De pampa's.
De argentijnsche pampa's strekken zich uit tusschen vier en dertig en
veertig graden zuiderbreedte. Het woord "pampa", uit de araucanische
taal overgenomen, beteekent "grasvlakte" en wordt met regt op deze
landstreek toegepast. De hoornachtige mimosaplanten van haar westelijk
gedeelte, de stevige grasplanten van haar oostelijk gedeelte, geven haar
een bijzonder voorkomen. Deze plantenschat wortelt in een aardlaag, die
den roodachtigen of gelen klei- en zandachtigen bodem bedekt. De geoloog
zou hier rijke schatten vinden, wanneer hij die gronden uit het derde
tijdperk van de vorming der vaste aardkorst onderzocht. Daar liggen in
ontelbare menigte voorwereldlijke beenderen, die de Indianen aan
uitgestorven soorten van groote gordeldieren toeschrijven, en onder dit
plantaardige stof ligt de oudste geschiedenis dezer gewesten bedolven.
De amerikaansche pampa is een aardrijkskundige bijzonderheid, evenals de
savannen der Groote Meren of de steppen van Siberië. De warmte en de
koude van haar klimaat zijn grooter dan die der provincie Buenos-Ayres,
omdat zij dieper landwaarts inligt. Want, volgens de verklaring, welke
Paganel er van gaf, geeft de oceaan de door hem opgenomen en opgezamelde
zomerwarmte des winters langzamerhand weder terug. Vandaar ook, dat de
eilanden een gelijkmatiger klimaat hebben dan de binnenlanden[1]. Het is
onderhevig aan plotselinge uitersten, aan snelle veranderingen, die het
kwik in den thermometer onophoudelijk van den eenen graad op den anderen
doen springen. In den herfst, dat wil zeggen in de maanden April en Mei,
stortregent het er aanhoudend. Maar in dezen tijd van het jaar was het
weder zeer droog en de temperatuur zeer hoog.
Zoodra men bij het opgaan der zon den weg had kunnen bepalen, vertrok
men; de grond, die door de heesters en struiken bijeengehouden werd, was
volkomen vast, men behoefde voor geen medano's meer te vreezen, evenmin
als voor het zand, waaruit zij bestonden, en het stof, dat de wind in de
lucht zwevende hield.
De paarden liepen stevig door, tusschen de bosjes "paja-brava," het
pampa-gras bij uitnemendheid, waaronder de Indianen wegschuilen, wanneer
het onweert. Hier en daar veroorloofden eenige vochtige laaglanden, die
echter hoe langer hoe schaarscher werden, den groei van wilgen en van
een zekere plant, het "gygnerium argenteum," die het weligst tiert in de
nabijheid van zoet water. Daar dronken de paarden met volle teugen; zij
maakten gebruik van de hun aangebodene gunstige gelegenheid, wetende,
dat zij in het vervolg vaak genoeg dorst zonden lijden. Thalcave reed
vooruit en trapte de struiken stuk. Daardoor verschrikte hij de
"cholina's," allergevaarlijkste adders, wier beet een os binnen het uur
doet sterven. De vlugge Thaouka sprong op het kreupelhout, en hielp zijn
meester een weg banen voor de paarden, die hem volgden.
Op die effene en regte vlakten werd de reis dus gemakkelijk en snel
volbragt. De natuur der pampa onderging niet de minste verandering; geen
steen, geen keisteentje zelfs was er in den omtrek te zien. Nooit zag
men zulk een eentoonigheid, die zoo eindeloos duurde. Geen schijn of
schaduw van landschappen, merkwaardigheden of natuurlijke verrassingen
was er te zien! Men moest wel een Paganel of een van die geestdrijvende
geleerden zijn, die zien waar niets te zien is, om eenig belang te
stellen in hetgeen de weg opleverde. Waarom deed hij het dan? Dat zou
hij niet hebben kunnen zeggen. Op zijn hoogst om een struik. Misschien
alleen om een grasscheutje. Dat was echter genoeg om zijn
onuitputtelijken woordenvloed te doen losbreken, en leverde hem stof om
Robert te onderrigten, die gaarne naar hem luisterde.
De vlakte vertoonde zich op dezen dag, den 29sten October, aan onze
reizigers in hare eindelooze eenvormigheid. Tegen twee ure zagen zij
talrijke sporen van dieren op den weg. Het was het gebeente van een
ontelbare kudde rundvee, dat opeengestapeld lag en wit geworden was. Die
overblijfselen lagen niet in een kromme en bogtige lijn, zooals dit het
geval is, wanneer de kracht der dieren uitgeput is en zij één voor één
op den weg nedervallen. Niemand was dan ook in staat om te verklaren,
hoe zulk een menigte geraamten op een betrekkelijk zoo beperkte ruimte
kon opeengehoopt zijn. Ook Paganel kwelde zich te vergeefs om die vraag
te beantwoorden. Hij ondervroeg daarom Thalcave, die terstond met zijn
antwoord gereed was.
Een "niet mogelijk" van den geleerde, en een zeer duidelijke
bevestigende beweging van den Patagoniër maakten de oplettendheid hunner
makkers gaande.
"Wat is het toch?" vroegen zij.
"Het vuur van den hemel," antwoordde de aardrijkskundige.
"Hoe! zou de bliksem zulk een ongeval veroorzaakt en een kudde van
vijfhonderd stuks van het leven beroofd hebben!" zeide Tom Austin.
"Thalcave bevestigt het, en Thalcave weet wel wat hij zegt. Ik wil het
ook wel gelooven. Want in de pampa's onderscheiden de onweders zich
vooral door hun hevigheid. De hemel geve, dat wij het niet eens zelven
ondervinden!"
"Het is zeer warm," zeide Wilson.
"In de schaduw zal de thermometer zeker wel op dertig graden staan,"
antwoordde Paganel.
"Dat verwondert mij niet," zeide Glenarvan; "ik voel, dat de
electriciteit mij doordringt. Wij mogen wel wenschen, dat die warmte
niet aanhoudt."
"O! o!" zeide Paganel, "er is geen weersverandering te wachten; de
gezigteinder is geheel onbeneveld."
"Des te erger," antwoordde Glenarvan; "want onze paarden hebben het
kwaad met de warmte. Zijt gij niet warm, mijn jongen?" voegde hij er
bij, zich tot Robert wendende.
"Neen, mylord!" antwoordde de knaap. "Ik houd wel van warmte; zij is wel
aangenaam."
"Vooral in den winter," merkte de majoor zeer geestig aan, terwijl hij
den rook van zijn sigaar in de lucht wegblies.
Des avonds hield men stil bij een onbewoonde "rancho," vervaardigd uit
in elkander gevlochten takken, die met modder digtgestopt en met riet
bedekt waren; deze hut grensde aan een met half verrotte palen omslotene
ruimte, die echter de paarden gedurende den nacht tegen de aanvallen der
vossen beschermen kon. Zij hebben wel geen gevaar van die dieren te
duchten; maar die lastige beesten bijten de halsters door, waarvan de
paarden gebruik maken om te ontsnappen.
Eenige schreden van de hut af was een gat gegraven, dat tot stookplaats
diende en koud geworden asch bevatte. In de hut was een bank, een
slaapplaats van ossenhuiden, een kookketel, een spit en een schenkketel
voor paraguay-thee. De paraguay-thee is in Zuid-Amerika een zeer gewone
drank. Het is de thee der Indianen. Het is een aftreksel van op het vuur
gedroogde bladeren, dat men evenals de andere amerikaansche dranken door
een rietje opzuigt. Op verlangen van Paganel maakte Thalcave eenige
kopjes van dien drank gereed, die zeer goed paste bij de gewone
levensmiddelen en uitmuntend smaakte.
Des anderen daags, den 30sten October, ging de zon vuurrood op en goot
zij haar heetste stralen over den grond uit. Het stond dus te vreezen,
dat het dien dag smoorheet zijn zou, en ongelukkig leverde de vlakte
geen beschutting op. Men ging echter moedig op weg. Meermalen ontmoetten
zij ontelbare kudden, die door de verstikkende warmte te krachteloos
waren om te grazen en uit loomheid bleven liggen. Van bewakers of
eigenlijk gezegde herders was niets te zien. Honden, die gewoon zijn om
de schapen te melken, wanneer de dorst hen kwelt, bewaakten alleen die
talrijke opeenhoopingen van koeijen, stieren en ossen. Die dieren zijn
overigens zeer zachtzinnig van aard, en hebben dien instinctmatigen
afkeer van "rood" niet, die in Europa den dieren van dat geslacht eigen
is.
"Dat komt zeker, omdat zij het gras van een republiek afeten," zeide
Paganel, die deze scherts, welke misschien wat al te zeer den Franschman
verried, heel geestig vond.
Tegen den middag kwam er eenige verandering in het voorkomen van de
pampa, die niet onopgemerkt kon blijven voor oogen, die hare
eentoonigheid zoo lang had vermoeid. De grasgewassen werden schaarscher.
Zij maakten plaats voor magere kliskruiden en voor reusachtige, negen
voet hooge distels, die alle ezels in de wereld gelukkig hadden kunnen
maken. Ondergebleven chañares en andere doornachtige, donkergroene
heesters, planten, die gaarne op drooge gronden voortkomen, schoten hier
en daar op. Tot nog toe had een zekere vochtigheid, die in de klei der
pampa bewaard gebleven was, de weiden gedrenkt, en was het grastapijt
dik en mollig. Maar nu schemerde het weefsel door het versleten en op
vele plaatsen afgescheurde bekleedsel heen, en werd de dorheid van den
grond zigtbaar. Het was onmogelijk om die kenmerken eener toenemende
droogte over het hoofd te zien, en Thalcave vestigde er de
opmerkzaamheid op.
"Ik ben niet verdrietig over die verandering," zeide Tom Austin; "altijd
gras, en niets anders dan gras, dat wordt op den duur vervelend."
"Ja! maar zoo lang er gras is, is er water," antwoordde de majoor.
"O! wij hebben nog geen gebrek," zeide Wilson, "en zullen onderweg wel
een riviertje aantreffen."
Als Paganel dat antwoord gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben, dat
er bijna geen rivieren tusschen de Colorado en de gebergten der
argentijnsche republiek zijn; maar hij was juist bezig met aan Glenarvan
een verschijnsel uit te leggen, waarop deze zijn aandacht gevestigd had.
Sedert eenigen tijd scheen de dampkring doortrokken te zijn met een
rooklucht. En toch was er aan den gesigteinder geen vuur te zien, toch
verried geen rook een verwijderden brand. Derhalve kon men dat
verschijnsel aan geen gewone oorzaak toeschrijven. De geur van brandend
gras werd weldra zoo sterk, dat hij alle reizigers verbaasde, uitgenomen
Paganel en Thalcave. De aardrijkskundige, voor wien geen enkel
verschijnsel onverklaarbaar was, gaf zijn vrienden het volgend antwoord:
"Wij zien het vuur niet," zeide hij, "en ruiken den rook. Nu is er geen
rook zonder vuur; dat spreekwoord is even waar in Amerika als in Europa.
Er is dus ergens brand. De pampa's zijn echter zoo effen, dat de
luchtstroom door niets in zijn loop wordt gehinderd; vandaar dat men er
dikwijls den geur van gras ruikt, dat op een afstand van bijna vijf en
zeventig mijlen[2] brandt."
"Vijf en zeventig mijlen?" antwoordde de majoor op een ongeloovigen
toon.
"Stellig," verzekerde Paganel. "Ik voeg hier nog bij, dat zulke branden
op een groote schaal plaats hebben en zich dikwijls over een grooten
omtrek verspreiden."
"Wie steekt het gras in brand?" vroeg Robert.
"Soms de bliksem, wanneer het door de warmte verdroogd is; soms ook de
hand der Indianen."
"En waarom?"
"Zij beweren,--ik weet niet in hoeverre die meening gegrond is, dat na
een brand in de pampa's het gras er beter groeit. Dat zou dus een middel
zijn om den grond door de kracht van de asch nieuwe vruchtbaarheid te
schenken. Ik voor mij geloof veeleer, dat die branden moeten dienen om
millioenen runderluizen te verdelgen, een soort van woeker-insecten, die
voor de kudden zeer lastig zijn."
"Maar dat krachtige middel moet het leven kosten aan enkele der beesten,
die in de vlakte rondzwerven," meende de majoor.
"Ja! er verbranden soms eenige; maar er zijn er zooveel, dat men het
niet eens bemerkt."
"Ik trek ook geen partij voor hen," hernam Mac Nabbs, "zij moeten maar
voor zich zelven zorgen, maar voor de reizigers, die de pampa
doortrekken. Kan het niet gebeuren dat zij door de vlammen overvallen en
omsingeld worden?"
"Wel zeker!" riep Paganel, met een van blijdschap stralend gezigt "dat
gebeurt wel eens, en het zou mij groot genoegen doen, als ik zulk een
tooneel eens mogt bijwonen."
"Daar kan men den geleerde uit proeven," antwoordde Glenarvan; "hij zou
de liefde voor de wetenschap zoo ver drijven, dat hij zich levend zou
laten verbranden."
"Dat niet, waarde Glenarvan! maar men heeft Cooper gelezen, en Lederen
Kous heeft ons het middel aan de hand gedaan om den voortgang der
vlammen te stuiten door eenige vademen om zich heen het gras uit te
halen. Niets is eenvoudiger dan dat. Ik vrees daarom ook geenszins een
brand, integendeel, ik verlang er zeer naar."
Maar de wensch van Paganel zou niet vervuld worden, en werd hij al half
gebraden, zoo was het toch maar in de zonnestralen, die een
verschroeiende hitte opwekten. De paarden hijgden onder den invloed dier
keerkringswarmte. Men kon geen andere schaduw verwachten, dan van een
der zeldzame wolkjes, die de vurige schijf omsluijerden; dan zweefde de
schaduw over den effen grond en poogden de ruiters, hun paard
aanzettende, het koele plekje bij te houden, dat de westewinden voor hen
uitjaagden. Maar de paarden moesten weldra achterblijven, en het
ongesluijerde gesternte goot een nieuwen vuurregen uit over den
kalkgrond der pampa's.
Toen Wilson zeide, dat de watervoorraad wel zou toereiken, had hij
echter niet op den onleschbaren dorst gerekend, die zijn makkers op dien
dag kwelde; toen hij er bijvoegde, dat men onderweg wel een riviertje
zou ontmoeten, had hij te veel gezegd. Want niet alleen waren er geen
riviertjes te zien, omdat de effenheid van den grond hun geen geschikte
bedding opleverde, maar zelfs waren de kunstmatige plassen, door de hand
der Indianen gegraven, ook uitgedroogd. Toen hij de kenmerken der
droogte van mijl tot mijl zag toenemen, maakte Paganel eenige
aanmerkingen aan Thalcave, en vroeg hem, waar hij water dacht te vinden.
"Bij het Zoutmeer," antwoordde de Indiaan.
"En wanneer zullen wij daar komen?"
"Morgen avond."
Gewoonlijk graven de Argentijnen, wanneer zij door de pampa reizen,
putten en vinden dan eenige vademen onder den grond water. Maar de
reizigers konden bij gebrek aan de noodige werktuigen zich hiermede niet
redden; zij moesten zich dus op rantsoen stellen, en al had men juist
geen volslagen gebrek aan water, toch kon niemand zijn dorst geheel
lesschen.
Na een togt van dertig mijlen hield men des avonds halt. Allen rekenden
op een goeden nacht om van de vermoeienissen van den dag zich te
herstellen; en hij werd juist gestoord door een zeer lastige zwerm
muskieten en muggen. Derzelver tegenwoordigheid voorspelde een
verandering van wind, die inderdaad een streek draaide en noordelijk
werd. Die hatelijke insecten verdwijnen doorgaans bij zuide- of
zuidwestewinden.
Zoo de majoor zijn kalmte al bewaarde bij de kleine ongemakken des
levens, Paganel integendeel werd boos om de plagerijen van het lot. Hij
wenschte muskieten en muggen naar den duivel, en het speet hem, dat hij
geen zuur water had om de brandende pijn zijner duizenden wonden te
verzachten. De majoor trachtte hem, maar te vergeefs, te troosten met de
opmerking, dat men zich gelukkig moest achten van maar met twee van de
driemaal honderd duizend insecten te doen te hebben, die de
natuurkundigen tellen,--hij werd toch in een zeer kwade luim wakker.
Hij liet zich echter niet lang bidden om met het krieken van den dag te
vertrekken; want het kwam er nu op aan om dienzelfden dag het Zoutmeer
te bereiken. De paarden waren doodmoede; zij stierven van dorst en
hoewel hun ruiters zich om hunnentwil ontbering hadden getroost, was hun
rantsoen van water toch zeer gering geweest. De droogte was nog sterker
en de warmte niet minder ondragelijk door de stofwolken, welke de
noordewind, die samoem[3] der pampa's, opjoeg.
Op dezen dag werd de eentoonigheid der reis een oogenblik afgebroken.
Mulrady, die vooruit reed, kwam terug om kennis te geven van de nadering
van een bende Indianen. Die ontmoeting werd verschillend beoordeeld.
Glenarvan dacht aan de inlichtingen, welke die inboorlingen hem
misschien aangaande de schipbreukelingen der _Britannia_ konden
verschaffen. Thalcave weder was er geenszins mede ingenomen, dat hij de
zwervende Indianen der pampa's op zijn weg aantrof; hij hield ze voor
plunderaars en dieven, en deed zijn best om hen te ontwijken. Op zijn
bevel sloot de kleine troep zich digt aaneen en werden de wapens in
gereedheid gebragt. Men moest op alles voorbereid zijn.
Spoedig kreeg men de indiaansche afdeeling in het oog. Zij bestond
slechts uit een tiental inboorlingen, hetgeen den Patagoniër gerust
stelde. De Indianen naderden tot op honderd passen. Men kon hen
gemakkelijk onderscheiden. Het waren inboorlingen, die tot het pampa-ras
behoorden, dat in 1888 door generaal Rosas verdreven was. Hun hoog,
gewelfd en niet terugwijkend voorhoofd, hun slanke gestalte en hun
olijfkleur maakten hen tot schoone typen van het indiaansche ras. Zij
waren gekleed met vellen van guanacha's en stinkdieren, en droegen
behalve een twintig voet lange lans, messen, slingers, bola's en
lasso's. Hun handigheid in het besturen hunner paarden bewees, dat zij
bekwame ruiters waren.
Op een afstand van honderd schreden hielden zij stil en schenen raad te
houden, daarbij luid schreeuwende en gebaren makende. Glenarvan ging
naar hen toe. Maar hij was nog geen twee vademen ver, of de afdeeling
maakte regtsomkeert en verdween met ongeloofelijke snelheid. De
afgematte paarden der reizigers konden hen onmogelijk inhalen.
"Die lafaards!" riep Paganel.
"Waren zij eerlijke lieden, dan zouden zij zoo hard niet wegloopen,"
zeide Mac Nabbs.
"Wat zijn dat voor Indianen?" vroeg Paganel aan Thalcave.
"Gaucho's," antwoordde de Patagoniër.
"Gaucho's!" herhaalde Paganel, zich tot zijn makkers rigtende,
"Gaucho's! Dan hadden wij waarlijk zooveel voorzorgen niet behoeven te
nemen! Er was niets te vreezen!"
"Waarom niet?" vroeg de majoor.
"Omdat de Gaucho's weerlooze landlieden zijn."
"Denkt gij dat, Paganel?"
"Zeker. Zij hebben ons voor roovers aangezien en zijn gevlugt."
"Ik geloof veeleer, dat zij ons niet hebben durven aanvallen,"
antwoordde Glenarvan, die zeer verstoord was, omdat hij met die
inboorlingen, zij mogten zijn wie zij wilden, geen gesprek had kunnen
aanknoopen.
"Zoo denk ik er ook over," zeide de majoor; "want, als ik mij niet
vergis, zijn de Gaucho's in plaats van weerloos, wel degelijk openbare
en geduchte roovers."
"Welnu komaan!" riep Paganel.
En hij begon levendig over die stelling uit de volkenkunde te
redetwisten, zoo levendig zelfs, dat het hem gelukte om den majoor boos
te maken, hetgeen hem den volgenden uitval van Mac Nabbs op den hals
haalde, die anders zoo iets niet gewoon was bij de zeldzame twisten:
"Ik geloof, dat gij ongelijk hebt, Paganel!"
"Ongelijk!" herhaalde de geleerde.
"Ja! Thalcave zelf heeft die Indianen voor roovers aangezien, en
Thalcave weet wel, wat hij van hen denken moet."
"Welnu! Thalcave heeft zich ditmaal vergist," gaf Paganel met eenige
bitterheid ten antwoord. "De Gaucho's zijn landbouwers, herders, anders
niet, en ik heb het zelf geschreven in een goed ontvangen vlugschrift
over de inboorlingen der pampa's."
"Dan hebt gij eene dwaling begaan, mijnheer Paganel!"
"Ik! een dwaling! mijnheer Mac Nabbs?"
"Uit verstrooidheid, wanneer gij wilt," antwoordde de majoor, die het
niet opgaf; "gij kunt dus niet beter doen dan een volgenden druk te
herzien!"
Paganel was zeer beleedigd, nu hij moest hooren, dat men zijn
aardrijkskundige kennis in twijfel trok, ja, er den gek mede scheerde,
en voelde, dat hij boos werd.
"Wees overtuigd, mijnheer!" zeide hij, "dat in mijn werken dergelijke
feilen niet voorkomen."
"Bij deze gelegenheid toch wel," antwoordde Mac Nabbs, die op zijne
beurt koppig werd.
"Mijnheer! ik vind u van daag zeer plaagziek!" riep Paganel.
"En ik vind u zeer scherp!" gaf de majoor ten antwoord.
De twist liep, zooals men ziet, zeer hoog, en dat over een onderwerp,
dat zooveel drukte niet waard was. Glenarvan achtte het geraden om
tusschen beiden te komen.
"Het is zeker," zeide hij, "dat er bij den een plaagzucht en bij den
ander scherpte in het spel is, hetgeen mij van beiden zeer verwondert."
De Patagoniër had de aanleiding tot den twist wel niet begrepen, maar
kon ligt gissen, dat de beide vrienden het oneens waren. Hij begon te
glimlagchen en zeide zachtjes:
"Het is de noordewind!"
"De noordewind!" riep Paganel, "wat heeft de noordewind met dit alles te
maken?"
"Wel zeker!" antwoordde Glenarvan; "de noordewind is de oorzaak van uw
kwade luim! Ik heb hooren zeggen, dat hij in het zuiden van Amerika het
zenuwgestel bijzonder prikkelt."
"Bij St Patrick! Edward! gij slaat den spijker op den kop!" zeide de
majoor, die het uitschaterde van lagchen.
Maar Paganel, die waarlijk boos was, wilde den strijd niet opgeven, en
klampte nu Glenarvan aan, wiens tusschenkomst in zijn oog wat al te
spottend was.
"Ei zoo, mylord!" zeide hij, "is mijn zenuwgestel waarlijk geprikkeld?"
"Ja, Paganel! het is de noordewind, die het doet; een wind, die in de
pampa veel misdaden doet begaan, evenals in den omtrek van Rome!"
"Misdaden!" antwoordde de geleerde; "zie ik er uit als iemand, die
misdaden begaan wil?"
"Dat zeg ik niet."
"Zeg maar ronduit, dat ik u wil vermoorden!"
"Daar zou ik haast bang voor worden!" antwoordde Glenarvan, die zijn
lachlust niet kon bedwingen. "Gelukkig waait de noordewind nooit langer
dan één dag!"
Op dit gezegde lachten allen met Glenarvan mede. Nu maakte Paganel zich
haastig uit de voeten en ging hij naar het hoofd van het gezelschap om
zijn drift wat te laten bedaren. Een kwartier later dacht hij er niet
meer aan.
Zoo was de goede luim van den geleerde een oogenblik verstoord geweest;
maar, zooals Glenarvan teregt had gezegd, die zwakheid had een geheel
uitwendige reden.
Ten acht ure des avonds gaf Thalcave, die wat vooruit gereden was, een
sein, dat men digt bij het zoo gewenschte meer was. Een kwartier daarna
daalde de kleine troep de steile oevers van het Zoutmeer af. Maar daar
wachtte hem een erge teleurstelling. Het meer was opgedroogd.
[1] Om deze reden zijn de winters op IJsland zachter dan in Lombardije.
[2] Dertig uren.
[3] Een schier verstikkend heete, dikwijls doodelijke wind in Afrika en
in Zuid-Azië.