De argentijnsche vlakten.
Nadat de eerste vreugde over het behouden wedervinden wat bedaard was,
bespeurden Paganel, Austin, Wilson, Mulrady, allen die achtergebleven
waren, behalve misschien de majoor Mac Nabbs, dat zij van dorst
stierven. Gelukkig was de Guamini niet veraf. De kleine troep ging dus
weder op weg en bereikte des morgens omstreeks zeven ure de omheining.
Een enkele blik op de in het rond liggende lijken der wolven was genoeg
om over het geweld van den aanval te oordeelen. Zoodra de reizigers hun
dorst behoorlijk gelescht hadden, zetten zij zich aan hun vreemd
ontbijt, binnen de omheining. De repen struisvogelvleesch smaakten
uitmuntend en het in zijn schild gebraden gordeldier leverde een
voortreffelijk geregt op.
"Wie er matig van eet," zeide Paganel, "zou zich ondankbaar voor zulk
een lekkernij betoonen; men moet er te veel van eten."
En hij at er te veel van, zonder er echter nadeelige gevolgen van te
ondervinden, hetgeen hij te danken had aan het heldere water der
Guamini, dat in zijn oog zeer bevorderlijk was voor de spijsvertering.
Glenarvan, die niet in de fout van Hannibal te Capua wilde vervallen,
gaf des morgens ten tien ure last om te vertrekken. Eerst werden nog de
waterzakken gevuld. De geheel verkwikte paarden legden veel vuur aan den
dag en bleven bijna onafgebroken in den kleinen galop van de jagt. Het
beter bevochtigde land werd ook vruchtbaarder, maar bleef nog altijd
even eenzaam. De dagen van den 2den en 3den november leverden niets
bijzonders op, en des avonds legerden de reizigers, die reeds gewoon
waren aan de vermoeijenis van lange togten, zich op de grenzen der
pampa's, in de nabijheid van de provincie Buenos-Ayres. Den 14den
october hadden zij de baai van Talcahuano verlaten; derhalve hadden zij
in twee en twintig dagen vier honderd vijftig mijlen[1], dat wil zeggen
bijna twee derden van den weg gelukkig afgelegd.
Den volgenden morgen trokken zij de lijn over, die tot grensscheiding
tusschen de pampa's en de argentijnsche vlakten is aangenomen. Daar
hoopte Thalcave de stamhoofden aan te treffen, in wier handen hij
vooronderstelde, dat Harry Grant en zijne beide lotgenooten zijn zouden.
Van de veertien gewesten, waaruit de argentijnsche republiek bestaat, is
Buenos-Ayres het grootste en tevens het best bevolkt. Het grenst ten
zuiden aan het gebied der Indianen, tusschen den vier en vijf en
zestigsten graad. De landstreek is verbazend vruchtbaar. Deze vlakte,
met grasgewassen en boomvormige peulgewassen bedekt, en die bijna
volkomen vlak is tot aan den voet der sierra's Tandil en Tapalquem, is
met een hoogst gezond klimaat bedeeld.
Sedert hun vertrek van de Guamini namen de reizigers tot hun groote
vreugde een aanzienlijke vermindering van warmte waar. Zij steeg
gemiddeld niet hooger dan zeventien graden van den honderdgradigen
thermometer, een gevolg van de hevige en koude winden van Patagonië, die
de luchtgolven onophoudelijk in beweging brengen. Dieren en menschen
hadden dus geen reden van klagen, nadat zij zooveel van de droogte en
warmte geleden hadden. De reis werd met moed en vertrouwen voortgezet.
Maar in weerwil van de vroegere verzekering van Thalcave, scheen het
land geheel onbewoond, of om het juister uit te drukken "door de
inwoners verlaten te zijn."
Dikwijls ging de oostelijke lijn langs of door kleine meren, nu eens van
zoet, dan weder van brak water. Op hun oevers en onder beschutting van
de struiken huppelden kleine winterkoningjes en zongen vrolijke
leeuwerikken, in gezelschap van prachtmeezen, die in kleurenpracht met
de schitterende kolibri's wedijveren. Die fraaije vogeltjes klapwiekten
vrolijk, zonder acht te slaan op de strijdlustige spreeuwen, die met hun
roode epauletten en borst op de stille oevers heen en weer liepen. Aan
de doornstruiken wiegelde, als de hangmat van een kreool, het
bewegelijke nest der "annubi's," en op den oever der meren pronkten
prachtige flamingo's, die als een geregelde troep voortliepen, met hunne
uitgespreide vuurroode vleugels. Ook zag men hun nesten, in de gedaante
van een voet hooge afgeknotte kegels, die bij duizenden bijeen stonden,
zoodat zij als het ware eene kleine stad vormden. De flamingo's stoorden
zich niet veel aan de nadering der reizigers. Dat was niet naar den zin
van den geleerden Paganel.
"Reeds lang," zeide hij tot den majoor, "heb ik gewenscht een flamingo
te zien vliegen."
"Zoo!" antwoordde de majoor.
"En daar ik nu in de gelegenheid ben, wil ik er gebruik van maken."
"Doe dat, Paganel!"
"Ga mede, majoor! Gij ook, Robert! Ik heb getuigen noodig."
Zijne makkers vooruit latende gaan, begaf zich Paganel, door Robert
Grant en den majoor gevolgd, naar den troep breedsnavelige steltloopers.
Toen hij er digt genoeg bij was, deed hij een schot met los kruid, want
hij wilde het bloed van een vogel niet onnoodig vergieten; terstond
vlogen alle flamingo's te gelijk op, terwijl Paganel hen oplettend door
zijn bril waarnam.
"Welnu!" zeide hij tegen den majoor, toen de troep verdwenen was, "hebt
gij ze zien vliegen?"
"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs. Een blinde alleen zou die vraag dan
ook ontkennend hebben kunnen beantwoorden.
"Vindt gij, dat zij onder het vliegen op gevederde pijlen geleken?"
"Volstrekt niet!"
"Het lijkt er niet naar!" voegde Robert er bij.
"Dat dacht ik wel!" hernam de geleerde met een vergenoegd gezigt. "En
toch heeft de trotschste van alle bescheidene menschen, mijn vermaarde
landgenoot Chateaubriand, die onnaauwkeurige vergelijking tusschen de
flamingo's en de pijlen gemaakt! Zoo ziet gij, Robert! dat de
vergelijking de gevaarlijkste redekunstige figuur is, die ik ken. Wees
er altijd tegen op uwe hoede, en gebruik haar slechts in den hoogsten
nood."
"Gij zijt dus tevreden over uw proefneming?" vroeg de majoor.
"Hoogst tevreden."
"En ik ook; maar nu mogen wij onze paarden wel wat aanzetten, want uw
vermaarde Chateaubriand heeft ons wel een mijl doen achterblijven."
Toen hij zijn makkers weder had ingehaald, vond Paganel Glenarvan in
druk gesprek met den Indiaan, dien hij niet scheen te begrijpen.
Thalcave was dikwijls blijven staan om naar den gezigteinder te zien, en
telkens had zijn gelaat een vrij groote verwondering te kennen gegeven.
Daar Glenarvan zijn gewonen tolk miste, trachtte hij, maar te vergeefs,
den Indiaan te ondervragen. Zoodra hij den geleerde in de verte zag
aankomen, riep hij hem toe:
"Kom toch, vriend Paganel! Thalcave en ik kunnen elkander maar niet
verstaan!"
Paganel sprak eenige oogenblikken met den Patagoniër, keerde toen naar
Glenarvan terug en zeide:
"Thalcave verwondert zich over iets, dat waarlijk vreemd is."
"Waarover dan?"
"Dat hij evenmin Indianen als sporen van Indianen in deze vlakten
aantreft, die zij anders meestal doorkruisen, hetzij om het vee in
veiligheid te brengen, dat zij uit de stallen gestolen hebben, hetzij om
tot aan de Andes toe hun tapijten van het haar van het stinkdier, en hun
zweepen van gevlochten lederen riemen te gaan verkoopen."
"En wat houdt Thalcave voor de oorzaak van die eenzaamheid?"
"Hij kan het niet zeggen, hij verwondert zich er over, dat is alles."
"Maar welke Indianen dacht hij dan in dit gedeelte der pampa's te
vinden?"
"Juist degenen, die vreemde gevangenen in hunne magt hebben gehad, de
inboorlingen onder de hoofden Calfoucoura, Catriel of Yauchetruz."
"Wat zijn dat voor menschen?"
"Hoofden van stammen, die vóór een dertig jaren zeer magtig waren, eer
zij tot over de gebergten teruggedreven werden. Sedert dien tijd hebben
zij zich onderworpen, in zooverre althans een Indiaan zich kan
onderwerpen, en nu loopen zij de pampa's even goed af als de provincie
Buenos-Ayres. Ik verwonder mij dus met Thalcave, dat wij geen spoor van
hen vinden in een land, waarin zij doorgaans het beroep van
"salteadores" (plunderaars) uitoefenen."
"Maar wat moeten wij dan doen?" vroeg Glenarvan.
"Dat zal ik u aanstonds zeggen," antwoordde Paganel.
Na eenigen tijd met Thalcave geraadpleegd te hebben, zeide hij:
"Mijns inziens is zijn raad zeer verstandig. Hij meent, dat wij in onze
oostelijke rigting moeten voortgaan tot aan het fort Independencia,--dat
op onzen weg ligt,--en kunnen wij daar al geen berigten aangaande
kapitein Grant krijgen, dan zullen wij ten minste vernemen, waar de
Indianen uit de argentijnsche vlakte gebleven zijn."
"En ligt dat fort Independencia hier ver vandaan?" vroeg Glenarvan.
"Neen! het ligt in het Tandil-gebergte, een zestig mijlen van hier."
"En wanneer komen wij er?"
"Overmorgen avond."
Glenarvan gevoelde zich door dit voorval zeer teleurgesteld. Geenszins
had hij verwacht, dat er geen Indiaan in de pampa's te vinden zou zijn.
Er zijn er meestal te veel. Een zeer bijzondere oorzaak moest hen van
daar verdreven hebben. Maar, en dit was vooral van belang, was Harry
Grant, voorondersteld, dat hij bij den een of anderen stam gevangen was,
naar het noorden of naar het zuiden medegesleept? Die twijfel
verontrustte Glenarvan. Het mogt kosten wat het wilde, men moest
trachten het spoor van den kapitein niet te verliezen. Alles wel
beschouwd was het best om den raad van Thalcave te volgen en het dorp
Tandil te bereiken. Daar zou men ten minste menschen vinden, met wie men
kon spreken.
Tegen vier ure in den namiddag vertoonde zich aan den gezigteinder een
heuvel, die in een zoo vlak land wel voor een berg kon doorgaan. Het was
het gebergte Tapalquem, aan welks voet de reizigers den volgenden nacht
doorbragten.
Des anderen daags werd de togt over dit gebergte zonder eenige moeite
volbragt. Men volgde de zandige golvingen van een zacht glooijenden
grond. Zulk een gebergte kon geen bezwaar opleveren voor lieden, die de
Cordillera de los Andes bestegen hadden, de paarden zelfs vertraagden
naauwelijks hun snellen gang. Ten twaalf ure trok men voorbij het
verlatene fort Tapalquem, de eerste schakel van die keten van kleine
sterkten, die de zuidelijke grens tegen de plunderzieke inboorlingen
moet beschermen.
Maar geen schaduw zelfs van Indianen was er te zien, tot steeds
toenemende verbazing van Thalcave. Omstreeks het midden van den dag
echter sloegen drie goed bereden en goed gewapende roovers den kleinen
troep een oogenblik gade; maar zij wachtten niet tot men hen naderde en
vlugtten met ongeloofelijke snelheid. Glenarvan was razend.
"Gaucho's!" zeide de Patagoniër, aan die inboorlingen den naam gevende,
die een twist tusschen Paganel en den majoor veroorzaakt had.
"Ei! Gaucho's!" antwoordde Mac Nabbs. "Welnu, Paganel! thans waait er
geen noordewind. Zeg mij nu eens uw gedachten over die beesten."
"Ik denk, dat zij er als echte roovers uitzien," antwoordde Paganel.
"En van den schijn tot het wezen, waarde geleerde?"
"Is maar ééne schrede, waarde majoor!"
De bekentenis van Paganel veroorzaakte een algemeen gelach, dat hem
volstrekt niet in de war bragt, zelfs maakte hij betreffende die
Indianen een zeer aardige opmerking.
"Ik heb ergens gelezen," zeide bij, "dat bij den Arabier de mond een
buitengewone uitdrukking van woestheid heeft, terwijl in zijn oog
menschlievendheid is te lezen. Welnu! bij den amerikaanschen wilde heeft
juist het tegendeel plaats. Die lieden hebben een bij uitstek boos oog."
Een gelaatkundige van beroep zou geen juister woorden hebben kunnen
vinden om het indiaansche ras te kenschetsen.
Op bevel van Thalcave reed men intusschen digt bij elkander voort; hoe
eenzaam het land ook was, men moest toch op zijn hoede zijn tegen een
onverhoedschen overval; maar de voorzorg was onnoodig, en dienzelfden
avond nog betrok men een groote verlaten hut, waar het stamhoofd Catriel
doorgaans zijn benden inboorlingen vereenigde. Het onderzoek van den
grond en het gemis van versche sporen bewees den Patagoniër, dat de hut
sedert lang niet bewoond was.
Den volgenden morgen bevonden Glenarvan en zijn makkers zich weder in de
vlakte; zij ontdekten de eerste veestallen in de nabijheid van het
Tandil-gebergte; maar Thalcave besloot zich er niet op te houden en
regelregt op het fort Independencia af te gaan, waar hij voornamelijk
inlichtingen hoopte te verkrijgen betreffende het zonderlinge voorkomen
van dat verlaten land.
De boomen, die na het verlaten der Cordillera zoo schaarsch waren,
werden weder talrijker; de meesten waren eerst na de aankomst der
Europeanen op het amerikaansche grondgebied geplant. Daar stonden
paternosterhoornen, perzikboomen, populieren, wilgen en acacia's, die
snel en goed in het wild opgroeiden. Zij omringden gewoonlijk de
"corrales," groote omheiningen voor het vee, omzet met palen. Daar
weidden duizenden ossen, schapen, koeijen en paarden, allen door een
gloeijend ijzer met het merk van hun eigenaar geteekend, en werden er
vet, terwijl groote, waakzame en talrijke honden in den omtrek waakten.
De min of meer zoutachtige bodem, die zich aan den voet van het gebergte
uitstrekt, is bij uitstek voor het vee geschikt en levert uitmuntend
voeder op. Bij voorkeur kiest men hem dan ook voor de vetweiderijen, die
door een hofmeester en een opzigter bestuurd worden, welke voor iedere
duizend stuks vee vier inlanders onder hun bevelen hebben.
Het leven dier lieden gelijkt op dat der groote herdersvorsten, waarvan
de Bijbel spreekt; hunne kudden zijn even talrijk, ja misschien nog
talrijker dan die, welke de groote vlakten van Mesopotamië bedekten;
maar de herder mist hier zijn huisgezin, en de groote "estancero's"
(vetweiders) der pampa gelijken volkomen op den ruwen veekooper, maar in
het geheel niet op den aartsvader uit de bijbelsche verhalen.
Paganel zette dit voor zijn reisgenooten zeer duidelijk uiteen, en hield
naar aanleiding daarvan een zeer belangrijke menschnatuurkundige
voordragt over de vergelijking der rassen. Het mogt hem zelfs gelukken
den majoor te boeijen, die daarvan geen geheim maakte.
Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling
te laten opmerken, dat in die effene vlakten zeer gewoon is; van verre
geleken de vetweiderijen op groote eilanden; de populieren en wilgen,
die er omheen stonden, schenen te weerkaatsen in een kristalhelder
water, dat voor de schreden der reizigers vlugtte; maar het zinsbedrog
was zoo volkomen, dat het oog er niet aan kon gelooven.
Dien dag, den 6den November, trof men verscheidene vetweiderijen aan, en
ook een of twee "saladero's". Daar wordt het vee, nadat het op de
sappige weiden vetgemest is, door het mes van den slagter gekeeld. De
"saladero" is, zooals de naam reeds aanduidt, de plaats waar het vleesch
gezouten wordt. Tegen het einde der lente begint dat walgelijk werk. De
"saladores" gaan dan de dieren uit den "corral" halen; zij vangen ze met
het lasso, dat zij goed hanteeren en brengen ze naar den "saladero;"
daar worden ossen, stieren, koeijen en schapen bij honderden gedood,
gevild en ontvleeschd. Maar dikwijls laten de stieren zich niet gewillig
grijpen. Dan verandert de viller in een stierendooder, en oefent dit
gevaarlijk beroep met buitengewone behendigheid maar ook met ongewone
wreedheid uit. Over het geheel levert die slagting een verschrikkelijk
schouwspel op: niets is walgelijker dan de omtrek van een zouterij; uit
die afschuwelijke slagterijen stijgen tegelijk met een dampkring, die
met stinkende uitwasemingen bezwangerd is, de woeste kreten der villers,
het akelig geblaf der honden, het gerogchel der stervende dieren op,
terwijl de "urubu's" en de "aura's", groote gieren van de argentijnsche
vlakte, die bij duizenden wel twintig uren ver uit den omtrek bijeen
gekomen zijn, den slagters de nog lillende overblijfselen hunner
slagtoffers betwisten.
Maar thans waren de zouterijen nog doodstil, rustig en onbewoond. Het
was de tijd van die verbazende slagtingen nog niet.
Thalcave verhaastte den togt; hij wilde dien zelfden avond nog in het
fort Independencia komen; door hun berijders aangevuurd en het voorbeeld
van Thaouka volgende, vlogen de paarden tusschen het hooge gras door,
dat den grond bedekte. Men ontmoette verscheidene hoeven, die van
schietgaten voorzien en door diepe grachten verdedigd waren; het
hoofdgebouw was voorzien van een terras, van waar de bewoners, die in
wapenhandel zich oefenen, de plunderaars uit de vlakte beschieten
kunnen. Misschien zou Glenarvan daar de verlangde inlichtingen hebben
kunnen bekomen; maar het veiligste was het dorp Tandil te bereiken. Men
hield zich dus niet op. Men doorwaadde het riviertje de los Huesos, en
eenige mijlen verder de Chapaléofu. Weldra betraden de pooten der
paarden de grasrijke helling van het Tandil-gebergte, en een uur daarna
vertoonde zich het dorp achter in een engte, die beheerscht werd door de
van schietgaten voorziene muren van het fort Independencia.
[1] Omtrent 180 uren.