Het spaansch van Jacques Paganel.
Na pas aan het eene gevaar ontkomen te zijn, werd Robert door een ander,
niet geringer bedreigd, dat van onder liefkozingen te bezwijken. Hoewel
hij nog zeer zwak was, kon geen een van die wakkere lieden de lust
wederstaan om hem te omhelzen. Die hartelijke omhelzingen zijn stellig
niet schadelijk voor de zieken, want het kind stierf er niet aan.
Integendeel.
Maar na den geredde dacht men aan den redder, en zooals van zelf spreekt
was de majoor de eerste, die op de gedachte kwam om eens rond te zien.
Vijftig schreden van het beekje af stond een zeer rijzig man
onbewegelijk stil op een der laagste punten van den berg. Een lang
geweer lag aan zijne voeten. Die man, die zoo plotseling was komen
opdagen, had breede schouders en lange haren, die met lederen riempjes
waren opgebonden. Hij was meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig
gelaat was tusschen de oogen en den mond rood, aan het onderste ooglid
zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van
Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode
figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van
een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de
zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een
naauwsluitende kleeding van vossevel, die van voren in een punt uitliep.
Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij
gebruikte om zijn aangezigt te beschilderen. Zijn laarzen waren van een
stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkaar
gekruiste riemen vastgemaakt.
Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig, in
spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het versierd was. Hij wachtte
in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbewegelijk en deftig op
zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld
der koelbloedigheid gehouden hebben.
Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar
hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep
zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in den blik van den lord, in
de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk
een gevoel van erkentelijkheid, zulk een uitdrukking van dankbaarheid,
dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het
hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon
verstaan.
Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien
te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe
taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de
inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij
tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest
gebruikelijke woorden kende.
"_Espagñol_?" zeide hij.
De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde
toestemmende beteekenis heeft.
"Goed!" zeide de majoor, "dat is een kolfje naar de hand van onzen
vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om
spaansch te leeren!"
Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den
Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets
begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken
ingelicht.
"Zeer goed!" zeide hij.
En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen
uitspreken, zeide hij:
"_Vos sois um homem de bem_![1]"
De inboorling luisterde oplettend, maar antwoordde niet.
"Hij begrijpt mij niet," zeide de aardrijkskundige.
"Misschien legt gij den klemtoon niet goed?" antwoordde de majoor.
"Dat is het. Die duivelsche klemtoon!"
En Paganel herhaalde zijn compliment nog eens, maar met hetzelfde
gevolg.
"Ik zal eens iets anders zeggen," zeide hij, en met een regterlijke
langzaamheid sprekende, liet hij deze woorden hooren:
"_Sem devida, um Patagdo_?[24]"
De ander bleef even stom als te voren.
"_Dizeime_![3]" voegde Paganel er bij.
De Patagoniër gaf nog geen antwoord.
"_Vos compriendeis_?[4]" riep Paganel zoo driftig, dat het weinig
scheelde of hij had zijn stembanden gebroken.
Het was duidelijk, dat de Indiaan hem niet begreep; want hij antwoordde,
maar in het spaansch: "_No comprendo._[5]."
Nu was het de beurt van Paganel om vreemd op te kijken; hij schoof
driftig zijn bril van zijn voorhoofd voor zijn oogen, als iemand, wiens
bloed aan het koken gaat.
"Ik laat mij hangen," zeide hij, "als ik een woord van dat helsche
koeterwaalsch versta! Het is zeker araucanisch!"
"Wel neen," antwoordde Glenarvan, "die man heeft zeker in het spaansch
geantwoord."