Een gelukkig geweerschot.
De oostelijke zijde van de Cordillera de los Andes bestaat uit zachte
glooijingen, die ongemerkt in de vlakte uit loopen. Daar was een
gedeelte van het vaste gesteente plotseling blijven liggen. In deze
nieuwe streek met digt gras begroeid, met prachtige boomen bedekt,
droegen tallooze appelboomen, die ten tijde der verovering geplant waren
en geheele bosschen vormden, hun goudgele vruchten. Het was een hoek van
het weelderige Normandië in het zilverland neergesmeten, en onder iedere
andere omstandigheid zou het oog eens reizigers getroffen geweest zijn
door dien plotselingen overgang uit de woestijn in de oasis, van de
besneeuwde bergtoppen in de groene weiden, van den winter in den zomer.
De grond was weder even onbewegelijk geworden als altijd. De aardbeving
was afgeloopen, en zonder twijfel oefenden de onderaardsche krachten
haar verwoestende werking nu verder uit; want de Andes-keten schudt en
beeft altijd hier of daar. Ditmaal was de schudding allerhevigst
geweest. De berglijn was geheel gewijzigd. Een nieuw panorama van
toppen, kammen en pieken teekende zich af op den blaauwen grond des
hemels, en de gids uit de pampa's zou er te vergeefs naar zijn gewone
herkenningspunten gezocht hebben.
De dag beloofde zeer schoon te zullen zijn; de stralen der zon, die haar
vochtig bed in de Stille Zuidzee had verlaten, gleden over de
argentijnsche vlakten en dompelden zich reeds in de golven van den
Atlantischen Oceaan. Het was acht ure in den morgen.
Door de zorg van den majoor weder bijgebragt, kwamen Edward Glenarvan en
diens makkers langzamerhand in het leven terug. Het bleek nu, dat zij
met een verschrikkelijke verdooving vrij waren gekomen. Zij waren van de
Cordillera afgedaald, en zouden reden gehad hebben om zich te verheugen
over het snelle middel van vervoer, door de natuur bekostigd, hadden zij
niet een hunner, en wel de zwakste, een kind, Robert Grant gemist.
Allen beminden dien wakkeren knaap: Paganel, die zich bijzonder aan hem
gehecht had, de majoor ondanks zijn koelheid, allen, maar vooral
Glenarvan. Deze was wanhopend, toen hij de verdwijning van Robert
vernam. Hij stelde zich voor, hoe het arme kind in den een of anderen
afgrond weggezonken zou zijn, en hoe hij te vergeefs om hem roepen zou,
dien hij zijn tweeden vader noemde.
"Vrienden! vrienden!" zeide hij, met moeite zijn tranen bedwingende,
"wij moeten hem zoeken, wij moeten hem terug vinden! Wij kunnen hem zoo
niet aan zijn lot overlaten! Geen vallei, geen kloof, geen afgrond mogen
wij ondoorzocht laten! Gij moet mij een touw om het lijf binden! Gij
moet mij aflaten! Ik wil het, hoort gij? ik wil het! De Hemel geve, dat
Robert nog leeft, en ik zal hem redden! Hoe zouden wij zonder hem zijn
vader durven opzoeken, en welk regt hebben wij om kapitein Grant te
redden, wanneer het geschieden moet ten koste van het leven zijns
zoons?"
De reisgenooten van Glenarvan hoorden hem sprakeloos aan; zij gevoelden,
dat hij een straal van hoop in hun blikken trachtte te vinden, en
sloegen de oogen neder.
"Welnu!" hervatte lord Edward, "gij verstaat mij, en gij zwijgt!
Koestert gij dan geen hoop meer, ook niet de geringste?"
Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte, tot Mac Nabbs het
woord opvatte en zeide:
"Wie uwer, mijne vrienden! herinnert zich, wanneer Robert verdwenen is?"
Op die vraag volgde geen antwoord.
"Gij zult mij dan toch wel kunnen zeggen," vervolgde de majoor, "wie het
kind naast zich had bij de afdaling van de Cordillera?"
"Ik," antwoordde Wilson.
"Welnu, tot wanneer hebt gij hem naast u gezien? Bedenk u wel! Spreek!"
"Ik herinner mij alleen," antwoordde Wilson, "dat Robert Grant, terwijl
hij met de hand krampachtig een bosje korstmos vasthield, geen twee
minuten vóór den schok, die een einde aan onze afdaling maakte, nog
naast mij was."
"Geen twee minuten! Bedenk u wel, Wilson! de minuten hebben u zeker wat
lang toegeschenen! Vergist gij u niet?"
"Ik geloof, dat ik zeker ben van hetgeen ik zeg.... Ja, het is zoo ...
geen twee minuten!"
"Goed!" zeide Mac Nabbs. "En was Robert aan uw linker- of aan uw
regterzijde?"
"Aan mijn linkerzijde. Ik herinner mij, dat zijn mantel mij in het
aangezigt woei."
"En in welke rigting bevondt gij u met betrekking tot ons?..."
"Ook ter linkerzijde."
"Dus heeft Robert alleen aan deze zijde kunnen verdwijnen," zeide de
majoor zich naar den berg wendende en deszelfs regterzijde aanwijzende.
"Ik voeg er bij, dat, den tijd in aanmerking genomen, die sedert zijn
verdwijning verloopen is, het kind gevallen moet zijn op dat gedeelte
van den berg, dat zich bevindt tusschen den voet en eene hoogte van twee
mijlen. Daar moeten wij zoeken; wij zullen ons naar verschillende punten
begeven, en dan zullen wij hem zeker terug vinden."
Geen woord werd er verder gewisseld. De zes mannen bestegen de
Cordillera, plaatsten zich op haar rug op verschillende hoogten en
begonnen hun nasporingen. Zij bleven steeds ter regterzijde van de lijn
van nederdaling, doorzochten de geringste scheuren, daalden op den bodem
der afgronden neder, die gedeeltelijk gedempt waren door de brokken van
het vaste gesteente, en meer dan één hunner kwam er uit te voorschijn
met gescheurde kleederen en bebloede handen en voeten, na zijn leven te
hebben blootgesteld. Behalve eenige ontoegankelijke bergvlakken, werd
dit gedeelte der Andes uren lang naauwkeurig onderzocht, zonder dat een
van die moedige lieden er aan dacht om rust te nemen. Vergeefsche
moeite. Het kind had niet alleen den dood in den berg gevonden, maar ook
een graf, welks zerk, uit het een of ander ontzaggelijk rotsblok
bestaande, zich voor eeuwig boven hem gesloten had.
Tegen één ure waren Glenarvan en zijne reisgezellen, uitgeput en
afgemat, weder op den bodem van het dal bijeen. Lord Edward was aan een
hevige smart ter prooi; hij sprak naauwelijks, en alleen deze woorden,
door snikken afgebroken, kwamen over zijne lippen:
"Ik zal niet heengaan! Ik zal niet heengaan!"
Allen begrepen die stijfhoofdigheid, welke tot een vaststaand denkbeeld
was geworden, en eerbiedigden ze.
"Laten wij wachten," zeide Paganel tot den majoor en tot Tom Austin.
"Laten wij wat uitrusten en onze krachten herstellen. Wij hebben ze
noodig, of om onze nasporingen te vernieuwen, of om onzen weg te
vervolgen."
"Ja!" antwoordde Mac Nabbs, "wij zullen blijven, omdat Edward het
verlangt! Hij hoopt. Maar wat hoopt hij?"
"God weet het!" zeide Tom Austin.
"Arme Robert!" antwoordde Paganel, zich de oogen afdroogende.
Er groeiden een menigte boomen in het dal; de majoor koos een groep
hooge St. Jansbroodboomen, waaronder hij een voorloopige legerplaats
liet opslaan. Eenige dekens, de wapens, een weinig gedroogd vleesch en
rijst, was alles, wat de reizigers over hadden gehouden. Niet verre van
daar stroomde een beekje, welks door de lawine nog min of meer troebel
water in de eerste behoefte voorzag. Mulrady ontstak vuur op het gras,
en spoedig kon hij zijn heer een warme en verkwikkende drank aanbieden.
Glenarvan weigerde ze, en bleef van alle kracht beroofd op zijn mantel
uitgestrekt liggen.
Zoo verstreek de dag. De volgende nacht was even kalm en stil als de
voorgaande. Terwijl zijne makkers wel roerloos maar toch wakker lagen,
beklom Glenarvan op nieuw de hellingen der Cordillera. Hij luisterde
scherp, nog altijd hopende, dat een laatste kreet tot hem zou
doordringen. Hij waagde zich, al was hij alleen, zeer ver bergop, leide
zijn oor tegen den grond, luisterde en onderdrukte zelfs het kloppen van
zijn hart, terwijl hij op een toon van wanhoop het kind riep.
Den geheelen nacht dwaalde de arme lord op den berg rond. Paganel en de
majoor volgden hem beurtelings, gereed om hem hulp te bieden op de
gladde rotspunten en aan den rand der afgronden, waarheen zijn
nuttelooze onvoorzigtigheid hem voerde. Maar al zijn pogingen waren
vergeefsch, en alleen de echo antwoordde op zijn duizendwerf herhaald
geroep van "Robert! Robert!" door dien geliefden naam na te baauwen.
De zon ging op. Men moest Glenarvan van de verwijderde bergvlakken
halen, en hem, hoewel tegen zijn zin, naar de legerplaats brengen. Zijn
wanhoop was ontzettend. Wie zou tegen hem van vertrekken hebben durven
spreken, en hem voorstellen om dat rampzalige dal te verlaten? Inmiddels
raakten de levensmiddelen op. Digt bij zou men de argentijnsche gidsen,
die de muilezeldrijver besteld had, en de paarden, die voor de reis door
de pampa's noodig waren, ontmoeten. De terugtogt was met meer bezwaren
verbonden dan het voortzetten der reis. Bovendien, de _Duncan_ zou aan
de kust van den Atlantischen Oceaan wachten. Al die gewigtige redenen
gedoogden geen langer verwijl, en in aller belang mogt het uur van
vertrek niet uitgesteld worden.
Mac Nabbs beproefde Glenarvan uit zijn smart op te beuren. Hij sprak
lang, zonder dat zijn vriend hem scheen te verstaan. Glenarvan schudde
het hoofd. Toch kwamen eenige woorden over zijne lippen.
"Vertrekken!" zeide hij.
"Ja! vertrekken."
"Nog één uur!" zeide lord Edward.
"Ja, nog één uur," antwoordde de waardige majoor.
En toen het uur om was, smeekte Glenarvan als een gunst om hem nog één
uur toe te staan. Men zou gezegd hebben dat hij een veroordeelde was,
die om verlenging zijns levens bad. Dat duurde zoo tot omstreeks twaalf
ure. Toen aarzelde Mac Nabbs met aller goedkeuring niet langer, en zeide
tot Glenarvan, dat zij moesten vertrekken, en dat het leven zijner
reisgenooten van een snel besluit afhing.
"Ja! ja!" zeide lord Edward, "laten wij vertrekken!"
Maar terwijl hij zoo sprak, dwaalde zijn oog van Mac Nabbs af; zijn blik
bleef op een zwarte stip in de lucht gevestigd. Eensklaps stak hij zijn
hand omhoog, en bleef onbewegelijk staan, alsof hij versteend ware.
"Daar! daar!" zeide hij, "ziet! ziet!"
Allen wendden de oogen hemelwaarts en in de rigting, die hun zoo
gebiedend werd aangewezen. Thans werd de zwarte stip zigtbaar grooter.
Het was een vogel, die op een onmetelijken afstand in de lucht zweefde.
"Een condor," zeide Paganel.
"Wat zegt gij? een condor!" antwoordde Glenarvan.
"Wie weet? hij komt! hij daalt! wacht even!"
Wat hoopte lord Edward? Was zijn verstand verbijsterd? "Wie weet?" had
hij gezegd! Paganel had goed gezien. De condor werd ieder oogenblik
duidelijker zigtbaar. Die prachtige vogel, wien de Incas voorheen
goddelijke eer bewezen, is de koning der zuidelijke Andes. In deze
streken bereikt hij een buitengewone grootte. Zijn kracht is verbazend,
en menigmaal stort hij runderen in den afgrond neder. Hij valt schapen,
geiten en jonge kalveren, die in de vlakte rondloopen, aan, en voert ze
in zijn klaauwen tot een verbazende hoogte. Niet zelden zweeft hij
twintig duizend voet boven den grond, d.i. op een hoogte, die de mensch
niet kan overschrijden. Van daar laat die koning der lucht, voor het
beste gezigt onmerkbaar, zijn scherpen blik over de aarde weiden, en
onderscheidt hij de geringste voorwerpen met een gezigtsvermogen, dat de
verwondering der natuurkundigen opwekt.
Wat had die condor dan gezien? Een lijk! dat van Robert Grant. "Wie
weet?", herhaalde Glenarvan, zonder hem uit het oog te verliezen. De
ontzaggelijke vogel naderde, nu eens zwevende, dan weder met de snelheid
van een vallend ligchaam nederdalende. Weldra beschreef hij, geen
honderd vademen van den grond, met een grooten straal wijde cirkels. Men
kon hem geheel onderscheiden. Op zijn krachtige vleugels dreef hij bijna
zonder klapwieken op de lucht; want het is een eigenschap der groote
vogels, dat zij met een majestueuse kalmte vliegen, terwijl de insecten
om te blijven zweven wel duizendmaal in een seconde hun vlerkjes moeten
uitslaan.
De majoor en Wilson hadden hun karabijn gegrepen. Glenarvan hield hen
met een gebaar tegen. De condor beschreef in zijn vlugt kringen boven
een soort van ontoegankelijk bergvlak, een kwartmijl hoog op de zijden
der Cordillera gelegen. Hij draaide met een duizelingwekkende snelheid
rond, opende en sloot zijn vreeselijke klaauwen, en schudde zijn
kraakbeenigen kam.
"Daar! daar!" riep Glenarvan.
Daar schoot hem eensklaps een gedachte te binnen.
"Als Robert nog leeft!" riep hij op een toon van ontzetting, "dan zal
die vogel.... Vuur! vrienden! vuur!" Maar het was te laat. De condor was
reeds achter hooge, uitstekende rotspunten verdwenen. Er verliep een
seconde, een seconde die wel een eeuw duurde! Daarna kwam de
ontzaggelijke vogel zwaar beladen weder te voorschijn, en verhief zich
langzaam in de lucht.
Een kreet van ontzetting ging er op. Men zag, hoe de condor een
levenloos ligchaam, dat van Robert Grant, in zijn klaauwen heen en weer
schudde. De vogel had zijn kleederen vast gegrepen, en bevond zich geen
honderd vijftig voet boven de legerplaats; hij had de reizigers bemerkt
en wilde met zijn zware prooi ontvlugten, waarom hij de luchtlagen hevig
met zijn vleugels sloeg.
"Ach!" riep Glenarvan, "ik zou liever zien, dat het lijk van Robert op
deze rotsen verbrijzeld werd, dan dat het moest dienen...."
Hij voltooide den zin niet, en de karabijn van Wilson grijpende, wilde
hij op den condor aanleggen. Maar zijn arm beefde. Hij kon zijn wapen
niet stil houden. Zijn oogen werden verduisterd.
"Laat mij maar begaan," zeide de majoor.
En met een rustigen blik, een vaste hand en een onbewegelijk ligchaam
mikte hij op den vogel, die reeds drie honderd voet van hem af was.
Maar hij had zijn karabijn nog niet afgedrukt, of daar klonk reeds een
losbranding in het dal; tusschen twee basaltrotsen dwarrelde een witte
rook, en de condor, in den kop getroffen, viel al ronddraaijende
langzaam neder, door zijn grote uitgespreide vleugels opgehouden, die
tot valscherm dienden. Hij had zijn prooi niet losgelaten, en viel vrij
langzaam op den grond neder, op tien schreden afstands van de steile
oevers der beek.
"Helpt! helpt!" riep Glenarvan.
En zonder te onderzoeken, vanwaar dat door de Voorzienigheid bestuurde
schot gekomen was, snelde hij naar den condor. Zijn makkers volgden hem
ijlings.
Toen zij aankwamen, was de vogel dood. Het ligchaam van Robert verdween
onder zijn groote vleugels. Glenarvan wierp zich op het lijk van het
kind, bevrijdde hem uit de klaauwen des vogels, strekte hem op het gras
uit, en drukte zijn oor tegen de borst van dat levenloos ligchaam.
Nooit was er verschrikkelijker vreugdekreet over menschelijke lippen
gekomen, dan toen lord Glenarvan opstond met den uitroep:
"Hij leeft! hij leeft nog!"
Onmiddellijk werd Robert van zijn kleederen ontdaan, en zijn aangezigt
met koud water gewasschen. Hij bewoog zich even, opende zijn oogen, zag
rond en sprak eindelijk de volgende woorden:
"Ach! zijt gij het, mylord!... mijn vader!..."
Glenarvan kon niet antwoorden; de aandoening verstikte zijn stem, en
nederknielende weende hij bij dat zoo wonderdadig geredde kind.