die half zwarten met roode pofbroeken.
's Zondags, in de kerk, hoorden Mijnheer en Madame de kondschap der
Bisschoppen aan de geloovigen: "Het uur is bedenkelijk. Angst en vreeze
beklemt de harten. Kinderen, vrouwen en moeders smelten in tranen.
Edoch, met vasten stap en moed in het hart trekken onze wakkere soldaten
naar de grenzen..."
--Snepvangers, fluisterde Madame, en er blonken tranen aan haar wimpers,
wat zullen wij in onzen ouden dag nog moeten onderstaan...
--Ik ben van zins, antwoordde Snepvangers, en zijn gedachten hadden een
anderen koers, voor den opslag nog een vijftig liters vogelzaad te
koopen ...
Aan tafel gaf Antoine weer moed, verzekerde dat het land geen gevaar liep
in den strijd gewikkeld te worden. Op het goed vooruitzicht werd een
lekkere flesch geschonken.
Opgemonterd verscheen Snepvangers 's Maandags met zijn spitsken in de
straat.
--Er komt niks van, verzekerde hij aan Sander, Antoine heeft het
gezegd...
--Wacht maar, gromde de Speeker, en blies door zijn goudsche pijp.
Zij stonden een wijlken stil tot een vent voorbij holde.
--'t Is oorlog, riep hij.
--Watte?...
De Speeker liet zijn pijp vallen en keek verwezen naar de scherven.
--Ik hoor trommelen, Sander.
--Snepvangers, nu valt er op te passen, fluisterde de Speeker
geheimzinnig.
--Ze trommelen de gardecivikken op, meldde een straatbengel, 'k heb de
tamboers gezien... 't is oorlog...
--Wel, daar gaat er, poddozie, een...
--Ja, Snepvangers, dat is een trompetter die ook nog in den Oost gediend
heeft en in Tonkin... een duveltje... anders boodschapper aan de statie...
--Hé, Mijnheer, is het waar, ondervroeg Snepvangers.
--Ja, zei de trompetter van de burgerwacht, terwijl hij zijn gele koorden
schikte en naar zijn roodkoperen instrument keek, ja, ik zal mogen
blazen... dat heb ik nog gedaan... daar draag ik decoraties van...
--Awel, peilde de Spreeker...
--We moeten misschien naar de grens, blufte de man en liep door.
--Dan kunnen wij gerust zijn, betrouwde de argelooze Snepvangers.
--Onnoozele bloed, verachtte Sander.
Zijn zonnig humeur bleef hem bij terwijl hij door de stad liep te gapen
naar de koortsige, opgewonden bedrijvigheid. Overal, aan stations en
militaire gebouwen, aan stadspoorten en aan magazijnen stonden
burgerwachten, de bajonet op 't geweer, en keken de burgers aan met de
brani van oudsoldaten. Geen straat zonder soldaten,--geen kroeg zonder
woordvoerders, geen straathoek zonder samenscholing van geburen. De
bijzondere edities der dagbladen droegen in vette titels: "'t Kanon aan
't woord!... Antwerpen in staat van beleg!"
--Nu heeft de burgemeester niks meer te zeggen, nu is 't armee baas,
leerde Sander, en daar valt niet mee te lachen.
--Maar waarom moesten wij toch in den oorlog komen, treurde Snepvangers,
wij zijn geen vechters...
--We zullen het wel leeren, grimde Sander, en toonde zijn leelijke tanden.
Dinsdags joeg een onrust door de stad en het grauw plunderde de
kaberdoeskens in het Schipperskwartier. Snepvangers en zijn vrienden doken
vroeg in hun woningen, ontzet door het gehuil der bende. "Wij staan pal!"
Dat stond boven het verwarde mengelmoes van berichten. Een dag later
scheen de stad plots in feest te staan; aan al de gevels wapperden vlaggen
en elkeen droeg een driekleurig strikje. Aan sommige poorten waren echter
de tramlijnen opgebroken.
--'k Wist niet dat er zooveel vlaggen in de stad waren, verwonderde zich
Snepvangers.
--Dat is om er den moed in te houden, zei Sander, op al de kerktorens
steekt nu een vlag.
--'k Heb de eerste verpleegsters van het Rood Kruis gezien, vertelde
Miranda, allemaal in 't wit met witte kappekens op en roode kruiskens op
de mouw...
--'t Zal 'n slag geven, misprees Sander de ongeluksprofeet, maar als ze
rond Antwerpen beginnen dan trek ik er uit...
--Foei, Sander, berispte Snepvangers waardig, ge moet meer
vaderlandsliefde toonen, als ik zoo oud niet was ging ik nog als
vrijwilliger op.
--Och, Snepvangers!
--Echt waar!... Er is een advocaat bezig met een Scheldekorps bijeen
te brengen... daar zou ik nog willen aan meedoen, maar ge moet kunnen
zwemmen en dat kan ik niet...
--Ik, aarzelde Miranda, ik blijf bij mijn oud gedacht, geen man, geen
kanon! 't Is niet menschelijk elkaar doodschieten!...
--Och kom, dat steekt zoo nauw niet, oordeelde Snepvangers, dat is
niks... Hebt ge de nieuw bankbriefjes van vijf frank al gezien?
--De Burgemeester heeft prijzen vastgesteld voor eten en drinken!
wist Miranda.
--z'Hebben weer twee spionnen gevangen, ze zaten in een kelderken aan de
statie gebakken visch te eten, meldde Snepvangers.
--Ge moet maar lezen wat er allemaal gebeurt, zei Sander, ik zou van 's
morgens tot 's avonds niets anders doen dan gazetten lezen.
--Zie, die piotten trekken uit!
Een marschvaardig regiment. Dof klonken de stappen der zwaar bepakte
piotten. Zij droegen het geweer aan den riem, de zwartglimmende kepies
aachteruitgeschoven de blauwe kapotjassen opengeplooid zoodat de grijze
broeken zichtbaar waren. Plots zongen zij "De Vlaamsche Leeuw". Het
doorrilde de drie vrienden en onwillekeurig namen zij den hoed af.
Nauwelijks een week later was Snepvangers het reeds beu gazetten te lezen.
De toestand bleef immer zeer goed!... Uit al de telegrammen kon hij geen
klaar beeld ontwarren en dan trof hem nog de plekken wit of zwart, die
het werk van de censuur aantoonde.
Toen gebeurde het dat Snepvangers en Miranda de eerste gekwetsten zagen.
Zij kwamen uit het Station en werden in trams vervoerd... Hun gezichten
Leken grauwe vertrokken maskers, hun oogen zaten vol koorts, hun hoofden
of armen waren verbonden met doortrokken windsels. Zenuwachtig zogen zij
op sigaren en sigaretten, knikten de menschen toe of riepen iets. Ze
leken wat verdwaasd. Miranda, de groote, stevige houtdraaier, was zeer
bleek geworden...
--Ziet ge nu dat bloed, fluisterde hij met een krampachtig gelaat.
--Nu ga ik niet meer zien, Miranda... en die kunnen nog loopen, maar die
anderen die op de berrie liggen, zei Snepvangers triestig.
--En zij die ginder in den grond gestopt worden, Snepvangers.
--Kom, laat ons maar stillekens naar huis gaan.
In "Het Zwart Paard" dronken zij een borreltje, waarschijnlijk omdat het
schenken van sterke dranken nu verboden was. Zoo kwamen zij terug op hun
verhaal. Wanneer zij Sander vertelden wat zij gezien hadden, weerstreefde
hij woest:
--Dat is niks, laat ze maar vechten!...
Snepvangers, al huilde hij met de wolven, hield in die dagen het meest
van den zachtzinnigen Miranda. Uren zaten zij bij de vogels te kijken en
te spieden, te luisteren naar het gefrazel der jonge mannekens... Zij
hielden van de fijne, gele donsschakeeringen, van de zoete, weeke kleur.
Aandachtig zagen zij hoe de jongskens gespijsd werden, hoe de schuw-rille
vogels op en af vlogen elkaar beriepen, naast elkaar hokten of met
vogelwreedheid elkaar bepikten. Zij vergaten er het uitzicht der stad
en de gebeurtenissen. Wanneer Miranda zich een beetje te erg verlaat had,
ging Snepvangers mee naar huis en kroop mee op den zolder, waar de
houtdraaier zijn werkhuis had. Samen wijsgeerden zij over de wereld en over
de Saksische kanarievogels.
Zekeren middag kwam Albertken zijn grootvader opzoeken, die door het dwaas
bellen opschrok uit zijn middagslaapje. Albertken droeg een soldatenmuts.
--Grootva, riep hij opgewonden, de Koning is in zijn paleis met de
Koningin en de Prinskens! We moeten gaan zien!
--Ja, Albertken, onderwierp zich Snepvangers.
Op de Meir, voor het Paleis, stonden zij te glarie-oogen, verloren in de
samenscholing. De zon ging onder en de klare hemel verduisterde. Plots
jubelden zij mee met de menigte al zagen zij niets.
--Zijn het de Prinskens, Grootva?
--Ja, Albertken!...
Daarna bracht Snepvangers zijn kleinzoon naar huis. Antoine mompelde een
verstrooiden groet, verloren in krantenlectuur.
--Ze vechten rond Diest, zei Marieken terloops, sprak dan over den
zuigeling, een meisje als een wolk.
Later riep Sander hem om de gazet te toonen... Hij las de bovenschriften:
"Vreemde ruiters te Gheel! Dat is geen reden om het hoofd te verliezen!"
--Ze komen naar hier, voorzag de Onheilsbode.
--Nooit, meende Snepvangers waanwijs.
--De Paus is dood!...
--Als het maar waar is!
--En de Generaal der Jezuïeten... En dat beteekent iets als die
sterven!...
--Och!...
--Brussel is ingenomen en ze vechten te Aerschot...
--Ge moogt alles zoo zwart niet inzien, Sander!...
--Ik heb mijn duiven verkocht... ik wil klaar zijn om te gaan loopen...
Verkoop uw kanarievogels, Snepvangers... Wij verkoopen de kousen en de
saai, want wij trekken er uit...
--Ge zijt een bangerik, mompelde Snepvangers en stak ontstemd de straat
over.
In zijn eersten slaap werd hij opgeschrikt door een vreemd geronk in de
lucht. Voor hij zijn vrouw kon antwoorden daverden ontploffingen... Het
huis scheen te beven en de ruiten te trillen.
--Och, Snepvangers, kreunde Madame.
--Blijf maar stillekens liggen, vrouw lief, suste hij, niet bang zijn,
't is niks...
Vol verteedering nam hij haar grijs hoofd in zijn arm, kuste haar en
proefde haar tranen.
--Wij hebben nooit iemand kwaad gedaan,--troostte hij.
--Maar de kinderen, nokte zij, de arme kinderen.
--De arme kinderen!...
Zij rilden onder het vreemd geweld dat in den nacht door de lucht joeg en
weenden samen... De wereld was uit haar gronden gerukt en boosheid en
moordzucht hielden feest. Nu verloren de menschen hun bezinning en wisten
wat oorlog was en vrede.
Reeds vroeg kwam Miranda hem halen om te gaan kijken naar de verwoesting.
--Neen, zei Snepvangers, dat wil ik niet zien... Er zijn dooden!...
--Ik ga naar Marieken, verwittigde Madame nog zeer onder den indruk.
Zij stonden op den drempel en zagen Sander en zijn vrouw, elk met een
zwaar valies beladen gereed om te vertrekken.
--Awel, Sander?
--Wat heb ik voorspeld, zegevierde Sander, wij trekken er uit, wij gaan
naar Ossendrecht... In Holland vechten ze niet...
Ze zagen het koppel wegtrekken, zwoegend onder hun gepak. Het dikke
winkelvrouwtje dat nooit buiten kwam, trippelde voor haar man uit en was
ook nu weer baas, terwijl Sander, de sluwe bepeinzer, kalm aan zijn
pijpje trok en haar gedwee volgde.
--Hardloopers, riep Snepvangers hen na.
--Ik ga dan ook maar niet zien, besloot Miranda.
--Wij zijn nog menschen, Miranda, kom liever eens naar mijn kanarievogels
zien.
Dagelijks brachten de gazetten geruststellende tijdingen.
Steeds bleek de toestand uitmuntend en de toekomst hoopvol. Wel
stroomden vluchtingen aan, maar zij werden in treinen gepakt en dieper
in Vlaanderen gezonden. Niemand scheen zich erg om die dakloozen te
bekommeren, elk had genoeg met zijn zorgen en zijn onrustige nachten.
Menigeen lag geregeld te turen naar den helderen sterrenhemel. De Russen
waren nu de mannen die hen uit den nood zouden helpen. Sommige sinjoren
hadden permentelijk Russen op de Paardenmarkt gezien.
--'t Gaat goed, verzekerde Snepvangers, de Russen zijn kleppers.
Nu de Speeker hem met zijn zwartgalligheid niet meer verschrikken kon,
zwom hij weer onbekommerd in zijn gelukzalig optimisme. Hij wist dat er
een nieuwe Paus gekozen was, dat er te Leuven en in de buurt van Mechelen
gevochten werd, stortte zijn penning voor "Het Kind van den Soldaat"
zorgde voor zijn vogels en luisterde naar hun gefrazel, vreesde niet voor
Antwerpen en sliep weer ongestoord en rustig. Hij begreep niet waarom
Madame haar zenuwen zoo overstuur bleven en zij heelder nachten wakker lag.
Na acht uur waren de herbergen thans gesloten en stond de stad in 't
duister. In het begin stak hem dat erg tegen. De stad geleek een dorp waar
men met de kippen naar bed moest! Doch Snepvangers schikte zich spoedig in
de nieuwe regeling.
Op een donkeren avond, nadat hij voor de deur van "Het Zwart Paard" van
Miranda afscheid had genomen, beleefde hij een vreemd avontuur.
Het was heerlijk Septemberweer en de hemel zat doorweven met klare
sterren. De najaarskoelte klom amper door de straten. Het kanon donderde
in de verte. Snepvangers mijmerde!... Er werd fel gevochten... Wat
vreeselijke dingen... Hij had weer talrijke autos zien rijden, soldaten...
en burgerwachten zien door de stad trekken, menschen van het Rood Kruis
ontmoet in de straten vol roerlooze vlaggen. Een geluk voor Marieken dat
Antoine vroeger een karot getrokken had om geen gardecivik te moeten
spelen... want nu bleef hij er fijntjes tusschen uit...
Iemand liep hem op dat oogenblik tegen het lijf, zoodat hij er van schrok.
Hij rook een zwoele geur en dacht aan een barbierswinkel.
--Gij deugniet, fluisterde een vrouwenstem.
--Pardon, verontschuldigde zich Snepvangers.
--'t Is niks, lieve jongen, gaat ge mee?... Ik ben zoo benauwd in 't
donker...
--Ik ben geen lieve jongen, zei Snepvangers ernstig.
--Och kom...
--Ik ben geen lieve jongen, hield hij vol, ik ben een deftig oud man!...
--Ik zie het liefst oude heeren... Kom...
--Wat denkt ge wel... ik ben getrouwd...
--Dat is ook al niks... 't Is oorlog!...
Toen was Snepvangers bang geworden voor de verleiding. In zijn
hulpeloosheid had hij een plotselinge ingeving.
--Komt ge van God "sprekt", komt ge van den "duvel" vertrekt, sprak hij
rad en sloeg een kruis.
De schaduw gleed luid lachend naast hem weg, opgeslorpt in de duisternis.
Hij was van streek thuis gekomen en had den koffiepot leeg gedronken om
Op adem te komen.
--Wat is er toch gebeurd, vroeg Madame.
--'t Is gevaarlijk in het donker...
--Tegen een lantaarnpaal geloopen?
--Neen... maar menschen zijn soms gevaarlijker...
De vooruitzichten bleven gunstig. Er werd gevochten te Wetteren en te
Ninove, te Waelhem en te Kathelijne-Waver, te Duffel en te Lier, maar de
Toestand heette bevredigend.
Snepvangers en Miranda kenden geen spanning, Antwerpen was veilig en de
gazetten erg bemoedigend. In de ijle Octoberluchten bulderde het reeds zoo
wel bekend kanon. Op Zondagavond kwam een agent in "Het Zwart Paard" den
waard aanzeggen direct te sluiten. Waarom, wist niemand... De stad was
volledig in 't donker. 's Anderdaags riep men dringend de jongens op om
soldaat te worden.
--Ik geloof toch... aarzelde Miranda.
--Ja, zei Snepvangers, 't is een rare tijd.
Met beklemd gemoed namen de vrienden afscheid om Woensdag morgen te
vernemen dat de toestand ernstig was.
Snepvangers ging Antoine raadplegen.
--Antwerpen wordt gebombardeerd, verklaarde de Drogist zeer laconisch
terwijl hij een rekening schreef en den winkelknecht bevelen gaf.
--Maar dat is gevaarlijk, hakkelde Snepvangers, die zijn hart feller
voelde kloppen.
--Och, schokschouderde Antoine, strategisten hebben berekend dat er 34
bommen moeten vallen om één huis te treffen!... De autoriteiten zeggen
ons: "Kalmte!... Kalmte zal ook vrijwaren voor onvoorzichtigheid en
roekeloosheid. Wie een koel hoofd bewaart, redt zich waar anderen verloren
gaan..." Let maar op de voorzorgsmaatregelen!... Ik zal ze u nog eens
voorlezen: "Zich niet op straat wagen, doch binnenshuis blijven,
bij voorkeur in de kelderingen. Water in het bereik houden op elke
verdieping om een begin van brand te blusschen. De kelderopeningen
opstoppen, 't zij met matrassen, 't zij met zakken zand. En dan op Gods
genade..."
--'k Wou toch liever...
--Vluchten, misprees Antoine, en lachte verachtelijk.
--Neen, dat precies niet... maar ik dacht dat Antwerpen...
--Kom, kom... Wie vluchten wil wordt verzocht in den kortsten tijd weg te
gaan in de richting van het Noorden of Noord-Oosten... want het
bombardement heeft geen invloed op den duur van onzen weerstand...
Nu zult ge de hazen zien loopen, hoonde Antoine, terwijl hij profijtelijk
een pakje jujube woog voor een snoepziek juffertje.
--Nu komt de kat op de koord, wijsgeerde Snepvangers, en probeerde
onbevangen te kijken, ik ga Moeder maar gauw gerust stellen.
--Komt tegen avond naar hier, verzocht Antoine,
Papa en Mama komen ook... hoe meer zielen hoe
meer vreugde in onzen kelder...
--Wij hebben ook 'n kelder, weigerde Snepvangers kort en ging korzelig
heen.
Thuis vond hij Miranda die op hem zat te wachten.
--De situatie was altijd goed, spotte Miranda bitter.
--Ik heb me nooit laten beetnemen, loog Snepvangers met overtuiging,
vraag het maar aan mijn vrouw... Maar ik wou niemand ontmoedigen...
Madame zat suf met de handen in den schoot en gaf geen bescheid.
--Als ik maar wist waarheen, bekende Miranda, al was het naar het einde
der wereld.
--Neen, zei Snepvangers, zoo erg is het ook niet... er zijn zooveel bommen
die verkeerd springen...
--Ja, ik ben bang, zei de openhartige Miranda, maar mijn vrouw lacht mij
uit ... Ik kwam om u te helpen... Hebt ge zakken?
Wanneer de zakken zand op de keldergaten lagen en de wateremmers klaar
stonden, trok Miranda weg. Na het eten, dat niet smaakte, kwam Snepvangers
op den huisdrempel zijn pijp rooken en kijken naar de zenuwachtige
menschen die door de straat trokken. Een paar buren zochten zijn
gezelschap en samen dreven zij den spot met de hardloopers...
Een vlieger ronkte in de lucht en de kinderen zongen leuk:
En komt er nog 'n Zeppelin.
'n Zeppelin!
Dan kruipen wij den kelder in,
den kelder in!
In de schemering kwam Madame terug van Marieken en de kinderen. Zij aten
in stilte, hoorden de klok tiktakken en bleven treuzelen.
--Gaan we naar boven, polste Snepvangers.
--Seffens zal het beginnen, zei Madame, laat ons maar liever in den kelder
gaan zitten.
Zij namen een lamp en gingen naar beneden. Er stond een tafel en twee
fauteuils.
--Wat een Christenmensch beleven moet,--zuchtte Madame.
--Ik haal brood en boter, zei Snepvangers, als we eens honger krijgen in
den nacht.
Amper was hij terug gezeten of daar brak het gehuil en gesis los boven
de stad.
--Jezus, Maria!... kermde Madame.
--Gelukkig dat er hier wat te verhapzakken valt!
Snepvangers ontkurkte een flesch cognac en schonk zich een half bierglas
in.
--Gij ook wat, Mama?
--Ja, want ik heb zoo'n pijn in mijn buik, kreunde zij.
In de straat kermden voorbijhollende menschen en onophoudelijk floten de
bommen.
--Ge kunt ze niet tellen, zei Snepvangers en nam een tweeden slok, terwijl
hij de trage wijzers van zijn uurwerk in het oog hield.
Een beetje beverig had hij het van de ketting losgemaakt en op tafel
gelegd. Een wijl spraken zij geen gebenedijd woord. Spitsken lag onrustig
onder tafel.
--Ons laatste uur is geslagen, jammerde Madame dan akelig.
--Bijlange niet, zei hij zoo luchtig mogelijk en nam nog een slokje om
zich op te monteren.
--Jawel, Snepvangers.
--Zeg dat niet, 't is zoo al erg genoeg!
--Mijn hart is geen boontje groot... en Marieken, en de kinderen... Waren
wij maar samen!
--Drink eens, moedigde Snepvangers aan die berouw had het verzoek van
Antoine te hebben afgewezen.
Hij was zelf zeer aangedaan. Daar zaten zij nu alleen in dezen ongewelfden
kelder. Zijn oogen bleven steeds gericht op een spinrag boven in een hoek
vol schaduw. Dat was aan het waakzaam oog zijner vrouw ontsnapt. De stad
scheen te daveren.
--Wij hebben samen al zooveel doorgemaakt, overwoog hij verteederd.
--Ja, Snepvangers.
--En als er iets moest gebeuren moeten wij niet bang zijn, wij zijn toch
samen.
--Ja, Snepvangers.
Zij sufte en hij dronk. Hij bleef bloednuchter, herdacht zijn leven en
telde de uren af die met slakkengang wegslopen... Eensklaps hoorde hij
haar snikken en was erg ontroerd. Hij kuste haar verrimpeld gezicht.
--Zoo gauw als het licht wordt trekken wij er uit, Moeder, schep maar
moed... Kom, wij blijven niet in den kelder, we gaan koffie opschenken,
dat zal ons goed doen.
Hij nam de lamp en gehoorzaam volgde zij hem naar de keuken. Spoedig
zong de waterketel.
--Hier is het veel beter, zei Madame.
--Ja, bepeinsde Snepvangers, wat zullen die arme kanarievogels schrik
hebben uitgestaan!... Seffens, als de dag in de lucht komt, ga ik naar de
Torfbrug de kinderen halen... Er hangt een spinneweb in den kelder...
Met den dageraad zonk de verschrikking van den nacht weg. Madame trok
naar den kelder om de spin te verdrijven en Mijnheer ging de vogels
verzorgen. Rond negen uur dronken zij opnieuw koffie.
--Wat gaan we met Spitsken doen, zei Madame bekommerd.
--Ik breng hem bij Miranda!...
--Ja.., en de vogels?
--'k Heb ze eten en drinken gegeven ... Ze krijgen het niet op al blijven
wij een maand weg!
--En wat gaan wij medenemen?
--Al wat waarde heeft, oordeelde Snepvangers, maak de coffre-fort leeg in
dat klein valiesje... dat zal ik dragen... neem gij zoo wat mee wat we
noodig hebben...
--Pas toch maar op, Snepvangers, een ongeluk ligt op een klein plaatsken!
--Och kom, zei hij moedig en stapte besloten den gang in, opende de
voordeur en stak voorzichtig het hoofd naar buiten.
Overal stonden menschen en hielden beraad, anderen sleurden met pak en
zak. Juist toen het Snepvangers vrijwel veilig scheen hoorde hij weer
het afschuwelijk gefluit... Tzi... Tzi.
--Kom, niet bang, Snepvangers, prevelde hij, en floot op Spitsken.
Hij ging maar dicht langs de huizen en zag naar de keien.
--Wij trekken er uit, mijnheer Snepvangers, riep iemand.
Op de Paddengracht, hingen de winkeliers de luiken weer voor de vitrienen,
uit de Kattenstraat trok het volksken weg met beladen stootwagens. Miranda
stond hulpeloos aan zijn deur te kijken. Bij elken slag trok hij het hoofd
in en rilde.
--Mijn vrouw wil weg, zei Snepvangers.
--Dat begrijp ik...
--Maar we kunnen Spitsken niet meenemen...
--Laat hem maar hier... en de vogels...
--Daar heb ik voor gezorgd... 'k Ga de kinderen halen... We komen rap
terug... 't Zal wel zoo erg niet doen.
--'k Ben zoo bang, kreunde Miranda, de gardecivikken moeten niet
meevechten.
--Ge moet niet bang zijn, troostte Snepvangers vriendelijk, terwijl hij
de Keizerstraat introk en Spitsken hoorde blaffen.
Onderweg ontmoette hij burgerwachten zonder wapens, midden in de straat
lag een soldatenmuts.
-- Het Zuid ligt plat, hoorde hij een zeggen.
De vluchtelingen togen over de Minderbroedersrui en Snepvangers liep
hen onwillekeurig na, sloop langs de huizen door de oude stad en kwam voor
het Stadhuis. Hier wierpen de gardecivikken hun wapens ordeloos op een
hoop, geweren, ransels, bajonetten en gordels vol kogels. Het volk ijlde
voorbij. Snepvangers kreeg een vol besef van den benarden toestand. Waarom
had hij een omweg gemaakt? De Suikerrui zag zwart van menschen die over de
Scheldebrug wilden vluchten, maar opgehouden werden door het leger in
aftocht. Dan spoedde hij zich naar de Torfburg waar de winkel gesloten
was. Antoine kwam de deur openen.
--Maakt u maar gauw klaar, zei Snepvangers, 't is maar voor de vrouwen.
--Wij blijven, besliste de Drogist.
--Marieken, riep Snepvangers en schoof zijn schoonzoon op zij, zet uw hoed
op en roep de kinderen...
--Wij blijven, zei Marieken kordaat.
--Ik ben niet zot! Moeder sterft puur van angst, en ons leven gaat voor
alles...
--Wij blijven, zei Craen, met zijn hoofd even buiten de kelderdeur.
Craen zag zeer rood van in den kelder te verblijven, en Snepvangers scheen
het dat zijn tong eenigszins dubbel sloeg.
--Wij zitten in een sterk gewelfden kelder, betoogde Antoine, wij hebben
onze voorzorgen genomen... zakken zand...
--Ja, dat ben ik, die flauwskens... zakken zand en emmers water... ieder
zijn goesting, meende hij verachtelijk, maar ik denk er het mijne van, zoo
uw kinderen aan het gevaar bloot te stellen...
--De kinderen, sprak Antoine lijzig, de kinderen zullen later fier zijn
het bombardement te hebben meegemaakt...
--Vooral de zuigelingen, onderbrak Snepvangers ongeduldig, ik laat mijn
vrouw niet in dat gevaar,... Saluut!
Hij was zeer verbolgen en dacht niet eens na dat hij zijn gewone schuwheid
tegenover Antoine had afgelegd. In een adem stapte hij naar huis, kwam
meer en meer onder den panischen schrik die de menschen voortjoeg. De zon
scheen uit de teerblauwe lucht waaruit het geweld zong met rekkend gehuil.
Madame stond klaar en gaf hem het handtasje.
--'k Heb het gedacht, snikte zij, willen wij dan ook maar blijven.
--Ze moesten maar zoo koppig niet zijn... Wij trekken er uit... Ik wil
niet dat gij ziek wordt van schrik...