Loodrecht door het midden van eene groote kurk gaat een stroohalm;
deze draagt een liggenden halm van dezelfde dikte; de beide hangende
halmen zijn dunner, evenals de beide uitstroomingsbuisjes, welker
openingen weder naar tegenovergestelde zijden moeten gericht zijn
(zie de teekening). De verbinding der deelen geschiedt op dezelfde
wijze als bij den vorigen toestel, met lak of met kurken.
De uiteinden van de horizontale buis en de hangende buizen moeten
weder met lak of was afgesloten worden.
De aldus ingerichte toestel is, naar wij gelooven, iets nieuws op
wetenschappelijk gebied: waterrad en hevel in één werktuig vereenigd.
De kurk wordt nu in een glas water geplaatst, zoodat het ondereinde
van den middelsten stroohalm onder water uitkomt; twee personen zuigen
tegelijk aan de beide uitstroomingsbuizen, en zoodra de uitstrooming
begint, gaat de geheele toestel draaien; tegelijkertijd wordt het
glas geledigd, totdat de horizontale halm zoo ver gedaald is, dat
hij op den rand van het glas komt te liggen.
Als men zorgt voor een onafgebroken toevoer van water, en deze zoodanig
geregeld wordt, dat de waterspiegel in het glas even hoog blijft,
dan werkt de toestel steeds door.
Misschien kan dit denkbeeld groote diensten bewijzen aan
water-werktuigkundigen, om waterkracht nuttig aan te wenden zonder
hulp van werktuigen.
In plaats van het broze stroo, kan men zeer dunne koperen buisjes
gebruiken, die omgebogen en in een kurk gestoken worden, volgens de
afbeelding aan den rechterkant op onze teekening.
Bij deze inrichting kan men zooveel buisjes gebruiken als men wil,
en kan dezelfde persoon ze één voor één in werking brengen.
Gebruikt ge stroo, dan moeten de uitstroomingsbuizen weder
schuin afgesneden worden; bij koperen buisjes worden, de
uitstroomingsopeningen een weinig dicht geknepen, om het water minder
snel te laten afvloeien.