XVI.

De Rio Colorado.

Des anderen daags, den 22sten October, gaf Thalcave ten acht ure het

sein tot het vertrek. Tusschen den twee en twintigsten en den twee en

veertigsten graad helt de bodem der argentijnsche republiek zachtjes van

het westen naar het oosten af; de reizigers behoefden dus alleen een

zachte glooijing tot aan zee toe te volgen.

Toen de Patagoniër het paard weigerde, dat Glenarvan hem aanbood, meende

deze, dat hij liever te voet wilde gaan, zooals de gewoonte van vele

gidsen is, en voorzeker zouden zijn lange beenen hem het loopen zeer

gemakkelijk gemaakt hebben.

Maar Glenarvan bedroog zich.

Toen zij zouden vertrekken, floot Thalcave op een bijzondere manier.

Terstond kwam uit een naburig boschje een prachtig argentijnsch paard

van een heerlijke gestalte op de roepstem zijns meesters te voorschijn.

Het paard was zonder eenig gebrek; zijn bruine kleur was het bewijs, dat

het een onvermoeid, fier, moedig en levendig dier was; het had een

fijnen kop en een sierlijken hals, wijd geopende neusgaten, een vurigen

blik, stevige pooten, een goed gevulde schoft, een hooge borst, lange

pooten, d.i. al de hoedanigheden, die een paard sterk en vlug maken. Als

een volleerd kenner bewonderde de majoor zonder eenig voorbehoud dit

staaltje van het ras der pampa's, dat in zijn oog eenige overeenkomst

had met het engelsche jagtpaard. Dit schoone dier heette "Thaouka," dat

in het patagonisch "vogel" wil zeggen, en verdiende dien naam ten volle.

Zoodra Thalcave in den zadel zat, begon zijn paard allerlei sprongen te

maken. Het was heerlijk om den Patagoniër, die een bedreven ruiter was,

te zien; het jagttuig, dat in de argentijnsche vlakte in gebruik is, de

"bola's" en de "lasso", voltooide zijn uitrusting. De bola's bestaan uit

drie kogels, die door een lederen riem verbonden en vooraan den zadel

gehecht zijn. De Indiaan slingert ze dikwijls op een afstand van honderd

schreden naar het dier of den vijand, dien hij vervolgt, en wel met zulk

een juistheid, dat zij zich om diens beenen draaijen en hem terstond

doen vallen. Zij zijn dus in zijn handen een vreeselijk werktuig, dat

hij met een verbazende bekwaamheid behandelt. De lasso integendeel

verlaat de hand niet, die hem slingert. Dit is niets anders dan een

dertig voet lange koord, bestaande uit de vereeniging van twee goed

gevlochten lederen riemen, die in een lus uitloopen, welke door een

ijzeren ring gaat. Met de regterhand werpt hij de lus, met de linker

houdt hij het andere gedeelte van den lasso vast, die stevig aan den

zadel is bevestigd. Een lange karabijn aan een riem voltooide eindelijk

de aanvallende bewapening van den Patagoniër.

Zonder acht te geven op de bewondering, die zijn natuurlijke

bevalligheid, zijn losheid en fiere ongedwongenheid opwekten, stelde

Thalcave zich aan het hoofd van den troep, en men reed nu eens in galop,

dan weder in den gewonen pas van paarden, die niet afgerigt schenen te

zijn voor den draf. Robert legde veel moed aan den dag, en stelde

Glenarvan spoedig gerust ten aanzien van zijn bekwaamheid om in den

zadel te blijven.

De vlakte der pampa's begint onmiddellijk aan den voet der Cordillera.

Men kan haar in drie deelen verdeelen: het eerste strekt zich van de

Andes-keten over een lengte van twee honderd vijftig mijlen uit en is

bedekt met niet zeer hooge boomen en struiken. Het tweede, vier honderd

vijftig mijlen breed, is met prachtig gras begroeid, en eindigt op een

afstand van honderd tachtig mijlen van Buenos-Ayres. Van hier af tot aan

de zee toe betreedt de voet des reizigers slechts onmetelijke weilanden

met spurrie en distels. Dit is het derde gedeelte der pampa's.

Het eerst wat het gezelschap van Glenarvan ontmoette na het verlaten van

de engten der Cordillera was een menigte zandheuvels, "medano's"

geheeten, echte golven, die onophoudelijk door den wind worden

opgejaagd, wanneer de wortels der planten ze niet op den bodem bevestigd

houden. Dit zand is uiterst fijn; vandaar dat men het bij het geringste

windje in ligte wolkjes opvliegen of echte hoozen vormen zag, die zich

tot een aanmerkelijke hoogte verhieven. Dit schouwspel was vermakelijk

en lastig tevens voor de oogen: vermakelijk, want niets was

bezienswaardiger dan die hoozen, welke over de vlakte rond dwarrelden,

met elkander worstelden, zich met elkander vermengden, nedervielen en

weder in een onuitsprekelijke verwarring opstegen; lastig, want

onzigtbaar stof maakte zich van de tallooze zandheuvels los, en drong

tusschen de oogleden, hoe vast zij ook gesloten waren.

Ten gevolge van den noordewind hield dit verschijnsel een groot gedeelte

van den dag aan. Men trok echter snel voort, en tegen zes ure had men de

Cordillera's reeds veertig mijlen achter zich, zoodat zij een

zwartachtig voorkomen opleverden, dat reeds in de avonddampen verdween.

De reizigers waren min of meer vermoeid van een togt, die op acht en

dertig mijlen kon berekend worden. Zij zagen dan ook met vreugde het uur

naderen, waarop zij zich ter ruste zouden begeven. Zij legerden zich aan

de oevers van den snelvlietenden Neuquem, een onstuimig riviertje met

troebel water, dat tusschen hooge en steile roodkleurige oevers stroomt.

De Neuquem wordt door sommige aardrijkskundigen Ramid of Comoë genoemd,

en komt uit meren, die alleen aan de Indianen bekend zijn.

De nacht en de volgende dag leverden niets meldenswaardigs op. Men ging

snel en ongehinderd voort. Een effen bodem en een dragelijke temperatuur

maakten de voortzetting der reis gemakkelijk. Tegen den middag echter

werd het brandend heet. Tegen den avond werd de gezigteinder in het

zuidwesten met een bank van wolken bedekt, een zeker teeken, dat er

verandering van weder ophanden was. De Patagoniër kon zich er niet in

vergissen, en met den vinger wees hij den aardrijkskundige het westen

aan.

"Goed! ik weet het!" zeide Paganel, en zich tot zijn makkers wendende,

voegde hij er bij: "Er is verandering van weder op til, wij zullen

kennis maken met de pampero."

En hij legde hun uit, dat die pampero, die zeer dikwijls in de

argentijnsche vlakten voorkomt, een zeer drooge zuidwestewind is.

Thalcave had zich niet vergist. Dien nacht, die vrij onaangenaam was

voor menschen, die geen ander deksel hadden dan een eenvoudigen mantel,

woei de pampero met groote kracht. De paarden gingen op den grond

liggen, en de menschen kropen vlak bij hen digt bij elkander. Glenarvan

vreesde voor oponthoud, wanneer die orkaan wat lang aanhield; maar

Paganel stelde hem gerust, nadat hij zijn barometer had geraadpleegd.

"Gewoonlijk," zeide hij, "veroorzaakt de pampero driedaagsche stormen,

die de daling van het kwik op een stellige wijze aankondigt. Maar

wanneer de barometer integendeel,--zooals nu het geval is,--stijgt, is

men er met een woedende bui van eenige uren van af. Stel u dus gerust,

mijn waarde vriend! bij het aanbreken van den dag zal de hemel weder zoo

helder zijn als altijd."

"Gij spreekt als een boek, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Ik ben er ook een," antwoordde Paganel. "Ik geef u vrijheid om mij zoo

dikwijls te doorbladeren als gij maar wilt."

Het boek bedroog zich niet. Te één ure na middernacht bedaarde

plotseling de wind en allen konden nu in den slaap een verkwikkende rust

vinden. Den volgenden morgen werden zij zoo frisch als een hoen wakker,

vooral Paganel, die op een opgeruimden toon zijn lessen weder opdreunde

en zich uitrekte als een jonge hond.

Men telde nu den vier en twintigsten October, den tienden dag na het

vertrek van Talcahuano. Drie en negentig mijlen[1], d.i. drie dagreizen

scheidden de reizigers nog van het punt, waar de Rio Colorado de zeven

en dertigste parallel snijdt. Gedurende dien togt over het amerikaansche

vastland zag lord Glenarvan met de uiterste oplettendheid uit of er ook

inboorlingen naderden. Hij wilde hen betreffende kapitein Grant door

tusschenkomst van den Patagoniër ondervragen, met wien Paganel nu reeds

vrij goed spreken kon. Maar de lijn, die men volgde, werd weinig door de

Indianen bezocht; want de wegen door de pampa, die uit de argentijnsche

republiek naar de Cordillera's loopen, liggen noordelijker. Men trof dan

ook evenmin zwervende Indianen als gevestigde stammen onder het gezag

van Kaziken aan. Als er bij toeval een zwervend ruiter in de verte zich

vertoonde, dan nam hij ijlings de vlugt, daar hij geen lust gevoelde om

met onbekenden in aanraking te komen. Zulk een gezelschap moest wel

verdacht toeschijnen aan een ieder, die zich alleen in de vlakte waagde,

aan den bandiet zoowel, wiens achterdocht moest opgewekt worden door de

verschijning van acht goed gewapende en goed bereden mannen, als aan den

reiziger, die in deze onbewoonde streken hen voor kwaadwilligen kon

aanzien. Het was derhalve even onmogelijk om met vreedzame lieden als

met plunderaars te spreken. Het was jammer, dat men geen bende

"rastreadores"[2] aantrof, al moest men ook het gesprek met

geweerschoten aanvangen.

Had Glenarvan ook al in het belang zijner nasporingen de afwezigheid der

Indianen te betreuren, zoo had er toch een voorval plaats, dat de

uitlegging van het document bijzonder sterk bevestigde.

De weg, dien het reisgezelschap hield, sneed menigmaal de voetpaden der

pampa, onder anderen een vrij belangrijken weg,--dien van Carmen naar

Mendoza,--die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren, muilezels,

paarden, schapen en runderen, wier overblijfselen door den snavel der

roofvogels vaneengescheiden en door de ontkleurende werking van den

dampkring verbleekt, langs de beide zijden van den weg lagen. Men telde

ze bij duizenden, en ongetwijfeld vermengde meer dan een menschelijk

geraamte zijn stof met dat der geringste dieren.

Tot nu toe had Thalcave geen aanmerking gemaakt op den weg, dien men zoo

zonder afwijking bleef houden. Hij begreep echter, dat deze, zich aan

geen enkelen der wegen door de pampa's aansluitende, niet kon uitloopen

op de steden, de dorpen of de nederzettingen in het argentijnsche

gebied. Elken morgen liep men tegen de opgaande zon in, zonder van de

regte lijn af te gaan, en elken avond was de ondergaande zon aan het

tegenovergestelde uiteinde van die lijn. In zijn hoedanigheid van gids

mogt Thalcave zich dus teregt verwonderen, dat hij niet alleen niet

geleidde, maar zelfs geleid werd. Mogt hij zich er echter al over

verwonderen, dan deed hij het toch met de den Indianen eigene

bescheidenheid, en maakte hij geen aanmerking over de eenvoudige

voetpaden, die men tot nu toe ter zijde had laten liggen. Maar toen hij

nu bij den genoemden grooten weg gekomen was, hield hij zijn paard in en

zeide, zich tot Paganel wendende: "De weg van Carmen."

"Ik weet het wel, brave Patagoniër!" antwoordde de aardrijkskundige in

zijn zuiverste spaansch, "de weg van Carmen naar Mendoza."

"En slaan wij dien niet in?" hernam Thalcave.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En wij gaan?"

"Altijd naar het oosten."

"Dat wil zeggen, nergens."

"Dat is wel mogelijk."

Thalcave zweeg, en zag den geleerde met de grootste verbazing aan. Hij

geloofde echter niet, dat Paganel den spot met hem dreef. Een Indiaan

kan zich nooit verbeelden, dat men niet in vollen ernst spreekt; want

hij zelf is altijd ernstig.

"Gaat gij dan niet naar Carmen?" voegde hij er bij, na een oogenblik

gezwegen te hebben.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En ook niet naar Mendoza?"

"Evenmin."

Glenarvan, die juist bij Paganel kwam, vroeg hem, wat Thalcave zeide en

waarom hij was blijven staan.

"Hij heeft mij gevraagd, of wij naar Carmen of naar Mendoza gaan,"

antwoordde Paganel, "en is zeer verwonderd over mijn ontkennend antwoord

op zijn dubbele vraag."

"Onze weg moet hem ook inderdaad zeer vreemd voorkomen," hernam

Glenarvan.

"Dat geloof ik ook. Hij zegt, dat wij nergens naar toe gaan."

"Welnu, Paganel! zoudt gij geen kans zien om hem het doel van onzen togt

op te helderen, en welk belang wij er bij hebben om altijd oostwaarts te

gaan?"

"Dat zal zeer moeijelijk zijn," antwoordde Paganel, "want een Indiaan

begrijpt niets van graden, en de geschiedenis van het document zal voor

hem een tooververtelling zijn."

"Maar zal hij de geschiedenis niet begrijpen of den verteller?" vroeg de

majoor met een ernstig gezigt.

"Ach! Mac Nabbs!" antwoordde Paganel, "twijfelt gij nog al aan mijn

spaansch?"

"Welnu, beproef het maar eens, mijn waarde vriend!"

"Ik zal mijn best doen."

Paganel keerde zich naar den Patagoniër, en begon een redevoering, die

telkens afgebroken werd door armoede aan woorden, door de moeijelijkheid

om sommige eigenaardigheden te vertalen, en om aan een half onwetenden

wilde bijzonderheden uit te leggen, die tamelijk onbegrijpelijk voor hem

waren. Het was aardig om den geleerde te zien. Hij zwaaide met de

handen, hij sprak de woorden langzaam uit, hij tobde zich op allerlei

wijzen af, en de zweetdruppels vielen als een waterval van zijn

voorhoofd op zijn borst. Als de tong hem haar dienst weigerde, kwam de

arm haar te hulp. Paganel steeg af en teekende op het zand een

landkaart, waarop de middagcirkels en de parallellen elkander kruisten,

waarop de beide oceanen voorkwamen, waarop de weg van Carmen niet

vergeten was. Nooit verkeerde een onderwijzer in zulk een verlegenheid.

Thalcave zag dat alles zeer bedaard aan, zonder te laten blijken of hij

het al dan niet begreep.

De les van den aardrijkskundige duurde meer dan een half uur. Vervolgens

zweeg hij stil, wischte zijn gelaat af, waarop het zweet parelde, en zag

den Patagoniër aan.

"Heeft hij het begrepen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal spoedig blijken," antwoordde Paganel; "maar als hij het niet

begrepen heeft, geef ik het op."

Thalcave verroerde zich niet en sprak evenmin. Hij hield zijn oog

onafgewend op de in het zand geteekende figuur gevestigd, die de wind

langzamerhand uitwischte.

"Welnu?" vroeg Paganel hem.

Thalcave scheen het niet te hooren. Paganel zag reeds, hoe een

spotachtig glimlachje de lippen van den majoor krulde, en zijn eer

willende redden, stond hij op het punt om zijn les in de aardrijkskunde

met nieuwen ijver weder te beginnen, toen de Patagoniër hem door een

gebaar het zwijgen oplegde.

"Gij zoekt een gevangene?" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Paganel.

"En juist op deze lijn tusschen de opgaande en de ondergaande zon?"

voegde Thalcave er bij, zoo door een vergelijking in den trant der

Indianen den weg van het westen naar het oosten aanduidende.

"Ja, ja! zoo is het."

"En het is uw God," zeide de Patagoniër, "die aan de golven der

eindelooze zee de geheimen van den gevangene toevertrouwd heeft?"

"God zelf."

"Dat zijn wil dan geschiede!" antwoordde Thalcave met zekere

plegtigheid. "Wij zullen in het oosten opgaan, en als het noodig is tot

de zon toe!"

Paganel, die zegevierde in den persoon van zijn leerling, vertaalde

onmiddellijk voor zijn makkers de antwoorden van den Indiaan.

"Welk een schrander ras!" voegde hij er bij. "Van twintig boeren uit

mijn land zouden er negentien niets van mijn uitlegging begrepen

hebben!"

Glenarvan verzocht nu Paganel om den Patagoniër te vragen, of hij ook

gehoord had, dat vreemdelingen in de handen van Indianen uit de pampa's

gevallen waren.

Paganel deed het en wachtte op antwoord.

"Misschien," zeide de Patagoniër.

Op dit woord, dat onmiddellijk vertaald werd, omringden de zeven

reizigers Thalcave. Allen zagen hem met vragende blikken aan.

Vol aandoening en naauwelijks woorden vindende, hervatte Paganel dat zoo

belangwekkend verhoor, terwijl zijne oogen, strak op den deftigen

Indiaan gevestigd, zijn antwoord trachtten te raden vóór het over zijn

lippen kwam.

Elk spaansch woord van den Patagoniër herhaalde hij in het engelsch,

zoodat zijn reisgenooten hem om zoo te zeggen in hun moedertaal hoorden

spreken.

"En die gevangene?" vroeg Paganel.

"Was een vreemdeling," antwoordde Thalcave, "een Europeaan."

"Hebt gij hem gezien?"

"Neen! maar de Indianen spreken van hem in hun verhalen. Hij was een

dapper man! Hij had het hart van een stier!"

"Het hart van een stier!" zeide Paganel. "Ach! wat is die patagonische

taal toch heerlijk! Gij begrijpt het, vrienden! hij bedoelt een moedig

man!"

"Mijn vader!" riep Robert Grant.

En zich tot Paganel wendende, vroeg hij hem:

"Hoe zegt men in het spaansch: _het is mijn vader_?"

"_Es mio padre_," antwoordde de aardrijkskundige.

Terstond zeide Robert, de handen van Thalcave vattende, met een zachte

stem: "_Es mio padre_!"

"_Suo padre_[3]!" antwoordde de Patagoniër, wiens gelaat geheel

ophelderde.

Hij nam het kind in zijn armen, tilde hem van het paard, en beschouwde

hem met nieuwsgierigheid en mededoogen. Zijn verstandig gelaat kreeg een

uitdrukking van stille ontroering.

Maar Paganel was nog niet aan het einde van zijn verhoor. Waar was die

gevangene? Wat deed hij? Wanneer had Thalcave van hem hooren spreken? Al

deze vragen verdrongen elkander te gelijk in zijn geest.

De antwoorden bleven niet uit, en hij vernam, dat de Europeaan slaaf was

bij een der indiaansche stammen, die het land tusschen de Colorado en de

Rio Negro doorkruisen.

"Maar waar was hij het laatst?" vroeg Paganel.

"Bij den kazike Calfoucoura," antwoordde Thalcave.

"Op den weg, dien wij tot nu toe gevolgd zijn?"

"Ja."

"En wie is die kazike?"

"Het hoofd der Poyuche-Indianen, een man met twee tongen, een man met

twee harten!"

"Dat wil zeggen, valsch in woord en valsch in daad," zeide Paganel, na

dit schoone beeld der patagonische taal voor zijn makkers vertaald te

hebben. "En zullen wij onzen vriend kunnen verlossen?" voegde hij er

bij.

"Misschien, als hij nog in handen van de Indianen is."

"En wanneer hebt gij van hem hooren spreken?"

"Reeds lang geleden; na dien tijd heeft de zon reeds twee zomers aan den

hemel der pampa's teruggebragt!"

Het is onmogelijk om de vreugde van Glenarvan te beschrijven. Dit

antwoord sloot juist met den datum van het document. Maar nog ééne vraag

bleef er aan Thalcave te doen. Paganel deed haar terstond.

"Gij spreekt van één gevangene," zeide hij; "waren er geen drie?"

"Dat weet ik niet," antwoordde Thalcave.

"En is u niets bekend van zijn tegenwoordigen toestand?"

"Niets."

Dit laatste woord maakte een einde aan het gesprek. Welligt waren de

drie gevangenen reeds lang van elkander gescheiden. Maar de slotsom der

inlichtingen door den Patagoniër gegeven was, dat de Indianen van een

Europeaan spraken, die in hun magt was gevallen. De tijd zijner

gevangenneming, de plaats zelfs waar hij zijn moest, alles, ook de

patagonische spreekwijze, die gebezigd was om zijn moed uit te drukken,

had klaarblijkelijk betrekking op kapitein Harry Grant.

Den volgenden dag, den 25sten October, sloegen de reizigers met nieuwe

opgewektheid den weg naar het oosten in. De altijd treurige en

eentoonige vlakte vormde een van die eindelooze ruimten, die in de

landtaal "travesia's" genoemd worden. De kleiachtige, door den wind

gedroogde bodem, was zuiver waterpas; geen steen, zelfs geen keisteentje

was er te zien, behalve in eenige dorre en drooge holle wegen, of aan

den kant der door kunst gevormde poelen, door de hand der Indianen

gegraven. Op verre afstanden van elkander vertoonden zich lage bosschen

met zwartachtige toppen, waarboven hier en daar witte St.

Jansbroodboomen uitstaken, wier schil een suikerzoet, aangenaam

verfrisschend vruchtvleesch bevat; verder eenige boschjes

terpentijnboomen, "chañares," wilde brem, en een aantal met doornen

bezette boomen, wier schraalheid reeds de onvruchtbaarheid van den bodem

verried.

De 26ste was een vermoeijende dag. Het doel was de Rio Colorado te

bereiken. Maar de paarden, door hun ruiters aangevuurd, maakten zulk een

spoed, dat zij dienzelfden avond op 69°45' lengte den grooten stroom der

pampa's bereikten. Zijn indiaansche naam, de Cobu Leubu, beteekent

"groote rivier"; na een langen loop werpt hij zich in den Atlantischen

Oceaan. Bij den mond heeft een opmerkelijke bijzonderheid plaats; want

digt bij de zee vermindert de watermassa, hetzij door inzuiging, hetzij

door verdamping; de oorzaak van dit verschijnsel is nog niet geheel

duidelijk.

Bij de Colorado gekomen, was het eerste werk van Paganel om zich

"aardrijkskundig" in haar water, dat door een roodachtige klei gekleurd

was, te baden. Het verwonderde hem, dat hij het zoo diep vond, een

gevolg van het smelten der sneeuw door de eerste zomerzon. Bovendien was

de breedte der rivier zoo aanmerkelijk, dat de paarden haar niet konden

overzwemmen. Gelukkig lag er eenige honderden vademen stroomopwaarts een

brug van gevlochten rijswerk, vastgehouden door smalle lederen riemen en

op de indiaansche wijze opgehangen. De kleine troep kon dus den stroom

overtrekken en zich op den linkeroever legeren.

Alvorens te gaan slapen wilde Paganel de Colorado naauwkeurig opnemen.

Hij teekende ze met de grootste zorgvuldigheid op de kaart aan, in

plaats van den Yarou-Dzangbo-Tchou, die zonder hem in het gebergte van

Thibet stroomde.

De beide volgende dagen, 27 en 28 October, werd de reis zonder

ongevallen voortgezet. De grond bleef even eentoonig en een

onvruchtbaar. Geen landschap leverde ooit minder afwisseling op, geen

panorama was ooit onbeduidender. Intusschen werd de grond vochtiger. Zij

moesten "canada's" overtrekken, een soort van onder water staande lage

landen, en "estero's," blijvende plassen, digt bezet met waterplanten.

Des avonds hielden de paarden stil aan den oever van een groot meer met

mineraalwater, het Urre Lanquem, door de Indianen "bittermeer" genoemd,

dat in 1862 getuige was van een weerwraak der argentijnsche troepen. Men

legerde zich op de gewone wijze, en de nacht zou goed geweest zijn

zonder de aanwezigheid van apen, allouaten[4] en wilde honden. Die

luidruchtige dieren voerden, zeker ter eere, maar stellig tot verdriet

der europeesche ooren een van die natuurlijke simfoniën uit, die een

componist der toekomstmuziek gaarne als zijn werk zou erkend hebben.

[1] 150 ned. mijlen

[2] roovers uit de vlakte.

[3] Zijn vader.

[4] soorten van kleine amerikaansche apen.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 24 / 37 题