XVIII.

Men zoekt versch water.

Het Zoutmeer besluit de reeks van kleine meren, die in verband staan met

de sierra's Ventana en Guamini. Voorheen ging men uit Buenos-Ayres veel

daarheen om zout te halen; want zijn water bevat een aanzienlijke

hoeveelheid chloorsodium. Maar nu had het water, door de buitensporige

hitte verdampt, al het zout, dat er in opgelost was, achtergelaten en

het meer was niets anders meer dan een ontzaggelijk groote heldere

spiegel.

Toen Thalcave vertelde, dat het Zoutmeer drinkbaar water opleverde,

bedoelde hij daarmede de zoetwaterstroompjes, die er in menigte in

uitloopen. Maar op dit oogenblik waren deze zoowel uitgedroogd als het

meer. De brandende zon had alles opgedronken. Dit veroorzaakte een

algemeene ontsteltenis, toen het dorstige gezelschap op de uitgedroogde

oevers van het Zoutmeer aankwam.

Goede raad was duur. Het geringe overschot van water in de lederen

zakken was bedorven. Het was onbruikbaar. De dorst begon verschrikkelijk

te kwellen. Honger en vermoeijenis verdwenen voor die gebiedende

behoefte. Een "roukah," een soort van tent, die, in een bogt aan den

oever, van huiden opgeslagen en door de inboorlingen verlaten was,

diende den uitgeputten reizigers tot schuilplaats, terwijl hunne

paarden, op de slijkerige oevers van het meer uitgestrekt, met tegenzin

knabbelden aan de zoutwaterplanten en het drooge riet.

Toen allen in de roukah bijeen waren, vroeg Paganel aan Thalcave, wat

hun nu te doen stond. Dit gaf aanleiding tot een vlugtig gesprek

tusschen den aardrijkskundige en den Indiaan, waarvan Glenarvan eenige

woorden opving. Thalcave sprak zeer bedaard. Paganel maakte gebaren voor

twee. Deze zamenspraak duurde eenige minuten, waarna de Patagoniër de

armen over elkander sloeg.

"Wat heeft hij gezegd?" vroeg Glenarvan. "Ik meen begrepen te hebben,

dat hij een scheiding aanraadden."

"Ja. In twee afdeelingen," antwoordde Paganel. "Diegenen onzer, wier

paarden door vermoeijenis en dorst uitgeput, naauwelijks een voet meer

kunnen verzetten, zullen zoo goed en kwaad als het gaan kan langs de

zeven en dertigste parallel voorttrekken. De beter beredenen daarentegen

zullen hun op dien weg vooruitgaan en de rivier Guamini opzoeken, die

een en dertig mijlen[1] van hier in het meer San Lucas valt. Vinden zij

er genoeg water, dan zullen zij hun makkers op de oevers der Guamini

afwachten. Is er geen water, dan zullen zij terugkeeren om hun een

vergeefsche reis te besparen."

"En dan?" vroeg Tom Austin.

"Dan zullen wij moeten besluiten om vijf en zeventig mijlen verder

zuidwaarts te trekken, tot aan de eerste vertakkingen der sierra

Ventana, waar de rivieren talrijk zijn."

"Die raad is goed," antwoordde Glenarvan, "en wij zullen hem zonder

uitstel opvolgen. Mijn paard heeft nog niet veel van het gebrek aan

water geleden, en ik bied aan om Thalcave te vergezellen."

"O, neem mij mede, mylord!" zeide Robert, alsof er sprake was van een

rijtoertje.

"Maar zult gij ons kunnen volgen, mijn jongen?"

"Ja! ik heb een goed dier, dat niet liever dan vooruit wil. Wilt gij ...

mylord?... ik smeek u er om."

"Ga dan maar mede, mijn jongen!" zeide Glenarvan, die blijde was, dat

hij niet van Robert behoefde te scheiden. "Wij zouden wel heel lomp

moeten zijn," voegde hij er bij, "wanneer wij met ons drieën geen versch

en helder water ontdekten."

"En ik dan?" zeide Paganel.

"O, gij, waarde Paganel!" antwoordde de majoor, "gij zult bij de reserve

blijven. Gij kent de zeven en dertigste parallel en de rivier Guamini en

de geheele pampa te goed om ons te verlaten. Noch Mulrady, noch Wilson,

noch ik zijn in staat om Thalcave op de plaats van bijeenkomst te

vinden, terwijl wij vol vertrouwen zullen oprukken onder de banier van

den dapperen Jacques Paganel."

"Ik onderwerp mij," antwoordde de aardrijkskundige, wiens eigenliefde

gestreeld werd door het verkrijgen van een opperbevel.

"Maar pas op voor verstrooidheid!" voegde de majoor er bij. "Breng ons

niet, waar wij niet zijn moeten, b.v. aan de oevers der Stille Zuidzee!"

"Gij zoudt het anders wel verdienen, onuitstaanbare majoor!" antwoordde

Paganel lagchende. "Maar zeg eens, waarde Glenarvan! hoe zult gij de

taal van Thalcave verstaan?"

"Ik vooronderstel," antwoordde Glenarvan, "dat de Patagoniër en ik niet

veel te praten zullen hebben. Bovendien zou ik met eenige spaansche

woorden, die ik magtig ben, in een dringende omstandigheid wel in staat

zijn om hem mijne gedachte mede te deelen en de zijne te begrijpen."

"Ga dan, waardige vriend!" antwoordde Paganel.

"Laten wij eerst ons avondeten gebruiken," zeide Glenarvan, "en, als het

kan, slapen tot het uur van vertrek."

Men hield een muizenmaaltijd, hetgeen niet zeer verkwikkend was, en

sliep, om zijn dorst te vergeten.

Paganel droomde van bergstroomen, van watervallen, van rivieren, van

stroomen, van vijvers, van beken, ja zelfs van volle karaffen, in één

woord van alles, wat doorgaans drinkbaar water bevat. Hij had waarlijk

de nachtmerrie.

Den volgenden morgen ten zes ure werden de paarden van Thalcave,

Glenarvan en Robert gezadeld; men gaf hun het laatste rantsoen water,

dat zij met meer gretigheid dan smaak uitdronken, want het was zeer

walgelijk.

Vervolgens sprongen de drie ruiters in den zadel. "Tot weerziens!"

riepen de majoor, Austin, Wilson en Mulrady.

"En doet vooral uw best om weg te blijven!" voegde Paganel er bij.

Weldra verloren de Patagoniër, Glenarvan en Robert, niet zonder eenige

benaauwdheid, de afdeeling uit het oog, die aan de schranderheid van den

geleerden aardrijkskundige was toevertrouwd.

De "desertio de las Salinas," die zij nu doorreisden, is een kleiachtige

vlakte, bedekt met tien voet hooge ondergeblevene heesters, met

mimosaplanten, die de Indianen "curra-mammel" noemen, en met de "jume,"

een struikachtig gewas, rijk aan soda. Hier en daar weerkaatsten breede

strooken zout de zonnestralen met verbazende kracht. Het oog zou ligt

die "barrero's"[2] aangezien hebben voor ijskorsten; maar de zonnehitte

zou het weldra uit den droom hebben geholpen. Niettemin gaf die

tegenstelling van een dorren en verschroeiden bodem met die fonkelende

vlakken aan deze woestijn een zeer buitengewoon voorkomen, dat de

opmerkzaamheid gaande maakte.

Tachtig mijlen zuidelijker integendeel leverde die sierra Ventada,

waarheen de mogelijke uitdrooging der Guamini de reizigers misschien

noodzaken zou zich te begeven, een geheel ander gezigt op. Dit land, dat

in 1835 bezocht werd door de expeditie onder aanvoering van kapitein

Fitz-Roy, bevelhebber der _Beagle_, is bij uitstek vruchtbaar. De beste

weiden van het indiaansche grondgebied prijken daar met het heerlijkste

groen; de noordwestelijke helling der sierra's is daar bedekt met het

weelderigste grasgewas, en strekt zich uit tot in bosschen, die rijk

zijn aan allerlei houtsoorten; daar ziet men den "algarrobo," een soort

van St. Jansbroodboom, welks gedroogde en fijngemalen vrucht tot het

vervaardigen van een brood dient, dat door de Indianen zeer geacht

wordt; den witten "quebracho," met lange en buigzame takken, die even

als de europeesche wilg treuren; den rooden "quebracho," wiens hout

onvergankelijk is; den "naudubay," die zeer snel vlam vat en dikwijls

verschrikkelijke branden veroorzaakt; den "viraro," wiens paarsche

bloemen in de gedaante eener pyramide boven elkander staan, en eindelijk

den "timbo," die zijn ontzaggelijk zonnescherm tachtig voet hoog in de

lucht verheft, waaronder geheele kudden een beschutting vinden tegen de

stralen der zon. De Argentijnen hebben meermalen pogingen aangewend om

dit rijke land te koloniseeren, maar te vergeefs getracht de vijandige

gezindheid der Indianen te overwinnen.

Voorzeker had men regt om te meenen, dat talrijke stroompjes van het

gebergte afdaalden, om het water, dat voor zulk een vruchtbaarheid

noodig was, te verschaffen, en inderdaad heeft de ergste droogte die

rivieren nooit doen verdampen, maar om ze te bereiken moest men wel

honderd dertig mijlen[3] zuidelijker trekken. Thalcave had dus wel

gelijk, dat hij zich eerst naar de Guamini begaf, die, zonder hem van

den weg af te leiden, veel digter bij was.

De drie paarden galoppeerden wakker voort. Die uitmuntende dieren roken

zeker uit instinct, waar hun meesters hen heenbragten. Thaouka vooral

legde een levendigheid aan den dag, die geen vermoeijenis noch behoefte

kon verminderen; hij sprong met de snelheid van een vogel over de

verdroogde cañada's en de curra-mammel-struiken heen, waarbij zijn

gehinnik een goed voorteeken was. Door zijn voorbeeld aangevuurd,

volgden de paarden van Glenarvan en Robert hem wel met trager schreden,

maar toch vol moed. Thalcave, die regtop in den zadel zat, gaf zijn

makkers het voorbeeld, dat Thaouka den zijnen gaf. De Patagoniër draaide

gedurig het hoofd om, ten einde naar Robert Grant te zien.

Als hij den knaap zoo stevig en regtop, met buigzame lendenen,

ingetrokken schouders, de beenen los langs het paard hangende en de

knieën stijf tegen den zadel gedrukt, zag zitten, gaf hij door een

aanmoedigenden uitroep aan zijn tevredenheid lucht. Robert Grant werd

dan ook inderdaad een uitmuntend ruiter en verdiende de loftuigingen van

den Indiaan.

"Bravo! Robert!" zeide Glenarvan; "ik geloof, dat Thalcave u

gelukwenscht. Hij juicht u toe, mijn jongen!"

"En waarom, mylord?"

"Omdat gij zoo flink te paard zit."

"O! ik houd mij goed vast; dat is alles," antwoordde Robert, die van

genoegen bloosde, omdat hij zich hoorde prijzen.

"Dat is het voornaamste, Robert!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zijt

te zedig, en ik voorspel u, dat gij eenmaal een volleerd paardrijder

zult worden."

"Goed!" zeide Robert lagchende; "maar wat zal vader er wel van zeggen,

die een zeeman van mij wil maken?"

"Het eene sluit het andere niet uit. Worden alle ruiters al geen goede

zeelieden, zoo zijn toch de zeelieden geschikt om goede ruiters te

worden. Als men daar zoo op de ra's zit, leert men zich wel goed

vasthouden. De kunst om zijn paard te verzamelen, om schuinsche of

cirkelvormige bewegingen te maken, komt van zelve, want niets is

eenvoudiger."

"Arme vader!" antwoordde Robert, "ach! hoe dankbaar zal hij jegens u

zijn, mylord! wanneer gij hem moogt redden!"

"Houdt gij veel van hem, Robert?"

"Ja, mylord! Hij was zoo goed voor mijn zuster en mij. Hij dacht alleen

aan ons! Bij iedere reis bragt bij ons een gedachtenis mede uit alle

landen, die hij bezocht, en wat nog beter was, bij zijn terugkomst

liefkoosde hij ons en sprak hij ons vriendelijk toe. O! gij zult ook wel

veel van hem houden, wanneer gij hem hebt leeren kennen! Mary gelijkt

sprekend op hem. Hij heeft een even zachte stem als zij! Dat is zeer

vreemd voor een zeeman, niet waar?"

"Ja, zeer vreemd, Robert!" antwoordde Glenarvan.

"Ik zie hem nog," vervolgde het kind, die nu tot zich zelven scheen te

spreken. "Goede en brave vader! hij wiegde mij op zijn knie in slaap,

toen ik klein was, en neuriede altijd een oud schotsch liedje, waarin de

meren van ons land bezongen worden. De wijs herinner ik mij soms nog

half en half. Mary ook. Ach, mylord! wat hielden wij veel van hem! Ik

geloof waarlijk dat men klein moet zijn om veel van zijn vader te

houden!"

"En groot om hem te eeren, mijn kind!" antwoordde lord Edward, die innig

geroerd werd door die woorden, welke uit dat kinderhart vloeiden.

Gedurende dit gesprek hadden de paarden hun gang vertraagd en liepen zij

stapvoets.

"Wij zullen hem terugvinden, niet waar?" zeide Robert na eenige

oogenblikken gezwegen te hebben.

"Ja, wij zullen hem terugvinden!" antwoordde Glenarvan. "Thalcave heeft

ons hem op het spoor gebragt, en ik stel vertrouwen in hem."

"Een brave Indiaan, die Thalcave," zeide het kind.

"Zeker."

"Wil ik u eens wat zeggen, mylord?"

"Spreek eerst, dan zal ik u antwoorden."

"Het zijn allen brave lieden, die u omringen! Mevrouw Helena, van wie ik

zooveel houd, de majoor met zijn bedaard voorkomen, kapitein Mangles, en

de heer Paganel, en de matrozen der _Duncan_, die zoo moedig en zoo

verknocht zijn!"

"Ja, dat weet ik, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan.

"En weet gij wel, dat gij de beste van allen zijt?"

"Neen, dat weet ik waarlijk niet!"

"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl

hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.

Glenarvan schudde zachtjes het hoofd. Het gesprek werd echter niet

voortgezet; want Thalcave wenkte de achterblijvers om wat voort te

maken. Zij hadden hem vooruit laten komen. Er was echter geen tijd te

verliezen, en men mogt degenen, die achtergelaten waren, niet vergeten.

Zij zetten dus hun paarden aan; maar het bleek weldra, dat zij, met

uitzondering van Thaouka, het niet lang zouden kunnen uithouden. Ten

twaalf ure moest men hun een uur rust geven. Zij konden niet verder

voort en weigerden de "alfafares" te eten, een soort van magere en door

de zonnestralen verschroeide spurrie.

Glenarvan begon ongerust te worden. De kenteekenen der onvruchtbaarheid

verminderden niet, en het gebrek aan water kon schromelijke gevolgen

hebben. Thalcave zeide niets, en dacht waarschijnlijk, dat het vroeg

genoeg zou zijn om te wanhopen, wanneer de Guamini uitgedroogd was;

althans indien voor een indiaansch hart het uur der wanhoop ooit slaat.

Hij ging dus weder op weg, en goed- of kwaadschiks de paarden moesten,

door zweep en spoor aangezet, weder vooruit, maar stapvoets. Dat was al

wat zij doen konden.

Thalcave zou wel verder geweest zijn, want Thaouka kon hem in weinige

uren aan de oevers van den stroom brengen. Hij dacht er zeker wel aan;

maar hij wilde ongetwijfeld zijn beide makkers niet alleen in de

woestijn laten, en om hun niet vooruit te komen, dwong hij Thaouka tot

een langzamer gang.

Niet zonder tegenstand te bieden, zonder te steigeren, zonder luide te

hinniken onderwierp het paard van Thalcave er zich aan om stapvoets te

gaan; zijn meester dwong hem er echter minder toe door geweld dan door

zijn stem. Thalcave praatte werkelijk met zijn paard, en al antwoordde

Thaouka hem niet, hij begreep hem toch. Waarschijnlijk voerde de

Patagoniër uitmuntende redenen aan; want na eenigen tijd "geredetwist"

te hebben, werd Thaouka door zijn bewijsgronden overwonnen en

gehoorzaamde hij, echter niet zonder hevig op zijn gebit te knabbelen.

Werd Thalcave door Thaouka begrepen, Thaouka werd evenzeer door Thalcave

begrepen. Het schrandere dier rook, door zijn scherpe zintuigen

geholpen, eenige vochtigheid in de lucht; het ademde ze met wellust in,

en liet zijn tong klappen, alsof het die in een verkwikkend vocht had

gedoopt. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen: er was water in de

nabijheid.

Hij moedigde daarom zijn makkers aan door op het ongeduld van Thaouka te

wijzen, dat de beide andere paarden spoedig begrepen. Zij spanden hun

laatste krachten in en galoppeerden den Indiaan achterna.

Tegen drie ure vertoonde zich in een kromming van den grond een witte

streep. De zonnestralen gaven haar een bevend voorkomen.

"Water!" riep Glenarvan.

"Water! ja, water!" herhaalde Robert.

Nu behoefden zij hun beesten niet meer aan te zetten; de arme dieren,

die hun krachten voelden herleven, snelden met duizelingwekkende vaart

voort. Binnen weinige minuten hadden zij de Guamini bereikt, en wierpen

zij zich geheel getuigd tot aan de borst in het weldadige nat.

Hoewel tegen hun zin werden zij door hun berijders gevolgd, die onwillig

een bad moesten nemen, waarover zij zich echter niet beklaagden.

"O! wat smaakt dat lekker!" zeide Robert, terwijl hij in het midden der

rivier zijn dorst leschte.

"Wees voorzigtig, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan, die er evenwel

zelf het voorbeeld niet van gaf.

Men hoorde thans niets anders meer dan het geluid van het drinken.

Thalcave dronk heel bedaard, zonder zich te haasten, met kleine beetjes,

maar "zoo lang als een lasso," gelijk de Patagoniërs zeggen. Hij hield

niet op, en het stond te vreezen, dat hij het geheele riviertje zou

leegdrinken.

"Onze vrienden zullen toch niet in hun verwachting teleurgesteld

worden," zeide Glenarvan; "als zij bij de Guamini komen zijn zij zeker,

dat zij een overvloed van helder water zullen vinden, ten minste,

wanneer Thalcave wat overlaat!"

"Maar zouden wij hun niet tegemoet kunnen gaan?" vroeg Robert. "Zoo

doende zouden wij hun eenige uren van angst en lijden kunnen besparen."

"Wel zeker, mijn jongen! maar hoe zullen wij dit water vervoeren? Wilson

heeft de waterzakken bij zich gehouden. Neen, het is beter te wachten,

zooals wij afgesproken hebben. Ik reken, den afstand en de vermoeidheid

der paarden in aanmerking nemende, dat het wel nacht zal zijn, als onze

vrienden hier komen. Laten wij dus een goed nachtverblijf en een goed

avondeten voor hen gereed maken."

Thalcave had niet op een wenk van Glenarvan gewacht om een geschikte

legerplaats op te zoeken. Gelukkig had hij aan de oevers der rivier een

"ramada" gevonden, een soort van omheining, bestemd om de kudden in op

te sluiten, die aan drie zijden digt was. Het was een gunstig plekje om

den nacht in door te brengen, als men er ten minste niets tegen had om

in de open lucht te slapen, en dat was iets, waarover de makkers van

Thalcave zich volstrekt niet bekommerden. Zij zochten dan ook niet

verder, en strekten zich in de zon uit om hun doornatte kleederen te

droogen.

"Nu wij een nachtverblijf hebben," zeide Glenarvan; "moeten wij ook aan

het avondeten denken. Onze vrienden moeten tevreden kunnen zijn over hun

kwartiermakers en ik zou mij zeer vergissen, wanneer zij reden van

klagen hadden. Ik geloof, dat een jagt van een uurtje geen tijd

verspillen zal zijn. Zijt gij gereed, Robert?"

"Ja, mylord!" antwoordde de knaap, die opstond en zijn geweer greep.

Glenarvan was op die gedachte gekomen, omdat de oevers der Guamini de

plaats schenen te zijn, waar al het wild uit de omliggende vlakten

bijeenkwam; bij heele troepen zag men de "tinamous," een soort van

steenhoen uit de pampa's, zwarte hazelhoenders, een soort van

regenvogels, "teru-teru" genoemd, geelkleurige riethoenders en heerlijk

groene waterhoenders opvliegen.

Viervoetige dieren waren er niet te zien; maar Thalcave wees op het

hooge gras en digte kreupelhout, daarmede te kennen gevende, dat zij

daarin verborgen waren. De jagers behoefden slechts weinige schreden te

doen om zich in het wildrijkste land der aarde te bevinden.

De jagt begon, en het gevogelte versmadende voor de landdieren, rigtten

de jagers hun eerste schoten op het grove wild der pampa. Spoedig

verrezen om hen heen honderden reebokken en guanacha's, dezelfde dieren,

die hen met zooveel geweld op de toppen der Cordillera aanvielen; maar

die schuwe beesten vlugtten zoo snel, dat het onmogelijk was om hen

onder schot te krijgen. Daarom gingen de jagers nu tot minder vlug wild

over, dat bovendien als spijs niets te wenschen overliet. Zij schoten

een dozijn steen- en riethoenders, en Glenarvan doodde nog zeer behendig

een muskuszwijn, "tay-tetre", een zeer smakelijk, dikhuidig zoogdier met

rosachtig haar, dat wel een schot waard was.

Binnen een half uur doodden de jagers zonder eenige moeite al het wild,

dat zij noodig hadden; Robert maakte zich nog van een zonderling dier

meester, dat tot de orde der handelooze zoogdieren behoorde, een

"armadillo," een soort van gordeldier, bedekt met een schild van

beenachtige en bewegelijke platen, dat anderhalf voet lang was. Het was

zeer vet, en zou, naar het zeggen van den Patagoniër, een lekkeren

schotel opleveren. Robert was dus trotsch op dat buitenkansje.

Thalcave van zijn kant vergastte zijn makkers op het schouwspel van een

jagt op den "nandou," een soort van struisvogel uit de pampa's, wiens

snelheid verbazend groot is.

De Indiaan nam geenszins zijn toevlugt tot list bij een dier, dat zoo

hard kon loopen; hij galoppeerde regt op hem aan, om hem dadelijk in te

halen; want als de eerste aanval mislukte, dan zou de nandou weldra

paard en jager door den onontwarbaren doolhof zijner draaijingen

vermoeid hebben. Zoodra Thalcave digt genoeg bij hem was, slingerde hij

zijn bola's met een krachtige hand zoo behendig, dat zij om de pooten

van het dier gedraaid werden en het magteloos maakten. Binnen weinige

seconden lag de struisvogel op den grond.

De Indiaan maakte zich niet van hem meester, uit loutere liefhebberij

voor de jagt; het vleesch van den nandou is zeer geacht, en Thalcave

wilde zijn aandeel leveren aan den gemeenschappelijken maaltijd.

De hoenders, de struis van Thalcave, het muskuszwijn van Glenarvan en

het gordeldier van Robert werden dadelijk toebereid, dat wil zeggen van

hun taaije huid ontdaan en aan dunne repen gesneden. Wat het gordeldier

aangaat, dit is een kostelijk dier, dat zijn braadpan bij zich draagt,

en dat men daarom in zijn eigen schild op gloeijende kolen legde.

De drie jagers vergenoegden zich voor hun avondeten met de hoenders, en

bewaarden voor hun vrienden de steviger stukken. Den maaltijd

besproeiden zij met helder water, dat zij lekkerder vonden dan al den

portwijn der wereld, en zelfs dan de bekende "usquebaugh"[4], die in de

schotsche Hooglanden zoo hoog vereerd wordt.

De paarden werden ook niet vergeten. Een groote hoeveelheid droog

voeder, dat men in de ramada vond, diende hun te gelijk tot voedsel en

tot stroo.

Toen alles in gereedheid was gebragt, draaiden Glenarvan, Robert en de

Indiaan zich in hun poncho, en strekten zij zich uit op een zachten hoop

alfafares, het gewone bed der jagers in de pampa's.

[1] Omtrent negen uren.

[2] Met zout doortrokken gronden.

[3] Meer dan honderd uren.

[4] Brandewijn van gegiste gerst.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 26 / 37 题