"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de roode wolven der pampa."
Beiden grepen hun wapenen en voegden zich bij den Indiaan. Deze wees hun
de vlakte, waaruit een verschrikkelijk concert, een akelig gehuil
opging.
Robert deed onwillekeurig een schrede achterwaarts.
"Zijt gij bang voor de wolven, mijn jongen?" vroeg hem Glenarvan.
"Neen, mylord!" antwoordde Robert met een vaste stem. "Bij u ben ik voor
niets bevreesd."
"Des te beter. Die roode wolven zijn geen bijzonder geduchte dieren, en
waren zij zoo talrijk niet, dan zou ik mij volstrekt niet om hen
bekommeren."
"Wat komt dat er op aan?" antwoordde Robert. "Wij zijn goed gewapend,
zij mogen vrij komen!"
"En zullen goed ontvangen worden!"
Glenarvan sprak zoo om het kind gerust te stellen; maar hij dacht niet
zonder heimelijken schrik aan dat legioen verscheurende dieren, die in
het holst van den nacht op hen los gelaten werden. Misschien waren er
wel honderden, en drie mannen, hoe goed zij gewapend mogten zijn, konden
niet met voordeel strijden tegen zulk een aantal dieren.
Toen de Patagoniër het woord "aguara" uitsprak, herinnerde Glenarvan
zich terstond, dat die naam door de Indianen uit de pampa aan den rooden
wolf gegeven wordt. Dit vleeschetend dier, de "canis jubatus" der
natuurkundigen, heeft het lijf van een grooten hond en den kop van een
vos; zijn haar is kaneelkleurig, en op zijn rug golven zwarte manen, die
langs zijn geheele ruggegraat loopen. Dit dier is zeer vlug en zeer
sterk; het bewoont meestal moerassige streken en vervolgt al zwemmende
de waterdieren; de nacht jaagt het uit het hol, waarin het des daags
slaapt; vooral is men er zeer bevreesd voor in de "estancia's[2]" waarin
het vee wordt opgebragt; want zoodra de honger het prikkelt, tast het
het groot vee aan en rigt aanmerkelijke verwoestingen aan. Wanneer hij
alleen is, behoeft men den rooden wolf niet te vreezen; maar het is
geheel wat anders, wanneer een groot aantal van die uitgehongerde
beesten bij elkander is, dan mag men nog liever met een rooden tijger of
tijgerkat te doen hebben, dien men ten minste behoorlijk kan aanvallen.
Afgaande op het gehuil, dat over de pampa klonk, en op de menigte
schaduwen, die over de vlakte zweefden, besloot Glenarvan te regt, dat
er een menigte roode wolven aan den oever der Guamini bijeen was; zij
hadden daar een wisse prooi geroken, paardenvleesch of menschenvleesch,
en geen hunner zou naar zijn hol terugkeeren, zonder er zijn deel van te
hebben gehad. De toestand was dus zeer onrustbarend.
Inmiddels werd de kring der dieren allengs naauwer. De paarden waren
ontwaakt en gaven teekens van den levendigsten angst. Thaouka alleen
trappelde, trachtte zijn halster los te rukken en op de wolven in te
stormen. Zijn meester kon hem alleen door een aanhoudend gefluit tot
bedaren brengen.
Glenarvan en Robert hadden zich zoo geplaatst, dat zij den ingang der
hut verdedigden. Hun karabijnen waren geladen, en zij wilden op de
eerste rij der roode wolven losbranden, toen Thalcave met de hand hun
wapen omhoog sloeg, dat zij reeds aangelegd hadden.
"Wat wil Thalcave?" vroeg Robert.
"Hij verbiedt ons te schieten," antwoordde Glenarvan.
"Waarom?"
"Misschien oordeelt hij, dat het geschikte oogenblik nog niet gekomen
is."
De Indiaan had echter een veel ernstiger reden voor zijn handelwijze,
zooals Glenarvan zag, toen Thalcave, zijn kruidhoorn optillende en
omkeerende, wees, dat hij bijna ledig was.
"Wat nu gedaan?" vroeg Robert.
"Wel, wij moeten ons kruid wat sparen. Onze jagt van dezen namiddag is
ons duur te staan gekomen, en wij hebben gebrek aan kruid en lood. Wij
kunnen geen twintig schoten meer doen!"
Het kind antwoordde niets.
"Gij zijt toch niet bang, Robert?"
"Neen, mylord!"
"Goed, mijn jongen!"
Op dat oogenblik weerklonk een nieuwe losbranding. Thalcave had een te
stouten vijand nedergelegd; de wolven, die in digte rijen naderden,
weken en sloten zich digt aaneen op een afstand van honderd schreden van
de omheining.
Terstond nam Glenarvan op een teeken van den Indiaan diens plaats in;
deze raapte het stroo, het gras, in een woord al de brandbare stoffen
bijeen, wierp ze aan den ingang der omheining op een hoop en slingerde
er een gloeijende kool in. Weldra werd er een gordijn van vlammen voor
den zwarten achtergrond des hemels gespannen, en door de scheuren heen
kon men zien, dat de vlakte helder verlicht was door groote, heen en
weder zwevende schijnsels. Nu kon Glenarvan ook oordeelen over de
tallooze menigte dieren, waartegen zij zich moesten verdedigen. Nooit
heeft iemand zooveel wolven bijeen gezien en die zoo door moordlust
bezield waren. De slagboom van vuur, dien Thalcave tegen hen had
opgeworpen, had hun woede verdubbeld, daar zij zich nu plotseling
gestuit zagen. Eenigen waagden zich echter, door de achtersten
opgedrongen, tot vlak voor den vuurgloed, en brandden er hunne pooten
aan.
Soms was er nog een geweerschot noodig om die huilende schare tegen te
houden, en na verloop van een uur bedekten reeds een vijftiental lijken
den grond.
De belegerden waren nu betrekkelijk veilig; zoo lang zij kruid hadden,
zoo lang de slagboom van vuur de omheining afsloot, was er geen
overrompeling te vreezen. Maar wat zouden zij beginnen, wanneer al die
middelen om de bende wolven te keeren hun te gelijk zouden ontvallen?
Glenarvan zag Robert aan en voelde zijn hart vol worden. Hij vergat zich
zelven om alleen aan dat arme kind te denken, dat een moed toonde verre
boven zijne jaren. Robert was bleek; maar zijn hand omklemde vast het
geweer, en hij wachtte koelbloedig den aanval der verbitterde wolven af.
Intusschen besloot Glenarvan, na den stand van zaken bedaard overzien te
hebben, om er een einde aan te maken.
"Binnen een uur," zeide hij, "zullen wij kruid, lood noch vuur meer
hebben. Wij moeten derhalve niet zoo lang wachten met het nemen van een
besluit."
Hij begaf zich naar Thalcave, en de weinige spaansche woorden, die hij
zich herinneren kon, bijeen rapende, begon hij met den Indiaan een
gesprek, dat telkens door geweerschoten werd afgebroken.
Niet zonder moeite gelukte het dien beiden mannen om zich te doen
verstaan. Gelukkig was Glenarvan met de gewoonten van den rooden wolf
bekend. Anders zou hij de woorden en gebaren des Patagoniërs niet
begrepen hebben.
Er verliep echter een kwartier, voor hij het antwoord van Thalcave aan
Robert kon overbrengen. Glenarvan had den Indiaan gevraagd, wat hij over
hun bijkans wanhopigen toestand dacht.
"En wat heeft hij geantwoord?" vroeg Robert.
"Hij heeft geantwoord, dat wij, het moge kosten wat het wil, het tot
zonsopgang moeten uithouden. De roode wolf gaat alleen des nachts uit,
en keert, zoodra het dag wordt, naar zijn schuilhoek terug. Hij is de
wolf der duisternis, een laf beest, dat bang is voor het heldere
daglicht, een uil op vier pooten!"
"Welnu! dan zullen wij ons tot aan den morgen verdedigen!"
"Ja, mijn jongen! en kunnen wij ons niet langer met schieten verdedigen,
dan zullen wij onze messen nemen."
Thalcave had het voorbeeld reeds gegeven: wanneer een wolf den vuurgloed
naderde, stak de Patagoniër zijn langen gewapenden arm door de vlam en
haalde hem er rood van bloed weder uit.
Inmiddels liepen de verdedigingsmiddelen ten einde. Tegen twee ure wierp
Thalcave den laatsten armvol brandstoffen in het vuur, en hadden de
belegerden nog maar vijf schoten over.
Glenarvan sloeg een wanhopigen blik in het rond.
Hij dacht aan dat kind naast hem, aan zijn makkers, aan allen, die hij
lief had. Robert sprak geen woord. Welligt kon hij zich nog niet
voorstellen, dat het gevaar zoo dreigend was. Maar Glenarvan dacht er in
zijne plaats aan, en stelde zich het verschrikkelijke, maar toch
onvermijdelijke vooruitzigt voor, van levend verslonden te zullen
worden! Hij kon zijn aandoening niet bedwingen; hij trok het kind aan
zijn borst, drukte hem aan zijn hart, kuste hem innig op het voorhoofd,
terwijl zijns ondanks de tranen uit zijn oogen vloeiden.