Het ging zonder haperen, maar Snepvangers, wiens lippen, vers na vers,

meeprevelden, zweette van angst.

--Waar hebt ge dat geleerd, vroeg Marieken verteederd.

--Van Grootva, zei Albertken, haast stikkend in een stuk taart.

--Ja, dat heb ik in mijn tijd ook geleerd, overwoog Craen, maar hij heeft

het goed gedaan... Bravo, manneken!

--En hij heeft er niks van verklapt, zei de Grootmoeder verbaasd.

--De mannen kunnen zwijgen, bedacht Albertken snugger.

--De inlandsche paddenstoelen, herbegon Antoine...

Zoohaast het donker werd stak Snepvangers de kaarsjes aan en een

schemerlicht hing in de veranda. Dan, onverwachts, joegen zij een

vuurpijltje omhoog in den tuin en deden zij een zevenslager springen.

Snepvangers en Albertken juichten van pret, maar binnen in de kamer schrok

het gezelschap, en de vijf kinderen begonnen eenparig te krijten.

--Schei toch uit, Snepvangers, riep Madame, wat zijn dat voor

kinderstreken; ge jaagt de bloeikens den angst op het lijf!...

--Ge hoort het wel, Albertken, waarschuwde Snepvangers benard.

--En doof de ballonnekens nu maar uit, verzocht Antoine, ik krijg

hoofdpijn van den stank der kaarsjes...

--Ge ziet het wel, bedacht Albertken teleurgesteld, zij vinden dat niet

plezant... als wij ook eens iets doen dan maakt het lawaai of stinkt

het......

--Ja, Albertken, maar dat is toch niks... wij zullen het op een anderen

keer probeeren als er niemand thuis is... Oei! Daar vliegt een ballonneken

in brand!

--Dat is niks ... dan moeten wij het niet uitblazen, redeneerde Albertken.

Wanneer Snepvangers later, na het vertrek der gasten, alleen tegenover

zijn vrouw zat, kon hij niet nalaten te zeggen:

--'t Is toch spijtig voor Albertken geweest...

--Wat?...

--Wel dat vuurwerk... Hij had er zoo op gerekend...

--Gij denkt maar aan Albertken, verweet zij, hebt ge de andere kinderen

niet hooren schreeuwen van schrik.

--Dat gaat over, bepeinsde hij, nog een paar slagen en zij waren het

gewoon geweest...

--Maar hebt ge nu in uw leven zoo iets gehoord, schuddebolde Madame

gebelgd.

--Dat kind is geen gewoon kind... Sander zegt het ook... Albertken moet

advokaat worden...

--Och, en ge weet nog niet of het kind daar goesting zal voor hebben...

--Goesting? Goesting... ook gij kent hem niet. Albertken geen goesting

hebben... hij wordt nog veel meer dan advokaat... Dat kind is nu mijn

leven...

--Ja, dat weten wij, zei Madame nuchter, 't is uw Benjamin... maar 't

mag zijn, want het kind ziet u liever dan zijn eigen ouders.

--Als ik hem "De Pruimenboom" hoorde opzeggen, dan dacht ik aan mijn

eigen kinderjaren... Ik heb het gedichtje nooit vergeten, en Albertken

zal nooit vergeten dat hij het van mij heeft geleerd...

--Neen, zei Madame, dat zal hij niet... maar nu gaan wij slapen,

Snepvangers, 't is veel later dan anders...

--'t Is toch allemaal tegengevallen, kloeg Snepvangers nog op den trap,

en dan Antoine die niet tegen een vetkaarsken kan!...

Wanneer het buiïg weer aankwam kon Snepvangers met Albertken niet meer

geregeld gaan wandelen. Zijn dagen schenen hem langer. Telkens als hij

de gelegenheid vond, sloot hij zich bij Sander aan om wat afleiding te

vinden.

Op een zonnigen, ijlen najaarsdag stond hij zoo te treuzelen voor de

halfdeur van het kousenwinkeltje. De boord van het gaanpad dreef van het

speeksel. Een hoopje lanterfanters luierde tegen den met veelkleurige

plakkaten bedekten muur...

Boven, ergens in een kamer waarvan het venster openstond, kweelde een

kanarievogel. Snepvangers vond het danig schoon.

--Hoor eens, Sander!

--'t Is een sijsken, Snepvangers.

--Neen, neen, 't is veel schooner... 't is een kanarievogel...

--'t Kan zijn, schokschouderde de Speeker onverschillig.

--Een schoone vogel, mijmerde Snepvangers.

--De schoonste vogels zitten in den buiten, zei Sander.

--'k Zou toch wel een goeie zanger willen hebben...

--Och, wat hebt ge er aan?... Dat zingt maar en dat vreet maar!...

--Het zijn zoo'n fijn vogeltjes, Sander, en als zij zingen...

--Koop liever duiven... als zij vet zijn kunt ge ze in 't potteken steken

en binnenbas spelen!

--Ik koop een kanarievogel, besloot meteen Snepvangers.

--Ge zult het beklagen, waarschuwde Sander meewarig alsof zijn vriend

rampzalige voornemens koesterde.

--Ik moet toch iets hebben om mij te amuseeren, verontschuldige zich

Snepvangers.

--Ja! zei de andere zuur, misschien moest ik het niet zeggen... de

menschen zijn toch zoo eigenzinnig... maar als vriend, als ge dan toch

een kanarievogel wilt koopen, ga dan om raad bij den klakkenmaker van de

Paardenmarkt... anders wordt ge nog bedonderd ...

--Dank u, Sander.

Snepvangers sprak er met Albertken over.

--Ik zal het Grootmoe vragen, meende het kind.

--Ja, Albertken, en dan zullen wij ons amuseeren...

--Ik zou toch liever een arend houden!

--Maar dat is een wild beest...

--Die eten rauw vleesch, Grootva, maar een kanarievogel is toch ook goed.

Madame Snepvangers gaf haar toestemming, onder beding dat Mijnheer zelf

voor het vogeltje zou zorgen. Dan toog hij naar den klakkenmaker. Hij

kende hem van in den tijd toen de politiek hem in beslag nam. In het

halfdonkere winkeltje was de man bezig met schikken. In de achterkamer

zong een vogel.

--Dus wilt ge een kanarievogel houden, wikte de raadgever met scherpe

neusstem.

--Ja!

--Een of meer?

--Ik denk...

--Daar zit het gevaar... één zangvogel is een plezier... meer, het

kweeken, wordt een drift... ik kon mijn goesting altijd intoomen, maar

dat kunnen weinig menschen...

--Ik zou om te beginnen maar een manneken willen koopen!

--Om te beginnen, zegevierde de klakkenmaker, de drift is u al meester...

ge zijt een verloren man, Snepvangers, maar gij moet het weten... ik heb

u verwittigd...

--Waar kan ik een vogel koopen, vroeg de ongeduldige Snepvangers, in

vertrouwen, want ik ken de mannekens niet uit de poppekens...

--Dat zal ik u leeren, vriend... Als ge voor een kot staat dan moet ge de

vogels goed bezien... Als ge ze goed bezien hebt, moogt ge u nooit laten

pakken door de schoon pluimen... zoo is het bij de menschen ook...

--Dus een met leelijke pluimen?

--Bijlange niet!... Luister. Als er veel bijeen zitten moet ge een

kaalkopken kiezen...

--Zijn dat mannekens?

--Ja... want poppekens en poppekens dat vecht niet... mannekens en

poppekens vecht ook niet... maar mannekens en mannekens die pikken

elkander de koppekens kaal...

--Maar als de vogels nu eens apart zitten?

--Dan moet ge ze hooren zingen... als zij zingen zijn het mannekens...

daarbij kunt ge het zien aan hun houding en manieren en hun koleur is

hooger...

--Waar zou ik er een kunnen koopen?

--Overal, meende de klakkenmaker luchtig.

--Ja, maar...

--Het hangt af van de soort die ge wenscht... Een Hollandsche of een

Parijsche trompetter, een Brabantsche vogel, een Gentsche postuurvogel

of een edelzanger zooals de mijne, een Saksische?...

--Een Saksische dan, de schoonste die te krijgen is, hunkerde Snepvangers.

--Daarin hebt ge gelijk... de beste soort... geen bastaarden... maar 't

is een kwestie van goesting... ik ken een liefhebber die Schotsch Fancies

kweekt, reuzenvogels van twintig centimeters.

--Dat zijn geen kanarievogels meer, minachtte Snepvangers.

--Volgens mij ook niet, fluisterde de neusstem, ge zult er verstand van

krijgen, Snepvangers, dat voorspel ik u... Daarom, een goeie raad, let op

de pooten als ge koopt... Die van jonge vogels zijn glad, die van de oude

zitten vol schubben en hun klauwen zijn veel dikker en langer... Ga naar

den ouden Willems met mijn complimenten, hij is zaalwachter in het Steen

en die zal u niet verneuken... Hij kleurt geen wijfkens om ze voor

mannekens, te verkoopen... Zorg dat ge uw drift meester blijft en dan

zult ge veel plezier in de liefhebberij vinden ... Ik heb hooren vertellen

dat een Hollandsch kapitein die veertien jaar te Breda in garnizoen had

gelegen zoo verslingerd op het gezang was geworden, dat hij menigmaal

vergat 's middags te gaan eten...

--Wel, wel!...

--Van 's morgens vroeg tot middernacht toe deed hij niets anders dan

luisteren om de schoonste zangers te onderscheiden... maar zooveel tijd

schiet er mij niet over... een kapitein is geen klakkenmaker...

De klakkenmaker hield Snepvangers in het deurgat nog bij den knoop van

zijn jas.

--En als hij wat heesch is legt gij een stuksken kalissiehout in zijn

"èzer", of als het een valling is dan doet ge eenige druppelen vijgensap

in zijn drinken... Als ze vreetziekte hebben moet het aluin of staal zijn,

voor den afgang melk en voor de hardlijvigheid kandijsuiker en saffraan...

--Kan een kanarievogel...

--Ja, knikte de klakkenmaker en zijn oogen keken zorglijk, zij kunnen het

stiet krijgen en dat moet ge met ongezouten spek genezen, zij kunnen

kwijnen in een donkere kamer, vermageren als zij geplaagd worden door

roode luisjes, daarom moet ge holle roestjes gebruiken, zij kunnen aan

vallende ziekte lijden, aan vetziekte, aan buikkramp, aan natuurdrift,

zij kunnen een beenbreuk opdoen...

--Och, och, zuchtte Snepvangers, 't is toch niet waar zeker?

--Jawel, maar laat mij dan maar roepen... Ik zal wel raad weten... ik heb

al twee pooten genezen met een saaien draadje in lijnolie gedrenkt en warm

zand in het kot...

--Dan hebt ge niet lang plezier van een kanarievogel, wantrouwde

Snepvangers.

--Dat weet ik niet, dat hangt af... Wanneer ge katten en ongedierte

weert... de vogel goed verpleegt, versch eten en drinken geeft en

dagelijks "muur"... bijtijds een bad, en de roestjes driemaal per week

uitklopt, dan leeft hij tien tot vijftien jaar... Ik heb zelfs eens

gelezen dat een vogel twintig jaar werd...

--Dan koop ik er een, verklaarde Snepvangers opgetogen...

--Doe het, moedigde de klakkenmaker aan.

's Namiddags trok Snepvangers naar het Steen. Er waren geen bezoekers.

In een klein zaaltje, naast een paar toonramen vol medaljes en penningen,

half verborgen achter verkleurde en geschifte zijden vaandels zat de

oude Willems slaperig aan zijn bakkebaarden te pluizen. Hij keek norsch

den bezoeker aan, die aarzelend stilstond voor een geel koperen bedpan,

voetje voor voetje naderschoof en belang stellend door het venster keek

naar den stroom waarop een hooge scheepsromp zwenkte. Hij had nog nooit

zoo scherp een kiel van een schip opgenomen, vond het vlak beneden de

waterlijn zeer rood gemenied.

--De dag moet hier toch lang duren, polste hij den Zaalwachter.

De man kikte niet, zag norsch naar het grauwe water dat midden in den

stroom opschuimde als zog van den overzetter. Meeuwen scheerden rakelings

over de baarkens.

Snepvangers was niks op zijn gemak. Hij probeerde het nog eens:

--Een schoon uitzicht op de Schelde...

--Vindt ge dat, zei Willems, dan moet ge maar goed zien en van de

gelegenheid profiteeren.

--Ja, maar ik kom om een kanarievogel te koopen... nu weet gij het,

ontlastte zich Snepvangers.

--Dat is wat anders, meende Willems levendig, stond op en kwam naast hem

staan, waarom hebt ge dat niet direct gezegd?

--De klakkenmaker heeft mij gezonden ...

--Er is niks zoo schoon als de zang der kanarievogels!...

Nachtegaalslagers, edelrollers en kollervogels... Hoor hoe ze rollen:

woe, woe... ie-rie-rier... ie-lie-liel...arrr... verrr... fi-fi...

si-si... wi-wie... wies, wies, sies... toe... toe... tsoem... en hun

kleur, zoo teer... zoo fijn... hooggeel, stroogeel, witgeel...

bleekgroen... ik heb er roode gekweekt met kleurvoeder...

--Roode?

--Ja ... maar als ge dat probeert moet ge maar een wijfken pakken...

die zijn goedkooper en dan is er niks aan verloren... een weinig

cayennepeper tusschen het eten... en klaar is Kees! Maar 't lukt niet

altijd...

--Wanneer kan ik een vogel koopen?

--Direct... wacht een oogenblik...

De Zaalwachter ging naar een kleerkast, trok de deur open en nam er een

kooitje uit.

--Een vogel uit de duizend... 's middags is er geen mensch en dan leer

ik hem fluiten... Twee violen en een bas-bas-bas!... Maar deze is

volleerd... Alleen hem in 't donker houden... Moet ge soms poppekens

hebben?...

--Misschien later, als ik zou kweeken...

--Dat is eigenlijk het plezier. Mijnheer Snepvangers, de vogels kweeken

en ze leeren zingen... ik gebruik altijd een flesch en een stop en dat

maakt aardige muziek... Ik ken een nachtwaker die er zijn dagen mee

doorbrengt...

--Wanneer slaapt hij dan,--verbaasde zich Snepvangers.

--Als hij wat tijd heeft, 's nachts bijvoorbeeld... Ik heb enkel

Saksische vogels, maar mijn broer, de kleermaker uit de Keizerstraat,

nevens het Kapelleken, die heeft al de soorten van de wereld... Laatst

kwamen ze hem roepen terwijl hij het orgel trapte in St.-Jacobskerk,

want er was een Engelschman speciaal overgekomen om zijn vogels te

zien... Twee vogels heeft hij toen verkocht, die puur kerkmuziek

zongen... zij hadden lang tegen den kerkmuur gehangen en zij volgen zoo

gemakkelijk na... Maar nu trof het goed... ik gaf voor zoo'n vogel

niks... Ik laat u het manneken over omdat de klakkenmaker u gezonden

heeft... want eigenlijk kweek ik voor de kunst!

Met zijn kooi en sterk door de raadgevingen kwam Snepvangers in de

Hobokenstraat.

--Een kanarievogel, leerde hij aan zijn vrouw, is een slimme vogel die

spoedig zijn weldoener herken ... en hem met zijn zang beloont.

Albertken schiep spoedig evenveel zijn behagen als Grootvader in het

kwinkeleerende vogeltje... Wanneer Albertken kwam werd de kanarie

feestelijk vergast op trosjeszaad of een klontje suiker.

--Ge zoudt er meer moeten hebben, bedacht Albertken, ik zal Grootmoe

vragen er voor uw nieuwjaar te koopen.

--Ik zou er moeten kweeken, op de leege kamer boven de keuken is er

plaats genoeg.

Grootmoeder had het gehoord en zij was in een goede bui.

--Wel ja, Snepvangers, gaf zij toe, ge moet toch iets voor uw plezier

doen en Albertken zal het ook amuseeren...

--'t Is voor Albertken, loog Snepvangers.

Een uur later droeg hij wat rommel van de kamer, begon te passen en te

meten en droomde van een modelkooi. Hij zou Willems en de Klakkenmaker

eens verbazen. Overvloedig licht viel door het achterraam, een ander raam,

buiten het hok, zou toelaten de kamer te verluchten.

Om de kooi te bouwen wendde hij zich tot den houtdraaier, Miranda van de

Paddengracht, die ook andere karweikens aannam en daarbij een kweeker

bleek te zijn. Deze timmerde een afsluiting die de halve oppervlakte

besloeg, spande een gevochten draadnet over de balkjes, lei een dubbele

vloer en kalkte de muren. De deur, in vier losse vlakken, kon de dikke

Miranda doorlaten, maar beneden, tegen den grond, was een klein poortje

om het voedsel door te schuiven, de eetbakken, de èzers en de badschotels.

Snepvangers bracht dagelijks wat mee van zijn wandeling. Houten nesten met

losse mandjes,--roesten van vlierhout, verf om het houtwerk op te

kleuren. Miranda, die niet jaloersch van aard was genoot zelf van het

modelopzet en leerde wat er te leeren viel. Deze lange gesprekken voerden

zij, gezeten bij het kleine potkacheltje dat Snepvangers op zijn kamer

geplaatst had. Tegen den muur pronkten schabben met steinen potten waarin

het zaad zou bewaard worden en waarop hij de namen geschilderd had. Een

houten tafel, een waterkraan en een afvoerbak volledigden zijn inrichting.

Kleinere kooien hingen links en rechts. In de uren dat Albertken hem

gezelschap hield, werd het houtwerk lichtblauw geschilderd en van gouden

biesjes voorzien. In hun verbeelding kweekten zij samen met zooveel

bijval dat de hokken te klein bleken voor het gevogelte. Intusschen

sprenkelde en morste Albertken aan de waterkraan.

--De eerste kanarievogels waren groen, leerde Snepvangers.

--Dat moet ge mij niet wijsmaken, weerde zich Albertken.

--Manneken toch!...

--Ik zeg niet dat ge beuzelt, Grootva, maar dan hebben ze u wat wijs

gemaakt...

In het voorjaar ging hij bij Miranda vogels kiezen... Miranda wou niet dat

hij naar Willems ging, die maar kweekte voor de cens...

--Is het raadzaam meer wijfjes bij een mannetje te zetten, vroeg

Snepvangers.

--Ja, Snepvangers, hier op zolder kan ik het u wel zeggen, niemand hoort

ons... bij de kanarievogels kan men het riskeeren, dat gaat meestal...

maar bij de menschen loopt het verkeerd...

--'t Is goed dat Albertken het niet hoort.

De dikke Miranda lachte, maar ving onderwijl met zijn vlindernetje een

kanarie, nam voorzichtig het schuwtrillend, teere ding in zijn dikke

reuzenhand en streelde het zachtjes met zijn linker wijsvinger. Hij blies

de veertjes op.

--'t Zijn toch zoo'n broze dingskens, zei hij het beeft van angst in mijn

hand...

--Zij hebben zoo niks om zich te verweren.

--Als ik mijn hand toenijp is het dood, droomde Miranda, ik vraag mij af

waarom die beestjes geschapen zijn.

--Och, zei Snepvangers, die ongeduldig werd en en aan zijn kooi dacht, we

moeten ons niks afvragen, maar voortvangen...

--Dat is één, zei Miranda, bekeek nog even het licht-gele lijfje, de

ingetrokken pootjes en het fijne snaveltje, zie Snepvangers, het sluit

zijn oogskens van schrik... wie zou nu zoo iets weerloos kunnen kwaad

doen...

--De menschen doen niks anders...

Snepvangers begon met vijf mannekens en met twaalf poppekens. Een blaadje

sla naast het bad, het raapzaad gemengd met witzaad, de klare fonteintjes

en het trosjeszaad, het droge zand op den grond en de vogels op hun

roestjes, 't was alles hij zei geen woord.

Madame loofde, ingenomen door orde en netheid, de nieuwe kweekplaats.

Marieken werd door Albertken meegetroond, evenals Craen en zijn vrouw.

Want het jongsken deelde in den triomf. Zelfs Antoine kwam eens kijken,

bleef een tijdje praten, beloofde prima kwaliteit eten te bezorgen en was

geen oogenblik verstrooid.

Doch pas toen de eerste eitjes uitgebroed waren en de eerste, bloote,

donzige dingskens in het mosnestje wriemelden, kon Snepvangers, bijgestaan

door Miranda, Sander bewegen eens te komen zien. Alles nam hij nauwkeurig

op, maar zei geen woord.

--Nu krijgen de beestjes harde eieren met fijngestampte beschuit, zei

Miranda.

--Een brood in melk geweekt met maan en salaadzaad bestrooid, vulde

Snepvangers argeloos aan.

--Ge moet van Lotje getikt zijn om in zoo'n klein geneuk uw cens te

steken, misprees de Speeker boosaardig, en zonder nog om te zien slefte

hhij de kame uit, de trappen af en de straat op.

--'t Is toch 'n vieze, zei Snepvangers ontsteld.

--Och, elk zijn goesting, troostte Miranda.

Wanneer Snepvangers den volgenden morgen zijn spitsken buiten liet, las

hij in de oogen van Sander hoe diep hij in zijn achting gedaald was met

het kweeken van "klein geneuk".

Snepvangers had veel meeval in de kanariekweekerij en zijn ambitie groeide

er door. Zijn huis was een zangpaleis. Van 's morgens vroeg zongen de

vogels en vulden de kamers met blij gekweel. Mijnheer was verrukt over

zijn teere raskanaries. Madame, alhoewel zij wel voor de verzorging mocht

bijspringen, was zich ook aan de "pietekens" gaan hechten.

Daar Snepvangers voor zijn plezier kweekte schonk hij mild aan familie en

vrienden, de edele vogels in zijn broedkamer geboren. Overal zongen zijn

Saksische zangers. Het was zijn glorie zijn vogels te hooren roemen.

Miranda was goed bedacht geweest, want aan dezes zolder dankte hij de

stamouders van zijn kooi. Intusschen was zijn gevederde bevolking toch

noch gestegen tot zes-en-negentig mannekens en poppekens.

En weer lagen, in den vierden kweekzomer, de poppekens op hun broze

sprikkeleitjes te broeien en gaapten en piepten de jongskens in de nesten.

Op een zomermorgen zaten de echtelingen voor het hok de speelsch wippende

kanaries te bespieden. De vogels vlogen van hun roestjes op den vloer,

pikten in den eetbak, dronken aan de fonteintjes of lagen te vluggen in de

badschoteltjes. Een vreemde vogellucht hing in de kamer.

--Miranda zegt ook dat ik veruit de schoonste vogels kweek, zei

Snepvangers.

--Ge krijgt er te veel, oordeelde Madame.

--Ja... maar wat kan ik er aan doen... ik geef er zooveel weg... en ik

kan er toch niet mee op de Vogelmarkt gaan staan...

--Neen, dat gaat niet, bekende Madame.

--En ik kan ze toch zoo ook maar niet op straat smijten...

--Neen, dat kunt ge niet, zei peinzend Madame.

--Daarvoor zou men het hart van een deurwaarder moeten hebben, vulde

Snepvangers aan, want hij kon niet scheiden van zijn vogels.

Albertken, die pas zijn eerste communie had gedaan, was van lieverlede

wat losgeraakt van zijn Grootvader. Nog kwam hij wel af en toe naar de

vogels kijken, nog gingen zij wel eens samen wandelen naar den Dierentuin

of naar het terras, maar Albertken had n kameraadjes waarmee hij beter

praten kon. Snepvangers voelde het wel, maar troostte zich in het besef

dat de jongen groot werd, zooveel te leeren had, Fransch en Latijn, en

verzot begon te worden op dat nieuwsoortig amusement, het voetbalspel.

Antoine vond het wilde stampen en smijten nuttig voor de lichamelijke

ontwikkeling, en Antoine was de vader!... Niet alleen de vader van

Albertken, maar van nog zes andere spruiten die net als zijn

kanariejongskens, gaapten en piepten en leven in huis brachten. Het

jongste was weer een meisje en Marieken had pas haar kerkgang achter den

rug toen zij de plechtige eerste communie van den oudsten vierden.

Snepvangers dacht wel eens over de kinderen zooals zijn vrouw over zijn

kanaries, dat er te veel kwam! Maar de Drogist won rijkelijk zijn brood

en kon zich de weelde veroorloven, zooals Snepvangers zijn getal kanaries

niet moest beperken bij gebrek aan middelen.

Albertken werd echter niet vervangen in de voorliefde van zijn Grootvader,

die oud werd en zich geen nieuwe kameraadschap met de kleinkinderen meer

scheen aan te passen. Madame kon beter om met het drukke troepje.

Zekeren avond, in de zwoele maand Juli, hij had op zijn stade met Miranda

een pintje gedronken in "Het Zwarte Paard", wenkte Sander hem.

--Hebt ge de gazet gelezen?

--Neen, Sander ...

--Er staat: Opgepast voor de Croaten!... en dat wil veel zeggen...

Meer liet de Speeker niet los, vouwde zijn gazet toe en strompelde binnen.

Snepvangers rook een frissche hooilucht die den lauwen avond doorgeurde,

Hoorde de kinderen joelen op de Ossenmarkt. Alles was zoo rustig en gewoon

en hij begreep niks van de waarschuwing.

's Anderdaags hoorde hij de gazettenleurders verwoed op hun koperen

trompetten toeteren en gillen.

--Wat is er toch aan gang, vroeg Snepvangers.

--De tijden van Napoleon komen terug, voorspelde de Speeker, en kneep

de "Gazet van Antwerpen" in kreukels, er is oorlog tusschen Oostenrijk en

Servië...

--Och, meende Snepvangers, 't is altijd ieverans oorlog in de wereld...

--Wacht maar!...

In zijn slaap werd hij opgeschrikt door het luiden van Carolus.

Snepvangers wipte zijn bed uit, vergat zijn slaapmuts en zijn bloote

beenen en trok het balconvenster open.--Een politieagent stond aan den

overkant, hij hoorde het raam knarsen en keek op.

--Wat gebeurt er, vroeg Snepvangers.

--De klassen worden binnengeroepen... straks schiet ik ook mijn

soldatentenueken aan, zei de agent.

--Wel, wel, zei Snepvangers verbijsterd, stak zijn hand naar zijn hoofd

uit en werd zijn slaapmuts gewaar.

Dan haastte hij zich het venster te sluiten en kroop terug in zijn bed.

--Jezus-Mana, zuchtte Madame, wat gaan we nu nog beleven.

--Dat moeten wij afwachten, oordeelde Snepvangers keerde zich om, sliep

koelbloedig snurkend in.

Madame woelde nog lang slapeloos en vol onrust. Zij benijdde haar man die

zoo moedig en onverschrokken slapen kon wanneer onbekende gevaren hen

bedreigden.

Onder de algemeene paniek moest Snepvangers zich den volgenden dag van den

ernstigen toestand rekenschap geven. Hij zag de menschen samendrommen voor

de spaarkassen... In winkels en herbergen was plots het pasmunt

onvindbaar, bankpapier overstroomde de stad en de gapers lazen de

plakkaten omtrent de opeisching van paarden en rijtuigen voor het leger.

Miranda stond bij Sander, die uit het dagblad voorlas: "Gij moogt het

gerust zeggen, verklaarde ons een officier, dat de Schelde, hoewel zij er

den schijn niet van heeft, verdedigd is gelijk mogelijk geen enkelen

stroom van de wereld. Ook is het te voorzien dat men ons langs daar niet

zal aanvallen, want daar ligt ons sterktepunt..."

--Alles gaat duur worden, zei Miranda.

--Zou het vogelzaad ook opslagen, vorschte Snepvangers.

Mijnheer Snepvangers · 第 6 / 10 段