En zich tot den Patagoniër keerende, herhaalde bij: "_Espagñol_?"

"_Si, si_![6]" antwoordde de inboorling.

De verrassing van Paganel ging tot verbazing over. De majoor en

Glenarvan knipoogden tegen elkander.

"Hoe is het, mijn geleerde vriend?" zeide de majoor, terwijl

onwillekeurig een glimlachje zijn lippen krulde, "hebt gij misschien

weder een van die buijen van verstrooidheid gehad, die gij in pacht

schijnt te hebben?"

"Wat blieft!" zeide de aardrijkskundige eenigzins geraakt.

"Ja! het is zeker, dat die Patagoniër spaansch spreekt...."

"Hij!"

"Ja, hij! zoudt gij wel ligt een andere taal geleerd hebben,

denkende...."

Mac Nabbs voltooide den zin niet. Een krachtig "och!" van den geleerde,

vergezeld van een veelbeteekenend schouderophalen, deed hem eensklaps

zwijgen.

"Majoor! gij gaat te ver," zeide Paganel op een droogen toon.

"Maar, daar gij toch niet begrijpt!" antwoordde Mac Nabbs.

"Ik begrijp niet, omdat die inboorling niet goed spreekt!" antwoordde de

aardrijkskundige, die ongeduldig begon te worden.

"Dat wil zeggen, dat hij niet goed spreekt, omdat gij niet begrijpt,"

gaf de majoor bedaard ten antwoord.

"Dat is toch een onaannemelijke vooronderstelling, Mac Nabbs!" zeide nu

Glenarvan. "Hoe verstrooid onze vriend Paganel ook zijn moge, kan men

toch niet aannemen, dat dit zoover zou gegaan zijn, dat hij de eene taal

voor de andere zou geleerd hebben!"

"Verklaar mij de zaak dan wat nader, waarde Edward! of liever gij, brave

Paganel!"

"Ik verklaar niet," antwoordde Paganel, "ik bevestig. Hier is het boek,

waarin ik mij dagelijks in de moeijelijkheden der spaansche taal oefen!

Bezie het maar, majoor! en gij zult zien of ik u om den tuin leid!"

Dit zeggende tastte Paganel in zijne zakken; na eenige minuten gezocht

te hebben, haalde hij er een zeer gehavend boek uit en bood het met een

zeker voorkomen aan. De majoor nam het boek en zag hem aan:

"Wat is dat voor een werk?" vroeg hij.

"Het is de _Lusiade_," antwoordde Paganel, "een heerlijk heldendicht,

dat...."

"De _Lusiade_!" riep Glenarvan.

"Ja, mijn vriend! de _Lusiade_ van den grooten Camoëns, niets meer en

niets minder!"

"Camoëns!" herhaalde lord Edward; "maar, ongelukkige vriend! Camoëns is

een Portugees. Dus leert gij reeds zes weken lang het portugeesch!"

"Camoëns! _Lusiade_! portugeesch!..."

Paganel wist niet meer, wat hij er van zeggen moest. Zijn oogen werden

vochtig onder zijn bril, terwijl een luid gelach in zijn ooren klonk;

want al zijn reismakkers stonden om hem heen.

De Patagoniër vertrok zijn gezigt niet; hij wachtte geduldig op de

verklaring van een voorval, dat voor hem geheel onbegrijpelijk was.

"Ach! zinnelooze! dwaas, die ik ben!" zeide Paganel eindelijk. "Hoe is

het mogelijk! Dat is geen moedwillig verzinsel! Ik zelf heb het gedaan!

Maar, dat is een spraakverwarring, evenals te Babel! Ach! vrienden!

vrienden! naar Indië te vertrekken en in Chili aan te komen! het

spaansch te leeren en portugeesch te spreken! dat is te sterk, en als

het zoo voortgaat, zal ik nog eens zelf uit het raam springen in plaats

van mijn sigaar naar buiten te werpen!"

Als men Paganel zoo over zijn misvatting hoorde spreken en zijn grappige

wanhoop zag, was het onmogelijk om ernstig te blijven. Hij zelf gaf er

dan ook trouwens het voorbeeld van.

"Lacht, mijne vrienden!" zeide hij, "lacht, zooveel gij wilt! Gij zult

niet zooveel om mij lagchen, als ik zelf er om lach!" En hij barstte in

het luidste gelach uit, dat ooit uit den mond van een geleerde kwam.

"Het is niettemin waar, dat wij nu zonder tolk zijn," zeide de majoor.

"O, troost u maar!" antwoordde Paganel; "het portugeesch en het spaansch

gelijken zoo zeer op elkander, dat ik mij er in vergist heb; maar

diezelfde overeenkomst zal mij in staat stellen om mijn dwaling spoedig

te herstellen, en binnen kort wil ik dien waardigen Patagoniër bedanken

in de taal, die hij zoo goed spreekt."

Paganel had gelijk; want hij kon weldra eenige woorden met den

inboorling wisselen; hij vernam zelfs, dat de Patagoniër Thalcave

heette, een woord, dat in de araucanische taal "Donderaar" beteekent.

Dien bijnaam had hij ongetwijfeld gekregen om zijn bedrevenheid in het

hanteeren der vuurwapenen.

Maar wat Glenarvan vooral aanstond was de mededeeling, dat de Patagoniër

gids van beroep, en wel gids door de pampa's was. De vinger Gods was zoo

duidelijk in die ontmoeting, dat de goede uitslag der onderneming reeds

den vorm van een voldongen feit aannam, en niemand twijfelde nu meer aan

de redding van kapitein Grant.

Intusschen waren de reizigers en de Patagoniër naar Robert teruggekeerd.

Deze breidde zijn armen naar den inboorling uit, die, zonder een woord

te spreken, hem de hand op het hoofd legde. Hij onderzocht het kind en

betastte zijn pijnlijke leden. Glimlagchende ging hij nu aan de oevers

der beek eenige handen vol wilde selderie plukken, waarmede hij het

ligchaam van den zieke wreef. Onder dit wrijven, dat zeer zacht verrigt

werd, voelde het kind zijn krachten terugkomen, en het bleek ras, dat

hij slechts eenige uren rust behoefde om geheel te herstellen.

Er werd dus besloten, dat deze dag en de volgende nacht in de

legerplaats doorgebragt zouden worden. Er waren ook nog twee gewigtige

vragen op te lossen betreffende het voedsel en het vervoer. Men had

gebrek aan levensmiddelen en muilezels beiden. Gelukkig, dat Thalcave er

was. Die gids, gewoon om de reizigers langs de patagonische grenzen te

geleiden, en een der schranderste baqueano's van het land, nam op zich

om Glenarvan van al het ontbrekende te voorzien. Hij bood aan om hem

naar een "tolderia" van Indianen, hoogstens vier mijlen verder, te

brengen, waar hij alles vinden zou, wat noodig was voor den togt. Dit

voorstel werd half in de gebarentaal, half in spaansche woorden gedaan,

die het Paganel gelukte om te verstaan. Het werd aangenomen. Na afscheid

van hun reismakkers genomen te hebben, gingen Glenarvan en zijn geleerde

vriend terstond opwaarts langs het riviertje onder geleide van den

Patagoniër.

Anderhalf uur lang liepen zij stevig en met groote schreden door om den

reus Thalcave bij te houden. Deze geheele streek der Andes was liefelijk

en hoogst vruchtbaar. Het was een onafgebroken reeks van vette weiden,

die gemakkelijk een leger van honderd duizend herkaauwende dieren hadden

kunnen voeden. Groote vijvers, die met elkander in verband stonden door

een doolhof van beekjes, schonken aan die vlakten het noodige vocht.

Zwartkoppige zwanen vermaakten er zich naar welgevallen en betwistten

het gebied over het water aan talrijke struisvogels, die door de llano's

huppelden. De vogelwereld was zeer schitterend, ook zeer luidruchtig,

maar ook vol afwisseling. De isaca's, bevallige grijsachtige

tortelduifjes, met wit gestreepte vederen, en de gele kardinalen

versierden de boomtakken als met levende bloemen; de trekduiven

doorkruisten den omtrek, terwijl het geheele musschengeslacht, de

"chingolo's," de "hilguero's" en de "monjita's" elkander pijlsnel

vervolgden, en de lucht met hun getjilp vervulden.

Jacques Paganel vond telkens nieuwe stof van bewondering, allerlei

uitroepen volgden elkander op, tot verbazing van den Patagoniër, die het

heel natuurlijk vond, dat er vogels in de lucht, zwanen in de vijvers en

gras op de weiden was. De geleerde had geen reden om zich over de

wandeling of over haar langen duur te beklagen. Het kwam hem voor, alsof

hij pas vertrokken was, toen de legerplaats der Indianen reeds zigtbaar

werd.

Die tolderia was aangelegd op den bodem eener naauwe vallei tusschen de

voorbergen der Andes. Daar woonden in hutten van boomtakken een

dertigtal zwervende inboorlingen, die groote kudden melkkoeijen,

schapen, ossen en paarden weidden. Zij trokken zoo van de eene weide

naar de andere, en vonden overal de tafel gedekt voor hun viervoetige

gasten.

De type zijnde van een gemengd ras van Araucaniërs, Pehuenchen en

Auca's, zouden die Ando-Peruanen met hun olijfkleur, hun middelmatige

gestalte, hun gespierde vormen, hun laag voorhoofd, hun bijna cirkelrond

gelaat, hun dunne lippen, hun uitstekende wangbeenderen, hun verwijfde

trekken en hun onbeteekenend gelaat, in de oogen van den natuurkenner

het karakter der zuivere rassen niet gedragen hebben. In het kort, het

waren inboorlingen, die niets belangwekkends hadden. Glenarvan had ook

wel een oog voor hun kudden, maar niet voor hen. Zij hadden runderen en

paarden, en dat was alles, wat Glenarvan verlangde.

Thalcave belastte zich met de onderhandelingen, die niet lang duurden.

In ruil voor zeven kleine paarden van argentijnsch ras met hun tuig,

voor een honderdtal ponden "charqui" of gedroogd vleesch, voor eenige

maten rijst en eenige lederen waterzakken, namen de Indianen, bij gebrek

aan wijn of rum, die zij liever gehad zouden hebben, twintig onsen

goud[7] aan, waarvan zij de waarde zeer goed kenden. Glenarvan wilde nog

een paard voor den Patagoniër koopen; maar deze gaf hem te kennen, dat

dit niet noodig was.

Toen de koop gesloten was, nam Glenarvan afscheid van zijn nieuwe

"leveranciers," zooals Paganel hen noemde, en was binnen een half uur in

de legerplaats terug. Zijn aankomst werd met gejuich begroet, hetgeen

hij echter niet op zich zelven toepaste, maar, zooals ook het geval was,

op rekening van de levensmiddelen en de rijpaarden stelde. Allen aten

met graagte. Robert gebruikte eenig voedsel; zijn krachten waren bijna

geheel teruggekomen.

Het overige van den dag verliep in een ongestoorde rust. Men sprak een

weinig over koetjes en kalfjes, over de lieve afwezigen, over de

_Duncan_, over kapitein John Mangles, over zijn wakker scheepsvolk, over

Harry Grant, die misschien niet veraf was.

Wat Paganel aangaat, deze verliet den Indiaan niet: hij volgde Thalcave

als diens schaduw. Hij was uitgelaten van vreugde, dat hij nu een echten

Patagoniër zag, met wien vergeleken hij wel een dwerg scheen; een

Patagoniër, die bijna kon wedijveren met dien keizer Maximinus en dien

neger uit Congo, dien de geleerde van der Broek had gezien, welke beiden

acht voet lang waren! Dan overstelpte hij den deftigen Indiaan met

spaansche spreekwijzen, hetgeen deze gewillig toeliet. Ditmaal studeerde

de aardrijkskundige zonder boek. Met behulp van keel, tong en tanden

hoorde men hem allerlei klanken uitbrengen.

"Als ik den klemtoon niet vat," voegde hij den majoor telkens toe, "dan

is het mijn schuld niet. Maar had ik ooit kunnen denken, dat een

Patagoniër mij eens spaansch zou leren!"

[1] Gij zijt een braaf man.

[2] Zeker een Patagoniër?

[3] Geef antwoord!

[4] begrijpt gij?

[5] Ik begrijp het niet.

[6] Ja! ja!

[7] Omtrent acht honderd gulden.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 23 / 37 题