XIX.

De roode wolven.

Het werd nacht. Het was juist nieuwe maan, zoodat de nachtvorstin

onzigtbaar zou blijven voor al de aardbewoners. Het flaauwe sterrelicht

alleen bescheen de vlakte. Aan den gezigteinder werd het licht van de

sterrebeelden der dierenriems onderschept door een zware mist. Het water

van de Guamini stroomde zonder gemurmel verder, gelijk een lange streep

olie, die over marmer loopt. Vogelen, viervoetige en kruipende dieren

rustten uit van de vermoeijenissen van den dag, en eene stilte, gelijk

aan die eener woestijn, daalde op het onmetelijk gebied der pampa's

neder.

Glenarvan, Robert en Thalcave hadden zich aan de natuurwet moeten

onderwerpen. Op het digte spurriebed uitgestrekt, sliepen zij rustig

door. De paarden, die doodaf waren van vermoeidheid, lagen op den grond;

alleen Thaouka sliep, als een paard van echt ras, staande, met de vier

pooten loodregt op den grond; even fier in de rust als in de beweging,

en gereed om op het eerste teeken naar zijn meester heen te snellen. Een

doodsche stilte heerschte binnen de omheining, en de kolen van het

nachtelijk vuur, dat langzamerhand uitging, verspreidden een laatste

flikkering in de stille duisternis.

Tegen tien ure echter werd de Indiaan na een korten slaap wakker. Zijn

oog fonkelde onder zijn nedergeslagen wenkbraauwen, en met het oor naar

de vlakte gewend luisterde hij scherp toe. Het was duidelijk, dat hij

het een of ander flaauw geluid trachtte op te vangen. Weldra teekende

zijn gelaat, hoe strak het gewoonlijk ook zijn mogt, een onbestemde

onrust. Had hij de nadering bespeurd van op roof rondzwervende Indianen,

of de komst der jaguars, der watertijgers en van andere vreeselijke

dieren, die in de nabijheid der rivieren zoo talrijk zijn? Zonder

twijfel kwam deze laatste vooronderstelling hem waarschijnlijk voor; hij

wierp althans een vlugtigen blik op de brandstoffen, die binnen de

omheining opeengehoopt waren, en zijn onrust nam nog toe. Dat drooge

voeder van alfafares zou dan ook spoedig verbrand zijn en kon

stoutmoedige dieren niet lang tegenhouden.

Nu de zaken zoo stonden, kon Thalcave niet anders doen dan de

gebeurtenissen afwachten, en nam hij half liggende, half zittende, met

het hoofd op de handen rustende, de ellebogen op de knieën leunende en

met strakken blik, de houding van een man aan, die door een plotselingen

angst in zijn slaap is gestoord.

Een uur verliep. Ieder ander dan Thalcave zou, door de stilte daar

buiten gerust gesteld, zich weder op zijn legerstede hebben

nedergevlijd. Maar waar een vreemdeling geen achterdocht zou gekoesterd

hebben, daar hadden de geprikkelde zintuigen en het natuurlijk instinct

van den Indiaan een voorgevoel van een ophanden zijnd gevaar.

Terwijl hij zoo luisterde en loerend rond zag, liet Thaouka een dof

gehinnik hooren; snuivende rigtte hij den kop naar den ingang der hut.

Terstond rees de Patagoniër overeind.

"Thaouka heeft een vijand geroken," zeide hij.

Hij stond op en ging oplettend de vlakte overzien.

Het was er nog stil, maar niet rustig. Thalcave zag onduidelijke

schaduwen, die zich zonder gedruisch te maken tusschen de bosjes

curra-mammel bewogen. Hier en daar glinsterden lichtgevende punten, die

elkaar in alle rigtingen kruisten, en beurtelings uitdoofden en weder

ontstoken werden. Een vreemdeling zou zonder twijfel die zwevende vonken

voor de Johanneskevers[1] gehouden hebben, die des nachts op menige plek

van de pampa's schitteren. Maar Thalcave vergiste zich er niet in. Hij

begreep, met welke vijanden hij te doen had; hij laadde zijn karabijn en

ging bij de eerste palen der omheining op den uitkijk staan.

Hij behoefde niet lang te wachten. Een vreemd geschreeuw, een verward

geluid van geblaf en gehuil weergalmde over de pampa. Het werd met een

losbranding van de karabijn beantwoord, en door honderd schrikaanjagende

geluiden gevolgd.

Glenarvan en Robert schrikten wakker en vlogen op.

"Wat is er gaande?" vroeg de jonge Grant.

"Indianen?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave, "aguara's."

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 27 / 37 题