Het Tandil-gebergte ligt duizend voet boven den spiegel der zee; het is
een keten van de eerste orde, dat wil zeggen ouder dan de organische
schepping, en aan gedaanteverwisseling onderhevig, in dien zin dat haar
zamenhang en zamenstel allengs gewijzigd zijn door den invloed der
inwendige warmte. Het bestaat uit een half cirkelvormige rij van met
gras begroeide gneis-heuvels. Het district Tandil, dat naar dit gebergte
genoemd is, bevat het geheele zuidelijke deel der provincie
Buenos-Ayres, en wordt begrensd door een berghelling, die al de
riviertjes, welke er op ontspringen, noordwaarts doet stroomen.
Dit district telt ongeveer vier duizend inwoners en heeft tot
hoofdplaats het dorp Tandil, gelegen aan den voet der noordelijke
bergruggen; het wordt door het fort Independencia beschermd en heeft een
vrij gelukkige ligging aan de belangrijke beek Chapaléofu. Eene
merkwaardige bijzonderheid van dit dorp, die ook aan Paganel niet
onbekend kon zijn, is dat het hoofdzakelijk bevolkt is door fransche
Baskiërs en italiaansche kolonisten. Van Frankrijk zijn de eerste
vestigingen in dit gedeelte van la Plata uitgegaan. In 1828 bewerkte de
Franschman Parchappe den bouw van het fort Independencia, dat dienen
moest om het land te beveiligen tegen de herhaalde invallen der
Indianen. Een groot geleerde, Alcide d'Orbigny, die de zuidelijke landen
van Zuid-Amerika het best gekend, bestudeerd en beschreven heeft, stond
hem in deze onderneming bij.
Dit dorp Tandil is een vrij gewigtig punt. Door middel van "galera's",
groote ossenkarren, die zeer geschikt zijn om de wegen over de vlakte te
berijden, komt men van hier in twaalf dagen te Buenos-Ayres; daaruit
ontstaat een vrij levendige handel; het dorp zendt naar de stad het vee
uit zijn vetweiderijen, het gezouten vleesch zijner zouterijen, en de
zeer bezienswaardige voortbrengselen der indiaansche nijverheid zooals
de katoenen stoffen, de wollen weefsels, de zoo gezochte werken der
ledervlechters, enz. Ook bevat Tandil, om van een zeker aantal vrij
geriefelijke woningen te zwijgen, scholen en kerken, om onderwijs te
krijgen in hetgene men voor deze en de toekomende wereld dient te weten.
Paganel besloot deze mededeelingen met de aanmerking, dat er in het dorp
Tandil wel inlichtingen te krijgen zouden zijn; het fort toch is altijd
bezet door een afdeeling nationale troepen. Glenarvan liet daarom de
paarden op stal brengen in een vrij goed uitziende "fonda"; daarop
gingen Paganel, de majoor, Robert en hij, door Thalcave geleid, naar het
fort Independencia.
Na eenige minuten lang tegen een der bergruggen opgeklommen te zijn,
kwamen zij aan de poort, die vrij onachtzaam bewaakt werd door een
argentijnschen schildwacht. Zij werden zonder bezwaar doorgelaten, een
teeken van groote slordigheid of van ongestoorde veiligheid.
Er exerceerden juist eenige soldaten op het exercitieplein van het fort;
maar de oudste dier soldaten telde naauwelijks twintig, de jongste maar
zeven jaren. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen,
die vrij aardig soldaatje speelden. Hun uniform bestond uit een
gestreept hemd, om de middel vastgebonden met een lederen gordel; geen
hunner had een lange of korte broek of een schotsch rokje aan. Het
zachte luchtsgestel veroorloofde dan ook die ligte kleeding. Terstond
kreeg Paganel een goeden dunk van een regeering, die geen geld aan
goud- of zilverboordsel besteedde. Elk van die jeugdige knapen droeg
een percussie-geweer en een sabel. De laatste was te lang en het eerste
te zwaar voor die mannetjes. Allen hadden een taankleurig gelaat en een
zekeren familietrek. De korporaal-instructeur, die hen kommandeerde,
geleek ook op hen. Het vermoeden was dan ook gegrond, dat het twaalf
broeders waren, die onder het bevel van den dertienden zich oefenden.
Paganel was hierover volstrekt niet verwonderd; hij kende de
argentijnsche statistiek, en wist, dat in dat land het aantal kinderen
gemiddeld meer dan negen voor ieder gezin bedraagt; maar wel was hij
verwonderd, toen hij zag, dat die kleine soldaten op de fransche wijze
exerceerden en met groote juistheid de voornaamste bewegingen der lading
in twaalf tempo's uitvoerden. Dikwijls kommandeerde de korporaal zelfs
in de moedertaal van den geleerden aardrijkskundige.
"Dat is vreemd," zeide hij.
Maar Glenarvan was niet in het fort Independencia gekomen om kinderen te
zien exerceeren, en nog minder om zich bezig te houden met hun
nationaliteit of hun afkomst. Hij liet dus Paganel geen tijd om zich nog
langer te verwonderen, en verzocht hem om naar het hoofd der bezetting
te vragen. Paganel voldeed hieraan, en een der argentijnsche soldaten
ging naar een huisje, dat tot kazerne diende.
Eenige oogenblikken daarna verscheen de kommandant in eigen persoon. Het
was iemand van vijftig jaar, sterk, met een krijgshaftig voorkomen,
groote snorren, uitstekende wangbeenderen, grijsachtige haren, en een
gebiedenden blik, voor zooverre men daarover althans kon oordeelen door
de rookwolken heen, die hij uit zijn stompje pijp blies. Zijn houding
deed Paganel denken aan het kenmerkend voorkomen der oude
onderofficieren van zijn land.
Thalcave stelde den kommandant lord Glenarvan en diens reisgenooten
voor. Terwijl hij sprak, hield de kommandant niet op Paganel op een vrij
lastige wijze in het gezigt te zien. De geleerde kon maar niet
begrijpen, wat de oude snorrebaard van hem wilde hebben en meende het
hem juist te vragen, toen de ander zonder pligtplegingen zijn hand
vatte, en in de taal van den aardrijkskundige op een vrolijken toon
vroeg:
"Een Franschman?"
"Ja! een Franschman!" antwoordde Paganel.
"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!" herhaalde de kommandant,
terwijl hij den arm van den geleerde met verbazende kracht schudde.
"Een uwer vrienden?" vroeg de majoor aan Paganel.
"Voor den drommel!" antwoordde deze met zekere fierheid, "ik heb in al
de vijf werelddeelen vrienden."
En na zijn hand niet zonder moeite losgemaakt te hebben uit de levende
schroef, waarin zij haast gekneusd werd, knoopte hij een gesprek aan met
den forschen kommandant. Glenarvan zou er gaarne een woord over zijn
zaken tusschen gevoegd hebben; maar de soldaat vertelde zijn
geschiedenis en was niet van zins om ze halverwege af te breken. Men kon
wel zien, dat die dappere man Frankrijk reeds lang geleden verlaten had,
hij kon zich nog maar met moeite in zijn moedertaal uitdrukken, en had
zooal niet de woorden dan toch hun geregelde schikking vergeten. Hij
sprak bijna als een neger uit de fransche koloniën.
Het duurde dan ook niet lang of zijn bezoekers vernamen, dat de
kommandant van het fort Independencia inderdaad een fransch sergeant
was, een oud medgezel van Parchappe.
Sedert de stichting van het fort in 1828 had hij het niet meer verlaten,
en nu voerde hij er het bevel over met goedvinden van de argentijnsche
regeering. Hij was iemand van vijftig jaar, een Baskiër, en heette
Manuel Ipharaguerre. Men ziet, dat het niet veel scheelde of hij was een
Spanjaard. Een jaar na zijn komst in het land liet de sergeant Manuel
zich naturaliseeren, nam dienst in het argentijnsche leger en huwde een
knappe indiaansche vrouw, die nu twee kinderen, tweelingen van een half
jaar, aan de borst had. Dat het jongens waren spreekt van zelf; de
waardige wederhelft van den sergeant zou hem geen meisjes hebben durven
schenken. Manuel verachtte elk beroep buiten den soldatenstand, en
hoopte bij leven en welzijn eenmaal der republiek een geheele compagnie
jonge soldaten te kunnen aanbieden.
"Gij hebt gezien!" zeide hij. "Mooi! Goede soldaten. José! Juan!
Miquele! Pepe! Pepe, zeven jaar! bijt reeds een patroon af!"
Toen Pepe zich hoorde prijzen, zette hij zijn kleine hielen tegen
elkander aan en presenteerde zijn geweer met veel zwier.
"Hij zal het ver brengen!" voegde de sergeant er bij. "Eens,
kolonel-majoor of brigadier-generaal!"
De sergeant Manuel was zoo verheugd, dat er niet aan te denken viel om
iets te zeggen ten nadeele van de verhevenheid van den soldatenstand of
van de toekomst, die zijn krijgshaftig kroost wachtte. Hij was gelukkig,
en zooals Goethe zegt: "Niets van hetgeen ons gelukkig maakt is bedrog."
Dat verhaal duurde wel een kwartier tot groote verwondering van
Thalcave. De Indiaan kon maar niet begrijpen, dat er uit ééne keel
zooveel woorden kwamen. Niemand viel den kommandant in de rede. Maar
eindelijk moet toch een sergeant, zelfs een fransch sergeant, wel
zwijgen. Manuel zweeg dus eindelijk, na eerst nog zijn gasten gedwongen
te hebben om hem in zijn woning te volgen. Zij moesten het nu voor lief
nemen om aan vrouw Ipharaguerre voorgesteld te worden, die er naar hun
oordeel "nog al goed uitzag," als men ten minste die europeesche
uitdrukking van een indiaansche vrouw mag bezigen.
Toen men hem in alles zijn zin had gegeven, vroeg de sergeant eindelijk
aan zijn gasten, waaraan hij de eer van hun bezoek had te danken. Thans
moest het tot een verklaring komen.
Paganel vertelde hem in het fransch de geheele reis door de pampa's, en
vroeg ten laatste waarom de Indianen het land verlaten hadden.
"Zoo!... niemand!..." antwoordde de sergeant de schouders ophalende.
"Inderdaad!... niemand!... wij met de armen over elkaar ... niets te
doen!"
"Maar waarom?"
"Oorlog."
"Oorlog?"
"Ja! burgeroorlog...."
"Burgeroorlog?..." hernam Paganel, die zonder er acht op te geven ook
"negerfransch" begon te spreken.
"Ja, oorlog tusschen Paraguay en Buenos-Ayres," antwoordde de sergeant.
"Welnu?"
"Welnu, Indianen allen in het noorden, volgen generaal Flores. Indianen
plunderaars, plunderen."
"Maar de hoofden?"
"Hoofden ook meê."
"Hoe! Catriel?"
"Geen Catriel."
"En Calfoucoura?"
"Geen Calfoucoura."
"En Yanchetruz?"
"Geen Yanchetruz meer!"
Dit antwoord werd aan Thalcave medegedeeld, die toestemmend knikte. En
inderdaad, Thalcave wist niet of had vergeten, dat een burgeroorlog, die
later de tusschenkomst van Brazilië zou veroorzaken, tusschen de beide
partijen in de republiek woedde. De Indianen hebben alles bij die
binnenlandsche worstelingen te winnen, en laten zulke schoone
gelegenheden om te plunderen niet ongebruikt. De sergeant vergiste zich
dan ook niet, toen hij als reden voor het verlaten der pampa's een
burgeroorlog opgaf, die in het noorden der argentijnsche provinciën
gevoerd werd.
Maar die gebeurtenis wierp de plannen van Glenarvan in duigen, wiens
oogmerken zoo verijdeld werden. Was Harry Grant bij de hoofden der
stammen gevangen, dan zouden zij hem zeker tot aan de noordelijke
grenzen medegesleept hebben. Waar en hoe konden zij hem dan wedervinden?
Moest hij gevaarlijke en bijna vergeefsche nasporingen tot aan de
noordelijke grenzen der pampa in het werk stellen? Dat was een gewigtig
besluit, waarover ernstig beraadslaagd diende te worden.
Toch kon er nog ééne gewigtige vraag aan den sergeant gedaan worden, en
het was de majoor, die hieraan dacht, terwijl zijne vrienden elkander
zwijgend aanstaarden.
"Had de sergeant ook gehoord, dat er bij de hoofden der stammen in de
pampa's eenige Europeanen gevangen waren?"
Manuel dacht eenige oogenblikken na, als iemand die zich iets tracht te
herinneren.
"Ja!" zeide hij eindelijk.
"Ha!" zeide Glenarvan, die weder nieuwe hoop begon te koesteren.
Paganel, Mac Nabbs, Robert en hij omringden den sergeant.
"Spreek! spreek!" zeiden zij, terwijl hun oog vol verwachting op hem
staarde.
"Eenige jaren geleden," antwoordde Mannel, "ja,... het is zoo ...
europeesche gevangenen ... maar nooit gezien...."
"Eenige jaren," hernam Glenarvan, "gij vergist u... De dagteekening van
de schipbreuk is juist.... De _Britannia_ is in Junij 1862 vergaan....
Het is dus nog geen twee jaar geleden."
"O! langer, mylord!"
"Onmogelijk!" riep Paganel.
"Het is toch zoo! Het was bij de geboorte van Pepe... Er waren twee
mannen...."
"Neen, drie!" zeide Glenarvan.
"Twee!" gaf de sergeant op een stelligen toon ten antwoord.
"Twee!" zeide Glenarvan hoogst verwonderd. "Twee Engelschen?"
"Wel neen!" antwoordde de sergeant. "Wie spreekt er van Engelschen? Neen
... een Franschman en een Italiaan."
"Een Italiaan, die door de Poyuchen vermoord werd!" riep Paganel.
"Ja! en ik heb later gehoord ... Franschman ... gered."
"Gered!" riep de jonge Robert, wiens leven aan de lippen van den
sergeant hing.
"Ja, gered uit de banden der Indianen," antwoordde Manuel.
Allen zagen den geleerde aan, die zich wanhopend voor het hoofd sloeg.
"Ha! ik begrijp het al," zeide hij eindelijk, "alles is duidelijk, alles
wordt opgehelderd!"
"Maar zeg dan toch wat er van de zaak is!" riep Glenarvan even ongerust
als ongeduldig.
"Mijne vrienden!" antwoordde Paganel de handen van Robert vattende, "wij
moeten ons in een groote teleurstelling schikken! wij hebben een
verkeerd spoor gevolgd! Er is hier geen sprake van den kapitein, maar
van een mijner landgenooten, wiens reisgenoot, Marco Vazello, inderdaad
door de Poyuchen vermoord werd; van een Franschman, die deze wreede
Indianen verscheidene malen tot aan de oevers van de Colorado
vergezelde, en die, na gelukkig aan hun handen ontsnapt te zijn, naar
Frankrijk is teruggekeerd. Meenende het spoor van Harry Grant te volgen,
hebben wij dat van den jongen Guinnard[1] gevolgd."
Deze verklaring werd door een diepe stilte gevolgd. De dwaling was
duidelijk. De bijzonderheden door den sergeant medegedeeld, het volk,
waartoe de gevangene behoorde, de moord van zijn reisgenoot, zijn
ontsnapping uit de handen der Indianen, alles liep zamen om haar te
bewijzen. Glenarvan zag Thalcave met een ontstelden blik aan. De Indiaan
vatte nu het woord op en vroeg den sergeant:
"Hebt gij nooit hooren spreken van drie engelsche gevangenen?"
"Nooit!" antwoordde Manuel, "het zou te Tandil bekend geworden zijn ...
ik zou het weten.... Neen, daar is niets van aan...."
Na dit stellige antwoord had Glenarvan niets meer op het fort
Independencia te verrigten. Hij ging dus heen met zijn vrienden, na
vooraf den sergeant bedankt en hem de hand gegeven te hebben.
Glenarvan was wanhopend over die volkomene vernietiging zijner hoop.
Robert ging weenende naast hem, zonder een woord te spreken. Glenarvan
kon geen enkel woord vinden om hem te troosten. Paganel maakte drukke
gebaren en sprak in zich zelven. De majoor drukte de lippen op elkander.
Wat Thalcave betreft, de eigenliefde van den Indiaan scheen gekwetst,
omdat hij op een valsch spoor verdwaald was. En toch dacht niemand er
aan om hem een zoo vergevelijke dwaling te verwijten.
Zij traden de herberg weder binnen.
Het avondeten was treurig. Voorzeker, geen enkele van die moedige en
verknochte mannen beklaagde zich over zooveel vermoeijenissen, die te
vergeefs doorgestaan waren, over zooveel gevaren, waaraan zij zich te
vergeefs hadden blootgesteld. Maar allen zagen in één oogenblik alle
hoop op goeden uitslag in rook verdwijnen. Zou men kapitein Grant
tusschen het Tandil-gebergte en de zee kunnen ontmoeten? Neen. Ware de
een of andere gevangene op de kusten van den Atlantischen Oceaan in
handen der Indianen gevallen, dan zou sergeant Manuel er stellig kennis
van gedragen hebben. Een voorval van dien aard kon niet aan de aandacht
der inboorlingen ontsnappen, die een geregelden handel drijven van
Tandil op Carmen, aan den mond der Rio Negro. Nu spreekt het van zelf,
dat de handelaars in de argentijnsche vlakte alles van elkander te weten
komen, alles met elkander bespreken. Er schoot dus niets anders over,
dan zonder uitstel de _Duncan_ te gaan opzoeken op het aangewezen
verenigingspunt, kaap Medano.
Intusschen had Paganel aan Glenarvan het document gevraagd, op hetwelk
afgaande zij zoo deerlijk in hun nasporingen gedwaald hadden. Hij herlas
het met zekeren kwalijk verholen toorn. Hij zocht naar een nieuwe
uitlegging er van.
"Dat document is toch duidelijk genoegt" herhaalde Glenarvan. "Het
behelst toch een stellig berigt betreffende de schipbreuk van den
kapitein en de plaats zijner gevangenschap!"
"Neen! neen!" antwoordde de aardrijkskundige met de vuist op de tafel
slaande, "honderdmaal neen! Daar Harry Grant niet in de pampa's is, is
hij ook niet in Amerika. Waar hij wel is moet en zal dit document
zeggen, mijne vrienden! of mijn naam is geen Jacques Paganel meer!"
[1] De heer Guinnard is werkelijk drie jaren lang, van 1856 tot 1859,
gevangen geweest bij de Poyuche-Indianen. Hij verduurde met
buitengewonen moed de verschrikkelijke beproevingen, waaraan hij was
blootgesteld, en eindelijk gelukte het hem door de engte van Upselata
over de Andes te ontsnappen. Hij zag Frankrijk in 1861 weder, en is nu
een der medeleden van den achtenswaardigen Paganel van het genootschap
van aardrijkskunde.