XXIII.

De boombewoners.

De boom, waarop Glenarvan en zijn makkers een schuilplaats hadden

gevonden, geleek op een notenboom. Hij had deszelfs glimmende bladeren

en ronde gedaante. Het was de "ombu," dien men alleenstaande in de

argentijnsche vlakte aantreft. Deze boom met zijn bogtigen en stevigen

stam, is niet alleen door zijn groote wortels in den grond bevestigd,

maar ook door sterke uitspruitsels, die hem op de stevigste wijze

vasthouden. Hij had dan ook den aanval van den voorvloed doorgestaan.

Die boom was wel honderd voet hoog, en kon met zijn schaduw een omtrek

van zestig vademen bedekken. Dat geheele gevaarte rustte op drie groote

takken, die uit den top van den zes voet dikken stam opschoten. Twee van

die takken rezen bijna loodregt overeind en droegen het ontzaggelijke

zonnescherm van bladeren, welker takken, als door de hand van een

mandenmaker gekruist, door elkander geslingerd en verward, een

ondoordringbare schuilplaats opleverden. De derde tak daarentegen stak

bijna waterpas over het loeijende water uit; zijn onderste bladeren

hingen er reeds in; hij was om zoo te zeggen een uitstekende kaap van

dit groene eiland, dat door een oceaan werd omringd. Het ontbrak ook

niet aan ruimte in dien reusachtigen boom; het gebladerte, dat aan den

omtrek minder digt was, liet groote opene ruimten over, die op opene

plekken in een bosch geleken; er was lucht in overvloed, frischheid

overal. Als men die takken zoo hun tallooze takjes tot in de wolken zag

verheffen, terwijl woekerende slingerplanten ze aan elkander

vasthielden, en de zonnestralen door de openingen in het gebladerte

speelden, zou men waarlijk gezegd hebben, dat de stam van dien boom

alleen een geheel bosch torschte.

Bij de komst der vlugtelingen week een menigte luchtbewoners naar de

hoogste takken, door hun geschreeuw verzet aanteekenende tegen zulk een

schandelijke overrompeling van hun verblijf. Die vogels, die ook een

schuilplaats op dien eenzamen boom hadden gezocht, waren daar bij

honderden bijeen: meerlen, sperwers, isaca's, hilguero's en vooral de

pica-flor, vliegenvogeltjes met schitterende kleuren; wanneer deze

opvlogen, scheen het, dat een windvlaag den boom van al zijn bloemen

beroofde.

Dit was de schuilplaats, die de kleine troep van Glenarvan had bereikt.

De jonge Grant en de vlugge Wilson zaten naauwelijks in den boom, of zij

haastten zich om tot in de hoogste takken te klimmen. Hun hoofd stak nu

door den groenen koepel heen. Van dit hooge punt overzag hun blik een

ruimen omtrek. Aan alle zijden omringde hen de oceaan, dien de

overstrooming had geschapen, en hoe ver de blik zich ook uitstrekte,

toch konden zij deszelfs grens niet bemerken. Geen enkele boom stak

boven het watervlak uit; de notenboom, die alleen zich boven het

onstuimige water verhief, slingerde door deszelfs geweldigen aandrang.

In de verte dreven, door den onstuimigen stroom medegesleept, in een

noordelijke rigting ontwortelde boomstammen, ineengedraaide takken,

rieten daken van weggespoelde hutten, balken die door het water van de

afdaken der vetweiderijen waren losgerukt, lijken van verdronken dieren,

bloedige huiden, en op een drijvenden boom een geheele hoop brullende

tijgerkatten, die haar klaauwen in het brooze vlot geslagen hadden. Nog

verder trok een zwarte, reeds bijna onzigtbare stip de aandacht van

Wilson. Het was Thalcave en diens getrouwe Thaouka, die in de verte

verdwenen.

"Thalcave! vriend Thalcave!" riep Robert, de hand naar den moedigen

Patagoniër uitstrekkende.

"Hij zal zich redden, jonge heer Robert!" antwoordde Wilson; "maar laten

wij zijne Edelheid weder gaan opzoeken."

Een oogenblik later klauterden Robert Grant en de matroos de drie

verdiepingen van takken af en bereikten het boveneinde van den stam.

Daar vonden zij Glenarvan, Paganel, den majoor, Austin en Mulrady, die

de beenen lieten afhangen of zich aan de takken vasthielden, volgens hun

verschillende geaardheid. Wilson gaf verslag van zijn bezoek aan den top

des booms. Allen dachten eenstemmig met hem ten aanzien van Thalcave. De

meeningen liepen echter uiteen over den vraag, of Thalcave Thaouka, dan

wel Thaouka Thalcave redden zou.

Zonder tegenspraak was de toestand van de boombewoners veel

onrustbarender. De boom zou wel niet bezwijken voor het geweld van den

stroom; maar het nog altijd wassende water kon zijn hoogste takken

bereiken; want de hellende bodem maakte van dit gedeelte der vlakte eene

waren vergaderbak. Glenarvan zorgde daarom allereerst om door middel van

kepen merken te maken, ten einde de verschillende waterstanden te kunnen

waarnemen. De overstrooming, die nu op dezelfde hoogte bleef, scheen

haar hoogsten stand bereikt te hebben. Dat was reeds een troost.

"En wat zullen wij nu aanvangen?" zeide Glenarvan.

"Wel, een nest bouwen!" antwoordde Paganel vrolijk.

"Een nest bouwen!" riep Robert.

"Wel zeker, mijn jongen! en als vogels leven, daar wij toch niet als

visschen kunnen leven."

"Goed," zeide Glenarvan, "maar wie zal ons voedsel brengen?"

"Ik!" antwoordde de majoor.

Allen wendden hun blikken naar Mac Nabbs; de majoor zat dood op zijn

gemak in een natuurlijken armstoel, door twee veerkrachtige takken

gevormd, terwijl hij met de eene hand zijn nat geworden, maar goed

gevulde knapzakken overreikte.

"Daaraan herken ik u weder, Mac Nabbs!" riep Glenarvan. "Gij denkt aan

alles, zelfs in omstandigheden, waarin men alles zou mogen vergeten."

"Zoodra ons plan vaststond om niet te verdrinken," antwoordde de majoor,

"waren wij immers niet voornemens om van honger te sterven!"

"Ik zou er wel aan gedacht hebben," zeide Paganel met een onnoozel

gezigt, "maar ik ben zoo verstrooid!"

"En wat bevatten de knapzakken?" vroeg Tom Austin.

"Voedsel voor zeven menschen gedurende twee dagen," antwoordde Mac

Nabbs.

"Goed!" zeide Glenarvan, "ik hoop, dat het water binnen vier en twintig

uren wel wat gezakt zal zijn."

"Of dat wij een middel zullen gevonden hebben om het vaste land weder te

bereiken," antwoordde Paganel.

"Ons eerste werk moet dan maar zijn te ontbijten," zeide Glenarvan.

"Eerst dienen wij ons toch wat te droogen," merkte de majoor aan.

"Maar hoe komen wij aan vuur!" vroeg Wilson.

"Wel, dat moet gij aanmaken," antwoordde Paganel.

"Waar?"

"Wat drommel! in den top van den stam."

"Waarmede?"

"Met dood hout, dat wij uit den boom zullen snijden."

"Maar hoe krijgen wij het aan?" vroeg Glenarvan. "Ons zwam heeft veel

van een natte spons!"

"Wij kunnen het wel missen!" antwoordde Paganel; "wat droog mos, een

zonnestraal, de lens van mijn verrekijker, en gij zult eens zien bij

welk een helder vuurtje wij ons zullen warmen. Wie gaat er hout zoeken

in het bosch?"

"Ik!" riep Robert.

En door zijn vriend Wilson gevolgd verdween hij als een jonge kat in de

digte takken. Terwijl zij weg waren, vond Paganel genoeg droog mos; hij

verschafte zich zonder moeite een zonnestraal, want de dagvorstin

schitterde nu in volle pracht; met behulp van zijn lens deed hij

vervolgens die brandbare stoffen gemakkelijk ontvlammen, die op een laag

vochtige bladeren waren nedergelegd, ter plaatse waar de groote takken

van den boom zich verdeelden. Het was een natuurlijke vuurhaard, die

volstrekt geen gevaar van brand opleverde. Spoedig kwamen Wilson en

Robert met een armvol dood hout terug, dat op het mos werd geworpen. Ten

einde de trekking te bevorderen ging Paganel boven den haard zitten, met

zijne lange beenen op arabische wijze wijd van elkander; zich vervolgens

snel op en neer bewegende veroorzaakte hij met zijn mantel een hevigen

luchtstroom. Het hout ontbrandde, en weldra steeg een heldere,

knetterende vlam boven die nieuwerwetsche stookplaats omhoog. Allen

droogden zich behoorlijk, terwijl de in den boom opgehangen mantels door

den wind heen en weer slingerden; vervolgens ontbeet men, maar met mate,

want men moest aan den volgenden dag denken; het kon gebeuren, dat het

onmetelijke bekken niet zoo spoedig leegliep als Glenarvan hoopte, en

bovendien was de voorraad niet al te ruim. De boom droeg geen vruchten;

gelukkig kon hij een aanzienlijke hoeveelheid versche eijeren opleveren

uit de talrijke nesten, die zijne takken bedekten, zonder nog te spreken

van hun gevederde bewoners. Die hulpmiddelen waren geenszins te

versmaden.

In het vooruitzigt van een langdurig verblijf kwam het er nu op aan om

zich gemakkelijk in te rigten.

"Daar de keuken en de eetzaal gelijkvloers zijn," zeide Paganel, "zullen

wij op de eerste verdieping gaan slapen; het huis is groot, de huur niet

hoog; wij behoeven ons niet te behelpen. Ik zie in de hoogte natuurlijke

hangmatten, waarin wij als op de zachtste bedden zullen slapen, als wij

ons eerst maar goed vastgesjord hebben. Wij hebben niets te vreezen; ten

overvloede zullen wij waken, en wij zijn talrijk genoeg om vlotten met

Indianen en andere wilde dieren te keeren."

"Het ontbreekt ons alleen aan wapenen," zeide Tom Austin.

"Ik heb mijn revolvers," zeide Glenarvan.

"En ik de mijnen," voegde Robert er bij.

"Dat helpt ons niet," hernam Tom Austin; "of mijnheer Paganel moest een

middel weten om kruid te maken?"

"Dat is onnoodig," antwoordde Mac Nabbs, tevens een kruidhoren latende

zien, die in goeden staat was.

"Hoe komt gij daaraan, majoor?" vroeg Paganel.

"Van Thalcave. Hij dacht, dat hij ons te pas zou kunnen komen en gaf hem

mij, eer hij Thaouka te hulp snelde."

"Edelmoedige en brave Indiaan!" riep Glenarvan.

"Ja!" antwoordde Tom Austin, "wanneer alle Patagoniërs hem gelijken,

maak ik er mijn compliment voor aan hun land."

"Maar wij mogen het paard ook niet vergeten!" zeide Paganel. "Het maakt

een deel uit van den Patagoniër, en het zou mij zeer tegenvallen, als

wij hen niet beiden terugzagen."

"Hoever zijn wij van den Atlantischen Oceaan af?" vroeg de majoor.

"Op zijn hoogst veertig mijlen," antwoordde Paganel.

"Daar elk onzer doen kan wat hij wil, vraag ik u verlof, mijne vrienden!

om u te verlaten; ik ga daar boven een plekje tot observatorium

uitkiezen en zal u met behulp van mijn verrekijker op de hoogte houden

van hetgeen er zoo al op deze wereld voorvalt."

Men liet den geleerde begaan, die zich heel behendig van den eenen tak

op den anderen heesch en achter de dikke bladerengordijn verdween. Zijn

medgezellen hielden zich daarop bezig met het in orde brengen van hun

nachtverblijf en het gereed maken van hun slaapplaats. Dit was niet

moeijelijk en nam niet veel tijd weg. Men behoefde geen bed te maken en

geen huisraad te schikken, zoodat allen spoedig hun plaatsje om den

haard weder konden innemen.

Het gesprek werd nu algemeen, maar de tegenwoordige toestand, waarin men

zich geduldig moest schikken, was er het onderwerp niet van. Men kwam

weder terug op de onuitputtelijke stof: Harry Grant. Als het water

zakte, zouden de reizigers binnen drie dagen weder aan boord van de

_Duncan_ zijn. Maar Harry Grant en zijne beide matrozen, die ongelukkige

schipbreukelingen zouden niet bij hen zijn. Het scheen zelfs na dien

tegenspoed, na dien nutteloozen togt door Amerika, alsof alle hoop om

hen terug te vinden onherroepelijk verloren was. Waar zou men nieuwe

nasporingen in het werk stellen? Hoe groot zou niet de smart van lady

Helena en van Mary Grant zijn, als zij moesten vernemen, dat zij alle

hoop op de toekomst moesten laten varen!

"Arme zuster!" zeide Robert, "alles is uit voor ons!"

Voor de eerste maal kon Glenarvan geen troostwoord vinden om daarop te

antwoorden. Welke hoop toch kon hij den knaap geven? Had hij niet met de

grootste stiptheid de aanwijzingen van het document gevolgd?

"En toch," zeide hij, "die zeven en dertigste graad breedte is meer dan

een niets beteekenend cijfer! Het zij het betrekking heeft op de

schipbreuk of op de gevangenschap van Harry Grant, het is toch niet uit

de lucht gegrepen, willekeurig uitgelegd noch een bloote gissing! Wij

hebben het met onze eigene oogen gezien!"

"Dat alles is waar, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin; "maar onze

nasporingen zijn niettemin vergeefsch geweest."

"Dat is spijtig en tegelijk ontmoedigend!" riep Glenarvan.

"Spijtig, wanneer gij dat wilt," antwoordde Mac Nabbs op een bedaarden

toon; "maar geenszins ontmoedigend. Juist omdat wij een vast cijfer

hebben, moeten wij den moed volstrekt niet opgeven."

"Wat bedoelt gij daarmede," vroeg Glenarvan, "en wat kunnen wij naar uwe

meening verder doen?"

"Iets zeer eenvoudigs, dat tevens zeer logisch zou zijn, waarde Edward!

Zoodra wij aan boord van de _Duncan_ zijn, wenden wij den steven

oostelijk, en volgen de zeven en dertigste parallel zoo noodig zelfs tot

aan het punt, vanwaar wij uitgingen."

"Meent gij dan, Mac Nabbs! dat ik daaraan niet gedacht heb?" antwoordde

Glenarvan. "O! wel honderd maal! Maar welke kans hebben wij om te

slagen? Wanneer wij het amerikaansch vastland verlaten, verwijderen wij

ons immers van de plaats, die Harry Grant zelf heeft aangeduid, van dat

Patagonië, dat zoo uitdrukkelijk in het document vermeld wordt?"

"Gij zult toch geen nieuwe nasporingen in de pampa's willen beginnen,"

antwoordde de majoor, "nu gij de zekerheid verkregen hebt, dat de

schipbreuk der _Britannia_ evenmin heeft plaats gehad op de kusten der

Stille Zuidzee als op die van den Atlantischen Oceaan!"

Glenarvan gaf geen antwoord.

"En moeten wij, al is de kans om Harry Grant weder te vinden door de

parallel, die hij opgaf, langs te reizen, nog zoo gering, het toch niet

beproeven?"

"Daarop zeg ik geen neen!" antwoordde Glenarvan.

"En zijt gij het niet met mij eens, vrienden?" voegde de majoor er bij,

zich tot de zeelieden rigtende.

"Volkomen!" antwoordde Tom Austin, waarmede Mulrady en Wilson door een

knik instemden.

"Hoort mij aan, vrienden!" hernam Glenarvan na eenige oogenblikken

nadenken, "en luister goed toe, Robert! want het geldt een zaak van

gewigt. Ik zal alles doen, wat in mijn magt staat om kapitein Grant

weder te vinden, dat heb ik op mij genomen en daaraan zal ik, zoo het

noodig is, mijn gansche leven toewijden. Geheel Schotland zou zich met

mij verbinden om dien moedigen man te redden, die zich voor zijn

vaderland heeft opgeofferd. Mijn gevoelen is ook, dat wij, al is die

kans nog zoo gering, langs die zeven en dertigste parallel rondom de

aarde moeten reizen, en ik zal het doen. Maar dat is nu eigenlijk de

vraag niet. Zij is veel gewigtiger en luidt: Moeten wij bepaald en van

nu af aan onze nasporingen op het amerikaansche vastland staken?"

Die zoo stellig ingekleede vraag werd niet beantwoord. Niemand durfde

zich verklaren.

"Wat is uw gevoelen?" hernam Glenarvan, zich meer in het bijzonder tot

den majoor rigtende.

"Waarde Edward!" antwoordde Mac Nabbs, "het antwoord op die vraag eist

een zware verantwoordelijkheid op. Zij vordert eenig nadenken. Vóór

alles wensch ik te weten, over welke streken de zeven en dertigste graad

zuiderbreedte heengaat."

"Dat zal Paganel wel weten," antwoordde Glenarvan.

"Dan zullen wij het hem vragen," zeide de majoor.

De geleerde was zoo verborgen door het digte gebladerte van den boom,

dat hij onzigtbaar was. Men moest hem dus praaijen.

"Paganel! Paganel!" riep Glenarvan.

"Present!" antwoordde een stem, die uit de lucht kwam.

"Waar zijt gij?"

"In mijn toren."

"Wat doet gij daar?"

"Ik sla den onmetelijken gezigteinder gade."

"Kunt gij even afkomen?"

"Hebt gij mij noodig?"

"Ja."

"Waarom?"

"Om te weten over welke landen de zeven en dertigste parallel

heenloopt."

"Niets is gemakkelijker," antwoordde Paganel; "het is niet eens noodig,

dat ik afkom om het u te zeggen."

"Ga uw gang dan maar."

"Luister. Amerika verlatende, gaat de zevenendertigste graad

zuiderbreedte over den Atlantischen Oceaan."

"Goed."

"Hij snijdt de eilanden Tristan d'Acunha."

"Zeer goed."

"Hij gaat twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop."

"Vervolgens."

"Hij loopt over de Indische zee."

"Verder."

"Hij raakt even het St.-Pieters-eiland van den eilandengroep Amsterdam."

"Ga voort."

"Hij snijdt de australische provincie Victoria."

"Verder."

"Australië verlatende...."

Die laatste zin werd niet voltooid. Aarzelde de aardrijkskundige? Wist

de geleerde het niet verder? Neen; maar in den top van den boom

weerklonk een geduchte kreet, een heftige uitroep. Glenarvan en zijn

vrienden verbleekten en zagen elkander aan. Had er een nieuw onheil

plaats? Had de ongelukkige Paganel zich laten vallen? Reeds snelden

Wilson en Mulrady hem te hulp, toen er een lang ligchaam verscheen.

Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. Zijn handen konden

niets aangrijpen. Leefde hij nog? Was hij dood? Men wist het niet; maar

hij stond op het punt om in het loeijende water te vallen, toen de

majoor hem met zijn gespierde arm in zijn val stuitte.

"Verpligt, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Wat scheelt er aan?" zeide de majoor: "wat is er gebeurd? Weder uwe

gewone verstrooidheid?"

"Ja! Ja!" antwoordde Paganel met een door aandoening verstikte stem.

"Ja! een verstrooidheid ... maar ditmaal een zeer vreemde!"

"Welke dan?"

"Wij hebben ons vergist! Wij vergissen ons nog! Wij vergissen ons

altijd!"

"Verklaar u nader!"

"Glenarvan! majoor! Robert! vrienden!" riep Paganel: "gij allen, die mij

hoort! wij zoeken kapitein Grant waar hij niet is!"

"Wat zegt gij?" riep Glenarvan.

"En niet alleen, waar hij niet is," voegde Paganel er bij, "maar waar

hij ook nooit geweest is!"

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 34 / 37 题