Robert zag hem glimlagchend aan en zeide: "Ik ben niet bang!"

"Neen, mijn kind! neen!" antwoordde Glenarvan, "en gij hebt gelijk.

Binnen twee uren wordt het dag, dan zijn wij gered!--Goed, Thalcave!

goed, dappere Patagoniër!" riep hij, ziende dat de Indiaan met den kolf

van zijn geweer twee groote dieren doodsloeg, die over den brandenden

slagboom trachtten te springen.

Maar te gelijk kon hij bij het wegstervende schijnsel van het vuur zien,

hoe de bende wolven in digte rijen oprukte om de omheining te bestormen.

Dit bloedig tooneel naderde zijn ontknooping; het vuur ging uit gebrek

aan brandstof allengs uit; de vlam daalde; de vlakte, die tot nu toe

helder verlicht was geweest, werd in de schaduw gehuld, en in die

schaduw glinsterden ook weder de lichtgevende oogen der roode wolven.

Nog eenige minuten, en de geheele schare zou de omheining binnenstormen.

Thalcave loste voor de laatste maal zijn karabijn, doodde nog één

vijand, en sloeg de armen over elkander, want zijn kruid was op. Hij

liet het hoofd op de borst zakken. Hij scheen in stilte over iets na te

denken. Zocht hij soms naar het een of ander stout, onmogelijk,

zinneloos middel om dien woedenden troep af te slaan? Glenarvan durfde

het hem niet vragen.

Juist had er een verandering in den aanval der wolven plaats. Zij

schenen zich te verwijderen, en hun gehuil, dat tot nu toe zoo

oorverdoovend geweest was, hield plotseling op. Een doodsche stilte

begon op de vlakte te heerschen.

"Zij gaan heen!" riep Robert.

"Misschien," antwoordde Glenarvan, die oplettend naar het gedruisch

luisterde.

Maar Thalcave, die zijne gedachte raadde, schudde het hoofd. Hij wist

wel, dat die beesten geen wisse prooi zouden laten varen, voor het

daglicht hen naar hun sombere holen had gedreven.

Echter was het duidelijk, dat de vijand zijn plan van aanval gewijzigd

had.

Hij beproefde niet langer om met geweld in de omheining door te dringen;

maar een nog dreigender gevaar zou het gevolg van zijn nieuwe bewegingen

zijn.

De roode wolven zagen er van af om binnen te dringen door den ingang,

die zoo hardnekkig door staal en vuur verdedigd werd, liepen de

omheining om, en trachtten haar gezamenlijk aan de andere zijde te

bestormen.

Weldra hoorde men, hoe zij hun klaauwen sloegen in het half verrotte

hout. Reeds staken zij sterke pooten en bloedige muilen door de reten

der palen heen. De verschrikte paarden verbraken hun halster en liepen

binnen de omheining rond, bevangen als zij waren door een

onoverwinnelijken angst.

Glenarvan nam den knaap in zijn armen om hem tot het uiterste te

verdedigen. Misschien zou hij zelfs een nuttelooze vlugt beproefd hebben

en naar buiten gestormd zijn, toen zijn oog op den Indiaan viel.

Na als een wild dier in de omheining rondgeloopen te hebben, was

Thalcave plotseling naar zijn paard gegaan, dat van ongeduld sidderde,

en begon hij het zorgvuldig te zadelen, zonder een riem of gesp te

vergeten. Hij scheen zich niet langer om het gehuil te bekommeren, dat

steeds toenam. Glenarvan zag met droevige ontsteltenis wat hij deed.

"Hij verlaat ons!" riep hij uit, toen hij zag, dat Thalcave de teugels

greep, als een ruiter die te paard wil stijgen.

"Hij! nooit!" zeide Robert.

Inderdaad wilde de Indiaan beproeven, niet zijne vrienden te verlaten,

maar hen te redden, door zich voor hen op te offeren.

Thaouka was gereed; hij knabbelde op zijn gebit; hij sprong; zijne

oogen, vol vuur en kracht, schoten bliksemstralen; hij had zijn meester

begrepen.

Juist toen de Indiaan de manen van zijn paard greep, vatte Glenarvan hem

met een krampachtige hand bij den arm.

"Vertrekt gij?" zeide hij op de nu vrije vlakte wijzende.

"Ja!" antwoordde de Indiaan, die het gebaar van zijn medgezel begreep.

Vervolgens voegde hij er eenige spaansche woorden bij, die beteekenden:

"Thaouka. Goed paard. Vlug. Het zal door de wolven vervolgd worden!"

"Ach, Thalcave!" riep Glenarvan.

"Schielijk, schielijk!" antwoordde de Indiaan, terwijl Glenarvan met een

door aandoening gesmoorde stem tot Robert zeide:

"Robert! mijn kind! gij hoort het! hij wil zich voor ons opofferen! hij

wil de pampa inrijden en de woede der wolven afleiden, door ze naar zich

toe te lokken!"

"Vriend Thalcave!" antwoordde Robert, terwijl hij voor den Patagoniër op

de knieën viel, "vriend Thalcave! verlaat ons niet!"

"Neen!" zeide Glenarvan, "hij zal ons niet verlaten!"

En zich tot den Indiaan wendende zeide hij:

"Laten wij te zamen vertrekken!" Dit zeggende, wees hij op de

verschrikte paarden, die zich digt tegen de palen aandrongen.

"Neen!" zeide de Indiaan, die zich niet in den zin dier woorden

vergiste. "Slechte paarden. Verschrikt. Thaouka. Goed paard."

"Welnu, het zij zoo!" zeide Glenarvan. "Thalcave zal u niet verlaten,

Robert! Hij leert mij, wat ik doen moet! Ik moet vertrekken! Hij moet

bij u blijven!"

Daarop greep hij Thaouka bij den teugel en sprak:

"Ik zal vertrekken."

"Neen!" antwoordde de Patagoniër bedaard.

"Ik, zeg ik u!" riep Glenarvan, hem den teugel uit de hand rukkende,

"ik! Red dit kind! Ik vertrouw hem aan u toe, Thalcave!"

In zijn overspanning haspelde Glenarvan engelsche en spaansche woorden

door elkander. Maar wat komt de taal er op aan! In zulke

verschrikkelijke omstandigheden drukken de gebaren alles uit en

begrijpen de menschen elkander spoedig.

Thalcave bleef zich echter verzetten. De twist duurde steeds voort en

het gevaar groeide iedere seconde; reeds bezweken de doorgeknaagde palen

voor de tanden en klaauwen der verbitterde wolven.

Glenarvan scheen evenmin te willen toegeven als Thalcave. De Indiaan had

Glenarvan medegetrokken naar den ingang der omheining; hij wees hem de

vlakte, die vrij was van wolven; met levendige uitdrukkingen gaf hij hem

te kennen, dat er geen tijd te verliezen was; dat het gevaar, indien de

proef niet gelukte, grooter zou zijn voor degenen die achterbleven;

eindelijk dat hij alleen Thaouka genoeg kende om diens buitengewone

vlugheid en snelheid voor aller redding aan te wenden. In zijn

verblinding volhardde Glenarvan bij zijn plan om zich op te offeren,

toen hij onverwachts op eens ter zijde werd geschoven. Thaouka

steigerde, hij ging op zijn achterste pooten staan, en sprong eensklaps

in vollen ren over den slagboom van vuur en de rij van lijken, terwijl

een kinderstem uitriep:

"God redde u, mylord!"

Ter naauwernood hadden Glenarvan en Thalcave den tijd om te zien, hoe

Robert, die zich stevig aan de manen van Thaouka vasthield, in de

duisternis verdween.

"Robert! ongelukkige!" riep Glenarvan.

Maar zelfs de Indiaan kon die woorden niet verstaan. Er ontstond een

vreeselijk gehuil. De roode wolven volgden het spoor van het paard en

ijlden met bliksemsnelheid in een westelijke rigting voort.

Thalcave en Glenarvan verlieten haastig de omheining. Reeds was het

doodstil op de vlakte geworden, en met moeite konden zij in de schaduwen

van den nacht in de verte een voortgolvende lijn onderscheiden.

Door verdriet overstelpt, geheel wanhopend, viel Glenarvan met gevouwen

handen op den grond neder. Hij zag Thalcave aan. De Indiaan glimlachte

met zijn gewone bedaardheid.

"Thaouka, goed paard! Moedig kind! Hij zal zich redden!" herhaalde hij

met een goedkeurend hoofdknikje.

"Wanneer hij eens viel?" zeide Glenarvan.

"Hij zal niet vallen!"

Ondanks het vertrouwen van Thalcave bragt de arme lord den nacht in den

vreeselijksten angst door. Hij had zelfs geen bewustheid meer van het

gevaar, dat te gelijk met de bende wolven verdwenen was. Hij wilde

Robert gaan opzoeken, maar de Indiaan hield hem tegen, overreedde hem,

dat de paarden hem toch niet konden inhalen; dat Thaouka zijn vijanden

vooruit moest zijn; dat men hem in de duisternis niet terug zou kunnen

vinden, en dat men den dag moest afwachten om het spoor van Robert te

volgen.

Ten vier ure begon de morgenschemering. De verdigte nevels aan den

gezigteinder werden weldra door een bleek schijnsel gekleurd. Een

heldere dauw viel op de vlakte, en het hooge gras werd door het

morgenkoeltje bewogen.

Het oogenblik van het vertrek was gekomen.

"Op weg!" zeide de Indiaan.

Glenarvan gaf geen antwoord, maar sprong op het paard van Robert. Weldra

galoppeerden de beide ruiters in een westelijke rigting voort, langs

dezelfde regte lijn, waarvan hun makkers niet moesten afwijken.

Een uur lang reden zij met verbazende snelheid voort, overal rondziende

om Robert te zoeken, bij iedere schrede vreezende zijn bebloed lijk te

zullen vinden. Glenarvan reet de zijden van zijn paard met zijn sporen

open. Eindelijk vernamen zij geweerschoten, die met geregelde

tusschenpoozen afgevuurd werden, als een herkenningsteeken.

"Zij zijn het!" riep Glenarvan.

Thalcave en hij zetten hun paarden tot nog sneller vaart aan en eenige

oogenblikken later bereikten zij de afdeeling onder aanvoering van

Paganel. Door een kreet gaf Glenarvan zijn boezem lucht. Robert stond

daar levend en ongedeerd voor hem, gedragen door den edelen Thaouka, die

van blijdschap hinnikte, zoodra hij zijn meester wederzag.

"Ach! mijn kind! mijn kind!" riep Glenarvan met een onnavolgbare

uitdrukking van teederheid.

En Robert en hij, van hun paard springende, vielen in elkanders armen.

Nu was het de beurt van den Indiaan om den moedigen zoon van kapitein

Grant aan zijn hart te drukken.

"Hij leeft! hij leeft!" riep Glenarvan.

"Ja!" antwoordde Robert, "dat heb ik aan Thaouka te danken!"

De Indiaan had op dat dankbaar gezegde niet gewacht om zijn paard te

bedanken. Hij sprak er mede, hij omhelsde het, alsof er menschelijk

bloed in de aderen van het fiere dier stroomde.

Zich vervolgens tot Paganel wendende en op den jongen Robert wijzende,

zeide hij: "Een dappere!"

En een indiaansche leenspreuk gebruikende, die dient om moed te kennen

te geven, voegde hij er bij:

"Zijne sporen hebben niet gebeefd!"

Intusschen zeide Glenarvan tot Robert met de armen om diens hals

geslagen:

"Waarom, mijn zoon! waarom hebt gij Thalcave of mij die laatste kans om

u te redden niet laten beproeven?"

"Mylord!" antwoordde de knaap op den toon der levendigste dankbaarheid,

"Was het mijn beurt niet om mij op te offeren? Thalcave heeft reeds mijn

leven gered! En gij gaat immers mijn vader redden!"

[1] lichtgevende insekten.

[2] Estancia's is de naam der groote veefokkerijen in de argentijnsche

vlakte.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 29 / 37 题