Het wassen des waters.
Een afstand van honderd vijftig mijlen[1] scheidt het fort Independencia
van de oevers van den Atlantischen Oceaan. Als er geen onvoorzien
oponthoud in den weg kwam, hetgeen trouwens niet te denken was, kon
Glenarvan in vier dagen de _Duncan_ bereiken. Maar hij kon zich maar
niet gewennen aan de gedachte om aan boord terug te komen zonder
kapitein Grant en na zoo ongelukkig in zijn nasporingen geweest te zijn.
Hij dacht er dan ook den volgenden morgen niet eens aan om bevelen tot
de afreis te geven. Daarom nam de majoor op zich om de paarden te laten
zadelen, nieuwen mondvoorraad op te doen en den weg te laten opnemen.
Daardoor was de kleine troep in staat om des morgens ten acht ure een
begin te maken met de afdaling langs de met gras begroeide ruggen van
het Tandil-gebergte.
Zonder een woord te spreken galoppeerde Glenarvan naast Robert voort;
zijn stoutmoedig en vastberaden karakter gedoogde niet om zich aan dien
tegenspoed zoo zoetsappig te onderwerpen; zijn hart bonsde, zijn hoofd
gloeide. Door de moeijelijkheid gescherpt draaide Paganel op alle
mogelijke wijzen de woorden van het document om, ten einde er nieuwe
inlichtingen uit te putten. Thalcave zweeg en liet aan Thaouka de zorg
over om den weg te vinden. De majoor, die als altijd vol goeden moed
was, bleef standvastig op zijn post, als iemand op wien de moedeloosheid
geen vat had. Tom Austin en zijn beide matrozen verveelden zich even als
hun meester. Toen een angstig konijn vóór hen over de paden van het
gebergte liep, zagen de bijgeloovige Schotten elkander aan.
"Een slecht voorteeken," zeide Wilson.
"Ja, in de Hooglanden," antwoordde Mulrady.
"Wat in de Hooglanden slecht is, is hier niet beter," antwoordde Wilson
heel verstandig.
Tegen twaalf ure hadden de reizigers het Tandil-gebergte achter den rug
en waren zij weder in de golvende vlakten, die zich tot aan de zee
uitstrekken. Bij iedere schrede besproeiden heldere beekjes, die in de
hooge weilanden verdwenen, dat vruchtbare land. De bodem werd weêr even
vlak als vroeger, gelijk de Oceaan na een storm. De laatste bergen der
argentijnsche pampa's waren zij voorbij, en de pooten der paarden
betraden het onafzienbare grastapijt der eentoonige prairie.
Tot nog toe was het weder schoon geweest; maar op dien dag kreeg de
lucht een onrustbarend aanzien. De massa's dampen, die door de groote
warmte der vorige dagen opgestegen waren en zich tot digte wolken
vereenigd hadden, dreigden met stortbuijen. Bovendien maakten de
nabijheid van den Atlantischen Oceaan en de westewind, die er meestal
waait, het klimaat van deze streek bijzonder vochtig. Het was wel te
zien aan haar vruchtbaarheid, aan den overvloed van vette weiden en aan
haar donkergroene kleur. Dien dag echter had er nog geen wolkbreuk
plaats, en des avonds hielden de paarden, na zonder moeite een togt van
veertig mijlen afgelegd te hebben, aan den kant van diepe "canada's"
stil, zeer groote, met water gevulde natuurlijke grachten. Het ontbrak
aan de geringste schuilplaats. De mantels moesten tot tenten en dekens
te gelijk dienen, en allen legden zich onder een dreigenden hemel te
slapen, die het echter bij bedreigingen blijven liet.
Naarmate de vlakte afbelde werd des anderen daags de aanwezigheid van
water onder den grond hoe langer hoe merkbaarder; het vocht drong door
al de poriën van den grond heen. Weldra werd de weg naar het oosten door
groote vijvers doorsneden, waarvan sommige reeds diep waren, andere
eerst begonnen te ontstaan. Zoolang het nog "laguna's" bleven, dat goed
begrensde en van waterplanten vrije plassen zijn, konden de paarden er
gemakkelijk uitkomen; maar dit ging moeijelijker uit die bewegelijke
modderpoelen, "pentano's" geheeten; hooge planten versperden er den weg,
en om het gevaar te zien, moest men er reeds in zijn.
Die moerassen hadden reeds menig levend wezen den dood veroorzaakt.
Robert, die een halve mijl vooruit reed, kwam op eens in galop terug,
roepende:
"Mijnheer Paganel! mijnheer Paganel! een bosch van horens!"
"Wat!" antwoordde de geleerde, "hebt gij een bosch van horens gevonden?"
"Ja, ja! op zijn allerminst een kreupelbosch."
"Een kreupelbosch! gij droomt, mijn jongen!" antwoordde Paganel, de
schouders ophalende.
"Ik droom niet," hernam Robert; "kom zelf maar zien! Een raar land! Men
zaait hier horens en zij schieten op als graan! Ik zou er wel wat zaad
van willen hebben!"
"Hij spreekt in vollen ernst," zeide de majoor.
"Ja, mijnheer de majoor! gij zult zien, dat het zoo is."
Robert had goed gezien. Weldra bevonden zij zich voor een groot
onafzienbaar veld met horens, die regelmatig geplant waren. Het was
inderdaad een laag en digt, maar vreemd kreupelbosch.
"Wat zegt gij er van?" vroeg Robert.
"Dat is vreemd," antwoordde Paganel zich tot den Indiaan wendende om
dezen te ondervragen.
"De horens steken boven den grond uit," zeide Thalcave, "maar de
runderen zitten er onder."
"Hoe!" riep Paganel, "is er een geheele kudde in die modder
weggezonken?"
"Ja!" antwoordde de Patagoniër.
Werkelijk had een ontelbare kudde den dood gevonden onder dien grond,
die onder haar hoeven was weggezonken; honderden runderen waren zoo
naast elkander in dat groote moeras gesmoord. Dit feit, dat wel meer in
de argentijnsche vlakte plaats heeft, kon den Indiaan niet onbekend
zijn, en was een waarschuwing, die men niet in den wind mogt slaan.
Zij reden om het ontzaggelijke offer heen, dat de meest eischende goden
der oudheid zou tevreden gesteld hebben, en een uur later was men twee
mijlen van het veld met horens af.
Thalcave sloeg met zekeren angst dien stand van zaken gade, die in zijn
oog buitengewoon was. Hij hield dikwijls stil en ging in de stijgbeugels
staan. Zijn hooge gestalte stelde hem in staat om ver in het rond te
zien; maar daar hij niets bemerkte, dat hem opheldering kon geven,
hervatte hij weldra den gestaakten marsch. Een mijl verder hield hij
nog eens stil, week daarna van de gevolgde rigting af, maakte nu eens
noord- dan zuidwaarts een omweg van eenige mijlen, en stelde zich
vervolgens weder aan het hoofd van het gezelschap, zonder te zeggen wat
hij hoopte of vreesde. Daar hij die handelwijze verscheidene malen
herhaalde, werd Paganel nieuwsgierig en Glenarvan ongerust. Den geleerde
werd daarom verzocht den Indiaan te ondervragen, hetgeen hij ook
terstond deed.
Thalcave antwoordde hem, dat hij zich er over verwonderde, dat de grond
zoo doorweekt was van water. Zoover hem heugde en zoolang hij het beroep
van gids uitoefende, had hij een zoo drassigen bodem nooit betreden.
Zelfs in den regentijd waren er nog altijd begaanbare paden door de
argentijnsche vlakte.
"Maar wat kan de oorzaak zijn van die toenemende vochtigheid?" vroeg
Paganel.
"Ik weet het niet," antwoordde de Indiaan, "en wist ik het!"...
"Treden de bergstroomen, door den regen gezwollen, nooit buiten hun
oevers?"
"Somtijds."
"En zou dit nu misschien het geval zijn?"
"Misschien!" zeide Thalcave.
Paganel moest zich vergenoegen met dat halve antwoord, en deelde aan
Glenarvan den inhoud van het gesprek mede.
"En wat raadt Thalcave?" vroeg Glenarvan.
"Wat moeten wij doen?" vroeg Paganel den Patagoniër.
"Snel voortgaan," antwoordde de Indiaan.
De raad was gemakkelijker te geven dan op te volgen. De paarden werden
spoedig moede van het betreden van een grond, die onder hen wegzakte;
hun pooten drongen er telkens dieper in, en dit gedeelte der vlakte kon
vergeleken worden met een ontzaggelijken kuil, waarin het aanstormende
water zich weldra ophoopen zou. Het was dus van het hoogste belang om
die dalende gronden zonder uitstel over te trekken, daar een
overstrooming ze onmiddellijk in een meer zou veranderd hebben.
Zij verhaastten derhalve hunne schreden. Maar alsof dat water, dat onder
de pooten der paarden stroomde, nog niet genoeg ware, werden tegen twee
ure de sluizen des hemels geopend, en begon het te regenen, alsof het
met bakken uit den hemel werd gegoten. Nooit had zich een schooner
gelegenheid opgedaan om te toonen, dat men een wijsgeer is. Er was geen
kans om aan dien zondvloed te ontwijken, en het beste was hem met
onverschilligheid door te staan. De mantels waren druipnat, het water
stroomde van de hoeden af als van een dak, welks goten verstopt zijn; de
franje der zadels scheen van vloeibare draden gemaakt te zijn, en de
ruiters die met modder bespat werden door de hoeven hunner paarden,
reden voort in een dubbele stortbui, die te gelijk uit den grond en uit
de lucht kwam.
Zoo doornat, verstijfd en afgemat kwamen zij 's avonds aan een zeer
ellendige hut. Alleen lieden, die spoedig tevreden waren, konden haar
een schuilplaats noemen, en alleen uitgeputte reizigers konden er in
toestemmen om er den nacht in door te brengen. Maar Glenarvan en zijn
makkers hadden geen keus. Zij kropen digt bij elkander in die verlatene
stulp, die de armste Indiaan uit de pampa's niet zou hebben willen
bewonen. Een zwak vuur van kruiden, dat meer rook dan warmte gaf, werd
niet zonder moeite ontstoken. De stortregens woedden buiten en door het
verrotte riet zijpelden groote droppels. Dat het vuur niet twintig maal
uitging was aan Mulrady en Wilson te danken, die de overmagt van het
water moedig bestreden.
Het sobere en ongenoegzame avondeten werd treurig genuttigd. Niemand had
eetlust. Alleen de majoor at met graagte het doorweekte gedroogde
vleesch, en liet niets verloren gaan. De ongevoelige Mac Nabbs was boven
het lot verheven. Paganel deed als een echt Franschman zijn best om te
schertsen; maar het ging niet.
"Mijn kwinkslagen zijn nat geworden," zeide hij, "zij ketsen."
Daar intusschen slapen het beste was, wat men in die omstandigheden kon
doen, trachtten allen in den slaap een oogenblik hun vermoeidheid te
vergeten. De nacht was slecht; de planken der hut kraakten en braken
bijna; zij werd door de windvlagen heen en weder geslingerd en dreigde
bij iedere bui om te waaijen; de rampzalige paarden lagen buiten,
blootgesteld aan de guurheid des weders, terwijl hun meesters niet
minder leden in de ellendige hut. Eindelijk look de slaap echter hunne
oogen. Robert viel het eerst in slaap, met het hoofd tegen den schouder
van lord Glenarvan geleund, en weldra waren al de bewoners der hut onder
Gods hoede ingeslapen.
De nacht verliep zonder verdere ongelukken. Het geroep van Thaouka, die
altijd waakte, maakte de slapers wakker; hij hinnikte en schopte driftig
tegen den muur der stulp. Wanneer het noodig was kon hij, indien
Thalcave het verzuimde, zeer goed het sein tot het vertrek geven. Men
had te veel verpligting aan hem om hem niet te gehoorzamen en vertrok.
De regen was een weinig bedaard, maar het gevallen water bleef op den
doornatten grond staan; het ondoordringbare leem hield de plassen,
moerassen en vijvers tegen, die overliepen en groote, verraderlijk diepe
"banado's" vormden. Paganel raadpleegde zijn kaart, en meende, niet ten
onregte, dat de Rio Grande en de Rio Vivarota, waarin gewoonlijk de
wateren dezer vlakte uitloopen, zich met elkander vereenigd en een
bedding van verscheidene mijlen breed gevormd hadden.
Het was nu hoog noodig om zoo snel mogelijk voort te trekken. Aller
leven stond op het spel. Waar zou men een schuilplaats vinden, wanneer
het water wassende bleef? Zoover het oog reikte kon men geen uitstekend
punt ontdekken, en dit water zou die effene vlakte weldra geheel
overstroomen.
De paarden werden dus tot spoed aangezet; Thaouka was voorop, en beter
dan sommige vinpootige dieren met magtelooze vinnen verdiende hij den
naam van zeepaard; want hij sprong, alsof hij in zijn element was.
Eensklaps, het was des morgens omstreeks tien ure, gaf Thaouka teekens
van een hevige ongerustheid. Hij zag telkens om naar de onmetelijke
vlakten in het zuiden, hinnikte lang achtereen, sperde zijn neusgaten
wijd open en steigerde geweldig. Thalcave, die door zijn sprongen niet
uit den zadel kon geworpen worden, hield hem niet zonder moeite in
bedwang. Het schuim van zijn bek werd met bloed vermengd, zoo sterk
haalde hij het gebit aan; en toch kwam het vurige dier niet tot bedaren;
zijn meester bespeurde wel, dat het dier, ware het vrij geweest, in
vollen ren noordwaarts zou gevlugt zijn.
"Wat scheelt Thaouka toch?" vroeg Paganel; "hebben de verschrikkelijke
bloedzuigers der argentijnsche wateren hem gebeten?"
"Neen!" antwoordde de Indiaan.
"Is hij bevreesd voor eenig gevaar?"
"Ja, hij heeft het gevaar geroken...."
"Welk?"
"Dat weet ik niet."
Kon het oog het gevaar, dat Thaouka vermoedde, nog niet gewaar worden,
het oor kon er toch reeds iets van opvangen. Een dof geraas, te
vergelijken met het gedruisch, dat de vloed maakt, deed zich zeer in de
verte hooren. Er woei van tijd tot tijd een vochtige wind, die een
fijnen stofregen aanvoerde; bevreesd voor het een of ander onbekend
verschijnsel kliefden de vogels met bliksemsnelheid de lucht; de
paarden, die reeds tot aan de knieën door het water waadden, gevoelden
reeds de eerste schokken van den stroom. Weldra klonk in een zuidelijke
rigting, maar een halve mijl van de reizigers af, een vreeselijk geraas,
geloei en gehinnik, en verschenen er ontelbare kudden die elkander
omverliepen, weder opstonden en nedervielen, een onzamenhangende massa
van verschrikte beesten, die met een verschrikkelijke vaart vlugtten.
Men kon hen naauwelijks onderscheiden te midden van de waterstralen, die
zij in hun loop deden opspatten. Honderd van de grootste walvisschen
konden de golven van den Oceaan niet met meer geweld omwoelen.
"_Anda_! _anda_![2]" riep Thalcave met luider stem.
"Wat bedoelt gij?" zeide Paganel.
"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave zijn paard de
sporen gevende, dat hij in een noordelijke rigting voortdreef.
"Een overstrooming!" riep Paganel, en zijn makkers renden, hem volgende,
Thaouka achterna.
Het was tijd. Inderdaad kwam er uit het zuiden een hooge en breede
voorvloed over het land opzetten, dat in een zee werd herschapen. Het
hooge gras verdween alsof het afgemaaid was. De bosjes mimosa-planten
door den stroom losgescheurd, werden medegesleept en vormden drijvende
eilandjes. De watermassa zette met onwederstaanbaar geweld haar loop
voort. Er was geen twijfelen aan of de groote rivieren der pampa's waren
buiten haar oevers getreden, en misschien vereenigde zich nu het water
der Colorado uit het noorden en dat der Rio Negro uit het zuiden wel in
een gemeenschappelijke bedding.
De voorvloed, dien Thalcave had geseind, kwam met de snelheid van een
renpaard opzetten. De reizigers vlugtten voor hem, evenals een wolk door
den stormwind wordt voortgezweept. Te vergeefs zagen zij naar alle
kanten naar een schuilplaats rond. Aan den gezigteinder liepen water en
lucht ineen. Door het gevaar beangstigd vlogen de paarden in een wilden
galop voort, en hun berijders konden naauwelijks in den zadel blijven
zitten. Glenarvan zag telkens achterom.
"Het water bereikt ons," dacht hij.
"Schielijk! schielijk!" riep Thalcave.
En men zette de ongelukkige dieren nog meer aan. Uit hun door de sporen
opengescheurde zijden stroomde het bloed, dat lange roode strepen op het
water achterliet. Zij struikelden over de spleten in den grond. Zij
raakten verward in het verborgen gras. Zij vielen. Men hielp ze op. Zij
vielen weder. Men hielp ze weder op. Het water werd zigtbaar hooger.
Lange golvingen verkondigden den aanval van dien voorvloed, die geen
twee mijlen van hen af zijn schuimende kuif bewoog.
Een kwartier lang duurde die hagchelijke worsteling tegen het
verschrikkelijkste van alle elementen. De vlugtelingen hadden den
afgelegden afstand niet kunnen berekenen, maar naar hun snellen ren te
oordeelen, moest hij zeer aanmerkelijk zijn. Intusschen konden de
paarden, die tot aan de borst in het water liepen, slechts met de
grootste moeite verder komen. Glenarvan, Paganel, Austin, allen achtten
zich verloren en zagen den verschrikkelijken dood van schipbreukelingen
voor oogen. De paarden hadden ter naauwernood meer grond onder de
pooten, en zes voet water zou hen doen verdrinken.
Het is onmogelijk om den benaauwenden doodsangst te schetsen van die
acht mannen, die door het wassende water overvallen werden. Zij
gevoelden hoe onmagtig zij waren om tegen die natuurrampen te worstelen,
die met de menschelijke krachten spotten. Hun leven was niet meer in
hunne handen.
Vijf minuten later zwommen de paarden reeds; de stroom alleen sleepte
hen met onvergelijkelijk geweld mede en hun snelheid evenaarde die van
hun vlugsten galop, d.i. zij bedroeg meer dan twintig mijlen in het uur.
Alle kans op redding scheen vervlogen. Daar hoorde men op eens de stem
van den majoor, die riep: "Een boom!"
"Een boom?" vroeg Glenarvan.
"Daar! daar!" antwoordde Thalcave.
Met den vinger wees hij in het noorden naar een soort van reusachtigen
notenboom, die acht honderd vademen verder eenzaam boven het water
uitstak.
Hij behoefde zijn makkers niet aan te zetten om haast te maken. Zij
moesten met inspanning van alle krachten dien boom trachten te bereiken,
die zich daar zoo onverwacht aan hen vertoonde. De paarden zouden hem
zeker niet bereiken, maar de menschen konden tenminste gered worden. De
stroom droeg hen.
Op hetzelfde oogenblik liet het paard van Tom Austin een akelig gehinnik
hooren en verdween. Zijn berijder maakte zich los uit de stijgbeugels en
begon fiks te zwemmen.
"Houd mijn zadel vast!" riep Glenarvan hem toe.
"Ik dank u, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin, "ik heb sterke armen."
"Uw paard, Robert?..." hernam Glenarvan, zich naar den jongen Grant
keerende.
"Het houdt zich goed, mylord! Het zwemt als een visch!"
"Geeft acht!" riep de majoor met een sterke stem.
Naauwelijks was het woord er uit, of de vreeselijke vloed kwam. Een
monsterachtige, wel veertig voet hooge golf, brak met verschrikkelijk
geraas op de vlugtelingen. Menschen en paarden, alles verdween in een
schuimenden afgrond. Een watermassa van verscheidene millioenen tonnen
zwaar overstelpte hen met haar woedende baren.
Toen de voorvloed voorbij was getrokken, kwamen de menschen weder boven;
allen waren er, maar de paarden, uitgezonderd Thaouka, waren voor altijd
verdwenen.
"Houd u goed! houd u goed!" herhaalde Glenarvan, die Paganel met den
eenen arm ondersteunde en met den anderen zwom.
"Het gaat goed! het gaat goed!" antwoordde de waardige geleerde; "het
spijt mij niet eens...."
Wat speet hem niet? Dat is men nooit te weten gekomen, want de arme man
moest het slot van den zin met een halve pint modderig water inzwelgen.
De majoor kwam rustig nader, terwijl hij het water al zwemmende zoo
kunstmatig met de armen kliefde, dat een zwemmeester er niets op aan te
merken zou gehad hebben. De matrozen waren even goed op hun gemak in het
vloeibare element als een paar bruinvisschen. En Robert liet zich, aan
de manen van Thaouka hangende, door dezen medeslepen. Thaouka kliefde
het water met verbazende kracht, en bleef instinctmatig in de rigting
van den boom, waarheen de stroom hem droeg.
De boom was nog maar twintig vademen ver; het geheele gezelschap had hem
weldra bereikt. Dit was een geluk voor hen, want hadden zij die
schuilplaats niet gevonden, dan zou alle kans op redding verdwenen zijn
en hadden zij in de golven moeten omkomen.
Het water kwam tot boven aan den stam, ter plaatse waar de hoofdtakken
te voorschijn kwamen, zij konden er zich dus gemakkelijk aan
vastklemmen. Thalcave stapte van zijn paard, heesch Robert op, klom het
eerst in den boom en bezorgde met zijn sterke armen weldra een veilige
plaats aan al de afgematte zwemmers.
Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel. Hij draaide
zijn schranderen kop naar zijn meester, schudde zijn lange manen en
hinnikte, als om hem te roepen.
"Kunt gij hem verlaten?" zeide Paganel tot Thalcave.
"Ik!" riep de Indiaan.
En in het woelige water springende, kwam hij tien vademen van den boom
af weder boven. Eenige oogenblikken daarna had hij zijn arm om den hals
van Thaouka geslagen, en paard en ruiter dreven zamen af naar den
benevelden gezigteinder in het noorden.
[1] Omtrent zestig uren.
[2] Schielijk! schielijk!