XIII.

De afdaling van de Cordillera.

Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die

hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van

het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende

rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur

onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk

den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte

zich om er bezit van te nemen.

Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort

van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van

twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een

steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en

hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er

toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was

losgelaten.

Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar

wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij

althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer

tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met

een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan

te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te

beschermen.

"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet

gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en

het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."

"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts

schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed

gehuisvest."

"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom

Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook

verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos

zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."

"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om

brandstoffen te vinden."

"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij

met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.

"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de

majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."

"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor

het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."

"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.

"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.

"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult

een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"

Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des

avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe

kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen

nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die

zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik

op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een

hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's

was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze

bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of

waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou

geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld

overgekomen zijn.

Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken

naar alle punten van den gezigteinder.

Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en

overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de

hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich

honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en

zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst

waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin.

Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw,

door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den

grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen

beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de

duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het

westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der

westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen

en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten

noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als

het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was

getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten

zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der

duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste

dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens

ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide

als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd,

en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige

vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te

staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige

dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven.

Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een

verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken

weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd,

als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.

Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de

beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en

het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor

de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep

hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig

waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een

aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta"

geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke

brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte

vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te

houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de

vlam; althans de majoor gaf die reden op.

"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd

graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne

zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen;

want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]

Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water

kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden.

Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het

gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel

aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te

maken.

"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd

lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund

en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede

bedoelt als voedingsmiddel."

"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten,

geleerde Paganel?..."

"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een

schotel wildbraad welkom zou zijn.

"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.

"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt,

gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"

"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.

"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op

den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"

"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."

De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken

en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de

verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen

kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid

naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd

te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam

bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een

weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen

viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.

"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel,

hoe nabij het komt?"

"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.

"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.

"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.

"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn

karabijn reeds greep.

Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen

verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste

kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen

verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van

eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,--een

gehuil van ontstelde dieren,--werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen

van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling

naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik

waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen

honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de

ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild

uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan,

Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den

tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige

voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was

blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.

Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis

geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel,

terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en

nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den

weerschijn van den vulkaan verlicht werden.

"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,--die van Paganel.

"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.

"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een

verwarring alleen zijn bril verliest!"

"Gij zijt toch niet gekwetst?..."

"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"

"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had,

voortsleepte.

Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel

van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.

Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het

had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn,

geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel

het gezien, of hij riep:

"Het is een guanacha!"

"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.

"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.

"En smaakt het goed?"

"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch

voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier

slagten?"

"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.

"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.

"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.

"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In

een Franschman steekt altijd een kok!"

Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van

den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn

reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam

van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen

zetten er met graagte de tanden in.

Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste

mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"

"Het is afschuwelijk!" zeide de een.

"Het is niet eetbaar!" riep de ander.

Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit

geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door

uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen

hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen;

hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat

werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk

was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.

"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik

heb het gevonden!"

"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer

bedaard.

"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel

geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"

"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.

"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap

gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn

vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en

bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."

"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.

"Ik ben er stellig zeker van."

"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen

verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger

moesten slapen?"

"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord

schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er

ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet

langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"

"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."

Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien,

en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht

gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de

harmonie bewaarde.

Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in

een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan

die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren

schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op

deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst

dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak

van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.

Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden

echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij

zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar

zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag

misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide

matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden

gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden

door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog

steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers

verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna

keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk

geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon

verklaren.

Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen,

gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat

gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de

zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde.

Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.

De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was

er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de

weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was

er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch

duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de

keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar

binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat

onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel

en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur

stond.

Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn

makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel

zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.

Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een

oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend

gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend

plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de

grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.

"Op! op!" riep hij uit.

Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs

een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging,

bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een

oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen,

alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de

Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter

breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.

"Een aardbeving!" riep Paganel.

Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op

de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin

Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het

onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het

inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen

zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche

dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den

naam van "temblores".

Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan

bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van

een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het

was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde

te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben

kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok

der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als

stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het

gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende,

gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande,

waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen

ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis

al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.

Men verbeelde zich de kracht eener massa van verscheidene duizend

millioenen tonnen zwaarte, met steeds toenemende snelheid voortgeschoven

onder een hoek van vijftig graden!

Niemand zou kunnen berekenen hoe lang die onbeschrijfelijke val wel

duurde. Niemand durfde voorzien in welken afgrond hij gestuit zou

worden. Of allen nog levend bijeen waren, dan of een hunner reeds op den

bodem van een afgrond lag, kon niemand nog zeggen. Door de snelheid

hunner vaart verdoofd, door de koude lucht, die hen doordrong,

verstijfd, door de sneeuwjagt verblind, snakten zij naar verademing,

waren zij magteloos, bijna levenloos, en hielden zij zich alleen uit een

instinct van zelfbehoud aan de rotsen vast.

Plotseling slingerde een allerhevigste schok hen van hun glijdend

voertuig af. Zij werden vooruit geworpen en rolden op de laatste

bergranden neder. Het bergvlak bleef onbewegelijk liggen.

Het duurde eenige minuten eer iemand zich bewoog. Eindelijk stond er een

op, wel verdoofd door den val, maar toch nog krachtig,--de majoor. Hij

schudde het stof, dat hem verblindde, van zich af en zag in het rond.

Zij lagen in een kleinen kring over elkander, gelijk de hagel uit een

geweer.

De majoor telde ze. Zij waren er allen, op één na. De ontbrekende was

Robert Grant.

[1] De daling van het kookpunt van het water bedraagt ongeveer 1 graad

voor iedere 324 ned. ellen hoogte.

[2] Een verschijnsel, dat hiermede veel overeenkomst had, had in 1820 op

den Mont-Blanc plaats, en veroorzaakte die verschrikkelijke ramp die het

leven kostte aan drie gidsen van Chamouny.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 20 / 37 题