De boombewoners.
De boom, waarop Glenarvan en zijn makkers een schuilplaats hadden
gevonden, geleek op een notenboom. Hij had deszelfs glimmende bladeren
en ronde gedaante. Het was de "ombu," dien men alleenstaande in de
argentijnsche vlakte aantreft. Deze boom met zijn bogtigen en stevigen
stam, is niet alleen door zijn groote wortels in den grond bevestigd,
maar ook door sterke uitspruitsels, die hem op de stevigste wijze
vasthouden. Hij had dan ook den aanval van den voorvloed doorgestaan.
Die boom was wel honderd voet hoog, en kon met zijn schaduw een omtrek
van zestig vademen bedekken. Dat geheele gevaarte rustte op drie groote
takken, die uit den top van den zes voet dikken stam opschoten. Twee van
die takken rezen bijna loodregt overeind en droegen het ontzaggelijke
zonnescherm van bladeren, welker takken, als door de hand van een
mandenmaker gekruist, door elkander geslingerd en verward, een
ondoordringbare schuilplaats opleverden. De derde tak daarentegen stak
bijna waterpas over het loeijende water uit; zijn onderste bladeren
hingen er reeds in; hij was om zoo te zeggen een uitstekende kaap van
dit groene eiland, dat door een oceaan werd omringd. Het ontbrak ook
niet aan ruimte in dien reusachtigen boom; het gebladerte, dat aan den
omtrek minder digt was, liet groote opene ruimten over, die op opene
plekken in een bosch geleken; er was lucht in overvloed, frischheid
overal. Als men die takken zoo hun tallooze takjes tot in de wolken zag
verheffen, terwijl woekerende slingerplanten ze aan elkander
vasthielden, en de zonnestralen door de openingen in het gebladerte
speelden, zou men waarlijk gezegd hebben, dat de stam van dien boom
alleen een geheel bosch torschte.
Bij de komst der vlugtelingen week een menigte luchtbewoners naar de
hoogste takken, door hun geschreeuw verzet aanteekenende tegen zulk een
schandelijke overrompeling van hun verblijf. Die vogels, die ook een
schuilplaats op dien eenzamen boom hadden gezocht, waren daar bij
honderden bijeen: meerlen, sperwers, isaca's, hilguero's en vooral de
pica-flor, vliegenvogeltjes met schitterende kleuren; wanneer deze
opvlogen, scheen het, dat een windvlaag den boom van al zijn bloemen
beroofde.
Dit was de schuilplaats, die de kleine troep van Glenarvan had bereikt.
De jonge Grant en de vlugge Wilson zaten naauwelijks in den boom, of zij
haastten zich om tot in de hoogste takken te klimmen. Hun hoofd stak nu
door den groenen koepel heen. Van dit hooge punt overzag hun blik een
ruimen omtrek. Aan alle zijden omringde hen de oceaan, dien de
overstrooming had geschapen, en hoe ver de blik zich ook uitstrekte,
toch konden zij deszelfs grens niet bemerken. Geen enkele boom stak
boven het watervlak uit; de notenboom, die alleen zich boven het
onstuimige water verhief, slingerde door deszelfs geweldigen aandrang.
In de verte dreven, door den onstuimigen stroom medegesleept, in een
noordelijke rigting ontwortelde boomstammen, ineengedraaide takken,
rieten daken van weggespoelde hutten, balken die door het water van de
afdaken der vetweiderijen waren losgerukt, lijken van verdronken dieren,
bloedige huiden, en op een drijvenden boom een geheele hoop brullende
tijgerkatten, die haar klaauwen in het brooze vlot geslagen hadden. Nog
verder trok een zwarte, reeds bijna onzigtbare stip de aandacht van
Wilson. Het was Thalcave en diens getrouwe Thaouka, die in de verte
verdwenen.
"Thalcave! vriend Thalcave!" riep Robert, de hand naar den moedigen
Patagoniër uitstrekkende.
"Hij zal zich redden, jonge heer Robert!" antwoordde Wilson; "maar laten
wij zijne Edelheid weder gaan opzoeken."
Een oogenblik later klauterden Robert Grant en de matroos de drie
verdiepingen van takken af en bereikten het boveneinde van den stam.
Daar vonden zij Glenarvan, Paganel, den majoor, Austin en Mulrady, die
de beenen lieten afhangen of zich aan de takken vasthielden, volgens hun
verschillende geaardheid. Wilson gaf verslag van zijn bezoek aan den top
des booms. Allen dachten eenstemmig met hem ten aanzien van Thalcave. De
meeningen liepen echter uiteen over den vraag, of Thalcave Thaouka, dan
wel Thaouka Thalcave redden zou.
Zonder tegenspraak was de toestand van de boombewoners veel
onrustbarender. De boom zou wel niet bezwijken voor het geweld van den
stroom; maar het nog altijd wassende water kon zijn hoogste takken
bereiken; want de hellende bodem maakte van dit gedeelte der vlakte eene
waren vergaderbak. Glenarvan zorgde daarom allereerst om door middel van
kepen merken te maken, ten einde de verschillende waterstanden te kunnen
waarnemen. De overstrooming, die nu op dezelfde hoogte bleef, scheen
haar hoogsten stand bereikt te hebben. Dat was reeds een troost.
"En wat zullen wij nu aanvangen?" zeide Glenarvan.
"Wel, een nest bouwen!" antwoordde Paganel vrolijk.
"Een nest bouwen!" riep Robert.
"Wel zeker, mijn jongen! en als vogels leven, daar wij toch niet als
visschen kunnen leven."
"Goed," zeide Glenarvan, "maar wie zal ons voedsel brengen?"
"Ik!" antwoordde de majoor.
Allen wendden hun blikken naar Mac Nabbs; de majoor zat dood op zijn
gemak in een natuurlijken armstoel, door twee veerkrachtige takken
gevormd, terwijl hij met de eene hand zijn nat geworden, maar goed
gevulde knapzakken overreikte.
"Daaraan herken ik u weder, Mac Nabbs!" riep Glenarvan. "Gij denkt aan
alles, zelfs in omstandigheden, waarin men alles zou mogen vergeten."
"Zoodra ons plan vaststond om niet te verdrinken," antwoordde de majoor,
"waren wij immers niet voornemens om van honger te sterven!"
"Ik zou er wel aan gedacht hebben," zeide Paganel met een onnoozel
gezigt, "maar ik ben zoo verstrooid!"
"En wat bevatten de knapzakken?" vroeg Tom Austin.
"Voedsel voor zeven menschen gedurende twee dagen," antwoordde Mac
Nabbs.
"Goed!" zeide Glenarvan, "ik hoop, dat het water binnen vier en twintig
uren wel wat gezakt zal zijn."
"Of dat wij een middel zullen gevonden hebben om het vaste land weder te
bereiken," antwoordde Paganel.
"Ons eerste werk moet dan maar zijn te ontbijten," zeide Glenarvan.
"Eerst dienen wij ons toch wat te droogen," merkte de majoor aan.
"Maar hoe komen wij aan vuur!" vroeg Wilson.
"Wel, dat moet gij aanmaken," antwoordde Paganel.
"Waar?"
"Wat drommel! in den top van den stam."
"Waarmede?"
"Met dood hout, dat wij uit den boom zullen snijden."
"Maar hoe krijgen wij het aan?" vroeg Glenarvan. "Ons zwam heeft veel
van een natte spons!"
"Wij kunnen het wel missen!" antwoordde Paganel; "wat droog mos, een
zonnestraal, de lens van mijn verrekijker, en gij zult eens zien bij
welk een helder vuurtje wij ons zullen warmen. Wie gaat er hout zoeken
in het bosch?"
"Ik!" riep Robert.
En door zijn vriend Wilson gevolgd verdween hij als een jonge kat in de
digte takken. Terwijl zij weg waren, vond Paganel genoeg droog mos; hij
verschafte zich zonder moeite een zonnestraal, want de dagvorstin
schitterde nu in volle pracht; met behulp van zijn lens deed hij
vervolgens die brandbare stoffen gemakkelijk ontvlammen, die op een laag
vochtige bladeren waren nedergelegd, ter plaatse waar de groote takken
van den boom zich verdeelden. Het was een natuurlijke vuurhaard, die
volstrekt geen gevaar van brand opleverde. Spoedig kwamen Wilson en
Robert met een armvol dood hout terug, dat op het mos werd geworpen. Ten
einde de trekking te bevorderen ging Paganel boven den haard zitten, met
zijne lange beenen op arabische wijze wijd van elkander; zich vervolgens
snel op en neer bewegende veroorzaakte hij met zijn mantel een hevigen
luchtstroom. Het hout ontbrandde, en weldra steeg een heldere,
knetterende vlam boven die nieuwerwetsche stookplaats omhoog. Allen
droogden zich behoorlijk, terwijl de in den boom opgehangen mantels door
den wind heen en weer slingerden; vervolgens ontbeet men, maar met mate,
want men moest aan den volgenden dag denken; het kon gebeuren, dat het
onmetelijke bekken niet zoo spoedig leegliep als Glenarvan hoopte, en
bovendien was de voorraad niet al te ruim. De boom droeg geen vruchten;
gelukkig kon hij een aanzienlijke hoeveelheid versche eijeren opleveren
uit de talrijke nesten, die zijne takken bedekten, zonder nog te spreken
van hun gevederde bewoners. Die hulpmiddelen waren geenszins te
versmaden.
In het vooruitzigt van een langdurig verblijf kwam het er nu op aan om
zich gemakkelijk in te rigten.
"Daar de keuken en de eetzaal gelijkvloers zijn," zeide Paganel, "zullen
wij op de eerste verdieping gaan slapen; het huis is groot, de huur niet
hoog; wij behoeven ons niet te behelpen. Ik zie in de hoogte natuurlijke
hangmatten, waarin wij als op de zachtste bedden zullen slapen, als wij
ons eerst maar goed vastgesjord hebben. Wij hebben niets te vreezen; ten
overvloede zullen wij waken, en wij zijn talrijk genoeg om vlotten met
Indianen en andere wilde dieren te keeren."
"Het ontbreekt ons alleen aan wapenen," zeide Tom Austin.
"Ik heb mijn revolvers," zeide Glenarvan.
"En ik de mijnen," voegde Robert er bij.
"Dat helpt ons niet," hernam Tom Austin; "of mijnheer Paganel moest een
middel weten om kruid te maken?"
"Dat is onnoodig," antwoordde Mac Nabbs, tevens een kruidhoren latende
zien, die in goeden staat was.
"Hoe komt gij daaraan, majoor?" vroeg Paganel.
"Van Thalcave. Hij dacht, dat hij ons te pas zou kunnen komen en gaf hem
mij, eer hij Thaouka te hulp snelde."
"Edelmoedige en brave Indiaan!" riep Glenarvan.
"Ja!" antwoordde Tom Austin, "wanneer alle Patagoniërs hem gelijken,
maak ik er mijn compliment voor aan hun land."
"Maar wij mogen het paard ook niet vergeten!" zeide Paganel. "Het maakt
een deel uit van den Patagoniër, en het zou mij zeer tegenvallen, als
wij hen niet beiden terugzagen."
"Hoever zijn wij van den Atlantischen Oceaan af?" vroeg de majoor.
"Op zijn hoogst veertig mijlen," antwoordde Paganel.
"Daar elk onzer doen kan wat hij wil, vraag ik u verlof, mijne vrienden!
om u te verlaten; ik ga daar boven een plekje tot observatorium
uitkiezen en zal u met behulp van mijn verrekijker op de hoogte houden
van hetgeen er zoo al op deze wereld voorvalt."
Men liet den geleerde begaan, die zich heel behendig van den eenen tak
op den anderen heesch en achter de dikke bladerengordijn verdween. Zijn
medgezellen hielden zich daarop bezig met het in orde brengen van hun
nachtverblijf en het gereed maken van hun slaapplaats. Dit was niet
moeijelijk en nam niet veel tijd weg. Men behoefde geen bed te maken en
geen huisraad te schikken, zoodat allen spoedig hun plaatsje om den
haard weder konden innemen.
Het gesprek werd nu algemeen, maar de tegenwoordige toestand, waarin men
zich geduldig moest schikken, was er het onderwerp niet van. Men kwam
weder terug op de onuitputtelijke stof: Harry Grant. Als het water
zakte, zouden de reizigers binnen drie dagen weder aan boord van de
_Duncan_ zijn. Maar Harry Grant en zijne beide matrozen, die ongelukkige
schipbreukelingen zouden niet bij hen zijn. Het scheen zelfs na dien
tegenspoed, na dien nutteloozen togt door Amerika, alsof alle hoop om
hen terug te vinden onherroepelijk verloren was. Waar zou men nieuwe
nasporingen in het werk stellen? Hoe groot zou niet de smart van lady
Helena en van Mary Grant zijn, als zij moesten vernemen, dat zij alle
hoop op de toekomst moesten laten varen!
"Arme zuster!" zeide Robert, "alles is uit voor ons!"
Voor de eerste maal kon Glenarvan geen troostwoord vinden om daarop te
antwoorden. Welke hoop toch kon hij den knaap geven? Had hij niet met de
grootste stiptheid de aanwijzingen van het document gevolgd?
"En toch," zeide hij, "die zeven en dertigste graad breedte is meer dan
een niets beteekenend cijfer! Het zij het betrekking heeft op de
schipbreuk of op de gevangenschap van Harry Grant, het is toch niet uit
de lucht gegrepen, willekeurig uitgelegd noch een bloote gissing! Wij
hebben het met onze eigene oogen gezien!"
"Dat alles is waar, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin; "maar onze
nasporingen zijn niettemin vergeefsch geweest."
"Dat is spijtig en tegelijk ontmoedigend!" riep Glenarvan.
"Spijtig, wanneer gij dat wilt," antwoordde Mac Nabbs op een bedaarden
toon; "maar geenszins ontmoedigend. Juist omdat wij een vast cijfer
hebben, moeten wij den moed volstrekt niet opgeven."
"Wat bedoelt gij daarmede," vroeg Glenarvan, "en wat kunnen wij naar uwe
meening verder doen?"
"Iets zeer eenvoudigs, dat tevens zeer logisch zou zijn, waarde Edward!
Zoodra wij aan boord van de _Duncan_ zijn, wenden wij den steven
oostelijk, en volgen de zeven en dertigste parallel zoo noodig zelfs tot
aan het punt, vanwaar wij uitgingen."
"Meent gij dan, Mac Nabbs! dat ik daaraan niet gedacht heb?" antwoordde
Glenarvan. "O! wel honderd maal! Maar welke kans hebben wij om te
slagen? Wanneer wij het amerikaansch vastland verlaten, verwijderen wij
ons immers van de plaats, die Harry Grant zelf heeft aangeduid, van dat
Patagonië, dat zoo uitdrukkelijk in het document vermeld wordt?"
"Gij zult toch geen nieuwe nasporingen in de pampa's willen beginnen,"
antwoordde de majoor, "nu gij de zekerheid verkregen hebt, dat de
schipbreuk der _Britannia_ evenmin heeft plaats gehad op de kusten der
Stille Zuidzee als op die van den Atlantischen Oceaan!"
Glenarvan gaf geen antwoord.
"En moeten wij, al is de kans om Harry Grant weder te vinden door de
parallel, die hij opgaf, langs te reizen, nog zoo gering, het toch niet
beproeven?"
"Daarop zeg ik geen neen!" antwoordde Glenarvan.
"En zijt gij het niet met mij eens, vrienden?" voegde de majoor er bij,
zich tot de zeelieden rigtende.
"Volkomen!" antwoordde Tom Austin, waarmede Mulrady en Wilson door een
knik instemden.
"Hoort mij aan, vrienden!" hernam Glenarvan na eenige oogenblikken
nadenken, "en luister goed toe, Robert! want het geldt een zaak van
gewigt. Ik zal alles doen, wat in mijn magt staat om kapitein Grant
weder te vinden, dat heb ik op mij genomen en daaraan zal ik, zoo het
noodig is, mijn gansche leven toewijden. Geheel Schotland zou zich met
mij verbinden om dien moedigen man te redden, die zich voor zijn
vaderland heeft opgeofferd. Mijn gevoelen is ook, dat wij, al is die
kans nog zoo gering, langs die zeven en dertigste parallel rondom de
aarde moeten reizen, en ik zal het doen. Maar dat is nu eigenlijk de
vraag niet. Zij is veel gewigtiger en luidt: Moeten wij bepaald en van
nu af aan onze nasporingen op het amerikaansche vastland staken?"
Die zoo stellig ingekleede vraag werd niet beantwoord. Niemand durfde
zich verklaren.
"Wat is uw gevoelen?" hernam Glenarvan, zich meer in het bijzonder tot
den majoor rigtende.
"Waarde Edward!" antwoordde Mac Nabbs, "het antwoord op die vraag eist
een zware verantwoordelijkheid op. Zij vordert eenig nadenken. Vóór
alles wensch ik te weten, over welke streken de zeven en dertigste graad
zuiderbreedte heengaat."
"Dat zal Paganel wel weten," antwoordde Glenarvan.
"Dan zullen wij het hem vragen," zeide de majoor.
De geleerde was zoo verborgen door het digte gebladerte van den boom,
dat hij onzigtbaar was. Men moest hem dus praaijen.
"Paganel! Paganel!" riep Glenarvan.
"Present!" antwoordde een stem, die uit de lucht kwam.
"Waar zijt gij?"
"In mijn toren."
"Wat doet gij daar?"
"Ik sla den onmetelijken gezigteinder gade."
"Kunt gij even afkomen?"
"Hebt gij mij noodig?"
"Ja."
"Waarom?"
"Om te weten over welke landen de zeven en dertigste parallel
heenloopt."
"Niets is gemakkelijker," antwoordde Paganel; "het is niet eens noodig,
dat ik afkom om het u te zeggen."
"Ga uw gang dan maar."
"Luister. Amerika verlatende, gaat de zevenendertigste graad
zuiderbreedte over den Atlantischen Oceaan."
"Goed."
"Hij snijdt de eilanden Tristan d'Acunha."
"Zeer goed."
"Hij gaat twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop."
"Vervolgens."
"Hij loopt over de Indische zee."
"Verder."
"Hij raakt even het St.-Pieters-eiland van den eilandengroep Amsterdam."
"Ga voort."
"Hij snijdt de australische provincie Victoria."
"Verder."
"Australië verlatende...."
Die laatste zin werd niet voltooid. Aarzelde de aardrijkskundige? Wist
de geleerde het niet verder? Neen; maar in den top van den boom
weerklonk een geduchte kreet, een heftige uitroep. Glenarvan en zijn
vrienden verbleekten en zagen elkander aan. Had er een nieuw onheil
plaats? Had de ongelukkige Paganel zich laten vallen? Reeds snelden
Wilson en Mulrady hem te hulp, toen er een lang ligchaam verscheen.
Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. Zijn handen konden
niets aangrijpen. Leefde hij nog? Was hij dood? Men wist het niet; maar
hij stond op het punt om in het loeijende water te vallen, toen de
majoor hem met zijn gespierde arm in zijn val stuitte.
"Verpligt, Mac Nabbs!" riep Paganel.
"Wat scheelt er aan?" zeide de majoor: "wat is er gebeurd? Weder uwe
gewone verstrooidheid?"
"Ja! Ja!" antwoordde Paganel met een door aandoening verstikte stem.
"Ja! een verstrooidheid ... maar ditmaal een zeer vreemde!"
"Welke dan?"
"Wij hebben ons vergist! Wij vergissen ons nog! Wij vergissen ons
altijd!"
"Verklaar u nader!"
"Glenarvan! majoor! Robert! vrienden!" riep Paganel: "gij allen, die mij
hoort! wij zoeken kapitein Grant waar hij niet is!"
"Wat zegt gij?" riep Glenarvan.
"En niet alleen, waar hij niet is," voegde Paganel er bij, "maar waar
hij ook nooit geweest is!"