmin hooren als gehoord

worden. De kust leverde geen schuilplaats op. Geen baai, geen inham,

geen haven. Zelfs geen kreek. Zij bestond uit lange zandbanken, die ver

in zee liepen, en welker nadering gevaarlijker is dan die van de blinde

klippen. De banken veroorzaken namelijk een zware branding; de zee is er

zeer hol en de schepen, die door stormweer op die zandige gronden

stranden, zijn onherstelbaar verloren.

Het was dus zeer natuurlijk, dat de _Duncan_ op een afstand bleef van

die gevaarlijke kust zonder vlugthaven. Met zijn gewone voorzigtigheid

moest John Mangles er zoover mogelijk van afhouden. Zoo dacht Tom Austin

er althans over; ook verklaarde hij, dat de _Duncan_ minstens vijf

mijlen ver van de kust moest blijven.

De majoor vermaande dus zijn ongeduldigen vriend om zich aan zijn lot te

onderwerpen. Er bestond geen middel om die digte duisternis te

verdrijven. Wat zou het dan baten om zijn oogen te vermoeijen met het

staren op den zwarten gezigteinder?

Dit gezegd hebbende, sloeg bij een soort van legerplaats achter de

duinen op; de laatste voorraad diende voor den laatsten maaltijd op deze

reis; daarna groeven allen in navolging van den majoor een soort van bed

in een vrij gemakkelijke holte, en de ontzaggelijke deken van zand tot

aan de kin ophalende, vielen zij in een diepen slaap.

Glenarvan alleen waakte. Er woei bij voortduring een stevige koelte, en

de Oceaan ondervond nog de nawerking van den laatsten storm. Zijn altijd

ontroerde baren braken met donderend geraas op de banken. Glenarvan kon

maar niet gelooven, dat de _Duncan_ zoo digt bij was. En toch kon hij

ook niet aannemen, dat zij niet op de afgesprokene plaats zou zijn.

Glenarvan had den 14den October de baai van Talcabuano verlaten en was

den 12den November aan de kust van den Atlantischen Oceaan gekomen. In

dien tijd van dertig dagen nu, dien zij noodig hadden gehad om Chili, de

Cordillera, de pampa's en de argentijnsche vlakte door te reizen, had de

_Duncan_ ruimschoots gelegenheid gehad om kaap Hoorn om te zeilen en de

tegenoverliggende kust te bereiken. Voor zulk een goed zeiler bestond

geen oponthoud; de storm was zeker geweldig geweest en had zwaar gewoed

op de ontzaggelijke kampplaats, den Atlantischen Oceaan; maar het jagt

was een goed schip en de kapitein een goed zeeman. Hij moest er wezen,

bij gevolg was hij er.

Die overdenkingen bragten echter Glenarvan niet tot bedaren. Wanneer

hart en rede elkander bestrijden, is deze zelden de sterkste. De heer

van Malcolm-Castle tastte in die duisternis allen, die hij liefhad, zijn

lieve Helena, Mary Grant, de geheele bemanning zijner _Duncan_. Hij

dwaalde langs den eenzamen oever, dien de golven met hun lichtgevende

loovertjes bedekten. Hij zag toe, hij luisterde, hij meende zelfs van

tijd tot tijd een flaauw schijnsel op zee waar te nemen.

"Ik bedrieg mij niet," zeide hij bij zichzelven; "ik heb het licht van

een schip gezien! het licht van de _Duncan_. Ach! konden mijn blikken

maar door die digte duisternis heenboren!"

Daar rees een gedachte bij hem op. Paganel beweerde, dat hij nachtziende

was, Paganel kon des nachts zien. Hij ging Paganel wekken.

De geleerde sliep als een mol in zijn gat, toen een sterke arm hem onder

zijn deken van zand weghaalde.

"Wie daar?" riep hij.

"Ik, Paganel!"

"Wie is dat, ik?"

"Glenarvan. Kom, ik heb uwe oogen noodig."

"Mijne oogen?" antwoordde Paganel, ze sterk wrijvende.

"Ja, uwe oogen, om onze _Duncan_ in die duisternis te onderscheiden.

Kom! ga mede!"

"De duivel hale het nachtzien!" zeide Paganel, die echter innerlijk

verheugd was, dat hij Glenarvan van dienst kon zijn.

En opstaande, zich uitrekkende en geeuwende, als iemand die wakker

wordt, volgde hij zijn vriend naar het strand.

Glenarvan verzocht hem om den duisteren gezigteinder der zee te

onderzoeken. Eenige minuten lang zag Paganel met de grootste

oplettendheid rond, maar zonder iets te ontdekken.

"Hoe is het! bemerkt gij niets?" vroeg Glenarvan.

"Niets! een kat zelfs zou geen twee schreden voor zich uit kunnen zien."

"Zoek een rood licht of een groen licht, dat is te zeggen, een

bakboordslicht of een stuurboordslicht."

"Ik zie noch een groen noch een rood licht! Alles is zwart!" antwoordde

Paganel, wiens oogen zich onwillekeurig sloten.

Een half uur lang volgde hij werktuigelijk zijn ongeduldigen vriend, nu

eens het hoofd op de borst latende zakken, en het dan weder plotseling

oprigtende. Hij antwoordde niet, hij sprak niet meer. Hij slingerde heen

en weder als een beschonkene. Glenarvan zag Paganel aan. Paganel sliep

loopende.

Glenarvan greep hem nu bij den arm en bragt hem, zonder hem wakker te

maken, naar zijn gat terug, waar hij hem behoorlijk instopte.

Bij het krieken van den dag vlogen allen overeind op het geroep van: "De

_Duncan_! de _Duncan_!"

"Hoera! hoera!" riepen de medgezellen van Glenarvan, terwijl zij naar

den oever snelden.

Werkelijk lag het jagt, vijf mijlen ver in zee, met gereefde zeilen

onder halven stoom; zijn rook vermengde zich met de ochtendnevels. De

zee was zeer onstuimig, en een schip van dien inhoud kon niet zonder

gevaar den voet der banken naderen.

Met den verrekijker van Paganel gewapend, bespiedde Glenarvan de

bewegingen der _Duncan_. John Mangles had zeker zijn passagiers niet

gezien; althans hij manoeuvreerde niet en bleef met bakboordshalzen

zeilen onder digtgereefd marszeil.

Maar thans loste Thalcave, na zijn karabijn goed aangezet te hebben,

zijn wapen in de rigting van het jagt.

Men luisterde. Men zag vooral uit. Driemaal wekten de losbrandingen der

karabijn de echo's der duinen op.

Eindelijk steeg er een witte rook van het jagt op.

"Zij hebben ons gezien!" riep Glenarvan. "Het is het kanon van de

_Duncan_!"

En eenige seconden later hoorde men op den oever flaauwtjes het doffe

geluid eener losbranding. Terstond veranderde de _Duncan_ haar marszeil,

stookte haar vuren aan, en maakte de noodige bewegingen om zoo digt

mogelijk aan de kust te komen.

Met behulp van den kijker zag men spoedig een boot van het schip

afsteken.

"Lady Helena zal niet kunnen komen," zeide Tom Austin, "de zee is te

onstuimig!"

"John Mangles evenmin," antwoordde Mac Nabbs, "hij kan zijn schip niet

verlaten."

"Zuster! lieve zuster!" riep Robert, zijn armen naar het jagt

uitstekende, dat geducht slingerde.

"O! hoe verlang ik aan boord te zijn!" riep Glenarvan.

"Geduld, Edward! Gij zult er binnen twee uren zijn," antwoordde de

majoor.

Twee uren! De sloep, met zes roeijers bemand, kon inderdaad niet in

korter tijd de heen- en terugreis volbrengen.

Nu begaf Glenarvan zich naar Thalcave, die met over elkander geslagen

armen, naast Thaouka staande, rustig de golvende oppervlakte der zee

gadesloeg.

Glenarvan vatte zijn hand en zeide, hem het jagt wijzende:

"Kom!"

De Indiaan schudde zachtjes het hoofd.

"Kom, mijn vriend!" hernam Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave zachtjes. "Hier is Thaouka, en dààr zijn de

pampa's!" voegde hij er met een hartstogtelijk gebaar bij, als wilde hij

de onmetelijke vlakte omhelzen.

Glenarvan begreep wel, dat de Indiaan nooit het land zou willen

verlaten, waar het gebeente zijner vaderen rustte. Hij kende de vrome

gehechtheid van die kinderen der woestijn aan hun geboorteland. Hij

drukte dus Thalcave de hand en drong er niet verder op aan. Hij hield

ook evenmin aan, toen de Indiaan, op zijne eigenaardige wijze

glimlagchende, alle belooning voor zijn diensten van de hand wees met de

woorden: "Uit vriendschap!"

Glenarvan kon hem van aandoening niet antwoorden. Hij zou toch zoo

gaarne den braven Indiaan iets achterlaten, dat hem aan zijn vrienden

uit Europa kon doen denken. Maar wat was hem overgebleven? Zijn paarden,

zijn wapenen, alles had hij verloren bij die noodlottige overstrooming.

Zijn vrienden waren niet rijker dan hij.

Hij wist dus niet, hoe hij de belangeloosheid van den braven gids zou

vergelden, toen hem iets te binnen schoot. Hij haalde uit zijn

brieventasch een kostbaar medaillon met een bewonderenswaardig portret,

een kunststuk van Lawrence, en bood het den Indiaan aan.

"Mijn vrouw!" zeide hij.

Thalcave beschouwde met aandoening het portret en zeide niets anders

dan:

"Schoon en goed!"

Vervolgens gingen Robert, Paganel, de majoor, Tom Austin en de beide

matrozen een roerend afscheid van den Patagoniër nemen. Die brave lieden

waren zeer aangedaan, nu zij dien onverschrokken en verknochten vriend

moesten verlaten. Thalcave drukte hen allen aan zijn breede borst.

Paganel drong hem eene kaart van Zuid-Amerika en der beide Oceanen op,

die de Indiaan dikwijls met belangstelling had beschouwd. Het was het

kostbaarste, dat de geleerde bezat. Robert had slechts liefkozingen uit

te deelen; hij spaarde ze niet voor zijn redder, en Thaouka werd bij die

uitdeeling niet over het hoofd gezien.

In dit oogenblik naderde de sloep van de _Duncan_; zij gleed in een

naauw vaarwater tusschen de banken door en zette het weldra op het

strand.

"Mijn vrouw?" vroeg Glenarvan.

"Mijn zuster?" riep Robert.

"Lady Helena en miss Grant wachten u aan boord," antwoordde de stuurman

der sloep. "Maar wij moeten vertrekken, Uwe Edelheid! wij hebben geen

oogenblik te verliezen, want de ebbe begint reeds."

Allen omhelsden nog eens den Indiaan. Thalcave vergezelde zijn vrienden

tot aan de sloep, die weder vlot werd gemaakt. Toen Robert haar zou

bestijgen, nam de Indiaan hem in zijn armen en zag hem liefderijk aan.

"En nu, ga!" zeide hij, "gij zijt een man!"

"Vaarwel, mijn vriend! vaarwel!" riep Glenarvan nog eens.

"Zullen wij elkander nimmer wederzien?" vroeg Paganel.

"Wie weet?" antwoordde Thalcave zijn hand hemelwaarts rigtende.

Dit waren de laatste woorden van den Indiaan, die in den wind vervlogen.

Men stak van wal. De boot werd door het vallende water medegesleept. Nog

lang was Thalcave, die roerloos staan bleef, door het schuim der baren

heen zigtbaar; vervolgens kromp zijn lange gestalte ineen, en eindelijk

verdween hij uit de oogen zijner vrienden van éénen dag.

Een uur later sprong Robert het eerst aan boord van de _Duncan_ en viel

hij Mary Grant om den hals, terwijl de bemanning van het jagt de lucht

met haar vrolijk hoera vervulde.

Zoo was de togt door Zuid-Amerika afgeloopen. Bergen noch rivieren

hadden de reizigers van hun weg kunnen afbrengen, en hadden zij al niet

te kampen gehad met de kwaadwilligheid der menschen,--de losgelaten

elementen hadden hun edelmoedige onverschrokkenheid dikwijls op zware

proeven gesteld.

[1] Omtrent vijftien uren.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 37 / 37 题