--Als ik u 'n raad mag geven, blijf dan in uw straatje, ge gaat u weder

onnoodig moe maken om sneeuwbergen te zien... wat hebt ge nu aan

sneeuwbergen en koeien met bellekens rond den nek?... Niks! En er kan een

ongeluk met den trein gebeuren, dat leest ge toch dagelijks in de gazet...

Ge kunt in een afgrond vallen en morsdood zijn! Ge kunt bestolen worden...

Ge slaapt niet in uw eigen bed... De Zwitsers zijn natuurlijk slimme

vogels die hun land laten zien om centen te winnen... Ik zeg, als vriend,

niet doen! Maak u toch niet onnoodig muug, 't is overal hetzelfde in de

wereld... de menschen eten en slapen... de zon komt op en 't wordt er

nacht... sneeuwbergen kan ik in de wolken zien!

--Maar mijn vrouw wil absoluut Zwitserland zien!

--Dan is er geen zalf aan te strijken, jongen, dan is er niets aan te

doen, dan moet ge naar Zwitserland... Ik zie er niks goed in... als het

u maar niet berouwt.

Hij knikkebolde bedenkelijk en spuwde met geweld. Heel zijn wezen drukte

afkeuring uit.

--Dat verandert de zaak, als ik dat geweten had... zoo, zoo, uw vrouw wil

naar Zwitserland... awel, goede reis!...

Na dit beslissend onderhoud begon Snepvangers over de voorgenomen reis te

praten in "Het Zwart Paard". De stamgasten bespraken de gebeurtenissen

even hartstochtelijk alsof zij zelf den grooten tocht gingen ondernemen.

Een meubelmaker was eens met een pleziertrein naar Parijs geweest. Een

boodschapper uit de Rozenstraat toonde buitengewone belangstelling.

Wanneer de anderen weer door het kaartspel of de teerlingen in beslag

werden genomen, bleef hij geduldig luisteren naar den omslag en de

herhalingen van Snepvangers uitleg, 'n Verstandige vent, oordeelde hij,

spijtig dat hij het niet verder gebracht heeft in de wereld!... Gelukkig

dat zijn vrouw, die met visch leurt, ruim den kost helpt verdienen!

Craen en zijn vrouw hadden na lang aarzelen geweigerd mee te gaan, zij

zagen op tegen het lange treinrit en bleven liever in de nabijheid van

Albertken, Er werd geschreven aan de reisagentie, zij ontvingen bericht

dat het geld was toegekomen en het vertrek uit Brussel vastgesteld op 20

Juli. De laatste dagen vóór het vertrek brachten beslommeringen van allen

aard. Spitsken werd besteed bij Craen, nieuwe reiszakken werden gekocht en

gevuld met nieuwe spullen, afscheid werd genomen van de kinderen en

Albertken, van de kennissen.

De kousenvent, die niet meer over de reis gesproken had, werd niet

vergeten. Hij zou een oogsken in 't zeil houden en met Marieken waken op

het huis. Snepvangers had zijn waarden, eigendomtitels en fondsen, goud en

zilverwerk veilig geborgen in een brandkast op de bank. Alleen Mijnheer

nam zijn hologie mee.

Toen zij 's namiddags reisvaardig stonden, sloten zij water- en

gasleiding zorgvuldig af, speetten hun touristen herkenningsteeken op de

borst en togen, zwoegend onder hun handkoffers, naar het station. Gelukkig

dat een gids hen opwachtte in de spoorhalle te Brussel! Slechts tweemaal

hadden zij zich in de hoofdstad bar kunnen vervelen in hun leven: aan die

stad vonden zij als treffelijke sinjoren geen aardigheid.

Snepvangers ontving de reisboekjes, en zij volgden den gids naar den

doorgaanden trein. Daar zaten zij nu in een tweede klassewagen te wachten

op het vertrek, een beetje verslagen door eigen durf en ongemakkelijk in

hun reiskleederen.

--'t Is toch gemakkelijk reizen, verklaarde Madame zelfgenoegzaam.

--Nu zijn wij op weg naar Zwitserland, zei Snepvangers flauw.

Andere dragers van het herkenningsteeken stapten in, maar de gids hield

zorgvuldig een plaatsken open. De deuren waren reeds toegeworpen, toen

hijgend een dik vrouwwensch zich binnen werkte.

--Oef, is me dat zoeken!...

--Jezus! Maria! fluisterde Madame Snepvangers haar echtgenoot in het oor,

dat is Mie Verbinnen uit de Rozenstraat... En die gaat ook mee naar

Zwitserland.

Snepvangers verschrok, bekeek in grenzenlooze verbazing het opgedirkt

vischwijf dat vóór hen neerzat. De vrouw van den boodschapper was

blootshoofds, een fluweelen jurk vol kanten volants omspande haar zware

borsten, een zijden voorschoot hing over haar gemooireerden rok, en

gelakte schoentjes had zij aan de voeten. Op haar schoot hield zij een

zwart teenen korf, een reuzenkabas!

--Wel, wel, Mijnheer en Madame Snepvangers, eindelijk heb ik u gevonden...

in Antwerpen zijt ge mij ontsnapt, maar nu laat ik u niet meer los...

--Waarom? vroeg Madame angstig.

--Och mensch lief, ik versta geen woordje Fransch, enkel Antwerpsch... en

'k dacht bij mezelf, die brave menschen zullen mij wel helpen... Mijn vent

sprak van niks anders dan van Zwitserland... en toen dacht ik: dat moet ik

toch ook eenns zien... 'n mensch moet toc ook eens van het leven

profiteeren en wat verder gaan dan naar de kermis van Contich!... En als

ge geen kinderen hebt, kunt ge er wel een 215 franken aan besteden om

Zwitserland te zien met den Riga er bij ...

--Rigi, verbeterde Snepvangers voornaam.

--Rigi of Riga is voor mij hetzelfde als het maar geenen Zwanengang is!...

Ik wil ook eens reizen gelijk chik volk!...

Het gefluit van de locomotief onderbrak haar, de trein ging traagjes

vooruit, versnelde en joeg dan voort met dommelend geluid. De

medereizigers begluurden het vreemdsoortig drietal.

--'t Is toch gemakkelijk op de kussens zitten in plaats van met

vischkorven door Antwerpen te sjouwen, zei Mie, mijn vent zal er eentje

meer pakken nu ik weg ben en hem aan zijn lot moest overlaten.

Een der medereizigers gichelde in zijn hoekje, de twee dames keken strak

door het ander raampje. Snepvangers werd rood van ergernis.

--Alleen zou ik het nooit geriskeerd hebben... maar toen ik wist dat twee

deftige menschen uit de buurt meegingen heb ik mijn kaartje maar besteld.

Madame zat verslagen. Snepvangers nam geen verder notitie van de

opdringerige vischleurster.

--De trein stopt slechts te Luxemburg, te Straatsburg, te Mülhausen en

morgen vroeg om half zes zijn wij te Bazal... daar drinken wij koffie,

zei Snepvangers.

--Ja, fluisterde Madame, die niet wist waar de blikken te vestigen en ten

slotte naar buiten keek, naar het wisselend avondlandschap.

--Ben ik van geenen tel, Madammeken, kent ge mij niet meer?... Ik ben Mie

Verbinnen uit de Rozenstraat, ik leur met visch en mijn vent speelt 's

Avonds kaart met Mijnheer in _Het Zwart Paard_, op de Paddegracht. Waar

of niet waar, Mijnheerken?

Sprakeloos en nijdig zaten man en vrouw voor haar.

--Maar Seminis kinderen toch, die spreken nu geen gebenedijd woord...

plezant gezelschap om mede te voyageeren... Of is 't uit hoovaardigheid

dat gij mij niet wilt kennen?... Wel, fijne Mijnheer, zijt gij uwen tijd

vergeten?... En dat heeft in den gemeenteraad willen zitten... zeker om

ook te zwijgen!... Maar dat kan ik ook... Ik had een lekker stuksken visch

meegebracht om u te trakteeren, maar als gij het zoo verstaat dan vreet ik

alles zelf op!...

Triomfantelijk opende zij haar kabas en begon te smullen. Madame bemerkte

terluiks dat de gebakken pladijs er appetijtelijk uitzag. Mijnheer keek

naar de nieuwe reiszakken in het net boven Mie. Dat wijf kwam nu het spel

verbroddelen, het plezier bedreven! Wat moesten de medereizigers van hen

wel denken! De trein zong en dommelde, en nu en dan klonk een waarschuwend

gefluit. Sander had gelijk, zij hadden maar liever moeten thuis blijven,

in hun bed slapen in plaats van in den trein. Madame knabbelde nu

voorzichtig aan een reepje chocolade. En al die ellende zou veertien dagen

duren, veertien dagen lang zouden zij geplaagd zijn met dat vischwijf! En

in dezen wagon was het rooken verboden.

Het schemerde nu en plots werd het treinlicht ontstoken. Ginder verre was

nog een kleurige weerschijn van de zon na haar ondergang. Dan kwam de

nacht, de donkere, lange nacht. Mie, moe gegeten en gedronken, sloot haar

mandje, veegde zich welgevallig den mond af, zei giftig:

--Slaapt wel, fiere Madame en fijne Mijnheer, maar ik ben bij u en blijf

bij u... ik laat u niet meer los... en wij zullen eens zien wie het langst

kan koppen. Zoo'n twee poesjenellen heb ik nog nooit op 't Vlaamsch

theater gezien.

Zij vleide zich in haar hoekje, kruiste de armen op den kabas en sloot de

oogeen. Even had de trein gestopt joeg nu weer voort, rusteloos voort door

den nacht. Het licht door een gordijn getemperd schemerde vaag over de

slapende Mie, de knikkendebollende Madame, den heer en de twee dames.

Snepvangers kon niet slapen van verbeten woede. En er was niets tege te

doen, zij had haar reis betaald en zou hen op de hielen volgen. Het

treffelijk volk zou zich van hen afwenden en hem en zijn vrouw op den

koop toe nog uitlachen. Hij zou den gids raadplegen over wat hen te doen

stond. Dat gemeen wijf!

Traag kropen de uren voorbij voor den wakenden Snepvangers, wiens

menschelijke ijdelheid zoo deerlijk was gekwetst. Eindelijk toen de

morgen begon te dagen en het licht door de neergelaten gordijntjes

sijpelde, sliep hij in. Uit zijn onrustige droomen, die kop noch

staart hadden, werd hij gewekt door het onbehoorlijk gesnurk van Mie

Verbinnen. Madame wreef zich eveneens de oogen uit.

--Seffens zijn wij in Zwitserland, Mama, vezelde hij, ik ga den gids

spreken want met haar kunnen wij toch niet geplaagd blijven...

--Neen, Snepvangers.

--Wat moeten de menschen wel denken, ik schaam mij de oogen uit den kop.

--Wij gaan nog liever terug naar huis, Snepvangers.

--Natuurlijk, al moeten wij er al ons eens bij verliezen en niks gezien

hebben.

De trein stopte. De slapers ontwaakten, namen hun gepak, stapten uit.

Mie met haar kabas aan den arm volgde Snepvangers, die met nijdige

wippasjes de reizigers naar het buffet vergezelde. Hij kreeg den gids

te pakken.

--Met dat wijf zonder hoed en met een voorschot willen wij niet reizen,

verklaarde hij dapper.

--Ik kan het niet verhelpen, Mijnheer, zij heeft betaald en toevallig

kent zij u... Daar kan de agentie niets aan doen, verklaarde de gids

onverschillig.

--Dan gaan wij terug, Mijnheer... wanneer vertrekt een trein naar

Brussel?... Maar ik zal in Antwerpen vertellen wat zoodje gij Zwitserland

laat zien...

--'t Is spijtig, Mijnheer, verzoende de gids, maar niemand kan er iets

aan doen... en ge zijt uw geld kwijt...

--Mijn geld kwijt?

--Ja, want alles is betaald in de hotels en de treinreis is op voorhand

betaald, verwittigde de gids en krabte zich achter het oor.

--'t Zijn allemaal dieven in uw schoon Zwitserland. Wij hebben al genoeg

gezien en gaan terug... Wijs mij maar den weg naar den trein...

--Om negen uur vertrekt er een trein, ginder...

--Maar de koffie is betaald en zullen wij drinken! Wij gaan terug, Mama,

terug naar Antwerpen, maar eerst gaan wij koffie drinken...

--Ik ben stram van zitten, kloeg Madame.

--Wij moesten in onzen ouden dag ook nog iets aanvangen. Laat ons nu maar

smakelijk eten, want het kost peperduur.

Toen de reizigers weer naar den trein gingen, bleven zij zitten. Mie

volgde hun voorbeeld.

--Dat is straf... Zij blijft zitten, en keert mee terug.

--Zij weet van toeten noch blozen, misprees Madame.

--Zij zal staan zien, grinnikte Snepvangers boosaardig.

Met zijn kladdeken Fransch wist Snepvangers zich te behelpen. De

conducteur keek bevreemd naar de ongeknipte reisbiljetten in het

reisboekje, maar zei niets. Mie schoof weer genoeglijk bij in het

zelfde compartiment. Zonder een woord te wisselen reden zij in den

snikheeten dag naar huis. Aan de stations dronken zij limonade, aten

broodjes-met-wat-bij. In grilligen dans schoten dorpen en steden voorbij,

velden en weiden, Zij waren verdoofd en uitgeput en zagen Mie maar

onafgebroken smullen en snoepen uit haar voorraad. Het vischwijf probeerde

zoo genoeglijk den tijd te dooden, want de menschen rond haar verstond zij

toch niet en de Snepvangersen zaten statig en waren niet te spreken. Tegen

zevenen kwamen zij te Brussel aan.

--Maar... maar dat is Brussel, begot!

--Ja, dat is Brussel, sarde nu Snepvangers, die niet langer zwijgen kon...

--En dat is nu die fameuse reis naar Zwitserland, waar van alles te zien

was... die koeien met bellekens en die bergen met sneeuw... Awel, dat is

puur afzetterij En dat kost nu zoe maar in de gauwte twee-honderd-vijftig

frank... En waar is nu die Riga?

--In den Zwanengang, treiterde Snepvangers.

--Sloebers!... Ha, nu versta ik het ... ze hebben me willen kwijt

spelen... zijn moedwillig terug naar huis gegaan... Maar ik heb toch

zooveel van Zwitserland gezien als gij... ik beklaag mijn centen niet,

want gij zijt ook gefopt... En mee naar huis ga ik ook!

In den avond kwam Snepvangers en zijn vrouw doodmoe thuis in de

Hobokenstraat. Mie had hen tergend achterna geloopen tot aan den hoek der

Rozenstraat.

--Droomt nu maar niet te veel van Zwitserland ... Ge hebt niet eens

gekoleurde postkaarten meegebracht en ik wel, zegevierde zij.

--Wat zal Marieken verschieten als zij ons morgen ziet, jammerde Madame.

--En wat zullen de mannen uit _Het Zwart Paard_ lachen, maar we slapen

toch in ons eigen bed!

's Morgens stond Snepvangers weer tegenover Sander. De kousevent hield

op met spuwen van verwondering.

--Al terug, Snepvangers?

--Ja, Sander ...

--In Zwitserland geweest?

--Ja!

--Niet veel bijzonders, zeker?

--Neen!

--Maar ge zegt zoo weinig....

--Och!

--Lang in den trein gezeten?

--Een dag en een nacht ... en dan dat smerig vischwijf uit de Rozenstraat,

die zonder hoed mee wou naar Zwitserland.... En zij had heur plaats

betaald en wou ons niet loslaten ... Maar wij hebben haar beetgenomen

en zijn direct terug naar huis gekomen om in ons eigen bed te slapen.

--Ja, zei Sander peinzend en spuwde werktuigelijk, ja, Snepvangers, 'k

heb u zoo dikwijls gezegd dat gij moest leeren zwijgen ... Nu zijt ge uw

cens kwijt ... 'k heb u gewaarschuwd dat het overal hetzelfde is, en

nu hebt ge het zelf ondervonden dat dat Zwitserland de moeite niet waard

is, er u zoo muug voor te maken! ... Speek maar liever eens mee, besloot

hij welgemutst, en binnen een paar dagen gaan wij opnieuw visschen! ...

--Ja, Sander, stemde Snepvangers in, voelde zich getroost, en spuwde naar

den rand van het voetpad.

HOOFDSTUK IV.

DE VLUCHT DER SAKSISCHE KANARIEVOGELS

Snepvangers leefde ingetogen en in vrede met de menschen en de

maatschappij. Hij dacht nu het leven te kennen, en door ontgoocheling

en ondervinding wijsheid te hebben vergaard. Hij verbeeldde zich dat hij

zijn hart gesloten had voor alles en dat zijn verstand wikte en woog om

hem voor nieuwe tegensvallers te behoeden.

Goedsmoedig had hij zich verzoend met het leven, en zijn dagelijksche

ochtendpraatjes met den Speeker hadden hem teruggevoerd op effen paadjes

waar noch ontroering, noch avontuur dreigde. Zijn hondje laten wateren

werd hem een aangename bezigheid.

Met de jaren kwam geen verandering. Een rustige glimlach van vergenoegen

krulde zijn lippen, want zijn dagen brachten geen ergernissen.

Marieken had hem zes kleinkinderen geschonken, eerst een jongen, dan een

tweeling, een meisje en een jongen, daarna nog drie jongens. De baker was

bestending op de Torfburg. Een door den hemel gezegend huishouden, meende

de onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouwe!

Madame Snepvangers schiep groot behagen in de kinderkamer en hielp

Marieken in de beslommeringen. De Drogist frutselde in zijn winkel of zat

verdiept in wetenschappelijke verhandelingen. Soms praatte hij zeer

uitbundig en andermaal kon hij zijn schoonvader zoo verstrooid aankijken

dat deze er schuw van werd. Maar hij troostte zich in het besef dat

geleerde menschen altijd zoo'n vreemde manieren hebben.

Aan een Zondagsche familiedisch besprak hij het zonderling verschijnsel.

--Ja, oordeelde de Drogist, dat is een kenmerk van de geleerden... Newton

lei zoo zijn horlogie in kokend water en hield zijn ei in zijn hand.

--Had die mijnheer Newton dan geen vrouw om eieren te koken, verbaasde

zich Snepvangers.

--Lessing, betoogde de Drogist, een beroemd dichter, kwam eens vroeger

naar huis en zijn knecht, die hem niet herkende, riep door het raam: "De

professor is niet te huis!"--"O zoo, antwoordde Lessing, dat is niets, dan

kom ik later wel eens terug!"

--Van dichters verwondert mij niks, overwoog Snepvangers.

--Antoine doet precies zoo, hij kan Mijnheer Newton de hand geven...

Eergisteren vraag ik hem om wat suiker in de pap, te doen... Ik geef de

pap aan de kinderen en zij willen ze niet eten... Ik proef, en de pap is

zoo zout als brak!

--Marieken, Marieken, suste de Drogist gevleid.

--Als hij maar geen gedichten begint te maken, zei de Loodgieter

bekommerd.

--Neen, Papa, zoo erg is het niet, stelde Marieken gerust, ten minste dat

heb ik nog niet ondervonden.

Snepvangers zag naar zijn kleinzoontje, het sprekend beeld van zijn vader!

Meewarig bedacht hij dat het teere ventje ook geestelijk aan zijn vader

zou doen denken!... Albertken moest maar liever op zijn grootvader trekken,

desnoods op grootvader Craen... Maar niet zoo vies doen als Antoine in

zijn geleerdheid.

Albertken was nu zes jaar geworden en ging naar de school der Paterkens in

de Everdijstraat. De blonde krullen en de blauwe oogen, het bleeke

gezichtje, de snaaksche invallen en het kindergebazel, waren voor

Snepvangers een onuitputtelijke stof van overweging en conversatie.

Hij had zich van het kind meester gemaakt met zoete woordjes en listige

verleiding. Craen had het te laat bemerkt en liet nu, daarbij te veel met

de politiek ingenomen, Snepvangers ook maar betijen. Albertken droeg toch

zijn naam!

Het jongsken verborg zijn voorliefde niet; met grootvader Snepvangers kon

hij praten, die onderwierp zich geduldig aan zijn spelletjes, had zijn zak

steeds gevuld met krakelingen, die nam hem mee naar de estaminets en liet

hem van zijn bier proeven wat thuis streng verboden was. Zij hadden zoo

hun geheimpjes, hun verdoken plezier en hun kameraadschappelijke

verstandhouding.

Als kraaiend kindje had Albertken reeds blijken gegeven van eendere

nijgingen die Snepvangers ontroerden. Hij was verzot op honden, riep tegen

al de beestjes even vriendelijk: Dag hondeken! Hij kon spelen met

spitsken zonder het maar een oogenblik te verbalemonden, was wijs en

teeder tevens.

Samen gingen zij dikwijls naar den Dierentuin en werden het nimmer beu de

apen, de zeehonden en de olifanten te bekijken. Snepvangers fantaseerde

over de warme landen waar de olifanten met hun groote, ivoren slagtanden

vrij in 't wild rondloopen en lawaai maken met opgestoken neustrompetten,

over de logge zeehonden die op hun vinnen naar boven waggelden en

neerplonsden om hun vischbuit te vangen, over de vinnige apen, die

kouwelijk bijeenzaten in het apenkot; wier slimme, onrustige oogjes hen

aangluurden, en die soms onfatsoenlijk zaten te vlooien.

--Hebben de menschen ook vlooien, Grootva, vroeg Albertken zekeren dag.

--Sommige menschen, leerde Snepvangers,--maar dat zijn vuil menschen...

--Och, dat is spijtig, betreurde Albertken.

--Spijtig?

--Ja...

Snepvangers was zoo verbluft dat hij niet verder aandrong om een reden

te kennen.

De volgende maal, toen zij weer voor het apenkot stonden, zei Albertken

trotsch:

--Wij hebben thuis ook vlooien!

--Niet waar, Albertken, zei Snepvangers onthutst.

--Ja, heel klein vlooien met heel lang haar!

--Maar, Albertken toch, ge moogt niet beuzelen!

--Ik zou toch zoo gaarne vlooien hebben, zuchtte Albertken, dat moet

zoo plezant zijn.

--Maar het is niet waar...

--Ik denk het zoo maar, Grootva, zei de kleine waanwijs, dat is zoo

mijn plezier.

Snepvangers zette groote oogen op en vond Albertken een wonder kind.

Sinds hij naar school ging en van makkers en meesters te vertellen had

opende hij voor zijn grootvader een nieuwe wereld van kinderverbeelding

en logica. Haast dagelijks ging Snepvangers hem aan school afhalen en als

vertrouwelingen bazelden zij samen. In den zomer gingen zij, na koffie

gedronken te hebben, nog op wandel naar het terras om de schepen en het

water te zien! Zij zaten op een bank, zagen de kranen werken en hoorden de

stoomers toeteren. Grootvader was het vraagbaken dat voor alles een

antwoord vond dat het kind voldoening gaf. Grijsaard en kind lieten hun

verbeelding vrij spel.

--Pa weet dat allemaal niet, misprees Albertken.

--Foei, strafte Snepvangers gevleid.

Albertken was verbazend knap en slim oordeelde de grootvader die zijn

eigen kinderherinnering ter hulp riep om den hoogen dunk van het jongetje

te behouden. Maar soms werd hij toch overbluft en was de verrassing hem te

groot.

Zoo zaten zij eens in het Park voor den met kroos bedekten vijver waarop

de eenden dreven. Albertken zat te peinzen en Snepvangers rookte een

sigaar en luisterde naar een merel die aan de overzijde van het water in

een boschje verscholen zat.

--Grootva, fluisterde Albertken, is het aardig, altijd getrouwd te zijn?

--Maar manneken toch!... Wat een vraag!...

--Janneken Palincx zei gisteren dat zijn vader tegen zijn moeder gezegd

had dat hij het beu is...

--Janneken Palincx is een snotaap, een kwajongen!

--Hij is de sterkste van allemaal, Grootva!... En hij liegt nooit...

Vindt gij het aardig altijd met Grootmoe getrouwd te zijn? Zij kan soms

toch zagen!...

--Kind, kind, 't is goed dat het niemand hoort... maar zoo'n dingen moogt

ge niet zeggen of denken...

Snepvangers zag ongerust rond, maar er was geen mensch in de buurt.

--Als Grootmoe het moest hooren!

--Ik zal het haar toch niet zeggen, troostte Albertken, maar ik zou toch

niet altijd met één vrouw willen getrouwd zijn...

Snepvangers begon uitbundig te lachen en Albertken, een oogenblik uit zijn

lood geslagen, lachte mee.

--Wij, jongens, zagen nooit, zei hij en verzonk weer in zijn gemijmer.

Toen zij opstonden om naar huis te gaan, gaf Albertken de rest van zijn

overtuiging prijs.

--Grootva!

--Albertken?...

--Als ik groot ben trouw ik toch ook!

--Zoo?...

--Ja, met een heel leelijke...

--Maar manneken toch!

--Ja, een heel leelijke, dan kunnen wij er samen goed om lachen!...

Albertken grinnikte genoegelijk en Snepvangers wierp van ontsteltenis zijn

sigaar onder de bank.

's Anderdaags vertelde hij Sander wat zijn kleinzoon hem gezegd had.

--Die jongen zal het ver brengen, meende de Speeker, ge moet hem leeren

speeken.

--Ja, zei Snepvangers zonder overtuiging...

--Hij heeft gelijk over het huwelijk...

Hij werd onderbroken door zijn vrouw die hem riep.

--Ik kom, antwoordde hij gedwee maar treuzelde nog even, hoe oud is

Albertken?

--Zes jaar...

--Dat wordt een advokaat, Snepvangers, let op mijn woorden... dat kind

heeft menschenverstand...

Dan haastte hij zich naar binnen en Snepvangers floot blijgezind op zijn

hond.

Enkele dagen later waren grootvader en kleinzoon in de weer om

grootmoeders verjaardag te vieren. Het trof op een Zondag en heel de

familie werd in de Hobokenstraat verzocht.

--Ge zoudt een gedichtje moeten kennen, opperde Snepvangers.

--Is dat wel noodig, weifelde Albertken.

--Natuurlijk, manneken... Het zal grootmoeder zooveel plezier doen, zei

Snepvangers, alsof hij berouw over iets had.

--Als het dan toch moet, schikte zich de kleine wijs... Ik vind dat wij

moesten paleeren en vuurwerk afsteken op de koer...

--Ballonnekens en vuurwerk... Maar wat zullen de geburen wel denken?...

--Daar moet ge nooit niks om geven, wijsgeerde Albertken.

--Dat is waar, gaf Grootvader toe.

Grootmoeder werd feestelijk gehuldigd met bloemen en geschenken. Een

kokin had de zorg voor het eten overgenomen, en nu zat Madame Snepvangers

in een leunstoel en hield de kinderen bezig die beurtelings op haar schoot

klauterden.

Antoine had zijn vader beet met een onuitputtelijke beschouwing, terwijl

Marieken en Madame Craen de kleintjes susten.

Snepvangers en Albertken hingen hun veelkleurige ballonnekens in de

veranda, plaatsten de kaarsjes recht, onderzochten het vuurwerk en

verlangden naar den avond om de verlichting te kunnen beginnen.

Aan tafel knipoogden zij soms in het vooruitzicht der komende

verrassingen. Snepvangers liet Craen gerust aan zijn zoon over en

onderbrak Antoine niet in zijn betoog over eetbare en vergiftige

paddenstoelen. Zoohaast de taart aangesneden was kon Snepvangers

zich niet langer intoomen. Hij dronk in een teug zijn wijnglas leeg, want

zijn keel was droog en hij had het gevoel alsof hij zelf een aanspraak

moest houden.

--Antoine, zwijg nu eens, zei hij zegevierend, Albertken moet nu iets

zeggen.

Antoine keek een beetje donker, zag Albertken van zijn stoel klimmen, een

buiging maken voor zijn grootmoeder en hoorde zijn schriel kinderstemmetje

verklaren:

"De Pruimenboom"!

Jantje zag eens pruimen hangen,

O! als eieren zoo groot!

't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,

Schoon zijn vader 't hem verbood.

Hier is, zei hij, noch mijn vader,

Noch de tuinman, die het ziet:

Aan een boom zoo volgeladen,

Mist men vijf zes pruimen niet!...

Mijnheer Snepvangers · 第 5 / 10 段