Toen Snepvangers de deur der kweekkamer openstak klonk hem het lustig

gefrazel en gepiep niet tegen. Met twee stappen stond hij voor de kooi

waarin niets bewoog. De eetbak en de drinkfonteinen stonden als

onaangeroerd, geen vogel bewoog op de roestjes of in de nesten.

Een schemer trok hem voor de oogen, zijn keel snoerde toe, en hij moest

zich vastklampen aan het vlechtwerk om niet te vallen.

--Ze zijn allemaal weg, griende hij, allemaal gaan vliegen ...

--Hoe is nu zoo'n ruit gebroken? vorschte Madame, kom, drink eens

Snepvangers.

Het glas bibberde in zijn hand, hij klappertande maar voelde de

duizeligheid wijken en alles helder en ijl worden in zijn hoofd. Hij sloeg

de deurkens open en onderzocht de kooi. Een ruit was kapot, meer viel er

niet te zeggen. Dan keek hij in de nesten. In twee mostbeddekens lagen nog

eitjes, in een ander geeldonzige jongen die de vlucht niet hadden kunnen

volgen. In het laatste nestje vond hij een verstijfd poppeken, doodgebroed

op drie eitjes.

Snepvangers nam het vogeltje, streelde het over de bleekgele pluimen,

bekeek het bekje, probeerde de oogjes open te trekken.

Madame had medelijden met zijn verdriet.

--Leg het nu maar weg, Snepvangers, 't is toch dood...

--Zij zijn allemaal al lang dood, Mama, die vogeltjes zijn niet bestand om

in de wijde wereld rond te vliegen.

--Wij zullen opnieuw beginnen te kweeken!...

--Neen, Mama ... ik herbegin niet meer.... Ik zou altijd denken aan dees

moment ... en als ik nog eens vogels wil zien dan ga ik maar naar

Miranda ... 't is mijn schuld ... ik had vlechtdraad voor de ruiten

moeten spannen ...

--Laat ons nu Spitsken maar gaan halen en naar de kinderen gaan zien ...

--Ja, naar Albertken.... Wat zal hij verschieten ... hij hield ook zoo veel

van de kanarievogels ...

--Ja, Snepvangers ... we zullen nog eerst het valiesken

in den coffre-fort sluiten....

--En een borreltje drinken, Mama.

HOOFDSTUK V.

VRIEND HEIN IN DE BUURT.

Toen zij de winkeldeur openden, hoorden zij de schel gaan en zagen zij

Miranda zitten met Spitsken op den schoot. Hij zat midden van gedraaide

tafelpooten, speculatievormen, teemsen en houten keukengerief.

--Dag, mompelde hij dof en keek hen amper aan.

Een kanarie riep piet! piet! Snepvangers, vol van zijn verlies, groette

niet, maar Madame werd gewaar dat er iets haperde.

--Wat scheelt er, Miranda?

--Miranda, kloeg Snepvangers en hij kreeg een krop in de keel, al mijn

vogels zijn gaan vliegen!...

--Zij is ook weg, fluisterde Miranda.

--Och, zei Snepvangers, die niet geluisterd had, maar al mijn vogels...

--Is zij weg, Miranda? polste Madame die wel iets wist van de vrouw van

den houtdraaier.

--Ja,... eerst wou zij niet vluchten... tot Vrijdagmorgen hebben wij in

onzen kelder gezeten... dan kwam haar kozijn, de diamantslijper...

--Was dat haar kozijn, Miranda?

--Zoo heeft zij toch altijd gezegd, Madame... en dan sprak zij van weg te

trekken... en ze zijn er stillekens uitgemuisd... lieten mij alleen... zij

was mij te jong....

--Een poppeken lag dood op den nest, Miranda.

--Ja, de vogels, knikte Miranda.... Ik denk maar dat de vent eens genoeg

van haar krijgt en dan.... Mijn arme vrouw!...

--Mijn arme vogels!...

Madame lokte met moeite Spitsken van Miranda's knieën, begon hem te

streelen.

--Spitsken heeft zoo'n schrik uitgestaan, leefde

Miranda op, ik heb hem in mijn armen moeten wiegen, hij was als een kind.

--Het was zeker vreeselijk, Miranda?

--Och, Snepvangers, ik weet het niet meer... de hond was mij een troost...

en dan zijn de soldaten voorbij getrokken... en dan zijn de

stadswerklieden gekomen met wagens en ladders om de vlaggen af te doen...

of die kwamen eerst... ik weet het niet meer...

--Het feest was uit, Miranda...

--Dan heb ik een dag en een nacht geslapen.... Ik was zoo triestig dat ik

met spijt wakker werd...

--Kom straks bij ons eten, verzocht Madame, ge moet maar verzet zoeken...

niet suffen...

--Ja, we zullen malkander troosten, jokte Snepvangers, we hebben allebei

wat verloren in 't bombardement. Gij uw wijf en ik mijn vogels... we

moeten het maar niet aan ons hart laten komen.

--Ik zal Spitsken straks brengen...

--Hij kan van den hond niet scheiden, zei Snepvangers toen ze buiten

kwamen.

--We moesten hem Spitsken maar afstaan, bedacht Madame, hij geraakt anders

nog op den dool... met den hond heeft hij aanspraak....

Al de huizen met de gesloten luiken schenen verlaten. Op de

minderbroedersrui waren een paar winkels open, een vleeschhouwerij en een

bloemenzaak, een kroegje en een tabakswinkel. Aan een vlaggestok hing

nog een afgescheurden, zwarten reepel. Veldgrijzen kuierden, met het

geweer aan den riem, door de doode straten.

--Ik denk soms dat ik droom, zei Snepvangers.

Op de Torfbrug stond Antoine in den winkel en voerde een praatje met een

soldaat. Hij knikte eventjes alsof zij slechts een half uurtje afwezig

waren geweest. De hangklok in de huiskamer sloeg twaalf toen zij Marieken

en de kinderen beurtelings omhelsden.

--Albertken, we zullen samen iets koopen, vezelde Snepvangers, in Holland

vond ik zoo niks naar mijn goesting.

--Ik heb zoo aan u gedacht, schreide Madame.

--We gaan nu weer allemaal samen aan tafel zitten, troostte Marieken

nuchter ... en hebt ge u goed geamuseerd in Rozendaal?

--Daar valt niet over te klagen, verzekerde Snepvangers, maar Antoine, zei

hij tot zijn schoonzoon, die juist binnenkwam, hoe kunt ge met zoo'n

soldaat staan sjauwelen ...

--Dat is affaire, Papa ...

Craen en zijn vrouw kwamen op dat oogenblik binnen.

--Al mijn kanarievogels zijn weg, Craen.

--Dat is tegenslag, meende Craen overschillig.

--Ik heb u nog gewaarschuwd, Papa ... hadt gij maar liever hier

gebleven ...

Snepvangers zei maar niks meer, zat maar stillekens te luisteren naast

zijn kleinzoon. Zijn vrouw vertelde van de vlucht, van het eiermandje en

den trein, van den Verdierenpikker en den Kruier.

--En ik werd in het Comiteit der vluchtelingen gekozen, kon hij niet

nalaten er met een vleugje ijdelheid aan toe te voegen.

--De echte Sinjoren zijn gebleven, misprees Antoine en at weer

ongenaakbaar voort.

--Antoine heeft er bij ons den moed ingehouden, zei Madame Craen.

--Ja, bevestigde Marieken, want ik was bang toen het hier krioelde van

soldaten ... de eerste nacht mochten de mannen niet in de huizen rond de

Groote Markt blijven ... Mama is dan hier gebleven en Antoine met Papa

naar de Melkmarkt gaan slapen....

--Ik heb maar altijd een goed glas wijn gedronken, bekende Craen, zoo heb

ik mij recht gehouden ...

--Maar 't gaat alles ordelijk, verzekerde Antoine.

--Er zijn nog geen duizend menschen in de stad, zuchtte Madame Snepvangers.

--Wel wat meer, Mama, wel wat meer!

--'t Zal niet veel zijn, Antoine.

--Ik zou nog wel eens willen gaan zien naar het huis van ...

--Ik ga mee, zei Craen,

Samen trokken zij door de eenzame straten en hoe verder zij van den

Noordkant afdwaalden hoe meer gebroken ruiten zij vervangen zagen door

planken en linoleum en hoe meer getroffen huizen zij telden.

--Het glas is al opgeruimd ... wat ge nu nog ziet blikkeren is de moeite

niet ... bergen glasscherven hebben er gelegen ... eigenlijk, Snepvangers,

was het verstandig te vluchten ...

--Dat weet ik nog zoo niet, sprak Snepvangers tegen, ik was veel liever

hier gebleven ... voor uw plezier moet ge niet gaan vluchten.

Het huis van den Verdierenpikker bleek ongeschonden. Zij onderzochten het

van zolder tot kelder, vonden in de veranda een vruchtenschaal met sappige

peren die zij profijtelijk begonnen te schillen.

--Die zouden maar rotten, zei Snepvangers, en hij komt toch niet terug.

Achter in de tuinen miauwden verlaten katten.

--Wat een gedacht, herbegon Snepvangers, hij laat zijn huis in den steek

en trekt naar Engeland ...

--Elk zijn goesting, meende Craen en sneed een tweede peer.

--Ik moet hem toch een briefken zenden.

--Ja ... ik ken iemand die morgen naar de grens gaat ... daarbij 't wordt

tijd ... ge weet na acht uur moogt ge niet meer op straat loopen ...

--Wat nog al meer!...

--'t Is oorlog, Snepvangers.

Hij schreef een briefje dat zij op weg naar huis in een estaminetje der

Sudermanstraat bestelden, waar de boodschapper regelmatig kwam. Na koffie

Gedronken te hebben gingen Mijnheer en Madame naar huis. In de straat

ontmoetten zij Miranda met den hond. Madame liep even naar de "Zoutkeet"

en naar den beenhouwer op de Ossenmarkt wat voor het avondeten te halen.

--Ge moogt Spitsken hebben, Miranda.

--Dank u, Snepvangers ... maar ...

--Ge moet niet ongerust zijn ... mijn vrouw heeft er eerst aan gedacht.

Ge zijt zeker bang geweest, Miranda?

--Neen, Snepvangers, 'k heb aan niks gepeinsd.

--En als de stad dan precies in brand stond?

--Ik heb niks gezien ... enkel de vlaggen die afgetrokken werden en de

soldaten die inrukten ...

--Als we nu gegeten hebben, besliste Madame terwijl zij het vuur aanlegde,

dan gaan wij kaart spelen en een borreltje drinken ...

--Maar na acht uur, aarzelde Miranda ...

--Gij blijft hier slapen!

--Dat spreekt van zelf, oordeelde ook Snepvangers.

Lichtjes beneveld gingen zij slapen en 's anderendaags ontwaakte Miranda

minder droefgeestig gestemd. Het gezellig avondje had hem over zijn

zwaarste leed heen geholpen.

Twee dagen later kwam de Verdierenpikker thuis. Een groot verlangen naar

zijn stad had hem van de voorgenomen reis doen afzien.

--'k Had het wel gepeinsd ...

--Oude boomen verplant men niet meer, verontschuldigde zich de

Verdierenpikker.

--Dagelijks komen er terug ... Antoine zegt dat het heimwee is, een soort

ziekte.... Hoe is 't met den Kruier?

--Goed, denk ik.

--De Hollanders zijn toch nobel geweest ... zoo hulpvaardig ... zoo ...

--Ja, Snepvangers, maar ...

--Wat maar?

--'k Heb toch ook hooren klagen in den trein ... menschen die peperduur

hadden mogen betalen ...

--Als 't maar geen stoef is, wantrouwde Snepvangers.

--Ik zeg niet neen ... ik weet het niet ... in mijn boterwinkel waren ze

zeer convenabel en toch ...

--Wat?

--Toch hebben ze me drie eieren te veel gerekend ... 'k heb het maar

blauw blauw gelaten ...

--En hoe vindt ge de stad?

--Och 't kon veel erger zijn ...

--Ja, zei Snepvangers droomend, maar ik vind het zoo al erg genoeg ...

Met Albertken wandelde hij de volgende dagen rond om de ingeschoten

huizen, de puinen en zwartgeblakerde muren te bezichtigen. Soms bleven zij

staan luisteren naar de muziekkorpsen die op openbare pleinen speelden,

het was een grillige fluitjesmuziek die Snepvangers weinig opwekkend vond.

Doch Albertken moest weer naar school, het herfstweer bracht regen en

vroege duisternis en de dagen gleden doelloos voort. Het havenbedrijf lag

compleet stil, er liepen geen postboden door de stad en het grensverkeer

was gesloten. Onophoudelijk bonkte het kanon. Uit baloorigheid las hij de

plakkaten van den bezetter.

Madame had haar gewoon leven hernomen en zij verdeelde haar tijd tusschen

haar huishouden en het huishouden van Marieken.

Wanneer Snepvangers toevallig de Verdierenpikker tegenkwam trok deze

steeds een geheimzinnig gezicht en wist allerhande nieuwsjes te vertellen.

--Vandaag of morgen, als wij wakker worden zijn ze weg, vertrouwde hij.

--Zijt ge daar zeker van, vroeg Snepvangers dan telkens ...

--Ik weet het uit de beste bron ... van iemand die een officier kent!...

En Snepvangers werd dikwijls wakker zonder dat er iets veranderde. Hij

miste nu zijn Münchener bier, zijn kanaries en zijn onbekommerd leven van

voorheen. Een bestendige onzekerheid kwelde hem. Dikwijls zocht hij troost

op den werkzolder van Miranda. Zijn vriend vergat zijn werk en kwam naast

hem zitten voor de vogelkooi. Miranda was zeer gelaten in zijn lot.

--Ik bid veel, zei Miranda, ik bid voor mijn vrouw ...

--Zij is het niet waard, jongen.

--We mogen niet hard zijn in ons oordeel, Snepvangers.

--Ze verdient ransel!

--Niemand is slecht, Snepvangers, de menschen zijn maar ongelukkig... en

onverstandig ...

--Toch!... Een pater heeft in de kerk komen prediken dat oorlog een straf

is omdat de menschen te slecht geleefd hebben!...

--Dat had hij niet mogen zeggen, Snepvangers...

--Ik geloof u, zei Snepvangers zacht, maar nu is de wereld zot...

--Er komt een nieuwe tijd, Snepvangers.

Antoine was in die dagen dikwijls afwezig, en Marieken verving ham achter

den toog.

--Waar zit Antoine toch? vroeg zijn schoonvader.

--Affaires, Papa!... Antoine wint veel geld...

--Veel geld, Marieken?

--Ja, Papa, in zeep, olie en suiker... hij koopt en verkoopt... gunt zich

amper tijd om te eten en te slapen...

--Wat ge nu zegt, mompelde Snepvangers verbluft.

--Maar zwijgen, Papa, niemand weet het... het is een verrassing voor

nieuwjaar...

Op Oudejaarsavond kwam de familie bijeen op de Torfbrug. Zij vierden het

wel niet zooals naar gewoonte, maar dronken toch een glas champagne.

Antoine zag er zeer vergenoegd uit.

--Alvorens te drinken op beter dagen, zei hij, moet ik u iets

mededeelen... ik heb een tijdje de wetenschap vaarwel gezegd en zal dat

nog wel een tijdje doen... ik heb mij op den handel toegelegd en tot

heden honderd-vijf-en-zeventig duizend frank gewonnen...

--Antoine!

Craen kon van verteedering niets meer zeggen. De moeders weenden van

ontroering en Snepvangers prevelde ondanks zijn verbazing dat hij het

altijd verwacht had.

--Eer het nog eens nieuwjaar is woon ik op den boulevard Leopold!....

--Ik gaf mijn affaire over, ried Craen.

--De oorlog is nog voor iets goed, oordeelde Madame Snepvangers.

--Ge moet van de gelegenheid weten te profiteeren, betoogde Antoine,

toekomend jaar is het misschien vrede...

Snepvangers kon het nieuws voor Miranda niet verzwijgen. Hij ging hem

nieuwjaar wenschen en vond hem in de triestige achterkeuken die op een

goor, blauwgekalkt koerken uitzicht gaf. Spitsken zat op een stoel naast

hem.

--Een gelukkig nieuwjaar, Snepvangers.

--Van 's gelijken, Miranda.

Zij proefden een borreltje Boonekamp, en de hond kreeg wat melk in een

bordje.

--Miranda, onder ons... 'k heb groot nieuws...

--Van...? hakkelde Miranda.

--Van mijn schoonzoon, zei Snepvangers stralend.

--Zoo?

--Hij heeft een fortuin gewonnen... honderd-vijf-en-zeventig duizend frank

met speculeeren in zeep en van alles!

--Zoo!

--Ge zegt zoo niks...

--Wat kan ik daarover zeggen...

--Wel dat het toch schoon is...

--Maar het is niet schoon, Snepvangers!

--Niet schoon?... Poddozie, Miranda! Wat is dan schoon?

--Dat is niet eerlijk gewonnen, Snepvangers, dat is woekeren.

Een oogenblik nog keek Snepvangers Miranda aan. Beiden waren bleek en

spraken geen woord meer. Snepvangers stond op en verliet zijn vriend

voor dat één woord dat hem zoo gegriefd had. Wanneer zijn vrouw hem in

den loop der week naar Miranda vroeg, gaf hij geen bescheid. Zij hebben

ruzie gehad dacht Madame, 't zal over den oorlog zijn... Na de breuk met

Miranda voelde Snepvangers zich eenzaam. Antoine en Craen zocht hij

niet. Albertken ontgroeide hem langs om meer, de Speeker was verdwenen.

Alleen de Verdierenpikker zag hij soms in de herberg, maar deze

disputeerde altijd zoo fel over den "Krieg" en kende zooveel geheime

telegrammen die onder de bezetting niet bekend mochten worden!

Snepvangers vreesde hem, geloofde en wantrouwde hem te gelijk.

Op het einde van Januari liep het tusschen Snepvangers en zijn

schoonzoon weer verkeerd. Snepvangers bewonderde hem om zijn rijkdom,

maar kon niet dulden dat hij hem telkens weer herinnerde aan zijn

vlucht. Zij waren toch maar eventjes afwezig geweest. Niet zooals die

anderen die nu pas terugkeerden kon hij gerekend worden onder de

deserteurs. De maat liep over toen Antoine de bronzen medalje in zijn

knoopsgat droeg, _Antwerpen getrouw_.

't Gaf een steek in zijn hart al zei hij geen woord. De volgende zondag

kwam ook hij aan tafel voorzien van het eereteeken der dapperen die

Antwerpen niet verlaten hadden tijdens het bombardement.

--Wat, Papa, draagt gij ook de medalje? zei Antoine puur ontdaan van

verbazing.

--En waarom niet? vroeg Snepvangers loos.

--Maar gij waart Antwerpen niet getrouw...

--Antwerpen niet getrouw? ... We waren amper een paar uurkens buiten de

poort, daar was het veel gevaarlijker dan in een kelder, Antoine...

--Maar!

--En wie de medalje betaalt, mag ze dragen... iedereen draagt ze... zelfs

de mannen die verleden week terugkwamen.

--Ge hebt gelijk, bekende Antoine, maar dan draag ik ze niet meer...

--Gelijk ge wilt, Antoine! Maar een decoratie staat altijd chic!

Na een week vergat Snepvangers het speelgoed in het schuifken van zijn

nachttafeltje.

Om zijn tijd te dooden bezocht hij weer koopdagen of trok naar het

Justiciepaleis. Soms ging hij met Madame 's namiddags in een cinema een

kop koffie drinken. Hij vond het eigenlijk onaangenaam in het donker te

zitten kijken naar de trilbeelden tot het voor de oogen begon te

schemeren. Maar heel de stad liep naar de zalen, daarom ging ook hij er

luisteren naar de muziek, en zoo passeerde de tijd. De komische

tooneelen deden hem schaterlachen, maar Madame trok dan telkens met zijn

mouw om hem aan zijn fatsoen te herinneren. De griezelige drama's

integendeel verveelden hem geweldig. Hij geeuwde dan, dat kon toch

niemand merken, en was verwonderd dat zijn vrouw zich zoo vreeselijk

scheen te amuseeren. Hij was blij wanneer bij poozen het licht hel en

uitbundig door de zaal spoot in wisselende kleuren, rood en wit. Wat

vreemde loop had zijn leven toch genomen! Hij zat hier in zoo'n nieuw

ding en 't was oorlog...

Zekeren namiddag, in het voorjaar toen hij van het Justiciepaleis kwam,

ging hij een glas bier drinken in een café aan den overkant der leien.

Hij nam de N.R. Courant op en las maar wat. Ten slotte verstond hij niks

van die telegrammen en militaire beschouwingen. De toestanden waren zoo

raar en verward, het bier had geur noch smaak en de menschen leefden in

hoop en vrees. De krant zakte neer en Snepvangers staarde naar het

ritselend groen der boomen op de leien naar het licht der meizon dat

gouden glans rond de grillige schaduwen spon. Een soldaat zat op een bank

onder een boom en las een brief. Het zicht der veldgrijzen ontroerde hem

niet meer, en hij keek niet eens op wanneer hij een vlieger hoorde snorren

in den hemel. Doch de levensonzekerheid sarde hem, knaagde aan zijn hart

en peuterde aan zijn humeur.

Snepvangers was blij toen een kranige oude heer in zijn buurt kwam zitten,

een glas garsten bestelde en de gazet vroeg.

Het scheen iemand van gewicht. De man liet achteloos zijn monocle vallen,

lei zijn grijzen hoed naast zijn wandelstok met gouden appel op de

marmeren tafel, dronk een slokje en begon te lezen. Het blad hield hij

gevouwen tusschen de zeemlederen gehandschoende vingeren. Onder de

opengesperde vleugels van zijn rooddooraderde neus stond zijn witte snor

puntig opgestreken met kosmetiek. Door zijn platgekamde haren liep een

streep tot achter in den wijnrooden hals. In het knoopsgat van zijn zwarte

jacquet pronkte een purperen lintje en op zijn wit piqué vestje bengelde

een gouden ketting waaraan een vreemd muntstuk hing.

Snepvangers kon zijn oogen niet afwenden van den eleganten heer, zag hoe

deze fijntjes een sigaret opstak, de blauwe rookwolkjes opblies, weer een

slokje nam, zijn grijze streepjesbroek optrok om de plooi te bewaren en

voortlas.

Een gedistingeerd heer, peinsde Snepvangers, iemand met voorname manieren,

zeker een notaris!

Eindelijk legde het heerschap de krant neer, zette zijn monocle op en keek

met lichtblauwe oogen eventjes Snepvangers aan.

--Schoon Meiweer, Mijnheer, knikte Snepvangers vertrouwelijk.

--Puik weer, klonk het hoffelijk antwoord.

--Was de oorlog nu maar rap gedaan, praatte Snepvangers, de menschen

worden het beu,... het duurt nu al negen maanden.

--De oorlog zal nog lang duren, Mijnheer...

--Denkt ge dat? zei Snepvangers ongeloovig.

--Heel Europa komt nog in den dans, voorspelde de man.

--Mijn vriend had gisteren anders goed nieuws, fluisterde Snepvangers, en

schoof dichter bij.

--Uw vriend?... is het een militair?

--Neen!... Een rentenier... Hij heeft eens gewonnen met verdierenpikken en

grondspeculaties....

--Ha, zoo!... En u is ook een rentenier?

--Ja, om u te dienen... Mijn naam is Snepvangers, Snepvangers uit de

Hobokenstraat....

--Ik ben Generaal van den Bergh....

--Aangenaam u kennis te maken, Generaal, zei Snepvangers toeschietelijk,

stond recht en stak de hand uit, excuseer mij, maar dan zult ge er wel

meer van weten dan mijn vriend... stiel is stiel... en gij denkt dus dat

de oorlog nog lang zal duren...

--De oorlog begint pas, Mijnheer Snepvangers.

--Generaal, Generaal, riep Snepvangers onthutst, en alles kost nu al zoo

duur...

--Alles zal nog duurder worden, zei de Generaal ijzig kalm, speelt u soms

domino, Mijnheer?

--Ik ben maar een krabber, verontschuldigde zich Snepvangers.

--Een partijtje?

--Om u te dienen, Generaal.

De Generaal trok zijn handschoenen uit, liet zijn monocle zakken terwijl

Snepvangers zijn pint leegdronk, tegenover hem plaats nam en de garçon het

Groene dominobord en de steenen bracht.

Met zijn witte, mollige vrouwenhanden, streek de Generaal over de zwarte

dominoruggen. Een opaal glom in zijn gouden ring aan den linkerpink.

--En hebt ge geen last gehad, prevelde Snepvangers.

--Last?

--Ja, als Generaal meen ik....

--Och neen... Ik kreeg mijn pensioen toen de oorlog pas aan gang was... in

September...

--Dat is veel beter, meende Snepvangers met overtuiging.

--Ik had veel liever meegevochten, Mijnheer Snepvangers, maar er werd

geintrigeerd... en ik had last van gebarsten aders in de beenen...

--Lang gediend, Generaal?

--Als kind reeds in de soldatenschool... haast vijftig jaar militair

geweest. Nu is er vooruitgang voor de jongeren... les jeunes... zij zullen

weten wat oorlog is... Opgepast, Mijnheer Snepvangers!

Het spel begon en de Generaal werd zoo stom als een visch. Snepvangers

hield de mollige handen in het oog en de roomkleurige bovenkant der

domino's, waaruit een koperen pinneken stak. De steenen sloten telkens

met doffe tikjes aaneen.

Tot welgevallen van zijn medespeler verloor Snepvangers twee spelletjes.

Dan haalde de Generaal zijn gouden repetitiehorloge uit zijn vestzak.

--Ik moet weg, Mijnheer Snepvangers, betreurde hij, een bezoek bij een

dame...

--En die mag men niet laten wachten, meende Snepvangers welwijs.

--Natuurlijk, zei de Generaal schalks, komt u hier meer?

--Af en toe, loog Snepvangers.

--Komt ge morgen?... Twee partijtjes... niks meer...

--Volgaarne, Generaal! Neen, ik verlies... ik betaal...

De oude Generaal trok zijn zeemlederen handschoenen aan, nam hoed en stok,

groette en ging.

Opgewekt wandelde Snepvangers naar de Torfbrug waar hij zijne vrouw moest

afhalen.

--De oorlog zal lang duren, verklaarde hij een beetje ijdel.

--Wie zegt dat? vroeg Antoine uit de hoogte.

--Iemand die het weten kan... een vriend!

--Een vriend van u!

--Ja, Antoine, een Generaal!

--Een Generaal, wantrouwde Antoine...

--Ja, Generaal van den Bergh... en dat is de eerste de beste niet!

--Waar woont die Generaal, Papa?

--Ieverans op 't Zuid tegen het Justiciepaleis, verweerde zich

Snepvangers.

--Ik wist niet dat ge een Generaal kendet... Ge hebt er nooit over

gesproken...

--Ik heb er nooit aan gedacht er over te spreken... maar ik speel nog al

eens domino met hem in 't café... hij spreekt Gentsch...

Dagelijks speelde hij voortaan domino met den Generaal. Soms gingen zij

samen wandelen naar het Nachtegalenpark. De galante Generaal waardeerde

zijn vriend voor zijn geduldig toeluisteren wanneer hij militaire

aangelegenheden besprak. Hij was een vereenzaamd man die met zijn oude

zuster onder een dak woonde. Van garnizoen naar garnizoen had zij hem

gevolgd en nu leefden beiden stillekens onder vreemde menschen.

Snepvangers zag in hem een toonbeeld der voorname wereld. Hij zwoer bij

de woorden van den Generaal, droeg ook handschoenen wanneer hij naast hem

liep en knikte diepzinnig bij elk betoog. Wanneer Antoine iets zei, haalde

hij er maar telkens eene ware of eene ingebeelde meening van den Generaal

bij te pas, wat niet naliet Antoine te hinderen.

In het najaar zaten beide heeren menigmaal te kijken naar de zwanen die

op den parkvijver dreven.

--Aristocratische vogels, zei de Generaal.

--Zij hebben lange halzen, bemerkte Snepvangers.

Mijnheer Snepvangers · 第 9 / 10 段