IV.

Wat nu gedaan in 't nachtlijk uur?

Hier was een goede raad wel duur;

Liet zich de muis ook niet meer zien,

Toch bracht zij angst aan de echtelien.

Vrouw Eva's moed was lang gedoofd

En Spar, hij krabde zich het hoofd;

Men keek elkaâr verlegen aan

En durfde niet ter rust te gaan.

Niet zonder reden ook, want ach!

Daar kwam weêr 't beestje voor den dag

En 't lijden ving op nieuw weêr aan.

Doch Spar zei: "Vrouw, blijf gij maar staan;

'k Weet nu al hoe ik 't hebben moet:

Ik vang het ondier in mijn hoed."--

Hij greep den hoed, ging stil en zacht

Met sprakeloozen mond ter jacht;

Maar 't muisje, even rustig stil,

Ziet dra wat Sparrebeen nu wil,

En hoe zich onze vriend ook weer',

Het fopt den sukkel keer op keer.

Het loerde op de dikke vrouw,

Als of het haar verjagen wou;

Maar Eva, door 't gevaar nu leep,

Zei: "Wacht eens, Monster, 'k vat de kneep";

En nam van achter 't ledikant

Een groote parapluie ter hand,

Die zij heldhaftig opensloeg,

Terwijl haar man op 't muisje joeg.

De muis, of De gestoorde nachtrust een berijmde geschiedenis in twaalf tafereelen voor jong en oud · 第 12 / 20 题