naast zijn vrouw langs den weg die Sander enkele dagen vroeger genomen
had. Zij keken niet om en dorsten elkaar niet bezien want zij hadden
tranen in de oogen.
Hoe verder zij kwamen hoe meer stootwagens, karren en rijtuigen zij
zagen. Mannen en vrouwen zwoegden onder vreemd gepak; kinderen schreiden,
er werd geroepen en gekeven. Aan den Dam, voor het station, stond een
trein met roode kruisen beschilderd.
De karavaan toog maar traagjes voort naar Merxem. Zij moesten uitwijken
voor een kruiwagen en een bakkerskar, stonden plots buiten het gedrang.
--'k Ben zoo moe, kloeg Madame, mijn voeten weigeren mij te dragen.
Snepvangers dacht aan den langen weg, zag weer naar den roodkruistrein
en had een gelukkige ingeving. Wie weet was daar geen plaatsken te
veroveren! Met geld en schoon woorden bekomt men veel... Zij kwamen
op het perron, de trein floot en voor zij het precies begrepen, waren zij
in het gedrang opgestuwd in een wagen, tusschen opgetimmerde brancards.
--Ge moet maar uit uw oogen zien, zei Snepvangers voldaan, hier is het
beter dan in een kelder.
Madame kreeg een plaatsken naast een dienstmeisje met witten voorschoot
die ongeschilde appelen at. Mijnheer nam zijn valiesje als schabel.
--Geef nu maar een boterham, Moeder, zei hij opgewekt.
Zij stak haar taschje naar hem uit.
--Wat is dat?
--Mijn korfken met eten, zei ze.
--Wat?
In haar onthutstheid had zij het leege eiermandje meegenomen....
--Neem een appel, Madame, troostte de meid.
--Wel ja, lachte Snepvangers en nam een appel, geef dat ding hier, dat
kunnen we toch niet meesleuren.
Hij wierp het korfje in gevlochten ijzerdraad uit het raampje, zag een
vlieger toeren boven den Polder en menschen langs de wegen trekken, een
zwarte zwerm gelijk.
--Die arm beestjes, klaagde Madame.
--De beestjes? bedacht de meid.
--Ja, de kanarievogels!
De meid verslikte zich in haar appel, beloerde gichelend de suffe vrouw.
--'t Is niet om te lachen, zei Snepvangers gebelgd en knabbelde aan het
klokhuis.
Een burgerwacht in uniform met slappen hoed op het hoofd vertelde luidop
zijn wedervaren.... Hij had den nacht op de wallen dienst gedaan en de
bommen zien neerslagen. De kapitein en zijn compagnie waren afgetrokken
en hadden hem vergeten.
Aan elk station hield de trein stil en kropen er nog menschen in de
stampvolle wagons. Zij zaten nu tot op den tender, en men hoorde hun
schoenengebons boven het hoofd.
Het duurde uren en uren. Plots werden de raamkens neergelaten en een
gejuich steeg uit den trein. Mijnheer jubelde mee.
--Is 't gedaan? vroeg Madame.
--Wij zijn over de grens, zei Mijnheer en stak een sigaar op, ik hoor
geen kanon meer!...
--Mijn appelen zijn op, meldde de meid.
Klokslag vier uur stond de trein stil op het rangeerterrein te Rozendael.
Met gestommel en lawaai trokken de vluchtelingen over de banen, door
Ondergrondsche gangen en stonden plots voor het station op een open
plein vol menschen, vol luidruchtige Sinjoren.
--Wel, wie dat we daar hebben, riep een man.
't Was de Verdierenpikker die verheugd en opgewonden, de handen vooruit,
op hen toetrad.
--Toch ook weggetrokken?
--Dat geloof ik wel, verontschuldigde zich Snepvangers, heel het Zuid
ligt plat.
--En de kinderen die daar in een kelder zitten, griende Madame.
--'t Is dom zoo uw schoon leven te riskeeren, zei de Verdierenpikker.
--Ja, blufte Snepvangers, ik was toch ook gebleven, al was het maar voor
mijn kanarievogels, maar ik wou mijn vrouw redden...
--Mijnheer, Mijnheer, jammerde een dik zweetend heerken, staat mijn huis
er nog in de Lozanastraat?
--Alles ligt plat, het Justiciepaleis en al de huizen in den omtrek,
getuigde Snepvangers heel wreedaardig, we zijn onder de bommen weggeloopen
en per mirakel ontsnapt.
--Wat een ongeluk prevelde het blozend manneken ntdaan.
--'t Is oorlog, troostte Snepvangers, ja 't is oorlog, herhaalde hij
luchtig, maar dat belet niet dat ik honger heb... Kom, Moeder, we gaan
wat eten.
--Kom maar mee, zei de Verdierenpikker, ik weet waar ge zijn moet.
Zij lieten het heerken staan en trokken de markt over naar een hotel, waar
zij, na lang wachten en trommelen op de tafel, een biefstuk met gebakken
aardappelen bemachtigden.
Zij zaten omgeven van Antwerpenaars die druk hun lotgevallen bespraken en
dorstig van ontroering, pintjes dronken. Het leek wel een kermisvolte.
--Garcon, riep Snepvangers, toen hij verzadigd was en zijn derde glas
gedronken had.
--Hier heeten de garçons allemaal Jan leerde de Verdierenpikker.
--Awel, Jan, riep Snepvangers, kunnen we hier logeeren.
--Alles is vol, Menheer, nergens vindt u nog onderkomen, beweerde de man
terwijl hij het drinkgeld opstreek.
--Ja maar, we moeten toch slapen, verzette zich Snepvangers in zijn
zekerheid getroffen.
--Dat zal wel, Menheer, gaf Jan toe en schoof naar een ander tafel.
--Maar die is in mijn botten, kloeg Snepvangers, we kunnen toch niet onder
den blooten hemel slapen.
--Of hier op een stoel, vulde Madame aan,--waar logeert Mijnheer?
--Ik, zei de Verdierenpikker genoegelijk, aan mij moet ge niet denken, ik
heb een kamer boven een boterwinkel!
--Maar wij?
--Daar hebt ge het kot van den manken hannen.
--Kom, we zullen eens gaan zoeken... een kruier heeft mij geholpen...
--Een kruier, wat is dat?
--Wel, Snepvangers, leerde de Verdierenpikker, 't is te zien dat ge pas in
Holland zijt, een kruier dat is zoo'n vent... ge weet wel...
--Neen, ontkende Snepvangers.
--Wel zoo'n vent die commissies doet... een boodschapper.
--Zoo een met een koperen plaat op zijn klak die aan de statie staat?
vroeg Madame.
--Precies!
Op het plein, door de rumoerige menigte die er met krijtende kinderen en
vreemd gepak bivakkeerden, keerden zij weer naar het station waar
vluchtelingen af en aan liepen. De kruier zagen zij niet. Van ontsteltenis
kregen zij telkens dorst.
--Wat zijn de soldaten toch braaf, zei Madame, zie maar eens hoe zij de
arme menschen helpen.
--Ze dragen de pakken en deelen hun brood uit, zei Snepvangers verteederd,
dat heb ik nog nooit gezien...
--De Hollanders hebben zoo'n compassie met ons... ik moest eerlijk niet
veel hebben van 'nen kouden Hollander... maar nu, nu ken ik ze beter... Ze
staan hun eigen bed af voor vreemde menschen... 't is danig goed volk.
--Hadden wij ook maar een bed, betreurde Snepvangers.
--Maar heel Antwerpen is hier, beweerde de Verdierenpikker, ik vrees dat
ge dieper het land zult moeten intrekken!
--Maar heden avond toch niet, jammerde Madame, seffens is het donker en
in een vreemd land waar men den weg niet... Was ik maar in onzen kelder
gebleven... die arme vogeltjes...
Wanneer zij in de schemering, voor de vijfde maal de trappen van het
stationsgebouw bestegen, liepen zij tegen den kruier aan.
--Kruier, riep de Verdierenpikker.
--Menheer, zei de man, en tikte eventjes aan zijn pet.
--Madame en Mijnheer Snepvangers moeten een kamer hebben.
--Ik weet niks meer!
--Dat is gauw gezegd, maar ze kunnen toch niet onder den blooten hemel
slapen!
--Het zal wel moeten... of in de wachtzaal...
--Neen, Kruier, 't zijn deftige menschen... Mijnheer was kandidaat voor
den Gemeenteraad...
--Het mag kosten wat het wil, steunde Snepvangers en stopte den man een
half franksken in de hand.
--Ja, aarzelde de Kruier, mogelijk zou ik iets kunnen doen... ingeval
Menheer en Mevrouw met mijn bed zich wilden vergenoegen...
--Wel natuurlijk, zei Snepvangers, 't is oorlog... en wij Sinjoren zijn
ongegeneerde menschen... Mijnheer de kruier, ge zijt 'n reddende engel...
--Heb ik het niet voorspeld? triomfeerde de Verdierenpikker.
--Mevrouw zal wel vermoeid zijn,--zei de Kruier laat ons maar
opstappen... daarbij moet ik mijn vrouw nog verwittigen...
--En waar zult gij dan slapen? vroeg Madame.
--We hebben nog een zolderkamertje, Mevrouw, en Mevrouw zal het met één
matras moeten stellen, wij nemen dan de andere... Rechtuit loopen, Heeren,
't is nog een eindje voorbij de boterzaak waar Menheer logeert.
--Wat beleefde commissionnair, fluisterde Madame.
Nadat de Verdierenpikker afscheid genomen had,--'s anderendaags zouden
zij elkaar weer ontmoeten en verder zien wat hen te doen stond,--liepen de
echtgenooten naast den kruier voort. Overal aan de deuren stonden
vluchtelingen te praten met de gastheeren... De weg scheen lang in het
duister. In de verte floten de treinen.
--Er komen er nog meer, beloofde Madame.
--'t Is toch vreeselijk, Mevrouw, en Antwerpen was een mooie stad... Ik
was wel eens te Antwerpen...
--Een schoone stad... Dat zou ik gelooven, zei Madame trotsch.
--Heel wat anders dan Brussel of Rozendaal, onderbrak Snepvangers, uw
statiegebouw is anders wel schoon... wel mooi wil ik zeggen... ja, Kruier,
ik zal gauw Hollandsch spreken, wacht maar een beetje... maar kunt ge u
wel voorstellen wat een bombardement is?
Hij hield den man staan en keek hem in het wit der oogen.
--Neen, menheer, alles vliegt kapot of in brand zeker?
--Ja dat is het... de kanonballen huilen in de lucht... ge ziet ze naar
beneden komen en trekt in het begin den kop in... maar ge raakt eraan
gewoon... het deed ons niks meer... we telden ze...
--Maar Snepvangers toch...
--Mijn vrouw was bang ... maar ik ben onder het bombardement naar mijn
dochter geweest om de kinderen te zien... Die waren allemaal zoo moedig
dat zij niet eens wilden vluchten.
--Ze zijn misschien al dood, nokte Madame.
--Men mag zich nooit het ergste verbeelden, Mevrouw.
--Dat zeg ik ook... maar nu weten wij van den oorlog mee te spreken...
In een straat, aan weerszijden met kleine arbeiderswoningen bebouwd,
woonde de kruier. Hij draaide het gaslicht op in het voorkamertje,
verontschuldigde zich dat hij even zijn vrouw ging verwittigen.
--'t Riekt hier naar gebakken haring, vezelde Madame.
--'k Zou er wel een lusten, bekende Snepvangers.
Dan zaten zij stil te kijken naar het tafeltapijt, naar de kleerkast, de
potjes op het schouwblad, en naar een portret der Koningin dat aan den
wand hing.
--Ik geloof dat het protestanten zijn, zei Mevrouw onthutst.
--Och, Moeder, dat zijn ook menschen, en...
De deur piepte en een magere vrouw met een zwarte muts op het hoofd kwam,
gevolgd door den Kruier, binnen.
--Welkom, Mevrouw en Menheer, spijtig dat wij zoo eng behuisd zijn...
Mevrouw zal zich moeten behelpen met wat we aanbieden kunnen ...
--Maar 't is van harte gegund... de menschen moeten elkaar behelpen in
deze benarde tijden, voegde de Kruier er aan toe.
--Wij behooren maar tot den arbeidenden stand, Mevrouw.
--Ja maar, zei Snepvangers, ik vind het heel schoon... mooi wil ik zeggen,
maar ge moet zeggen wat het kost...
--Neen, weerde de huisvrouw af, wij doen wat wij kunnen, elkeen heeft
vluchtelingen in huis.
Maar Snepvangers drong aan, wou en zou betalen.
--Ik zou eerst maar een avondboterhammetje eten en het bed eens probeeren,
dan kunnen we morgen verder praten, besloot de huisvrouw.
Zij dronken samen een kommetje slappen koffie en aten boterhammen met
kaas. Dan ging de Kruier met zijn vluchteling nog een slaapsmutsken
drinken in een kroeg in de buurt, waar men de laatste berichten uit
de brandende stad vernam.
--Menheer is onder de bommen weggevlucht, pochte de Kruier.
--Ik weet soms niet of ik nog leef, zei Snepvangers bescheiden.
--Zoodra het bombardement gedaan is ga ik eens kijken, bedacht de Waard,
terwijl hij kalmpjes zijn pijp rookte, ik ben neutraal!
Toen de mannen thuis kwamen schenen zij oude vrienden. Snepvangers had
zijn halve levensloop verteld. De vrouwen zaten gezelligjes in de
voorkamer. Madame had de huisvrouw geholpen om de matras af te trekken en
het bed te verschoonen. Eventjes zaten zij nog rustig bijeen dan ging de
Kruier met zijn vrouw naar boven want het zou weer vroeg dag zijn.
Snepvangers geeuwde terwijl hij de deur afsloot. Madame opende de deuren
der alkoof.
--'t Is proper, getuigde zij en sloeg de lakens open.
--Maar 't is benauwd in de kamer, oordeelde Snepvangers, en 't riekt
naar haring.
--Ge droomt, Snepvangers,
--Ook goed, onderwierp zich de man.
Hij lei zijn valiesje boven zijn hoofdkussen, vleide zich neer en begon
direct te ronken.
Madame kon niet slapen, lag te woelen en te zuchten. Zij dacht aan de
kinderen. Wat zou er met hen gebeurd zijn? Snepvangers scheen geen kommer
te kennen, die peinsde noch aan zijn huis noch aan hen die achtergebleven
waren. In haar verbeelding hoorde zij het gedaver van het vuur dat
Antwerpen bestreek. Wat zou er hen nog boven het hoofd hangen. Zij zaten
In een vreemd land en genoten de gastvrijheid, sliepen in andermans bed,
mochten zich nog gelukkig achten want duizenden hadden geen onderkomen.
Wanneer zij opstonden was de Kruier al de baan op. Het ontbijt stond klaar
in de keuken.
--Goed geslapen, Mevrouw en Menheer?
--Heel goed, zei Snepvangers, maar laat ons nu eens condities maken.
--Ge zijt onze gasten!
--Als ik niet mag betalen, dan trek ik er uit, dreigde Snepvangers, ik wil
op niemands kap leven...
--Dat zal Menheer niet doen, smeekte de huisvrouw, wat zullen de buren wel
denken...
--Laat ons dan accoord maken...
--Wel... laat ons dan zeggen een gulden!... Dat is toch niet overdreven...
--Een gulden? ... En dan vertellen ze dat Holland een duur land is... neen
dat gaat niet... ik zeg drie gulden, dat betaal ik overal in een hotel...
en dan is het goedkoop... En nu ga ik eens zien naar de statie; gaat ge
mee Moeder?
--Ik blijf liever thuis en zal Madame helpen ...
Snepvangers trok blijmoedig op, kocht voor een dubbeltje sigaren en ging
dan naar den boterwinkel om zijn vriend af te halen die juist zijn tweede
lichtgekookt eitje uitlepelde.
Voor het station was de beweging even druk als den vorigen dag. Wagens en
karren kwamen het plein opgereden, mannen zwoegden onder hun gepak,
soldaten hielpen, vrouwen sleurden met drenzerige kinderen. Snepvangers
sloeg het leven welgevallig gade, liep met den Verdierenpikker rookend
van groepje tot groepje om van de vlucht te hooren vertellen en de
varende geruchten op te vangen. Soms werden zij aangesproken en dan gaf
Snepvangers raad.
--Ge moet dieper Holland intrekken, hier is geen bed meer te vinden...
--Dat hebben de soldaten ook gezegd...
--Spreekt jandorie geen kwaad van de soldaten, en de Hollanders dat
zijn menschen...
--Dan zullen we maar naar Amsterdam gaan...
--Mooi zoo, zei Snepvangers dan met een effen gezicht, ingenomen met
zijn Hollandsch woord en zijn goedkoope sigaar.
's Namiddags hadden zij tot verpoozing een bijeenkomst van landgenooten.
Na het eten zocht Snepvangers weer zijn vriend op en trokken zij naar de
vergadering. De voorzitter sprak Fransch, zette de toehoorders aan om
goeden moed te houden, want de kansen gingen keeren.
--Waarom moeten die mannen altijd Fransch parleeren, zei de
Verdierenpikker misnoegd.
--Och dat is zoo de chic, verzekerde Snepvangers, kom, hij weet er toch
niks meer van dan wij ... Holland is toch nog een land ... hier kunt ge
altijd sigaren rooken ...
's Avonds ging hij weer een slaapmutsken drinken met zijn gastheer.
Snepvangers betaalde... Hij sliep daarna weer godzalig en vermoedde niet
eens dat zijn vrouw heel den langen nacht slapeloos lag te dubben.
Hij trok 's morgens weer de stad in alsof hij nooit anders gedaan had,
zeer op zijn gemak in de drukte. Op het plein vernamen zij dat Antwerpen
gevallen was en het bombardement had opgehouden. Het gaf een opluchting.
De vergadering was nog beter bezocht dan den vorigen dag. De voorzitter
sprak weer Fransch, hij was een Antwerpsch advokaat, en hij stelde voor
een bestuur te kiezen dat de belangen der vluchtelingen zou behartigen en
den toestand onderzoeken. Dagelijks zouden zij samenkomen. Snepvangers
werd op voorstel van den Verdierenpikker in het bestuur verkozen. Op
zijn verzoek werd een dankbetuiging gestemd aan de stedelijke bevolking
en de Wethouders van Rozendaal, aan het Magistraat van Antwerpen en aan
den Heer Voorzitter voor zijn wijs beleid. Zijn rede werd zeer toegejucht
en had voor gevolg dat hij met twee andere heeren aangeduid werd om naar
Bergen op Zoom te reizen en aldaar met het plaatselijk Comiteit te
Onderhandelen over de te treffen maatregelen van algemeen belang.
's Zondags ging hij met zijn vrouw naar de hoogmis, later alleen naar
de vergadering. Daar vernam hij schrikbarende dingen.
--We mogen nog niet terugkeeren, verklaarde hij aan zijn vrouw, terwijl
hij in de alkoof stapte.
De reis naar Bergen op Zoom verliep naar wensch. Daar ook vergaderde het
Comiteit regelmatig alle dagen, evenals te Breda, in den Haag, te
Vlissingen en elders. Hij had er de groeten overgebracht van stad- en
Landgenooten die te Rozendaal onderdak hadden gevonden, menig glas
gedronken en veel zweet verloren in den stoomtram.
Zijn dagen waren zeer gevuld. Reeds vroeg haalde hij zijn vriend af, ging
naar het wisselkantoor Belgisch geld ruilen tegen Hollandsche guldens,
daarna kijken en nieuwtjes visschen in den omtrek van het station, eten
en vergaderen om den dag te besluiten met zijn gastheer in het gezellig
kroegje.
Op Zaterdagavond kwam de Waard hem tegemoet.
--Menheer Snepvangers, zei hij, ik ben te Antwerpen geweest, per fiets
heen en weer, en 'k heb het genoegen u mee te deelen...
--Zeg het rap, onderbrak Snepvangers ongeduldig...
--Uw huis is onbeschadigd en uw familie stelt het naar wensch...
--Jongen, dankte Snepvangers ontroerd, als ik ooit voor u iets doen kan...
door een vuur loopen...
--Dat is te warm, Menheer, schertste de Waard.
--Dat zal wel, zei Snepvangers droomend, nu ga ik gauw mijne vrouw
verwittigen...
--Het kan niet zijn, snikte Madame.
--Van mijn kanarievogels heeft hij niks gezegd...
--Wat zullen zij angst hebben uitgestaan!
--Die arme vogeltjes...
--Neen, de kinderen, Snepvangers!
--Willen wij morgen naar huis gaan?
--En het Comiteit?
--Och Comiteit... Dat doet toch niks als vergaderen... Morgen vertrekken
er treinen... 't is er rustig... want er komen Heeren uit Antwerpen
spreken om het volk an te zetten weer naar huis te keeren... Ik ga den
Verdierenpikker verwittigen...
--Ja, zei Madame gedwee.
--Teruggaan?... Ik terug naar Antwerpen,... nepvangers, gij moogt mij veel
vragen, maar dat niet... Ik stierf nog liever... ik trek naar Amerika,
naar overal waar niet gevochten wordt, verklaarde de Verdierenpikker.
--Ik ga naar Antwerpen, hield Snepvangers moedig vol.
--Er staat geen huis meer recht... Ze zullen u krijgsgevangen nemen...
denk toch na... en het Comiteit...
--Ik ga, morgen vroeg al...
--Als gij uw leven wilt riskeeren... ge zijt oud en wijs genoeg...
--Dat hoop ik!
--Snepvangers, hier is mijn deursleutel...
--Wat zal ik er mee aanvangen?
--We zijn altijd vrienden geweest... ga eens naar mijn huis zien... en
naar mijn eigendommen... en schrijf eens een woordje... als ge ginder
gezond mocht aankomen...
--Dat zal ik, beloofde Snepvangers.
Nog denzelfden avond rekenden zij af met den Kruier, inviteerden den
gastheer en zijn vrouw om eens naar Antwerpen te komen.
Ditmaal sliep Snepvangers ook niet, Het alkoofbed scheen hem hard en
bedompt. Madame had medelijden met zijn steunen.
--Morgen slapen wij in ons eigen bed, troostte zij.
--Wat zal ik blij zijn... We kennen Holland nu... 't is een aardig
land... de menschen zijn goed... heel goed zelfs... de sigaren zijn
goedkoop... maar toch. Oost West, thuis best... Ik begon anders goed
Hollandsch te praten en met gulden en dubbeltjes te rekenen... En nu heb
ik niks gekocht voor Albertken...
De vrouw van den kruier weende bij het afscheid en Madame had moeite om
haar tranen te bedwingen.
Zij kwamen veel te vroeg aan het station, kochten nog een paar doosjes
Haagsche Hopjes voor de kinderen...
--Er wagen zich nog maar weinigen, waarschuwde de Kruier die hen
vergezelde op het perron.
--Och, misprees Snepvangers, dat is de schuld van die Comiteiten, die
maken de menschen bang... er is absoluut geen gevaar meer... al de
stadhuisklerken gaan terug...
Eindelijk werden de deurkens toegesmeten.--Snepvangers leunde door het
raampje, zag een Antwerpsen kaaiagent, die den dienst van treinwachter
deed, opwippen, hoorde het gefluit en gepuf der machine, en de
statiechef scheen weg te glijden. Hij riep nog een afscheid aan zijn
vriend, lachte omdat deze zoo beleefd tegen zijn pet tikte, en weg joegen
zij door het groene landschap dat gedoken lag in den najaarsmist waarop
de zon haar goud uitstraalde.
--Wie weet zien we die menschen nog ooit terug, bedacht Madame.
--Ja, wie weet, zei Snepvangers, en de man met wien hij dagelijks
borreltjes had gedronken scheen reeds zoo ver weggedrongen in zijn
herinnering.
De trein vertraagde nabij Esschen, stond plots stil. Vreemde
marinesoldaten met bloote halzen en kleine potsen stonden op het perron
te kijken, één met het geweer op den schouder stond voor den barreel. De
vreemde vlag woei op het gebouw.
--Zie eens, fluisterde Snepvangers ademloos.
--Ja, zei Madame schuw.
Stil-angstig keken zij, maar spraken geen enkel woord. Mijnheer hield
zijn valiesje krampachtig vastgeklemd. Naast hen zat een bleeke dertiger,
die zenuwachtig op zijn snor beet, met verwezen oogen te staren...
Achteraf zaten twee dienstmeisjes op hun paaschbest en vezelden.
Zoohaast de trein opnieuw in beweging kwam scheen alleman te verademen.
--Zij komen niet eens zien, zei Snepvangers.
--Duurt het nog lang voor we aankomen? Informeerd een der meisjes.
--Gaat gij zoo samen terug? vroeg Snepvangers
--Ja, mijnheer en Madame vertrekken naar Engeland... en wij moeten op het
huis gaan passen...
--Schoon volk, misprees Snepvangers.
Zij passeerden een uitgestrekte vlakte vol stronken van uitgerooide
dennen, waarover een net van pinnekensdraad geslingerd lag. De einder
klaarde licht nevelig.
Onverpoosd joeg de trein en blies witte stoomwolken langs het raampje. Aan
elk station zagen zij mariniers en de vreemde vlag. En hoe dichter zij de
stad naderden, hoe benauwder het hen werd.
--Ik ben blij en niet blij, zei Madame.
--Och...
Snepvangers keek verstrooid, hij verlangde naar de straten die hem zoo
gemeenzaam waren, maar was tevens gejaagd... Ginder lag Merxem, de trein
vertraagde, stopte voor de wallen. Karweizoekers boden zich aan om het
gepak te dragen en lanterfanters stonden de terugkeerende stadgenooten te
monsteren, riepen wat tot bekenden maar met gedempte stem. De vrouwen
mochten zonder formaliteiten de stad binnen, maar de mannen moesten eerst
hun paspoort laten afstempelen.
--Wacht maar aan de poort, ried Snepvangers.
--Neen, ik ga mee, verklaarde Madame kordaat.
De marinier floot een deuntje, zag niet eens naar den trouwboek terwijl
hij stempelde.
--'t Is 'n goeie, fluisterde Snepvangers.
Zij sjokten terug naar den doorsteek in de wallen. Niemand sprak hen aan,
maar hun hart klopte fel; zij hijgden en het zweet droop van hun wezen.
--'t Is warm, meende Snepvangers, en dan onder die winterkleeren.
--Ja!...
Langs de vaart, naast de dokken zeulden zij voort. Alles lag stil en
verlaten te broeien onder de zon. 't Was een vredige zondag waarin
musschengetjilp weerklonk. Er roerde niks op de schepen en schuiten.
Plots aan het goederenstation zagen zij weer soldaten, veldgrijzen met
pinhelmen op.
--Hier stonden gardecivikken, bedacht Snepvangers.
Op de leien, waar de boomen vreemde schaduwen wierpen, dwarrelden de
eerste herfstbladeren neer. De beide terugkeerenden telden de menschen
op hun weg. Naast hen bolde een leege tram voort.
--Er is nog haast geen levende ziel in de stad, Snepvangers.
--Ja... maar de stad is ongeschonden, troostte hij zich, we hebben al
vier menschen gezien... de soldaten niet meegerekend ... en de tram rijdt
ook al ...
De breede Paardenmarkt lag eenzaam; in de Roodestraat zagen zij een oud
wijveken aan het poortje van het godshuis "De seven bloedstortingen".
--Dat is vijf in het geheel, besloot Snepvangers toen hij zijn sleutel op
de deur stak ... en wij mogen van geluk spreken in de Hobokenstraat ...
--Weer thuis ... ik dacht dat ik nooit mijn huis meer zou gezien
hebben ... we waren arme ballingen ...
--Och, Mama, 't is weeral vergeten ... 't is achter den rug ... laat ons
maar denken dat we een reisken naar Holland hebben gemaakt ... maar nu ga
ik eens naar de vogeltjes zien ...
--Ik ga mee, zei Madame verteederd.