De afdaling van de Cordillera.
Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die
hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van
het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende
rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur
onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk
den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte
zich om er bezit van te nemen.
Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort
van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van
twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een
steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en
hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er
toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was
losgelaten.
Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar
wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij
althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer
tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met
een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan
te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te
beschermen.
"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet
gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en
het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."
"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts
schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed
gehuisvest."
"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom
Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook
verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos
zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."
"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om
brandstoffen te vinden."
"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij
met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.
"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de
majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."
"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor
het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."
"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.
"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.
"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult
een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"
Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des
avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe
kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen
nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die
zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik
op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een
hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's
was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze
bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of
waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou
geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld
overgekomen zijn.
Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken
naar alle punten van den gezigteinder.
Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en
overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de
hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich
honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en
zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst
waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin.
Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw,
door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den
grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen
beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de
duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het
westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der
westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen
en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten
noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als
het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was
getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten
zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der
duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste
dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens
ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide
als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd,
en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige
vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te
staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige
dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven.
Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een
verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken
weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd,
als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.
Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de
beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en
het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor
de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep
hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig
waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een
aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta"
geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke
brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte
vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te
houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de
vlam; althans de majoor gaf die reden op.
"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd
graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne
zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen;
want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]
Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water
kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden.
Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het
gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel
aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te
maken.
"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd
lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund
en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede
bedoelt als voedingsmiddel."
"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten,
geleerde Paganel?..."
"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een
schotel wildbraad welkom zou zijn.
"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.
"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt,
gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"
"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.
"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op
den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"
"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."
De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken
en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de
verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen
kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid
naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd
te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam
bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een
weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen
viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.
"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel,
hoe nabij het komt?"
"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.
"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.
"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.
"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn
karabijn reeds greep.
Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen
verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste
kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen
verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van
eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,--een
gehuil van ontstelde dieren,--werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen
van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling
naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik
waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen
honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de
ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild
uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan,
Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den
tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige
voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was
blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.
Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis
geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel,
terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en
nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den
weerschijn van den vulkaan verlicht werden.
"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,--die van Paganel.
"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.
"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een
verwarring alleen zijn bril verliest!"
"Gij zijt toch niet gekwetst?..."
"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"
"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had,
voortsleepte.
Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel
van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.
Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het
had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn,
geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel
het gezien, of hij riep:
"Het is een guanacha!"
"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.
"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.
"En smaakt het goed?"
"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch
voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier
slagten?"
"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.
"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.
"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.
"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In
een Franschman steekt altijd een kok!"
Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van
den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn
reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam
van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen
zetten er met graagte de tanden in.
Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste
mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"
"Het is afschuwelijk!" zeide de een.
"Het is niet eetbaar!" riep de ander.
Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit
geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door
uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen
hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen;
hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat
werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk
was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.
"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik
heb het gevonden!"
"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer
bedaard.
"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel
geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"
"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.
"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap
gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn
vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en
bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."
"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.
"Ik ben er stellig zeker van."
"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen
verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger
moesten slapen?"
"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord
schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er
ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet
langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"
"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."
Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien,
en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht
gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de
harmonie bewaarde.
Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in
een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan
die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren
schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op
deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst
dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak
van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.
Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden
echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij
zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar
zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag
misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide
matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden
gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden
door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog
steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers
verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna
keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk
geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon
verklaren.
Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen,
gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat
gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de
zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde.
Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.
De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was
er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de
weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was
er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch
duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de
keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar
binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat
onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel
en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur
stond.
Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn
makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel
zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.
Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een
oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend
gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend
plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de
grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.
"Op! op!" riep hij uit.
Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs
een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging,
bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een
oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen,
alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de
Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter
breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.
"Een aardbeving!" riep Paganel.
Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op
de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin
Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het
onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het
inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen
zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche
dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den
naam van "temblores".
Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan
bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van
een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het
was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde
te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben
kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok
der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als
stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het
gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende,
gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande,
waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen
ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis
al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.
Men verbeelde zich de kracht eener massa van verscheidene duizend
millioenen tonnen zwaarte, met steeds toenemende snelheid voortgeschoven
onder een hoek van vijftig graden!
Niemand zou kunnen berekenen hoe lang die onbeschrijfelijke val wel
duurde. Niemand durfde voorzien in welken afgrond hij gestuit zou
worden. Of allen nog levend bijeen waren, dan of een hunner reeds op den
bodem van een afgrond lag, kon niemand nog zeggen. Door de snelheid
hunner vaart verdoofd, door de koude lucht, die hen doordrong,
verstijfd, door de sneeuwjagt verblind, snakten zij naar verademing,
waren zij magteloos, bijna levenloos, en hielden zij zich alleen uit een
instinct van zelfbehoud aan de rotsen vast.
Plotseling slingerde een allerhevigste schok hen van hun glijdend
voertuig af. Zij werden vooruit geworpen en rolden op de laatste
bergranden neder. Het bergvlak bleef onbewegelijk liggen.
Het duurde eenige minuten eer iemand zich bewoog. Eindelijk stond er een
op, wel verdoofd door den val, maar toch nog krachtig,--de majoor. Hij
schudde het stof, dat hem verblindde, van zich af en zag in het rond.
Zij lagen in een kleinen kring over elkander, gelijk de hagel uit een
geweer.
De majoor telde ze. Zij waren er allen, op één na. De ontbrekende was
Robert Grant.
[1] De daling van het kookpunt van het water bedraagt ongeveer 1 graad
voor iedere 324 ned. ellen hoogte.
[2] Een verschijnsel, dat hiermede veel overeenkomst had, had in 1820 op
den Mont-Blanc plaats, en veroorzaakte die verschrikkelijke ramp die het
leven kostte aan drie gidsen van Chamouny.