Een scheepje van karton zullen wij laten varen, door er eene stoomboot
van te maken met behulp van twee eierschalen.
Uw werk als scheepsbouwmeester is niet moeielijk: gij snijdt de
deelen van het schip uit tamelijk dik karton, en plakt ze met lak
goed waterdicht aaneen.
De scheepsboorden maakt ge van spelden en zwart garen, en aan den
achtersteven bevestigt ge een roer, dat om eene speld moet kunnen
draaien en met twee draden van ongelijke lengte aan de boorden kan
verbonden worden; hierdoor kan het roer schuin gezet worden, als uwe
zee de bescheiden afmetingen heeft van een bak met water, waarin de
boot in de rondte moet varen.
Twee ijzerdraden, volgens onze teekening gebogen, en beide rustende
in twee insnijdingen in den romp, dragen eene ledige eierschaal. Het
ei moet door zuigen geledigd zijn, daar er slechts, één gaatje in de
schaal mag wezen.
Vul nu de eierschaal zoo ver met water, dat, als het ei horizontaal
ligt, de waterspiegel een weinig onder het gaatje blijft. Nu is de
ketel gereed, wij leggen hem op de beide ijzerdraden met de opening
naar achteren; deze moet boven het scheepsboord liggen.
Als vuurhaard zetten we daaronder een halven eierdop op een ring van
kurk, die met lak op den bodem van de boot bevestigd is; in den dop
doen wij een vlokje watten, goed met wijngeest gedrenkt.
Eenige seconden nadat de wijngeest is aangestoken, begint het
water te koken, en er komt een stoomstraaltje uit het gaatje in
de eierschaal. Door de reactie van dien stoomstraal tegen de lucht
zal het scheepje zich vooruit bewegen; ge hebt aldus een stoomschip
verkregen, dat zonder machine, raderen noch schroef kan varen.