XVII.

De pampa's.

De argentijnsche pampa's strekken zich uit tusschen vier en dertig en

veertig graden zuiderbreedte. Het woord "pampa", uit de araucanische

taal overgenomen, beteekent "grasvlakte" en wordt met regt op deze

landstreek toegepast. De hoornachtige mimosaplanten van haar westelijk

gedeelte, de stevige grasplanten van haar oostelijk gedeelte, geven haar

een bijzonder voorkomen. Deze plantenschat wortelt in een aardlaag, die

den roodachtigen of gelen klei- en zandachtigen bodem bedekt. De geoloog

zou hier rijke schatten vinden, wanneer hij die gronden uit het derde

tijdperk van de vorming der vaste aardkorst onderzocht. Daar liggen in

ontelbare menigte voorwereldlijke beenderen, die de Indianen aan

uitgestorven soorten van groote gordeldieren toeschrijven, en onder dit

plantaardige stof ligt de oudste geschiedenis dezer gewesten bedolven.

De amerikaansche pampa is een aardrijkskundige bijzonderheid, evenals de

savannen der Groote Meren of de steppen van Siberië. De warmte en de

koude van haar klimaat zijn grooter dan die der provincie Buenos-Ayres,

omdat zij dieper landwaarts inligt. Want, volgens de verklaring, welke

Paganel er van gaf, geeft de oceaan de door hem opgenomen en opgezamelde

zomerwarmte des winters langzamerhand weder terug. Vandaar ook, dat de

eilanden een gelijkmatiger klimaat hebben dan de binnenlanden[1]. Het is

onderhevig aan plotselinge uitersten, aan snelle veranderingen, die het

kwik in den thermometer onophoudelijk van den eenen graad op den anderen

doen springen. In den herfst, dat wil zeggen in de maanden April en Mei,

stortregent het er aanhoudend. Maar in dezen tijd van het jaar was het

weder zeer droog en de temperatuur zeer hoog.

Zoodra men bij het opgaan der zon den weg had kunnen bepalen, vertrok

men; de grond, die door de heesters en struiken bijeengehouden werd, was

volkomen vast, men behoefde voor geen medano's meer te vreezen, evenmin

als voor het zand, waaruit zij bestonden, en het stof, dat de wind in de

lucht zwevende hield.

De paarden liepen stevig door, tusschen de bosjes "paja-brava," het

pampa-gras bij uitnemendheid, waaronder de Indianen wegschuilen, wanneer

het onweert. Hier en daar veroorloofden eenige vochtige laaglanden, die

echter hoe langer hoe schaarscher werden, den groei van wilgen en van

een zekere plant, het "gygnerium argenteum," die het weligst tiert in de

nabijheid van zoet water. Daar dronken de paarden met volle teugen; zij

maakten gebruik van de hun aangebodene gunstige gelegenheid, wetende,

dat zij in het vervolg vaak genoeg dorst zonden lijden. Thalcave reed

vooruit en trapte de struiken stuk. Daardoor verschrikte hij de

"cholina's," allergevaarlijkste adders, wier beet een os binnen het uur

doet sterven. De vlugge Thaouka sprong op het kreupelhout, en hielp zijn

meester een weg banen voor de paarden, die hem volgden.

Op die effene en regte vlakten werd de reis dus gemakkelijk en snel

volbragt. De natuur der pampa onderging niet de minste verandering; geen

steen, geen keisteentje zelfs was er in den omtrek te zien. Nooit zag

men zulk een eentoonigheid, die zoo eindeloos duurde. Geen schijn of

schaduw van landschappen, merkwaardigheden of natuurlijke verrassingen

was er te zien! Men moest wel een Paganel of een van die geestdrijvende

geleerden zijn, die zien waar niets te zien is, om eenig belang te

stellen in hetgeen de weg opleverde. Waarom deed hij het dan? Dat zou

hij niet hebben kunnen zeggen. Op zijn hoogst om een struik. Misschien

alleen om een grasscheutje. Dat was echter genoeg om zijn

onuitputtelijken woordenvloed te doen losbreken, en leverde hem stof om

Robert te onderrigten, die gaarne naar hem luisterde.

De vlakte vertoonde zich op dezen dag, den 29sten October, aan onze

reizigers in hare eindelooze eenvormigheid. Tegen twee ure zagen zij

talrijke sporen van dieren op den weg. Het was het gebeente van een

ontelbare kudde rundvee, dat opeengestapeld lag en wit geworden was. Die

overblijfselen lagen niet in een kromme en bogtige lijn, zooals dit het

geval is, wanneer de kracht der dieren uitgeput is en zij één voor één

op den weg nedervallen. Niemand was dan ook in staat om te verklaren,

hoe zulk een menigte geraamten op een betrekkelijk zoo beperkte ruimte

kon opeengehoopt zijn. Ook Paganel kwelde zich te vergeefs om die vraag

te beantwoorden. Hij ondervroeg daarom Thalcave, die terstond met zijn

antwoord gereed was.

Een "niet mogelijk" van den geleerde, en een zeer duidelijke

bevestigende beweging van den Patagoniër maakten de oplettendheid hunner

makkers gaande.

"Wat is het toch?" vroegen zij.

"Het vuur van den hemel," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! zou de bliksem zulk een ongeval veroorzaakt en een kudde van

vijfhonderd stuks van het leven beroofd hebben!" zeide Tom Austin.

"Thalcave bevestigt het, en Thalcave weet wel wat hij zegt. Ik wil het

ook wel gelooven. Want in de pampa's onderscheiden de onweders zich

vooral door hun hevigheid. De hemel geve, dat wij het niet eens zelven

ondervinden!"

"Het is zeer warm," zeide Wilson.

"In de schaduw zal de thermometer zeker wel op dertig graden staan,"

antwoordde Paganel.

"Dat verwondert mij niet," zeide Glenarvan; "ik voel, dat de

electriciteit mij doordringt. Wij mogen wel wenschen, dat die warmte

niet aanhoudt."

"O! o!" zeide Paganel, "er is geen weersverandering te wachten; de

gezigteinder is geheel onbeneveld."

"Des te erger," antwoordde Glenarvan; "want onze paarden hebben het

kwaad met de warmte. Zijt gij niet warm, mijn jongen?" voegde hij er

bij, zich tot Robert wendende.

"Neen, mylord!" antwoordde de knaap. "Ik houd wel van warmte; zij is wel

aangenaam."

"Vooral in den winter," merkte de majoor zeer geestig aan, terwijl hij

den rook van zijn sigaar in de lucht wegblies.

Des avonds hield men stil bij een onbewoonde "rancho," vervaardigd uit

in elkander gevlochten takken, die met modder digtgestopt en met riet

bedekt waren; deze hut grensde aan een met half verrotte palen omslotene

ruimte, die echter de paarden gedurende den nacht tegen de aanvallen der

vossen beschermen kon. Zij hebben wel geen gevaar van die dieren te

duchten; maar die lastige beesten bijten de halsters door, waarvan de

paarden gebruik maken om te ontsnappen.

Eenige schreden van de hut af was een gat gegraven, dat tot stookplaats

diende en koud geworden asch bevatte. In de hut was een bank, een

slaapplaats van ossenhuiden, een kookketel, een spit en een schenkketel

voor paraguay-thee. De paraguay-thee is in Zuid-Amerika een zeer gewone

drank. Het is de thee der Indianen. Het is een aftreksel van op het vuur

gedroogde bladeren, dat men evenals de andere amerikaansche dranken door

een rietje opzuigt. Op verlangen van Paganel maakte Thalcave eenige

kopjes van dien drank gereed, die zeer goed paste bij de gewone

levensmiddelen en uitmuntend smaakte.

Des anderen daags, den 30sten October, ging de zon vuurrood op en goot

zij haar heetste stralen over den grond uit. Het stond dus te vreezen,

dat het dien dag smoorheet zijn zou, en ongelukkig leverde de vlakte

geen beschutting op. Men ging echter moedig op weg. Meermalen ontmoetten

zij ontelbare kudden, die door de verstikkende warmte te krachteloos

waren om te grazen en uit loomheid bleven liggen. Van bewakers of

eigenlijk gezegde herders was niets te zien. Honden, die gewoon zijn om

de schapen te melken, wanneer de dorst hen kwelt, bewaakten alleen die

talrijke opeenhoopingen van koeijen, stieren en ossen. Die dieren zijn

overigens zeer zachtzinnig van aard, en hebben dien instinctmatigen

afkeer van "rood" niet, die in Europa den dieren van dat geslacht eigen

is.

"Dat komt zeker, omdat zij het gras van een republiek afeten," zeide

Paganel, die deze scherts, welke misschien wat al te zeer den Franschman

verried, heel geestig vond.

Tegen den middag kwam er eenige verandering in het voorkomen van de

pampa, die niet onopgemerkt kon blijven voor oogen, die hare

eentoonigheid zoo lang had vermoeid. De grasgewassen werden schaarscher.

Zij maakten plaats voor magere kliskruiden en voor reusachtige, negen

voet hooge distels, die alle ezels in de wereld gelukkig hadden kunnen

maken. Ondergebleven chañares en andere doornachtige, donkergroene

heesters, planten, die gaarne op drooge gronden voortkomen, schoten hier

en daar op. Tot nog toe had een zekere vochtigheid, die in de klei der

pampa bewaard gebleven was, de weiden gedrenkt, en was het grastapijt

dik en mollig. Maar nu schemerde het weefsel door het versleten en op

vele plaatsen afgescheurde bekleedsel heen, en werd de dorheid van den

grond zigtbaar. Het was onmogelijk om die kenmerken eener toenemende

droogte over het hoofd te zien, en Thalcave vestigde er de

opmerkzaamheid op.

"Ik ben niet verdrietig over die verandering," zeide Tom Austin; "altijd

gras, en niets anders dan gras, dat wordt op den duur vervelend."

"Ja! maar zoo lang er gras is, is er water," antwoordde de majoor.

"O! wij hebben nog geen gebrek," zeide Wilson, "en zullen onderweg wel

een riviertje aantreffen."

Als Paganel dat antwoord gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben, dat

er bijna geen rivieren tusschen de Colorado en de gebergten der

argentijnsche republiek zijn; maar hij was juist bezig met aan Glenarvan

een verschijnsel uit te leggen, waarop deze zijn aandacht gevestigd had.

Sedert eenigen tijd scheen de dampkring doortrokken te zijn met een

rooklucht. En toch was er aan den gesigteinder geen vuur te zien, toch

verried geen rook een verwijderden brand. Derhalve kon men dat

verschijnsel aan geen gewone oorzaak toeschrijven. De geur van brandend

gras werd weldra zoo sterk, dat hij alle reizigers verbaasde, uitgenomen

Paganel en Thalcave. De aardrijkskundige, voor wien geen enkel

verschijnsel onverklaarbaar was, gaf zijn vrienden het volgend antwoord:

"Wij zien het vuur niet," zeide hij, "en ruiken den rook. Nu is er geen

rook zonder vuur; dat spreekwoord is even waar in Amerika als in Europa.

Er is dus ergens brand. De pampa's zijn echter zoo effen, dat de

luchtstroom door niets in zijn loop wordt gehinderd; vandaar dat men er

dikwijls den geur van gras ruikt, dat op een afstand van bijna vijf en

zeventig mijlen[2] brandt."

"Vijf en zeventig mijlen?" antwoordde de majoor op een ongeloovigen

toon.

"Stellig," verzekerde Paganel. "Ik voeg hier nog bij, dat zulke branden

op een groote schaal plaats hebben en zich dikwijls over een grooten

omtrek verspreiden."

"Wie steekt het gras in brand?" vroeg Robert.

"Soms de bliksem, wanneer het door de warmte verdroogd is; soms ook de

hand der Indianen."

"En waarom?"

"Zij beweren,--ik weet niet in hoeverre die meening gegrond is, dat na

een brand in de pampa's het gras er beter groeit. Dat zou dus een middel

zijn om den grond door de kracht van de asch nieuwe vruchtbaarheid te

schenken. Ik voor mij geloof veeleer, dat die branden moeten dienen om

millioenen runderluizen te verdelgen, een soort van woeker-insecten, die

voor de kudden zeer lastig zijn."

"Maar dat krachtige middel moet het leven kosten aan enkele der beesten,

die in de vlakte rondzwerven," meende de majoor.

"Ja! er verbranden soms eenige; maar er zijn er zooveel, dat men het

niet eens bemerkt."

"Ik trek ook geen partij voor hen," hernam Mac Nabbs, "zij moeten maar

voor zich zelven zorgen, maar voor de reizigers, die de pampa

doortrekken. Kan het niet gebeuren dat zij door de vlammen overvallen en

omsingeld worden?"

"Wel zeker!" riep Paganel, met een van blijdschap stralend gezigt "dat

gebeurt wel eens, en het zou mij groot genoegen doen, als ik zulk een

tooneel eens mogt bijwonen."

"Daar kan men den geleerde uit proeven," antwoordde Glenarvan; "hij zou

de liefde voor de wetenschap zoo ver drijven, dat hij zich levend zou

laten verbranden."

"Dat niet, waarde Glenarvan! maar men heeft Cooper gelezen, en Lederen

Kous heeft ons het middel aan de hand gedaan om den voortgang der

vlammen te stuiten door eenige vademen om zich heen het gras uit te

halen. Niets is eenvoudiger dan dat. Ik vrees daarom ook geenszins een

brand, integendeel, ik verlang er zeer naar."

Maar de wensch van Paganel zou niet vervuld worden, en werd hij al half

gebraden, zoo was het toch maar in de zonnestralen, die een

verschroeiende hitte opwekten. De paarden hijgden onder den invloed dier

keerkringswarmte. Men kon geen andere schaduw verwachten, dan van een

der zeldzame wolkjes, die de vurige schijf omsluijerden; dan zweefde de

schaduw over den effen grond en poogden de ruiters, hun paard

aanzettende, het koele plekje bij te houden, dat de westewinden voor hen

uitjaagden. Maar de paarden moesten weldra achterblijven, en het

ongesluijerde gesternte goot een nieuwen vuurregen uit over den

kalkgrond der pampa's.

Toen Wilson zeide, dat de watervoorraad wel zou toereiken, had hij

echter niet op den onleschbaren dorst gerekend, die zijn makkers op dien

dag kwelde; toen hij er bijvoegde, dat men onderweg wel een riviertje

zou ontmoeten, had hij te veel gezegd. Want niet alleen waren er geen

riviertjes te zien, omdat de effenheid van den grond hun geen geschikte

bedding opleverde, maar zelfs waren de kunstmatige plassen, door de hand

der Indianen gegraven, ook uitgedroogd. Toen hij de kenmerken der

droogte van mijl tot mijl zag toenemen, maakte Paganel eenige

aanmerkingen aan Thalcave, en vroeg hem, waar hij water dacht te vinden.

"Bij het Zoutmeer," antwoordde de Indiaan.

"En wanneer zullen wij daar komen?"

"Morgen avond."

Gewoonlijk graven de Argentijnen, wanneer zij door de pampa reizen,

putten en vinden dan eenige vademen onder den grond water. Maar de

reizigers konden bij gebrek aan de noodige werktuigen zich hiermede niet

redden; zij moesten zich dus op rantsoen stellen, en al had men juist

geen volslagen gebrek aan water, toch kon niemand zijn dorst geheel

lesschen.

Na een togt van dertig mijlen hield men des avonds halt. Allen rekenden

op een goeden nacht om van de vermoeienissen van den dag zich te

herstellen; en hij werd juist gestoord door een zeer lastige zwerm

muskieten en muggen. Derzelver tegenwoordigheid voorspelde een

verandering van wind, die inderdaad een streek draaide en noordelijk

werd. Die hatelijke insecten verdwijnen doorgaans bij zuide- of

zuidwestewinden.

Zoo de majoor zijn kalmte al bewaarde bij de kleine ongemakken des

levens, Paganel integendeel werd boos om de plagerijen van het lot. Hij

wenschte muskieten en muggen naar den duivel, en het speet hem, dat hij

geen zuur water had om de brandende pijn zijner duizenden wonden te

verzachten. De majoor trachtte hem, maar te vergeefs, te troosten met de

opmerking, dat men zich gelukkig moest achten van maar met twee van de

driemaal honderd duizend insecten te doen te hebben, die de

natuurkundigen tellen,--hij werd toch in een zeer kwade luim wakker.

Hij liet zich echter niet lang bidden om met het krieken van den dag te

vertrekken; want het kwam er nu op aan om dienzelfden dag het Zoutmeer

te bereiken. De paarden waren doodmoede; zij stierven van dorst en

hoewel hun ruiters zich om hunnentwil ontbering hadden getroost, was hun

rantsoen van water toch zeer gering geweest. De droogte was nog sterker

en de warmte niet minder ondragelijk door de stofwolken, welke de

noordewind, die samoem[3] der pampa's, opjoeg.

Op dezen dag werd de eentoonigheid der reis een oogenblik afgebroken.

Mulrady, die vooruit reed, kwam terug om kennis te geven van de nadering

van een bende Indianen. Die ontmoeting werd verschillend beoordeeld.

Glenarvan dacht aan de inlichtingen, welke die inboorlingen hem

misschien aangaande de schipbreukelingen der _Britannia_ konden

verschaffen. Thalcave weder was er geenszins mede ingenomen, dat hij de

zwervende Indianen der pampa's op zijn weg aantrof; hij hield ze voor

plunderaars en dieven, en deed zijn best om hen te ontwijken. Op zijn

bevel sloot de kleine troep zich digt aaneen en werden de wapens in

gereedheid gebragt. Men moest op alles voorbereid zijn.

Spoedig kreeg men de indiaansche afdeeling in het oog. Zij bestond

slechts uit een tiental inboorlingen, hetgeen den Patagoniër gerust

stelde. De Indianen naderden tot op honderd passen. Men kon hen

gemakkelijk onderscheiden. Het waren inboorlingen, die tot het pampa-ras

behoorden, dat in 1888 door generaal Rosas verdreven was. Hun hoog,

gewelfd en niet terugwijkend voorhoofd, hun slanke gestalte en hun

olijfkleur maakten hen tot schoone typen van het indiaansche ras. Zij

waren gekleed met vellen van guanacha's en stinkdieren, en droegen

behalve een twintig voet lange lans, messen, slingers, bola's en

lasso's. Hun handigheid in het besturen hunner paarden bewees, dat zij

bekwame ruiters waren.

Op een afstand van honderd schreden hielden zij stil en schenen raad te

houden, daarbij luid schreeuwende en gebaren makende. Glenarvan ging

naar hen toe. Maar hij was nog geen twee vademen ver, of de afdeeling

maakte regtsomkeert en verdween met ongeloofelijke snelheid. De

afgematte paarden der reizigers konden hen onmogelijk inhalen.

"Die lafaards!" riep Paganel.

"Waren zij eerlijke lieden, dan zouden zij zoo hard niet wegloopen,"

zeide Mac Nabbs.

"Wat zijn dat voor Indianen?" vroeg Paganel aan Thalcave.

"Gaucho's," antwoordde de Patagoniër.

"Gaucho's!" herhaalde Paganel, zich tot zijn makkers rigtende,

"Gaucho's! Dan hadden wij waarlijk zooveel voorzorgen niet behoeven te

nemen! Er was niets te vreezen!"

"Waarom niet?" vroeg de majoor.

"Omdat de Gaucho's weerlooze landlieden zijn."

"Denkt gij dat, Paganel?"

"Zeker. Zij hebben ons voor roovers aangezien en zijn gevlugt."

"Ik geloof veeleer, dat zij ons niet hebben durven aanvallen,"

antwoordde Glenarvan, die zeer verstoord was, omdat hij met die

inboorlingen, zij mogten zijn wie zij wilden, geen gesprek had kunnen

aanknoopen.

"Zoo denk ik er ook over," zeide de majoor; "want, als ik mij niet

vergis, zijn de Gaucho's in plaats van weerloos, wel degelijk openbare

en geduchte roovers."

"Welnu komaan!" riep Paganel.

En hij begon levendig over die stelling uit de volkenkunde te

redetwisten, zoo levendig zelfs, dat het hem gelukte om den majoor boos

te maken, hetgeen hem den volgenden uitval van Mac Nabbs op den hals

haalde, die anders zoo iets niet gewoon was bij de zeldzame twisten:

"Ik geloof, dat gij ongelijk hebt, Paganel!"

"Ongelijk!" herhaalde de geleerde.

"Ja! Thalcave zelf heeft die Indianen voor roovers aangezien, en

Thalcave weet wel, wat hij van hen denken moet."

"Welnu! Thalcave heeft zich ditmaal vergist," gaf Paganel met eenige

bitterheid ten antwoord. "De Gaucho's zijn landbouwers, herders, anders

niet, en ik heb het zelf geschreven in een goed ontvangen vlugschrift

over de inboorlingen der pampa's."

"Dan hebt gij eene dwaling begaan, mijnheer Paganel!"

"Ik! een dwaling! mijnheer Mac Nabbs?"

"Uit verstrooidheid, wanneer gij wilt," antwoordde de majoor, die het

niet opgaf; "gij kunt dus niet beter doen dan een volgenden druk te

herzien!"

Paganel was zeer beleedigd, nu hij moest hooren, dat men zijn

aardrijkskundige kennis in twijfel trok, ja, er den gek mede scheerde,

en voelde, dat hij boos werd.

"Wees overtuigd, mijnheer!" zeide hij, "dat in mijn werken dergelijke

feilen niet voorkomen."

"Bij deze gelegenheid toch wel," antwoordde Mac Nabbs, die op zijne

beurt koppig werd.

"Mijnheer! ik vind u van daag zeer plaagziek!" riep Paganel.

"En ik vind u zeer scherp!" gaf de majoor ten antwoord.

De twist liep, zooals men ziet, zeer hoog, en dat over een onderwerp,

dat zooveel drukte niet waard was. Glenarvan achtte het geraden om

tusschen beiden te komen.

"Het is zeker," zeide hij, "dat er bij den een plaagzucht en bij den

ander scherpte in het spel is, hetgeen mij van beiden zeer verwondert."

De Patagoniër had de aanleiding tot den twist wel niet begrepen, maar

kon ligt gissen, dat de beide vrienden het oneens waren. Hij begon te

glimlagchen en zeide zachtjes:

"Het is de noordewind!"

"De noordewind!" riep Paganel, "wat heeft de noordewind met dit alles te

maken?"

"Wel zeker!" antwoordde Glenarvan; "de noordewind is de oorzaak van uw

kwade luim! Ik heb hooren zeggen, dat hij in het zuiden van Amerika het

zenuwgestel bijzonder prikkelt."

"Bij St Patrick! Edward! gij slaat den spijker op den kop!" zeide de

majoor, die het uitschaterde van lagchen.

Maar Paganel, die waarlijk boos was, wilde den strijd niet opgeven, en

klampte nu Glenarvan aan, wiens tusschenkomst in zijn oog wat al te

spottend was.

"Ei zoo, mylord!" zeide hij, "is mijn zenuwgestel waarlijk geprikkeld?"

"Ja, Paganel! het is de noordewind, die het doet; een wind, die in de

pampa veel misdaden doet begaan, evenals in den omtrek van Rome!"

"Misdaden!" antwoordde de geleerde; "zie ik er uit als iemand, die

misdaden begaan wil?"

"Dat zeg ik niet."

"Zeg maar ronduit, dat ik u wil vermoorden!"

"Daar zou ik haast bang voor worden!" antwoordde Glenarvan, die zijn

lachlust niet kon bedwingen. "Gelukkig waait de noordewind nooit langer

dan één dag!"

Op dit gezegde lachten allen met Glenarvan mede. Nu maakte Paganel zich

haastig uit de voeten en ging hij naar het hoofd van het gezelschap om

zijn drift wat te laten bedaren. Een kwartier later dacht hij er niet

meer aan.

Zoo was de goede luim van den geleerde een oogenblik verstoord geweest;

maar, zooals Glenarvan teregt had gezegd, die zwakheid had een geheel

uitwendige reden.

Ten acht ure des avonds gaf Thalcave, die wat vooruit gereden was, een

sein, dat men digt bij het zoo gewenschte meer was. Een kwartier daarna

daalde de kleine troep de steile oevers van het Zoutmeer af. Maar daar

wachtte hem een erge teleurstelling. Het meer was opgedroogd.

[1] Om deze reden zijn de winters op IJsland zachter dan in Lombardije.

[2] Dertig uren.

[3] Een schier verstikkend heete, dikwijls doodelijke wind in Afrika en

in Zuid-Azië.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 25 / 37 题