XI.

Togt door Chili.

De inlanders, die lord Glenarvan had bijeengebragt, bestonden uit drie

mannen en een kind. De aanvoerder der muilezeldrijvers was een

Engelschman, die zich reeds vóór twintig jaar in dit land had gevestigd.

Hij maakte een beroep van het verhuren van muilezels aan de reizigers,

die hij over de verschillende wegen der Cordillera's geleidde.

Vervolgens bezorgde hij hun een "baqueano," een argentijnschen gids, die

met den weg door de pampa's goed bekend was. Deze Engelschman had in het

gezelschap van muilezels en Indianen zijn moedertaal nog niet geheel

verleerd, en kon nog met de reizigers spreken. Dit was voor Glenarvan

een groot gemak, daar hij nu zijn verlangen kon te kennen geven en zijn

bevelen doen uitvoeren. Hij meende die gelegenheid niet te mogen laten

voorbijgaan, vooral omdat Jacques Paganel zich nog niet verstaanbaar kon

uitdrukken.

Die aanvoerder der muilezeldrijvers, die "catapaz," zooals hij in de

landtaal genoemd wordt, had twee inlanders te voet en een twaalfjarig

kind medegenomen. De inlanders waakten voor de muilezels, die de bagage

droegen, en het kind geleidde de "madrina," een kleine merrie, die met

belletjes en een klokje behangen, vooruit ging en door tien muilezels

gevolgd werd. Zeven hunner waren voor de reizigers, een voor den

catapaz; de beide andere droegen de levensmiddelen en eenige stokken

stof, die dienen moesten om de medewerking van de kaziken (hoofden der

vrije volksstammen in Amerika) der vlakte te verwerven. De inlanders

gingen als naar gewoonte te voet. Deze togt door Zuid-Amerika scheen dus

ten opzigte van de veiligheid en den spoed niets te wenschen over te

zullen laten.

Een togt over de keten der Andes is geenszins een gewone reis. Men kan

hem niet ondernemen zonder die sterke muilezels, waarvan het

argentijnsche ras het meest gezocht is. Die uitmuntende dieren hebben in

dat land een ontwikkeling verkregen, verre boven die van het

oorspronkelijke ras.

Zij zijn niet keurig op hun voedsel. Zij drinken maar eens per dag,

leggen gemakkelijk tien mijlen in acht uren af, en dragen zonder zich te

verzetten een last van veertien arroba's. (Een arroba is gelijk aan 11

1/2 nederl. pond).

Op den geheelen weg van den éénen Oceaan tot den anderen treft men geen

enkele herberg aan. Men eet gedroogd vleesch, rijst met spaansche peper,

en het wild, dat zich onderweg wel wil laten doodschieten. Men drinkt op

de bergen het water van de bergstroomen, in de vlakte dat der beken, met

eenige droppels rum er door, waarvan ieder eenigen voorraad bij zich

draagt in een ossehoren, "chiffle" genoemd. Vooral moet men waken tegen

het misbruik van geestrijke dranken, die schadelijk zijn in een land,

waarin het zenuwgestel van den mensch bijzonder overspannen is. Het

beddegoed bestaat alleen uit den inlandschen zadel, "recado" genoemd.

Die zadel is gemaakt van "pelions," schapenhuiden, die aan de eene zijde

gelooid en aan de andere met wol bekleed zijn, alles bijeengehouden door

breede en met borduursel overladen riemen. Heeft de reiziger zich in die

warme dekens gerold, dan trotseert hij ongestraft de vochtige nachten en

slaapt heerlijk.

Als iemand, die weet wat reizen is en zich naar de gebruiken der

verschillende landen weet te schikken, had Glenarvan voor zich en zijn

gezelschap de chilische kleederdragt aangenomen. Paganel en Robert, twee

kinderen,--een groot en een klein kind,--waren buiten zich zelven van

vreugde, toen zij hun hoofd door den nationalen "poncho" staken, een

groote wollen zak of mantel met een gat in het midden, en hun beenen in

lederen laarzen, gemaakt van den achterpoot van een jong paard. Hun rijk

getuigde muilezel leverde ook een schoon gezigt op, met het arabisch

gebit in den bek, met den langen teugel van gevlochten leder, die tot

zweep diende, met zijn hoofdstel, dat met metalen sieraden pronkte, en

met de "alforja's," dubbele linnen zakken van schitterende kleur, die

levensmiddelen voor één dag bevatten. Ten gevolge van zijn

verstrooidheid scheelde het weinig of Paganel kreeg drie of vier

schoppen van zijn voortreffelijk rijdier, toen hij er op wilde gaan

zitten. Toen hij eindelijk stevig in den zadel zat, met zijn

onafsoheidelijken kijker aan een riem bij zich en met de voeten in de

stijgbeugels, vertrouwde hij zich toe aan de schranderheid van zijn

dier, en had geen reden om daarover spijt te gevoelen. De jonge Robert

toonde reeds van den beginne af grooten aanleg om een uitmuntend ruiter

te worden.

De stoet zette zich in beweging. Het was prachtig weder, de lucht

volkomen helder, en de dampkring door den zeewind genoegzaam afgekoeld

in weerwil van de zonnehitte. De kleine troep volgde met snellen tred de

bogtige oevers der baai van Talcahuano, ten einde dertig mijlen

zuidelijker het uiteinde der parallel te bereiken. Dien eersten dag trok

men haastig tusschen het riet van voormalige uitgedroogde moerassen

heen, maar men sprak weinig. De afscheidsgroeten hadden een diepen

indruk achtergelaten in het gemoed der reizigers. Zij konden nog den

rook der _Duncan_ zien, die reeds bijna uit het gezigt was. Allen

zwegen, behalve Paganel; die leergierige aardrijkskundige deed zich

zelven vragen in het spaansch, en beantwoordde ze in dezelfde taal.

Ook de gids was vrij stil van aard, en zijn beroep had geen babbelaar

van hem gemaakt. Hij sprak naauwelijks tot de inlanders. Als menschen

van het vak verstonden dezen hun werk zeer goed. Als een muildier staan

bleef, zetten zij het aan met een keelgeluid, en als dit niet hielp met

een fermen steen, die met vaste hand geworpen zijn koppigheid wel

overwon. Raakte er een riem los of brak er een teugel, dan trok de

inlander zijn mantel uit, en wikkelde den kop van het dier er in, dat,

zoodra het ongemak hersteld was, terstond weder voortging.

De muilezeldrijvers zijn gewoon om ten acht ure na het ontbijt te

vertrekken en tot des namiddags ten vier ure door te rijden, waarna zij

hun nachtverblijf in gereedheid brengen. Edward Glenarvan hield zich aan

dit gebruik. Toen de gids het sein gaf om te rusten, kwamen de reizigers

juist aan de stad Arauco, liggende aan de zuidpunt der baai, zonder dat

zij van den schuimenden kant der zee afgeweken waren. Van hier zouden

zij een twintigtal mijlen westwaarts hebben moeten gaan tot aan de baai

Carnero, om er het uiteinde van den zeven en dertigsten graad te vinden.

Maar de agenten van Glenarvan hadden dit gedeelte der kust reeds

doorzocht, zonder eenig spoor van de schipbreuk aan te treffen. Een

nieuw onderzoek was dus onnoodig, en men besloot de stad Arauco tot

uitgangspunt te nemen. Van daar zou men in een zuivere regte lijn

oostwaarts opgaan.

Het kleine gezelschap trok de stad binnen om er den nacht door te

brengen, en sloeg zich op de binnenplaats eener herberg in de open lucht

neder, daar deze, wat de gemakkelijke inrigting betreft, nog in een

allerellendigsten toestand verkeerde.

Arauco is de hoofdstad van Araucanië, een staat, honderd vijftig mijlen

lang en dertig breed, bewoond door de Molouchen, die oudste zonen van

het chilische ras, door den dichter Ercilla bezongen. Het is een fier en

forsch ras, het eenige in de beide Amerika's, dat nooit door vreemden

overheerscht is. Heeft Arauco ook al vroeger aan de Spanjaarden behoord,

zoo onderwierpen de inwoners zich toch niet; zij verzetteden zich toen,

zooals zij zich nu nog verzetten tegen de ondernemingen van Chili, en

hun vrije vlag,--een witte ster op een azuren veld,--wappert nog van den

top van den versterkten heuvel, die de stad beschermt.

Terwijl het avondeten gereed werd gemaakt, gingen Glenarvan, Paganel en

de gids een wandeling doen tusschen de met riet gedekte huizen. Behalve

een kerk en de overblijfselen van een franciscaner klooster, leverde

Arauco niets bezienswaardigs op. Glenarvan trachtte eenige inlichtingen

te verkrijgen, maar te vergeefs. Paganel was wanhopend, omdat hij zich

niet door de inwoners kon doen verstaan; maar, daar dezen het

araucanisch spreken,--een bijzondere taal, die tot aan de straat van

Magellaan gesproken wordt,--had Paganel evenveel aan het spaansch als

aan het hebreeuwsch. Hij hield dus zijne oogen bezig in plaats van zijn

ooren, en vermaakte zich, als een echt geleerde, met de beschouwing van

de verschillende typen van het molouchsche ras, die hij ontmoette. De

mannen hadden een rijzige gestalte, een plat gezigt, een koperkleurige

huid, een baardelooze kin, een schuwen blik en een breed hoofd, dat met

lang zwart haar was bedekt. Zij schenen verzot op die bijzondere soort

van lediggang van krijgslieden, die in vredestijd niet weten, wat zij

doen zullen. Hunne vrouwen, die er ongelukkig en moedig uitzagen,

hielden zich bezig met het zware huiswerk, verzorgden de paarden,

maakten de wapens schoon, bebouwden het land, gingen voor haar heeren op

de jagt, en vonden toch nog tijd om die donkerblaauwe mantels te maken,

waaraan zij twee jaren besteden, en die minstens honderd dollars[1]

kosten.

Kortom, die Molouchen zijn een vrij onbeduidend volk, welks zeden nog

tamelijk ruw zijn. Zij hebben bijna alle menschelijke ondeugden en maar

ééne deugd, liefde voor de onafhankelijkheid.

"Echte Spartanen," herhaalde Paganel, toen hij na geëindigde wandeling

aan den avondmaaltijd deel kwam nemen.

De waardige geleerde overdreef, en men begreep hem nog minder, toen hij

er bijvoegde, dat, daar hij een Franschman was, zijn hart sterk klopte

bij zijn bezoek aan de stad Arauco. Toen de majoor hem naar de reden van

die onverwachte "hartklopping" vroeg, antwoordde hij, dat zijn

aandoening zeer natuurlijk was, omdat een zijner landgenooten voorheen

op den troon van Araucanië had gezeten. De majoor verzocht hem zoo goed

te zijn om den naam van dien vorst te noemen. Jacques Paganel noemde

trotsch den braven De Tonneins, een uitstekend man, vroeger procureur te

Périgueux, wiens baard wat al te zwaar was, en die ondergaan had, wat de

onttroonde koningen zoo gaarne "de ondankbaarheid hunner onderdanen"

noemen. Toen de majoor even glimlachte bij de gedachte, dat een gewezen

procureur van den troon was gejaagd, antwoordde Paganel zeer ernstig,

dat het voor een procureur misschien gemakkelijker was om een goed

koning te worden, dan voor een koning om een goed procureur te worden.

Op dat gezegde barstten allen in lagchen uit, en dronken eenige teugen

"chicha"[2] op de gezondheid van Orellie-Antoine I, ex-koning van

Araucanië. In hun mantels gewikkeld vielen de reizigers eenige minuten

daarna in een gerusten slaap.

Des anderen daags ten acht ure ging de kleine troep, met de merrie in de

voor- en de inlanders in de achterhoede, oostwaarts op weg naar de zeven

en dertigste parallel. Hij trok nu door het vruchtbare gebied van

Araucanië, rijk aan wijngaarden en kudden. Maar gaandeweg werd de streek

woester. Ter naauwernood trof men, mijlen van elkander verwijderd, een

hut van "rastreadores" aan, indiaansche paardentemmers, die in geheel

Amerika beroemd zijn. Soms ook een verlaten posthuis, dat tot

schuilplaats diende voor den zwervenden bewoner der vlakte. Op dezen dag

versperden twee rivieren, de Rio de Raque en de Rio de Tubal, den weg

voor de reizigers. Maar de gids ontdekte een doorwaadbare plaats, welke

hen aan de overzijde bragt. Aan den gezigteinder vertoonde zich de keten

der Andes, wier kruinen naar het noorden oprezen en wier pieken in

aantal toenamen. Het waren nog maar de onderste wervels van de

ontzaggelijke ruggegraat, waarop het geheele gebeente der Nieuwe Wereld

rust.

Des namiddags ten vier ure hield men, na een togt van vijf en dertig

mijlen, in het open veld stil onder een boschje van reusachtige

myrteboomen. De muilezels werden onttoomd, en gingen in vrijheid grazen

in het digte gras der weide. De knapzakken leverden de gewone

hoeveelheden vleesch en rijst. De schapenhuiden werden op den grond

gelegd en dienden tot dekens, de zadels tot kussens, en allen vonden op

deze zonderlinge bedden een verkwikkende rust, terwijl de inlanders en

de gids ieder op hun beurt de wacht hielden.

Daar het weder zoo gunstig bleef, daar alle reizigers, ook Robert, goed

gezond waren, daar eindelijk die reis onder zulke gelukkige voorteekens

begonnen werd, moest men er gebruik van maken en voortgaan, evenals een

speler "die op zijn dreef komt." Dat was aller gevoelen. Den volgenden

dag reisde men stevig door, trok zonder ongelukken de snelstroomende

Bell over, en toen zij zich des avonds aan de oevers der Rio Biobio, die

spaansch Chili van onafhankelijk Chili scheidt, legerden, kon Glenarvan

nogmaals berekenen, dat zij weder vijf en dertig mijlen hadden afgelegd.

Het land was niet veranderd. Het was nog altijd vruchtbaar en rijk aan

narcisleliën, boomvormige vioolplanten, japansche leliën der dalen,

gemeene doornappels en cactussen met goudgele bloemen. Eenige dieren,

onder anderen de katpardel, hielden zich schuil in de digte struiken.

Een reiger, een eenzame moerasuil, lijsters en zilverduikers, die voor

de klaauwen van den valk vlugtten, waren de eenige vertegenwoordigers

der vogelsoorten. Maar inboorlingen zag men weinig, ter naauwernood

eenige "guasso's", bastaardkinderen van Indianen en Europeanen, die

voortrenden op paarden, welken zij tot bloedens toe de reusachtige

sporen gaven, waarvan hun naakte voet voorzien was, en die als schaduwen

voorbij-ijlden. Men kon onderweg met niemand spreken, en dus ook geen

inlichtingen verkrijgen. Glenarvan schikte zich er in. Hij zeide bij

zich zelven, dat kapitein Grant, door Indianen gevangen genomen zijnde,

door hen over de Andes-keten moest medegesleept zijn.

In de pampa's, en niet aan deze zijde, konden derhalve de nasporingen

tot eenige uitkomst leiden. Er zat dus niets anders op dan geduld te

oefenen en snel en onafgebroken vooruit te gaan.

Den 17den vertrok men weder op het gewone uur en in dezelfde orde.

Robert kon zich met moeite bedwingen om de orde niet te verbreken; want

zijn ijver zette hem aan om de merrie voor te komen, tot groot verdriet

van zijn muildier. Er was zelfs een strenge terugroeping van lord

Glenarvan noodig om den knaap op zijn post in de marschlinie te houden.

Er kwam nu meer afwisseling in het voorkomen van het land; het rijzen

van den bodem was het voorteeken van de nabijheid van bergen; het aantal

riviertjes nam toe, en zij stroomden met veel gedruisch van de

hellingen. Paganel raadpleegde dikwijls zijn kaarten; wanneer een van

die beken er niet op voorkwam, hetgeen dikwijls gebeurde, kookte den

aardrijkskundige het bloed in de aderen, en was het grappig om te zien,

hoe driftig hij werd.

"Een beek, die geen naam heeft!" zeide hij, "het is alsof er geen

burgerlijke stand is! zij bestaat niet in het oog der aardrijkskundige

wet!"

Ook zag hij er geen bezwaar in om die onbenoemde riviertjes te doopen;

hij tekende ze aan op zijn kaart en overlaadde ze met de sierlijkste

benamingen in de spaansche taal.

"Welk een taal!" herhaalde hij, "welk een rijke en welluidende taal zij

is van metaal, en ik ben zeker, dat zij uit acht en zeventig deelen

koper en twee en twintig deelen tin bestaat, evenals klokspijs!"

"Maar maakt gij vorderingen?" antwoordde hem Glenarvan.

"Zeker! waarde lord! Als die klemtoon er maar niet was! Maar die

klemtoon! die klemtoon!"

In afwachting van beter, deed Paganel onderweg zijn best om zijn keel te

gewennen aan de moeijelijkheden der uitspraak, zonder daarom zijn

aardrijkskundige waarnemingen te verwaarloozen. Daarin was hij verbazend

sterk en zou hij niet ligt zijn meester vinden. Wanneer Edward Glenarvan

den gids over de een of andere bijzonderheid van het land ondervroeg,

antwoordde zijn geleerde reisgenoot altijd nog eer dan de gids, die hem

dan ook geheel verbluft aanstaarde.

Dienzelfden dag kwam men tegen twee ure aan een weg, die den tot nu toe

gevolgden sneed. Glenarvan vroeg natuurlijk naar den naam, en even

natuurlijk ook was het Paganel, die antwoordde:

"Het is de weg van Yumbel naar los Angeles."

Glenarvan zag den gids aan.

"Juist!" antwoordde deze.

Zich vervolgens naar den aardrijkskundige wendende, zeide hij:

"Gij hebt zeker dit land reeds doorreisd?"

"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel zeer ernstig.

"Op een muilezel?"

"Neen! in mijn armstoel."

De gids begreep er niets van, hij haalde althans de schouders op en

stelde zich weder aan het hoofd van den troep.

Des namiddags ten vijf ure hield hij stil in een diepe kloof, eenige

mijlen boven het stadje Loja.

Dien nacht bragten de reizigers door aan den voet der sierra's, de

voorloopers der groote Cordillera.

[1] Twee honderd vijftig gulden.

[2] Brandewijn van gegiste turksche tarwe.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 18 / 37 题