XII.

Twaalf duizend voet boven den grond.

De togt door Chili had tot nog toe geen noemenswaardig bezwaar

opgeleverd. Maar nu kwamen de hindernissen en bezwaren, aan een togt

door het gebergte onvermijdelijk verbonden, allen tegelijk. Nu zou de

worsteling met den tegenstand der natuur eerst regt beginnen.

Vóór het vertrek moest een vraag van gewigt opgelost worden. Langs

welken pas kon men over de keten der Andes komen, zonder van den

aangenomen weg af te wijken? De gids, hierover ondervraagd zijnde,

antwoordde:

"Ik ken maar twee bruikbare wegen in dit gedeelte der Cordillera's."

"Den weg van Arica zonder twijfel," zeide Paganel, "die door Valdivia

Mendoza ontdekt is."

"Juist."

"En dien van Villarica, ten zuiden van den Nevado van dien naam."

"Juist."

"Die beide wegen, mijn vriend! hebben maar één gebrek, namelijk dat zij

voor ons te noordelijk of te zuidelijk zijn."

"Zoudt gij misschien een anderen pas willen voorstellen?" vroeg de

majoor.

"Ja!" antwoordde Paganel, "den pas van Antuco, op de helling van den

vulkaan gelegen op zeven en dertig graden dertig minuten, dat is maar

een halve graad bezijden onzen weg. Hij is slechts duizend vademen hoog

en door Zamudio de Cruz ontdekt."

"Goed!" zeide Glenarvan, "maar kent onze gids dien pas van Antuco?"

"Ja, mylord! ik heb hem bereisd, en zoo ik hem niet voorstelde, dan is

het alleen, omdat het op zijn hoogst een weg is voor het vee, die alleen

door de indiaansche herders van de oostelijke helling gebruikt wordt."

"Welnu, mijn vriend!" antwoordde Glenarvan, "waar de kudden merriën,

schapen en ossen der Pehuenchen over kunnen, kunnen wij ook over. En

daar wij op dien weg in de regte lijn blijven, stem ik voor den pas van

Antuco."

Het sein tot vertrek werd aanstonds gegeven, en men drong in het dal van

las Lajas, tusschen groote massa's gekristalliseerde kalk. Men steeg

langs een bijna onmerkbare helling. Tegen elf ure moest men de oevers

van een klein meer omrijden, een door de natuur gevormden vergaderbak en

het schilderachtig vereenigingspunt van al de riviertjes uit den omtrek;

zij vielen er murmelend in en vermengden hun rustig en kristalhelder

water. Boven het meer strekten zich groote "llano's" uit, hooge

grasvlakten, waarop de kudden der Indianen weidden. Vervolgens stiet men

op een moeras, dat zuid en noord liep, en dat men, geholpen door het

instinct der muilezels, gelukkig doorwaadde. Ten één ure, kwam men bij

het fort Ballenare, op een hooge rots gelegen, die het met zijn

vervallene wallen beheerschte. Men ging er voorbij. De hellingen werden

reeds steil en steenachtig, en de steentjes, die de hoef der muildieren

losmaakte, rolden onder hun pooten weg en vormden gedruisch makende

steenvallen. Tegen drie ure zag men weder andere schilderachtige

puinhoopen van een fort, dat bij den opstand van 1770 verwoest was.

"De bergen zijn zeker nog niet voldoende om de menschen te scheiden,"

zeide Paganel, "dat men ze nog versterkt heeft!"

Van dit punt af werd de weg moeijelijk, zelfs gevaarlijk, de hellingen

werden hoe langer hoe steiler, de bergwanden naderden elkander hoe

langer hoe meer, de afgronden werden verschrikkelijk diep. De muilezels

gingen voorzigtig voort met den neus op den grond om den weg te

beruiken. Men reed achter elkander. Bij een onverwachte kromming van het

pad verdween de merrie, en dan rigtte de kleine karavaan zich naar het

verwijderde geklingel van het klokje. Dikwijls gebeurde het ook door de

grillige kronkelingen van den weg, dat de reizigers in twee evenwijdige

lijnen voorttrokken, en dat de gids met de inlanders kon spreken,

terwijl een kloof, die naauwelijks twee vademen breed maar wel twee

honderd diep was, een onoverkomelijken afgrond tusschen hen vormde.

Het gras worstelde nog wel met de overheersching van den steen; maar de

strijd tusschen het delfstoffen- en het plantenrijk was reeds duidelijk

zigtbaar. De nabijheid van den vulkaan Antuco was reeds merkbaar aan

eenige strepen ijzerkleurige lava, bedekt met gele naaldvormige

kristallen. De opeengestapelde en overhellende rotsen bleven staan tegen

de wetten van het evenwigt in. Het was duidelijk, dat de aardbevingen

haar voorkomen ligt konden veranderen, en een enkele blik op die wankele

spitsen, die scheve koepels, die slecht bevestigde ronde bergtoppen, was

voldoende om het besluit te wettigen, dat voor die bergachtige streek

het uur nog niet geslagen was om onder haar eigene zwaarte te bezwijken.

In deze omstandigheden werd het moeijelijk om den weg te herkennen. De

bijna onafgebrokene schudding van het berggevaarte doet menigmaal het

spoor verdwijnen, en de herkenningsteekens blijven niet op dezelfde

plaats. De gids aarzelde dan ook; hij hield stil; hij zag in het rond;

hij onderzocht de gedaante der rotsen; hij zocht op den weeken steen

naar voetstappen van Indianen. Het was geheel onmogelijk om zich te

oriënteeren.

Lord Edward volgde zijn gids op den voet; hij begreep en gevoelde, dat

diens verlegenheid in dezelfde mate toenam als de moeijelijkheden van

den weg; hij durfde hem niets vragen en dacht, misschien niet zonder

grond, dat het met het instinct der muilezeldrijvers evenzoo gelegen is

als met dat der muilezels, en dat het beter is om daarop te vertrouwen.

Nog een uur lang dwaalde de gids om zoo te zeggen op goed geluk af rond,

maar kwam toch hoe langer hoe hooger op den berg. Eindelijk was hij

verpligt om te blijven staan. Men was op den bodem eener enge vallei;

van een dier naauwe engten, welke de Indianen "quebrada's" noemen. Een

loodregte muur van porfier sloot er den uitgang van. Na te vergeefs een

doortogt gezocht te hebben, steeg de gids af, sloeg de armen over

elkander en wachtte. Glenarvan kwam bij hem.

"Zijt gij verdwaald?" vroeg hij.

"Neen, mylord!" antwoordde de gids.

"Maar wij zijn toch niet in den pas van Antuco?"

"Wij zijn er wel in."

"Vergist gij u niet?"

"Ik vergis mij niet. Ziedaar de overblijfselen van een vuur, dat de

Indianen hebben aangelegd, en ziedaar de sporen door de kudden merriën

en schapen achtergelaten."

"Dan heeft men dezen weg toch begaan?"

"Ja! maar men zal hem niet meer begaan. De laatste aardbeving heeft hem

onbruikbaar gemaakt."

"Voor de muilezels," antwoordde de majoor; "maar niet voor de menschen."

"Dat moet gij weten," antwoordde de gids; "ik heb gedaan, wat ik kon. Ik

ben bereid om met mijn muilezels terug te keeren, als gij het verlangt,

en om de andere wegen der Cordillera op te zoeken."

"En dat zal een oponthoud zijn?..."

"Van minstens drie dagen."

Zonder een woord te spreken luisterde Glenarvan naar de gezegden van den

gids. Deze was ontegenzeggelijk getrouw aan de gemaakte afspraak. Zijn

muilezels konden niet verder. Toen echter het voorstel gedaan werd om

terug te keeren, wendde Glenarvan zich naar zijn medgezellen en sprak:

"Wilt gij trots alle gevaren verder gaan?"

"Wij willen u volgen!" antwoordde Tom Austin.

"En u zelfs voorgaan!" voegde Paganel er bij. "En wat is ook wel bezien

de geheele zaak? Niets anders dan het beklimmen eener bergketen, welker

andere helling onvergelijkelijk ligter af te dalen is! Als wij zoo ver

zijn, zullen wij de argentijnsche gidsen vinden, die ons den weg door de

pampa's zullen wijzen, en vlugge paarden, die gewoon zijn om door de

vlakte te rennen. Voorwaarts dus en zonder aarzelen!"

"Voorwaarts!" riepen de reisgenooten van Glenarvan.

"Gaat gij niet met ons mede?" vroeg deze aan den gids.

"Ik ben een muilezeldrijver," antwoordde deze.

"Zooals gij wilt."

"Wij kunnen hem wel missen," zeide Paganel; "aan gene zijde van dezen

muur zullen wij de paden van Antuco terugvinden, en ik maak mij sterk om

u even goed aan den voet van den berg te brengen, als de beste gids der

Cordillera's."

Glenarvan rekende dus af met den gids, en zond hem weg met de inlanders

en de muilezels. De wapenen, de werktuigen en eenige levensmiddelen

werden onder de zeven reizigers verdeeld. Met algemeene stemmen besloot

men de beklimming terstond te hervatten, en zoo noodig een gedeelte van

den nacht door te reizen. Ter linkerzijde van de helling kronkelde zich

een steil voetpad, dat de muildieren niet hadden kunnen beklimmen. De

bezwaren waren talrijk; maar na een paar vermoeijende uren en veel

omwegen, waren Glenarvan en zijne reisgenooten weder in den pas van

Antuco.

Nu bevonden zij zich in dat gedeelte der eigenlijke Andes, dat niet ver

ligt van de hoogste kam der Cordillera's; maar er was geen schijn noch

schaduw meer te vinden van een gebaand pad of een herkenbaren pas. De

geheele omtrek was tijdens de laatste aardbevingen het onderst boven

gekeerd, en men moest de bergruggen hoe langer hoe hooger bestijgen.

Paganel was zeer teleurgesteld, nu hij den weg niet vrij vond, en

rekende op zware vermoeijenissen, als zij den top der Andes moesten

beklimmen; want hun gemiddelde hoogte bedraagt van elf duizend tot

twaalf duizend zes honderd voeten. Het was zeer gelukkig, dat het weder

bedaard, de lucht helder en het jaargetijde gunstig was; maar in den

winter, van Mei tot October, zou zulk een beklimming onuitvoerbaar

geweest zijn; de snerpende koude doet de reizigers weldra omkomen, en

wie zij spaart, ontsnapt toch niet aan de hevigheid der "temporales" een

soort van orkanen, aan deze streken eigen, en die de afgronden der

Cordillera jaarlijks met lijken vullen.

Men klom den geheelen nacht door; men moest zich met de handen

vasthouden om de bijna ongenaakbare bergvlakte te beklauteren; men

sprong over breede en diepe kloven; in plaats van met touwen heesch men

elkander met de handen op, en de schouders dienden tot ladders; die

onversohrokkenen geleken op een troep paljassen, die zich aan al de

dwaasheden der icarische spelen overgaven. Duizendmaal hadden nu Mulrady

gelegenheid om zijn kracht, en Wilson, om zijn vlugheid ten toon te

spreiden. Die beide dappere Schotten overtroffen zich zelven; menigmaal

zou de kleine troep, zonder hun opoffering en hun moed, den togt hebben

moeten staken. Glenarvan verloor den jongen Robert niet uit het oog, die

door zijn jeugd en zijn levendigheid vaak tot onbezonnenheid oversloeg.

Paganel ging met echt fransche woede vooruit. Wat den majoor betreft,

deze bewoog zich slechts zooveel als noodig was, niet meer, maar ook

niet minder, en zijn stijgende beweging was zoo goed als onmerkbaar.

Bespeurde hij, dat hij reeds verscheidene uren achtereen aan het klimmen

was? dat is niet zeker. Misschien verbeeldde hij zich wel, dat hij

daalde.

Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand,

dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten

bereikt hadden. Zij waren nu op de voorliggende bergvlakken, de uiterste

grens van den boomgroei. Er huppelden eenige dieren rond, die een jager

gelukkig of rijk zouden gemaakt hebben; die vlugge dieren wisten het

wel, want zij vlugtten, zoodra zij van verre menschen zagen naderen. Het

was het lama, een kostbaar dier in het gebergte, dat het schaap, het

rund en het paard vervangt, en leeft, waar het muildier niet leven kan.

Het was de chinchilla, een zachtzinnig en vreesachtig knaagdiertje, rijk

aan bont, dat het midden houdt tusschen den haas en den springhaas, en

wien zijn achterpooten het voorkomen van een kangoeroe geven. Een

alleraardigst gezigt levert dit vlugge diertje op, wanneer het evenals

een eekhoorntje over de toppen der boomen loopt.

"Het is nog geen vogel," zeide Paganel; "maar het is toch geen

viervoetig dier meer."

En toch waren die dieren nog geenszins de laatste bewoners van het

gebergte. Ter hoogte van negen duizend voeten, op de grens der eeuwige

sneeuw, leefden nog onvergelijkelijk schoone herkaauwende dieren

gezellig bijeen: de alpaca met zijn lang en zijdeachtig haar, ook die

soort van geiten zonder horens, sierlijke en fiere dieren met fijne wol,

die de natuurkundigen vicunna's noemen. Maar men behoefde er niet aan te

denken om ze te naderen, ter naauwernood lieten ze zich even zien; ze

vloden ijlings weg en gleden zonder geraas over het schitterend witte

tapijt.

Op deze hoogte was het voorkomen der streek geheel veranderd. Groote en

glinsterende ijsblokken, hier en daar met een blaauwachtige tint,

verrezen aan alle kanten en weerkaatsten de eerste stralen der opgaande

zon. Nu werd de beklimming zeer gevaarvol. Men durfde geen voet meer

verzetten zonder den grond naauwkeurig te onderzoeken, ten einde de

kloven te ontdekken. Wilson had zich aan het hoofd van het gezelschap

gesteld, en onderzocht met den voet de oppervlakte der gletschers. Zijn

makkers drukten naauwkeurig zijn voetstappen en vermeden luide

gesprekken; want het geringste geraas, dat de luchtlagen in beweging

bragt, kon den val der sneeuwmassa's veroorzaken, die zeven a acht

honderd voet boven hun hoofd hingen.

Zij waren nu in het gewest der heesters gekomen, die, twee honderd

vijftig vademen hooger hun plaats moesten afstaan aan de grasgewassen en

de cactussen. Ter hoogte van elf duizend voet hielden ook deze planten

op den naakten bodem te bedekken, en ieder spoor van plantengroei

verdween. De reizigers hadden maar eens, ten acht ure, stil gehouden om

hun krachten door een korten maaltijd te herstellen, en met

bovenmenschelijken moed begonnen zij weder te klimmen, daarbij steeds

toenemende gevaren trotseerende. Zij moesten over scherpe rotspunten en

onpeilbare afgronden heen. Op vele plaatsen waren houten kruisen langs

den weg opgerigt, ter aanduiding van de plekken, waar talrijke

ongelukken plaats hadden gehad. Tegen twee ure bereikten zij een

onmetelijk bergvlak, zonder eenig spoor van plantengroei, een soort van

woestijn, die zich tusschen kale rotsen uitstrekte. De lucht was droog,

de hemel had een hard blaauwe kleur; op deze hoogten regent het nooit,

en de dampen worden alleen in sneeuw of in hagel opgelost. Hier en daar

boorden eenige porfier- of basaltspitsen door het witte lijklaken,

gelijk de beenderen van een geraamte, en van tijd tot tijd vielen

brokken kwarts of gneis, door den invloed der lucht verweerd, in gruis

met een zwak geraas, dat door de ijlheid van den dampkring bijna

onhoorbaar was.

Intusschen waren de krachten van den kleinen troep, hoe moedig ook,

geheel uitgeput. Toen lord Edward de uitputting zijner reisgenooten

bemerkte, speet het hem, dat hij zich zoover op den berg had gewaagd. De

kleine Robert verzette zich tegen de vermoeijenis, maar kon niet verder.

Ten drie ure bleef Glenarvan staan.

"Wij moeten rust nemen," zeide hij; want hij zag wel, dat niemand dit

voorstel zou doen.

"Rust nemen?" antwoordde Paganel, "maar wij hebben geen dak."

"Het moet toch, al was het alleen ter wille van Robert."

"Wel neen, mylord!" antwoordde de moedige knaap, "ik kan nog verder gaan

... houdt u niet o....""

"Wij zullen u dragen, mijn jongen!" antwoordde Paganel; "maar wij

moeten, wat het ook kosten moge, de oostelijke helling bereiken. Daar

zullen wij misschien een nachtverblijf in een hut vinden. Ik vraag nog

een togt van twee uren."

"Vindt gij dat allen goed?" vroeg Glenarvan.

"Ja!" antwoordden zijn reisgenooten.

Mulrady voegde er bij:

"Ik belast mij met het kind."

En men ging weder in een oostelijke rigting verder; de beklimming werd

nog gedurende twee vreeselijke uren voortgezet. Men klom maar altijd

door om de hoogste bergtoppen te bereiken. De verdunning der lucht

veroorzaakte die pijnlijke beklemdheid, bekend onder den naam van

"puna." Het bloed zijpelde uit het tandvleesch en de lippen ten gevolge

van het verbroken evenwicht der lucht, en misschien ook onder den

invloed der sneeuw, die op een aanzienlijke hoogte den dampkring, zooals

bewezen is, bederft. Door een versnelde inademing moest men het gebrek

aan digtheid vergoeden om den bloedsomloop gaande te houden, hetgeen

niet minder vermoeijend was dan de weerkaatsing der zonnestralen op de

sneeuwhoopen. Hoe sterk ook de wilskracht dier moedige mannen ware, toch

kwam het oogenblik, waarop de krachtigsten bezweken, en de duizeligheid,

die verschrikkelijke plaag op de bergen, vernietigde niet alleen hun

ligchaamskrachten, maar ook hun zedelijke kracht. Niet straffeloos kan

men tegen vermoeijenissen van dien aard worstelen. Weldra vielen zij

telkens, en degenen die vielen konden slechts verder gaan door op hun

knieën voort te kruipen.

De uitputting zou dus weldra een eind gemaakt hebben aan deze te lang

voortgezette beklimming, en Glenarvan overzag niet zonder schrik het

eindelooze sneeuwkleed, de koude, die het op dit noodlottige gewest deed

nederdalen, de schaduw, die naar die woeste toppen opsteeg, het gebrek

aan een nachtverblijf, toen de majoor hem tegenhield en op een kalmen

toon zeide: "Eene hut."

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 19 / 37 题