XIV.

Een gelukkig geweerschot.

De oostelijke zijde van de Cordillera de los Andes bestaat uit zachte

glooijingen, die ongemerkt in de vlakte uit loopen. Daar was een

gedeelte van het vaste gesteente plotseling blijven liggen. In deze

nieuwe streek met digt gras begroeid, met prachtige boomen bedekt,

droegen tallooze appelboomen, die ten tijde der verovering geplant waren

en geheele bosschen vormden, hun goudgele vruchten. Het was een hoek van

het weelderige Normandië in het zilverland neergesmeten, en onder iedere

andere omstandigheid zou het oog eens reizigers getroffen geweest zijn

door dien plotselingen overgang uit de woestijn in de oasis, van de

besneeuwde bergtoppen in de groene weiden, van den winter in den zomer.

De grond was weder even onbewegelijk geworden als altijd. De aardbeving

was afgeloopen, en zonder twijfel oefenden de onderaardsche krachten

haar verwoestende werking nu verder uit; want de Andes-keten schudt en

beeft altijd hier of daar. Ditmaal was de schudding allerhevigst

geweest. De berglijn was geheel gewijzigd. Een nieuw panorama van

toppen, kammen en pieken teekende zich af op den blaauwen grond des

hemels, en de gids uit de pampa's zou er te vergeefs naar zijn gewone

herkenningspunten gezocht hebben.

De dag beloofde zeer schoon te zullen zijn; de stralen der zon, die haar

vochtig bed in de Stille Zuidzee had verlaten, gleden over de

argentijnsche vlakten en dompelden zich reeds in de golven van den

Atlantischen Oceaan. Het was acht ure in den morgen.

Door de zorg van den majoor weder bijgebragt, kwamen Edward Glenarvan en

diens makkers langzamerhand in het leven terug. Het bleek nu, dat zij

met een verschrikkelijke verdooving vrij waren gekomen. Zij waren van de

Cordillera afgedaald, en zouden reden gehad hebben om zich te verheugen

over het snelle middel van vervoer, door de natuur bekostigd, hadden zij

niet een hunner, en wel de zwakste, een kind, Robert Grant gemist.

Allen beminden dien wakkeren knaap: Paganel, die zich bijzonder aan hem

gehecht had, de majoor ondanks zijn koelheid, allen, maar vooral

Glenarvan. Deze was wanhopend, toen hij de verdwijning van Robert

vernam. Hij stelde zich voor, hoe het arme kind in den een of anderen

afgrond weggezonken zou zijn, en hoe hij te vergeefs om hem roepen zou,

dien hij zijn tweeden vader noemde.

"Vrienden! vrienden!" zeide hij, met moeite zijn tranen bedwingende,

"wij moeten hem zoeken, wij moeten hem terug vinden! Wij kunnen hem zoo

niet aan zijn lot overlaten! Geen vallei, geen kloof, geen afgrond mogen

wij ondoorzocht laten! Gij moet mij een touw om het lijf binden! Gij

moet mij aflaten! Ik wil het, hoort gij? ik wil het! De Hemel geve, dat

Robert nog leeft, en ik zal hem redden! Hoe zouden wij zonder hem zijn

vader durven opzoeken, en welk regt hebben wij om kapitein Grant te

redden, wanneer het geschieden moet ten koste van het leven zijns

zoons?"

De reisgenooten van Glenarvan hoorden hem sprakeloos aan; zij gevoelden,

dat hij een straal van hoop in hun blikken trachtte te vinden, en

sloegen de oogen neder.

"Welnu!" hervatte lord Edward, "gij verstaat mij, en gij zwijgt!

Koestert gij dan geen hoop meer, ook niet de geringste?"

Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte, tot Mac Nabbs het

woord opvatte en zeide:

"Wie uwer, mijne vrienden! herinnert zich, wanneer Robert verdwenen is?"

Op die vraag volgde geen antwoord.

"Gij zult mij dan toch wel kunnen zeggen," vervolgde de majoor, "wie het

kind naast zich had bij de afdaling van de Cordillera?"

"Ik," antwoordde Wilson.

"Welnu, tot wanneer hebt gij hem naast u gezien? Bedenk u wel! Spreek!"

"Ik herinner mij alleen," antwoordde Wilson, "dat Robert Grant, terwijl

hij met de hand krampachtig een bosje korstmos vasthield, geen twee

minuten vóór den schok, die een einde aan onze afdaling maakte, nog

naast mij was."

"Geen twee minuten! Bedenk u wel, Wilson! de minuten hebben u zeker wat

lang toegeschenen! Vergist gij u niet?"

"Ik geloof, dat ik zeker ben van hetgeen ik zeg.... Ja, het is zoo ...

geen twee minuten!"

"Goed!" zeide Mac Nabbs. "En was Robert aan uw linker- of aan uw

regterzijde?"

"Aan mijn linkerzijde. Ik herinner mij, dat zijn mantel mij in het

aangezigt woei."

"En in welke rigting bevondt gij u met betrekking tot ons?..."

"Ook ter linkerzijde."

"Dus heeft Robert alleen aan deze zijde kunnen verdwijnen," zeide de

majoor zich naar den berg wendende en deszelfs regterzijde aanwijzende.

"Ik voeg er bij, dat, den tijd in aanmerking genomen, die sedert zijn

verdwijning verloopen is, het kind gevallen moet zijn op dat gedeelte

van den berg, dat zich bevindt tusschen den voet en eene hoogte van twee

mijlen. Daar moeten wij zoeken; wij zullen ons naar verschillende punten

begeven, en dan zullen wij hem zeker terug vinden."

Geen woord werd er verder gewisseld. De zes mannen bestegen de

Cordillera, plaatsten zich op haar rug op verschillende hoogten en

begonnen hun nasporingen. Zij bleven steeds ter regterzijde van de lijn

van nederdaling, doorzochten de geringste scheuren, daalden op den bodem

der afgronden neder, die gedeeltelijk gedempt waren door de brokken van

het vaste gesteente, en meer dan één hunner kwam er uit te voorschijn

met gescheurde kleederen en bebloede handen en voeten, na zijn leven te

hebben blootgesteld. Behalve eenige ontoegankelijke bergvlakken, werd

dit gedeelte der Andes uren lang naauwkeurig onderzocht, zonder dat een

van die moedige lieden er aan dacht om rust te nemen. Vergeefsche

moeite. Het kind had niet alleen den dood in den berg gevonden, maar ook

een graf, welks zerk, uit het een of ander ontzaggelijk rotsblok

bestaande, zich voor eeuwig boven hem gesloten had.

Tegen één ure waren Glenarvan en zijne reisgezellen, uitgeput en

afgemat, weder op den bodem van het dal bijeen. Lord Edward was aan een

hevige smart ter prooi; hij sprak naauwelijks, en alleen deze woorden,

door snikken afgebroken, kwamen over zijne lippen:

"Ik zal niet heengaan! Ik zal niet heengaan!"

Allen begrepen die stijfhoofdigheid, welke tot een vaststaand denkbeeld

was geworden, en eerbiedigden ze.

"Laten wij wachten," zeide Paganel tot den majoor en tot Tom Austin.

"Laten wij wat uitrusten en onze krachten herstellen. Wij hebben ze

noodig, of om onze nasporingen te vernieuwen, of om onzen weg te

vervolgen."

"Ja!" antwoordde Mac Nabbs, "wij zullen blijven, omdat Edward het

verlangt! Hij hoopt. Maar wat hoopt hij?"

"God weet het!" zeide Tom Austin.

"Arme Robert!" antwoordde Paganel, zich de oogen afdroogende.

Er groeiden een menigte boomen in het dal; de majoor koos een groep

hooge St. Jansbroodboomen, waaronder hij een voorloopige legerplaats

liet opslaan. Eenige dekens, de wapens, een weinig gedroogd vleesch en

rijst, was alles, wat de reizigers over hadden gehouden. Niet verre van

daar stroomde een beekje, welks door de lawine nog min of meer troebel

water in de eerste behoefte voorzag. Mulrady ontstak vuur op het gras,

en spoedig kon hij zijn heer een warme en verkwikkende drank aanbieden.

Glenarvan weigerde ze, en bleef van alle kracht beroofd op zijn mantel

uitgestrekt liggen.

Zoo verstreek de dag. De volgende nacht was even kalm en stil als de

voorgaande. Terwijl zijne makkers wel roerloos maar toch wakker lagen,

beklom Glenarvan op nieuw de hellingen der Cordillera. Hij luisterde

scherp, nog altijd hopende, dat een laatste kreet tot hem zou

doordringen. Hij waagde zich, al was hij alleen, zeer ver bergop, leide

zijn oor tegen den grond, luisterde en onderdrukte zelfs het kloppen van

zijn hart, terwijl hij op een toon van wanhoop het kind riep.

Den geheelen nacht dwaalde de arme lord op den berg rond. Paganel en de

majoor volgden hem beurtelings, gereed om hem hulp te bieden op de

gladde rotspunten en aan den rand der afgronden, waarheen zijn

nuttelooze onvoorzigtigheid hem voerde. Maar al zijn pogingen waren

vergeefsch, en alleen de echo antwoordde op zijn duizendwerf herhaald

geroep van "Robert! Robert!" door dien geliefden naam na te baauwen.

De zon ging op. Men moest Glenarvan van de verwijderde bergvlakken

halen, en hem, hoewel tegen zijn zin, naar de legerplaats brengen. Zijn

wanhoop was ontzettend. Wie zou tegen hem van vertrekken hebben durven

spreken, en hem voorstellen om dat rampzalige dal te verlaten? Inmiddels

raakten de levensmiddelen op. Digt bij zou men de argentijnsche gidsen,

die de muilezeldrijver besteld had, en de paarden, die voor de reis door

de pampa's noodig waren, ontmoeten. De terugtogt was met meer bezwaren

verbonden dan het voortzetten der reis. Bovendien, de _Duncan_ zou aan

de kust van den Atlantischen Oceaan wachten. Al die gewigtige redenen

gedoogden geen langer verwijl, en in aller belang mogt het uur van

vertrek niet uitgesteld worden.

Mac Nabbs beproefde Glenarvan uit zijn smart op te beuren. Hij sprak

lang, zonder dat zijn vriend hem scheen te verstaan. Glenarvan schudde

het hoofd. Toch kwamen eenige woorden over zijne lippen.

"Vertrekken!" zeide hij.

"Ja! vertrekken."

"Nog één uur!" zeide lord Edward.

"Ja, nog één uur," antwoordde de waardige majoor.

En toen het uur om was, smeekte Glenarvan als een gunst om hem nog één

uur toe te staan. Men zou gezegd hebben dat hij een veroordeelde was,

die om verlenging zijns levens bad. Dat duurde zoo tot omstreeks twaalf

ure. Toen aarzelde Mac Nabbs met aller goedkeuring niet langer, en zeide

tot Glenarvan, dat zij moesten vertrekken, en dat het leven zijner

reisgenooten van een snel besluit afhing.

"Ja! ja!" zeide lord Edward, "laten wij vertrekken!"

Maar terwijl hij zoo sprak, dwaalde zijn oog van Mac Nabbs af; zijn blik

bleef op een zwarte stip in de lucht gevestigd. Eensklaps stak hij zijn

hand omhoog, en bleef onbewegelijk staan, alsof hij versteend ware.

"Daar! daar!" zeide hij, "ziet! ziet!"

Allen wendden de oogen hemelwaarts en in de rigting, die hun zoo

gebiedend werd aangewezen. Thans werd de zwarte stip zigtbaar grooter.

Het was een vogel, die op een onmetelijken afstand in de lucht zweefde.

"Een condor," zeide Paganel.

"Wat zegt gij? een condor!" antwoordde Glenarvan.

"Wie weet? hij komt! hij daalt! wacht even!"

Wat hoopte lord Edward? Was zijn verstand verbijsterd? "Wie weet?" had

hij gezegd! Paganel had goed gezien. De condor werd ieder oogenblik

duidelijker zigtbaar. Die prachtige vogel, wien de Incas voorheen

goddelijke eer bewezen, is de koning der zuidelijke Andes. In deze

streken bereikt hij een buitengewone grootte. Zijn kracht is verbazend,

en menigmaal stort hij runderen in den afgrond neder. Hij valt schapen,

geiten en jonge kalveren, die in de vlakte rondloopen, aan, en voert ze

in zijn klaauwen tot een verbazende hoogte. Niet zelden zweeft hij

twintig duizend voet boven den grond, d.i. op een hoogte, die de mensch

niet kan overschrijden. Van daar laat die koning der lucht, voor het

beste gezigt onmerkbaar, zijn scherpen blik over de aarde weiden, en

onderscheidt hij de geringste voorwerpen met een gezigtsvermogen, dat de

verwondering der natuurkundigen opwekt.

Wat had die condor dan gezien? Een lijk! dat van Robert Grant. "Wie

weet?", herhaalde Glenarvan, zonder hem uit het oog te verliezen. De

ontzaggelijke vogel naderde, nu eens zwevende, dan weder met de snelheid

van een vallend ligchaam nederdalende. Weldra beschreef hij, geen

honderd vademen van den grond, met een grooten straal wijde cirkels. Men

kon hem geheel onderscheiden. Op zijn krachtige vleugels dreef hij bijna

zonder klapwieken op de lucht; want het is een eigenschap der groote

vogels, dat zij met een majestueuse kalmte vliegen, terwijl de insecten

om te blijven zweven wel duizendmaal in een seconde hun vlerkjes moeten

uitslaan.

De majoor en Wilson hadden hun karabijn gegrepen. Glenarvan hield hen

met een gebaar tegen. De condor beschreef in zijn vlugt kringen boven

een soort van ontoegankelijk bergvlak, een kwartmijl hoog op de zijden

der Cordillera gelegen. Hij draaide met een duizelingwekkende snelheid

rond, opende en sloot zijn vreeselijke klaauwen, en schudde zijn

kraakbeenigen kam.

"Daar! daar!" riep Glenarvan.

Daar schoot hem eensklaps een gedachte te binnen.

"Als Robert nog leeft!" riep hij op een toon van ontzetting, "dan zal

die vogel.... Vuur! vrienden! vuur!" Maar het was te laat. De condor was

reeds achter hooge, uitstekende rotspunten verdwenen. Er verliep een

seconde, een seconde die wel een eeuw duurde! Daarna kwam de

ontzaggelijke vogel zwaar beladen weder te voorschijn, en verhief zich

langzaam in de lucht.

Een kreet van ontzetting ging er op. Men zag, hoe de condor een

levenloos ligchaam, dat van Robert Grant, in zijn klaauwen heen en weer

schudde. De vogel had zijn kleederen vast gegrepen, en bevond zich geen

honderd vijftig voet boven de legerplaats; hij had de reizigers bemerkt

en wilde met zijn zware prooi ontvlugten, waarom hij de luchtlagen hevig

met zijn vleugels sloeg.

"Ach!" riep Glenarvan, "ik zou liever zien, dat het lijk van Robert op

deze rotsen verbrijzeld werd, dan dat het moest dienen...."

Hij voltooide den zin niet, en de karabijn van Wilson grijpende, wilde

hij op den condor aanleggen. Maar zijn arm beefde. Hij kon zijn wapen

niet stil houden. Zijn oogen werden verduisterd.

"Laat mij maar begaan," zeide de majoor.

En met een rustigen blik, een vaste hand en een onbewegelijk ligchaam

mikte hij op den vogel, die reeds drie honderd voet van hem af was.

Maar hij had zijn karabijn nog niet afgedrukt, of daar klonk reeds een

losbranding in het dal; tusschen twee basaltrotsen dwarrelde een witte

rook, en de condor, in den kop getroffen, viel al ronddraaijende

langzaam neder, door zijn grote uitgespreide vleugels opgehouden, die

tot valscherm dienden. Hij had zijn prooi niet losgelaten, en viel vrij

langzaam op den grond neder, op tien schreden afstands van de steile

oevers der beek.

"Helpt! helpt!" riep Glenarvan.

En zonder te onderzoeken, vanwaar dat door de Voorzienigheid bestuurde

schot gekomen was, snelde hij naar den condor. Zijn makkers volgden hem

ijlings.

Toen zij aankwamen, was de vogel dood. Het ligchaam van Robert verdween

onder zijn groote vleugels. Glenarvan wierp zich op het lijk van het

kind, bevrijdde hem uit de klaauwen des vogels, strekte hem op het gras

uit, en drukte zijn oor tegen de borst van dat levenloos ligchaam.

Nooit was er verschrikkelijker vreugdekreet over menschelijke lippen

gekomen, dan toen lord Glenarvan opstond met den uitroep:

"Hij leeft! hij leeft nog!"

Onmiddellijk werd Robert van zijn kleederen ontdaan, en zijn aangezigt

met koud water gewasschen. Hij bewoog zich even, opende zijn oogen, zag

rond en sprak eindelijk de volgende woorden:

"Ach! zijt gij het, mylord!... mijn vader!..."

Glenarvan kon niet antwoorden; de aandoening verstikte zijn stem, en

nederknielende weende hij bij dat zoo wonderdadig geredde kind.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 21 / 37 题