't Was stil--en 't bleef een poosje stil;
Men hoorde niet meer slag of gil,
En Sparrebeen zei: "Eva, kind!
De muis is weg, uw rust begint."
Zij werkt zich uit de dekens, maar
Vol angst nog, lispt ze: "och, is 't waar?
Och, Sparretje, ik dank u wel.
Wat werkt zoo'n beest op mijn gestel!
Nu kom ik er eens even uit,
Om u te danken, lieve guit!"--
Maar 't muisje, nog al bij de hand,
Keek juist van onder 't ledikant,
En Eva nauwlijks op den grond,
Sprong met haar dikke voetjes rond.
Zij schreeuwde luid: "Daar is de muis:
Jaag Sparlief! 't beest toch buitenshuis."--
Fluks boog de man zich op den grond,
Of hij de snoode muis ook vond,
Sloeg woedend om zich, keer op keer;
Maar zie, de muis ontsnapte weêr,
En zuchtend klaagde 't echtlijk paar:
"Wij vangen 't dier nog in geen jaar;
Wat ons nog overkomen zal
Bij zulk een schrikklijk ongeval?"