De roode wolven.
Het werd nacht. Het was juist nieuwe maan, zoodat de nachtvorstin
onzigtbaar zou blijven voor al de aardbewoners. Het flaauwe sterrelicht
alleen bescheen de vlakte. Aan den gezigteinder werd het licht van de
sterrebeelden der dierenriems onderschept door een zware mist. Het water
van de Guamini stroomde zonder gemurmel verder, gelijk een lange streep
olie, die over marmer loopt. Vogelen, viervoetige en kruipende dieren
rustten uit van de vermoeijenissen van den dag, en eene stilte, gelijk
aan die eener woestijn, daalde op het onmetelijk gebied der pampa's
neder.
Glenarvan, Robert en Thalcave hadden zich aan de natuurwet moeten
onderwerpen. Op het digte spurriebed uitgestrekt, sliepen zij rustig
door. De paarden, die doodaf waren van vermoeidheid, lagen op den grond;
alleen Thaouka sliep, als een paard van echt ras, staande, met de vier
pooten loodregt op den grond; even fier in de rust als in de beweging,
en gereed om op het eerste teeken naar zijn meester heen te snellen. Een
doodsche stilte heerschte binnen de omheining, en de kolen van het
nachtelijk vuur, dat langzamerhand uitging, verspreidden een laatste
flikkering in de stille duisternis.
Tegen tien ure echter werd de Indiaan na een korten slaap wakker. Zijn
oog fonkelde onder zijn nedergeslagen wenkbraauwen, en met het oor naar
de vlakte gewend luisterde hij scherp toe. Het was duidelijk, dat hij
het een of ander flaauw geluid trachtte op te vangen. Weldra teekende
zijn gelaat, hoe strak het gewoonlijk ook zijn mogt, een onbestemde
onrust. Had hij de nadering bespeurd van op roof rondzwervende Indianen,
of de komst der jaguars, der watertijgers en van andere vreeselijke
dieren, die in de nabijheid der rivieren zoo talrijk zijn? Zonder
twijfel kwam deze laatste vooronderstelling hem waarschijnlijk voor; hij
wierp althans een vlugtigen blik op de brandstoffen, die binnen de
omheining opeengehoopt waren, en zijn onrust nam nog toe. Dat drooge
voeder van alfafares zou dan ook spoedig verbrand zijn en kon
stoutmoedige dieren niet lang tegenhouden.
Nu de zaken zoo stonden, kon Thalcave niet anders doen dan de
gebeurtenissen afwachten, en nam hij half liggende, half zittende, met
het hoofd op de handen rustende, de ellebogen op de knieën leunende en
met strakken blik, de houding van een man aan, die door een plotselingen
angst in zijn slaap is gestoord.
Een uur verliep. Ieder ander dan Thalcave zou, door de stilte daar
buiten gerust gesteld, zich weder op zijn legerstede hebben
nedergevlijd. Maar waar een vreemdeling geen achterdocht zou gekoesterd
hebben, daar hadden de geprikkelde zintuigen en het natuurlijk instinct
van den Indiaan een voorgevoel van een ophanden zijnd gevaar.
Terwijl hij zoo luisterde en loerend rond zag, liet Thaouka een dof
gehinnik hooren; snuivende rigtte hij den kop naar den ingang der hut.
Terstond rees de Patagoniër overeind.
"Thaouka heeft een vijand geroken," zeide hij.
Hij stond op en ging oplettend de vlakte overzien.
Het was er nog stil, maar niet rustig. Thalcave zag onduidelijke
schaduwen, die zich zonder gedruisch te maken tusschen de bosjes
curra-mammel bewogen. Hier en daar glinsterden lichtgevende punten, die
elkaar in alle rigtingen kruisten, en beurtelings uitdoofden en weder
ontstoken werden. Een vreemdeling zou zonder twijfel die zwevende vonken
voor de Johanneskevers[1] gehouden hebben, die des nachts op menige plek
van de pampa's schitteren. Maar Thalcave vergiste zich er niet in. Hij
begreep, met welke vijanden hij te doen had; hij laadde zijn karabijn en
ging bij de eerste palen der omheining op den uitkijk staan.
Hij behoefde niet lang te wachten. Een vreemd geschreeuw, een verward
geluid van geblaf en gehuil weergalmde over de pampa. Het werd met een
losbranding van de karabijn beantwoord, en door honderd schrikaanjagende
geluiden gevolgd.
Glenarvan en Robert schrikten wakker en vlogen op.
"Wat is er gaande?" vroeg de jonge Grant.
"Indianen?" vroeg Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Thalcave, "aguara's."