XV.

Het spaansch van Jacques Paganel.

Na pas aan het eene gevaar ontkomen te zijn, werd Robert door een ander,

niet geringer bedreigd, dat van onder liefkozingen te bezwijken. Hoewel

hij nog zeer zwak was, kon geen een van die wakkere lieden de lust

wederstaan om hem te omhelzen. Die hartelijke omhelzingen zijn stellig

niet schadelijk voor de zieken, want het kind stierf er niet aan.

Integendeel.

Maar na den geredde dacht men aan den redder, en zooals van zelf spreekt

was de majoor de eerste, die op de gedachte kwam om eens rond te zien.

Vijftig schreden van het beekje af stond een zeer rijzig man

onbewegelijk stil op een der laagste punten van den berg. Een lang

geweer lag aan zijne voeten. Die man, die zoo plotseling was komen

opdagen, had breede schouders en lange haren, die met lederen riempjes

waren opgebonden. Hij was meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig

gelaat was tusschen de oogen en den mond rood, aan het onderste ooglid

zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van

Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode

figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van

een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de

zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een

naauwsluitende kleeding van vossevel, die van voren in een punt uitliep.

Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij

gebruikte om zijn aangezigt te beschilderen. Zijn laarzen waren van een

stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkaar

gekruiste riemen vastgemaakt.

Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig, in

spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het versierd was. Hij wachtte

in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbewegelijk en deftig op

zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld

der koelbloedigheid gehouden hebben.

Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar

hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep

zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in den blik van den lord, in

de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk

een gevoel van erkentelijkheid, zulk een uitdrukking van dankbaarheid,

dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het

hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon

verstaan.

Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien

te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe

taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de

inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij

tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest

gebruikelijke woorden kende.

"_Espagñol_?" zeide hij.

De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde

toestemmende beteekenis heeft.

"Goed!" zeide de majoor, "dat is een kolfje naar de hand van onzen

vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om

spaansch te leeren!"

Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den

Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets

begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken

ingelicht.

"Zeer goed!" zeide hij.

En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen

uitspreken, zeide hij:

"_Vos sois um homem de bem_![1]"

De inboorling luisterde oplettend, maar antwoordde niet.

"Hij begrijpt mij niet," zeide de aardrijkskundige.

"Misschien legt gij den klemtoon niet goed?" antwoordde de majoor.

"Dat is het. Die duivelsche klemtoon!"

En Paganel herhaalde zijn compliment nog eens, maar met hetzelfde

gevolg.

"Ik zal eens iets anders zeggen," zeide hij, en met een regterlijke

langzaamheid sprekende, liet hij deze woorden hooren:

"_Sem devida, um Patagdo_?[24]"

De ander bleef even stom als te voren.

"_Dizeime_![3]" voegde Paganel er bij.

De Patagoniër gaf nog geen antwoord.

"_Vos compriendeis_?[4]" riep Paganel zoo driftig, dat het weinig

scheelde of hij had zijn stembanden gebroken.

Het was duidelijk, dat de Indiaan hem niet begreep; want hij antwoordde,

maar in het spaansch: "_No comprendo._[5]."

Nu was het de beurt van Paganel om vreemd op te kijken; hij schoof

driftig zijn bril van zijn voorhoofd voor zijn oogen, als iemand, wiens

bloed aan het koken gaat.

"Ik laat mij hangen," zeide hij, "als ik een woord van dat helsche

koeterwaalsch versta! Het is zeker araucanisch!"

"Wel neen," antwoordde Glenarvan, "die man heeft zeker in het spaansch

geantwoord."

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 22 / 37 题