ontzetting, is dat van 't smooren?
--Bijlange, niet, Snepvangers, ik kan speeken zonder smooren... ik kan
altijd speeken als ik aan de deur sta.
--Maar waarom dan toch, Sander?
--Omdat mij dat amuseert!
--Amuseert u dat?
--Ja kolossaal... ik speek nooit in de goot, altijd op 't kantje van den
trottoir.
--Wat de zegt!
--Ja, dat is zoo'n gewoonte en ge kunt niet gelooven hoe plezant het
is!... ik doe het nu al jaren... en toen ik eens in mijn bed stak met
flerecijn was ik ziek omdat ik niet speeken kon!...
--Ge zult te veel speeksel hebben, Sander.
--Dat kan wel, maar ik doe het toch meer om het verzet... ieder mensch
heeft zoo'n liefhebberij... gij hebt de politiek gehad, ik speek
liever... en loer naar de menschen.
--Ja, gaf Snepvangers verlegen toe.
--Ik loer naar mijn speeksel en naar de menschen, en denk na!...
--Ge zijt 'n filosoof, Sander.
--Dat kan wel, al ben ik er niet zeker van... soms tel ik de keeren dat
ik speek, 't zijn cijfers, Snepvangers! Soms zie ik van alles in mijn
speeksel, allemaal dingens om te lachen, want ik ben nooit triestig.
--Ik heb u al zoolang in 't oog gehouden, ik was bang dat het speeken
een ziekte was!...
--Ik had het wel in de gaten, maar 't is geen ziekte, al zou dat wel
kunnen bestaan; de speekziekte! Het komt omdat ik zoo weinig tegen de
menschen spreek, weet ge, daarom speek ik. De mond moet toch beweging
hebben.
--Dat zal wel, Sander.
--Ik kan maar niet verstaan waarom de steenen niet verslijten!
--Verslijten?
--Ik heb eens gelezen van een steen in een gevangenis, en de steen was
door een waterlek uitgesleten, fluisterde Sander geheimzinnig.
--Onmogelijk is het niet, bedacht Snepvangers.
--Maar ik zou nog veel meer moeten speeken om het zoover te brengen,
zuchtte Sander, en in den dag heb ik nog wat anders te doen.
De volgende dagen kwam Snepvangers, zonder belet te vragen, leunen tegen
den buitenkant der halfdeur. Zijn nieuwsgierigheid was nu bevredigd, maar
de belangstelling bleef bestaan voor het onderhoudend spuwen. Zij spraken
niet veel, zoo wat over kat en hond, over weer en wind, luisterden naar
het tampend klokje der paterkens op de Ossenmarkt. Het gebeurde wel dat
Snepvangers aangehitst, betrapt werd dat hij poogde mee te spuwen.
--Niet ver genoeg, keurde Sander af, in de goot, klonk het anders
minachtend.
Beschaamd zweeg Snepvangers dan, maar wanneer hij toevallig in den plas
kon treffen, dan zegevierde hij:
--'t Is er in, Sander.
--Ge leert bij, moedigde de kousenvent aan, 't is niet zoo gemakkelijk
als het wel schijnt... Ge begint er ook al plezier in te krijgen, niet
waar?
Zoo ging de lente voorbij en de zwoele zomer woog op de stad. Snepvangers
leefde genoeglijk en stil. In _De Gaper_ werd een kleine gaper verwacht
en op de gezellige, zondagsche eetpartijen werd haast over niet anders
meer gesproken. Antoine en Marieken lazen boeken over kinderkweek, over
het verzorgen van zuigelingen, over de verpleging der kraamvrouw,
raadpleegden werken over gezondheidsleer voor pasgeborenen en moeders,
over de kunst om kinderen op te voeden.
--Dat is de nieuwe tijd, stelde Madame Snepvangers vast. Zij was
inschikkelijk nu zij naar hartelust haar leven had ingericht.
--In onzen tijd, meende Madame Craen, werden er zooveel babbelguigjes
niet gemaakt, en kinderen kwamen er ook.
--De wetenschap heeft veel verbeterd, verzekerde Marieken.
Craen en Snepvangers profiteerden van de gelegenheid om stillekens naar
de kroeg te sluipen. De vrouwen en Antoine zouden dat wel bedisselen,
van wetenschappelijken kinderkweek hadden zij geen begrip, en ook het
verzorgen van den kindskorf viel buiten hun bevoegdheid. Eens dat zij
langer dan naar gewoonte hadden blijven plakken in _Het Nachtlicht_,
kochten zij, om zich te verontschuldigen, een prachtige wieg.
Een morgen in Oogst stond Snepvangers weer aan den buitenkant der
halfdeur naast Sander aan den binnenkant. Het zou weer erg warm worden
zoodat men niet wist waar kruipen, overwoog Snepvangers.
--Morgen ziet ge mij niet, bedreigde Sander.
--Wat is er gebeurd? ondervroeg Snepvangers verschrikt.
--Er is nog niks gebeurd, maar er gaat iets gebeuren!
--Wat zegt ge, Sander?
--Er gaat iets gebeuren!
Snepvangers keek verstomd naar den talmenden, vergenoegden kousenvent.
Deze lachte sluw en pinkoogde.
--Wat gaat er dan gebeuren, Sander?
--Ik ga uit visschen!
--Och anders niet, ontviel het den teleurgestelden Snepvangers.
--Ik ga uit visschen en zal dus niet speeken!
--Wel, wel toch!
--En ik ken iets van visschen! Ik vang baars, brasem, snoek, karpel en
paling... Ik weet ze zitten, ik ken de beestjes, ik weet wat ze gaarne
eten. Ik heb het leven van de visschen bestudeerd!...
--Ik ook, zei Snepvangers, die niet wou onderdoen in kennis, ik heb ze
bestudeerd in het aquarium van de Zoologie.
--Waar? In het aq... wat?
--Ja, daar zitten zij achter glas... en ge ziet ze eten en permentelijk
ademen want de luchtblaasjes broebelen boven het water uit.
--Achter glas. Snepvangers, visschen achter glas? Snepvangers, wij zijn
goeie vrienden en 'k heb u leeren speeken met plezier, maar ge moet mij
niks willen wijsmaken, betoogde Sander ongeloovig.
--Toch is het zoo, hield Snepvangers vol.
--Ik ben wel eens in de Zoologie geweest in mijn jonge jaren, en 'k heb
er leeuwen, tijgers, vogels en andere wilde beesten gezien... maar
visschen achter glas!... Neen, dat is geen echte visch, dat is zoo'n
komieke uitvinding...
--'t Is echt!
--Geloof het niet, Snepvangers, 'k heb er ook vogels gezien, opgevulde
vogels... en 't zal wel zoo iets zijn in karton of blik... ze probeeren
alles om de menschen te verneuken. En dat gij u laat beetnemen?
--Ge moet eens mee gaan zien, Sander, we zullen eens samen gaan...
--Neen, Snepvangers, dat nooit, ik ben te oud om mij voor den aap te
laten houden!...
--Maar Sander toch!
--Gij moet eens met mij gaan visschen, ik zal u eens echte, serieuse
visch laten zien.
--Ik wil wel, zei Snepvangers.
--Nog niemand heb ik meegenomen, want ik vertrouw niemand... Maar u,
Snepvangers, u zal ik eens leeren visschen... Alleen moet ge mij beloven
te zwijgen en u niks meer te laten wijsmaken... Koop uw gerief, en zorg
dat ge om drie uur klaar zijt, want we trekken vroeg naar buiten.
--Ik zal klaar zijn, beloofde Snepvangers vermits hij zeer belust was op
de nieuwe uitspanning.
In den namiddag voorzag hij zich van zijn gereedschap. Hij kocht een
rieten inschuifhengelroede, snoeren, haken, loodjes, kurken dobbers,
een wormbakje en een vischmand. Op den koop toe kocht hij een
handboekje: _De Hengelaar_.
Daar hij vroeg wou gaan slapen liet hij de vrienden van de kaarttafel
uit _Het zwart Paard_ in den steek. Vlijtig las hij de algemeene
beschouwingen over zijn sport en de bepaling van den besten vischtijd:
"De hengelaar is iemand die er nooit tegen opziet, om zich met
zonsopgang in het veld te bevinden.
"De sport werkt volgens geneeskundigen kalmeerend op de overspannen
zenuwen. In Engeland wordt veel gehengeld door heeren en dames, die veel
geestelijken arbeid verrichten.
"De hengelaar moet er steeds naar streven met de politie op goeden voet
te blijven.
"De kenner weet bij instinct altijd de beste plekjes op te sporen.
"Door oefening wordt de kunst verkregen.
"De eigenlijke hengelperiode begint met Augustus...
"De visch houdt van een licht gedekt luchtje... maar men lette ook op den
wind ..."
Dan las hij hoe men zich moet kleeden. Een kostuum met veel zakken,
vetleeren kaplaarzen om natte voeten te vermijden en een regenjas tegen...
regen! Daar zou hij moeten overheen stappen, want noch een noch ander had
hij in zijn garderobe. Dus ook zijn regenscherm moest hij thuis laten!
Belangwekkend waren de mededeelingen over de voorbereidende maatregelen:
het voederen van den visch en de verboden geheimmiddelen. Vooral het
aas vergde al zijn aandacht. Wormen, kaas, brood, zoetekoek, aardappel,
garnaal, kleine visch van zes tot twaalf centimeters, kikkers! Hij peinsde
na, onderbrak zijn lectuur, ging pieren steken in een vochtig hoekje van
zijn tuintje, lei ze zorgvuldig in het wormbakje. Dat ik nu geen
peterselie heb, betreurde hij, het peterselievocht prikkelt danig hun
huid! Het vangen van de verschillende vischsoorten alsmede de wettelijke
bepalingen kon hij niet meer doorwerken, dat zou iets voor later zijn,
want nu was het bedtijd.
Toen Sander aanbelde stond hij kant en klaar, beladen met zijn vischtuig
en zijn boterhammen. De buurvriend was nog erger beladen, men zag het aan
zijn uitrusting dat hij een oud visscher van beroep was. Hij droeg een
breedgeranden zonnehoed.
Zij togen door de stille stad in den lichtenden ochtend, voorbij het
begijnenhof der Roodestraat, langs de Rijnpoortvest, naast het Stapelhuis
en de dokken vol schepen en schuiten. Onder weg tjilpten de musschen. Een
dronken matroosje lag ergens in een goot zijn roes uit te slapen. Nu en
dan zagen zij een politieagent, een douanier of een nachtwaker. Zoo
verlaten en stil had Snepvangers de stad nog nooit gezien. Sander voerde
hem over bruggen, doorheen een doolhof van houtstapels, tot zij eindelijk,
naast een sas, over de brug der Royerssluis, den Scheldedijk optrokken.
Voor hen lag de kabbel-klotsende rivier in den morgensmoor, waarop het
Licht reeds straalde.
Achter hen lag de stad met de torens en de huizen zonder leven. Rechts,
in de laagte, liep breed en diep de donkere gracht van het Noordkasteel,
waarvan de groene wallen heuvelend opstaken. Maar hun blikken gingen naar
den grooten Scheldeplas, waarin mogelijk zooveel visch moest verscholen
zitten! Een paar kleine garnaalknotsen met bruine zeilen laveerden naar de
stad, een driemaster lag voor anker achter den hoek. Aan Oosterweel,
verscholen tegen den dijk, volgden zij den steenweg door den Polder. Hier,
onder den oneindigen hemelkoepel, was het rustig. Zij hoorden alleen het
geloei der koebeesten in de weiden en het klimmend gezang der vogels over
de groene, bedauwde vlakte. Sander onderbrak door geen onvertogen woord
het zwijgen vol verlangende verwachting. Nu trokken zij door binnenwegen
tot in 't hartje der groene weiden en der stilte van den vreedzamen
ochtend. Eindelijk bleef Sander staan, haalde uit een zijner zakken een
sleutel te voorschijn, opende het slot van een hek, trok de slagboom open,
wenkte Snepvangers.
--Hoor de leeuwerik klimmen, zei hij en bleef even luisteren.
Nu sprak hij weer, floot een lustig deuntje terwijl hij voorop liep door
het vochtige gras. Wanneer hij weer stilstond was het airken uit, en wees
hij op een wiel bedekt met waterplanten en kroos.
--Dat is mijn eigen visscherij, en op de weide laat ik geen koeien grazen
om de vischkens niet bang te maken!
--Sander dat had ik nooit gedacht!
--'n Mensch moet niet alles aan 't klokzeel hangen, mijn vrouw eet gaarne
visch en ik vang hem gaarne... daarom kochten wij grond en water... Maar
zwijgen, Snepvangers.
--Ja Sander, en Snepvangers droomde van de verborgen genoegens van den
kousenvent.
--Ik speek gaarne, maar ik visch nog liever!
--Dat geloof ik.
--'t Is een oud Scheldewiel, en diep, och zoo diep! Doch wij moeten
zwijgen want de visch is zoo slim, hij hoort alles.
Sander bracht zijn hengelroede in orde, liet zachtjes zijn haak zakken
tusschen het kroos, lei een steen op het uiteinde van den stok. Daarna
monsterde hij de uitrusting van zijn vriend, schoof de stokken op elkaar,
bond de snoer aan een zorgvuldig gekozen haak, zag misprijzend op de
pieren neer, maar nam toch dit aas, wierp de lijn een paar meter verder
te water, en lei weer een steen op den stok. Zonder vrees voor den dauw
hurkte hij neer aan den waterkant, nam een platte flesch uit een
binnenzak, dronk een slokje, smakte genoegelijk, gaf gemoedelijk knikkend
het fleschje aan den buurman.
--'t Is voor de wormen, fluisterde hij, er is niks zoo goed tegen de
wormen als een borreltje op de nuchtere maag, vooral in open lucht.
Snepvangers proefde, keek bekommerd naar de dobber.
--Laat dat maar, verzelde Sander, ge kunt zien dat ge van visschen niks
kent... zij vinden het zelf wel... als zij ons maar niet hooren...
--Wat gaan wij nu vangen, Sander?
--Wat God belieft! 'n Mensch mag nooit te rap zijn en vooruit willen
denken... wat wij vangen dat zullen wij moeten afwachten... soms vangt
men veel, soms vangt men niks!
--Maar 'k heb een boeksken gekocht waarin staat hoe men de verschillende
vischsoorten moet vangen.
--Een boeksken? Geloof toch vooral geen boekskens! Kunt ge nu in een
boeksken leeren visschen of zwemmen? De ondervinding leert het,
Snepvangers... Gij hebt dat boeksken toch niet gelezen zeker?
Wantrouwde hij.
--Neen, Sander, 'k heb nog geen tijd gehad.
--Ha! dan is het goed... Lees het vooral niet... Daar is niks goed van te
verwachten... Beloof me dat ge het niet zult lezen!...
--Als ik u daar plezier mee doen kan...
--Ja, groot plezier, vriend Snepvangers, want als ge het boeksken leest,
dan neem ik u niet meer mee... En ik zal u leeren visschen zooals ik u
heb leeren speeken, omdat ik u genegen ben... Kom, laat ons nu een
boterhammeken eten, want er is niks zoo slecht als nuchter te blijven in
de dauw van den Polder!
--Maar de lijnen?
--Laat de lijnen maar liggen ... als wij beet krijgen zullen wij het wel
zien... Wij moeten den visch zijn goesting laten doen, weet ge... Dat is
slim!...
Zij aten hun boterhammen en dronken een slok koude koffie. De morgen
klaarde over den wijden Polder. Een kikvorsch wipte voor de voeten van
Snepvangers weg en Sander lachte omdat buurman zoo schrok, maar hij
lachte gedempt, als inwendig.
--Hier ben ik nog liever dan aan mijn deur ... hier denk ik niet aan
speeken ... ik denk aan mijn jonge jaren, want ik ben ook een boerken
uit den Polder... Hier ben ik nog beter gezind dan thuis...
--Ja, het buitenleven, mijmerde Snepvangers, in een opwelling van oude
herinneringen.
--Ik houd van gras en water ... en van de beestjes in de natuur... Mijn
vrouw houdt alleen van haar winkel ... daarom kom ik hier altijd maar
alleen, ... maar ik ben gaarne alleen ... ik ben altijd even blij.
--Hij bijt, kreet plots Snepvangers, die zijn hengelroede zag trillen.
--Ssst! Ssst! Maak toch geen leven! Voorzichtig!
--Maar hij bijt, zeg ik.
--Ja, en nu zal ik hem eens properkens voor u ophalen; een visch ophalen
is de groote kunst, moet ge weten....
--Spoed u dan toch, dwong wanhopig Snepvangers.
Traag en behoedzaam stond Sander recht, pakte de hengelroede beet en trok
zachtjes-aan. Het drijvertje kwam omhoog, de strak-gespannen snoer volgde,
en een spartelende brasem met zilverbruine schubben hing aan den haak.
Behendig werd hij op de wal geloodst, losgemaakt en in de vischmand
gestopt. De twee visschers hurkten er bij neer, keurden en bewonderden.
--Hij weegt zeker 'n kilo, meende Snepvangers.
--Dat kan, willigde Sander in, ik zeg niet neen of ik zeg niet ja, dat
moeten wij wegen!... Leer ik u niet goed visschen? ging hij blijhartig
voort, 'k had het anders met zoo'n aas niet durven denken, voltooide hij
bekommerd.
--Deugt mijn aas niet?
--Och, wat zal ik zeggen, ja en neen, dat hangt af hoe men het wil
beschouwen... mijn aas is natuurlijk beter.
--Ja, dat zal wel, gaf Snepvangens toe, grootmoedig door zijn schoonen
inzet.
De vischhaak werd opnieuw van aas voorzien en te water gelaten. Sander
zweeg nu, frutselde aan andere snoeren, nachtlijnen die hij in den dag
maar plaatste en aan kleine paaltjes vastknoopte, ging dan onverschillig
gelukzalig liggen droomen. Hij werd opgeschrikt toen Snepvangers weer
beet had. Ditmaal haalde hij een fraaie karper op.
--'k Heb meer last met uw lijn dan met de mijne, verweet hij genoeglijk;
uw aas moet toch goed zijn ... men is nooit te oud om te leeren in de
visscherij ... of uw plek is beter ... ik moet seffens uw aas eens
gebruiken.
--Gebruik gerust, of ge komt nog platzak thuis!
--Och, dat kan den besten overkomen ... schoone visch ... er is ook wel
wat geluk bij in 't visschen, kalmeerde hij; er zijn menschen die er niks
van kennen en toch vangen.
--Ja, bekende zijn buurman deemoedig.
Nu begon ook Sander beet te krijgen, en de pen van Snepvanger trok
telkens weg, zoodat hij voortdurend in de weer was om op te halen en
nieuw aas te bevestigen.
--Voor twee visschen is toch te veel!... Maar nu ik er aan denk,
Snepvangers, hebt gij een vischverlof?
--Neen, Sander.
--Dan kunt ge in de boet zijn als de veldwachter komt.
--Daar heb ik niet aan gedacht, prevelde Snepvangers onthutst, en de
vreugd der vangst was bedorven; gij hebt me niet gewaarschuwd.
--Och, ik dacht dat gij de wetten kendet, lachte de kousenvent en ging
voort aan zijn werk.
Snepvangers ging wat achteraf zitten, niets op zijn gemak door de
bedreiging met den veldwachter, waardoor zijn plezier bedorven werd.
Sander kreeg medelijden.
--Wees maar niet bang, de veldwachter komt wel niet en dan zeg ik maar
dat ik met twee lijnen visch... daarbij ik ken hem... ik zei het maar
om de aardigheid.
--Een boet is geen aardigheid... Ik wil voor geen vischken op 't tribunaal
komen.
--Kom, kom, neem nog een borrel, Snepvangers; weeral baars, nu vangt ge
niks meer dan baars...
--Lekkere genever, vergoeilijkte nu ook Snepvangers.
--Straks leggen wij ons gerief op den kant en vangen een uil... Als het
te warm wordt, dan bijt de visch toch niet meer... Daarna gaan wij spek
met eieren eten bij den boer, dan wandelen wij stillekens naar huis.
Zij zullen niet weinig verschieten als ge met zoo'n mand visch thuis
komt... Maar zwijgen, zulle... Ik neem niemand mee dan u...
Toen de vischmandjes vol waren, werden de snoeren opgerold en de lijnen
uiteengenomen. Men zou eerst eten en dan slapen.
--Meer kunnen wij niet opeten, zei Sander, en ik vang nooit meer dan wij
eten kunnen... van weggeven houd ik niet en daarbij ik ken geen
menschen.... Overmorgen kom ik opnieuw.. en gij, Snepvangers?
--Als het u niet geneert!
--Zeker niet, met twee is het nog veel plezanter om den weg te korten...
kom, nu gaan wij naar de hoeve.
Hier was Sander thuis. In afwachting dat het eten klaar was, liep hij in
wagenkot en stal, in schuur en huis. Behagelijk snoof hij de scherpe
stallucht op, had plezier in den fellen haan en zijn hennen, in de eendjes
en de duiven. Na zich rond gegeten te hebben, gingen zij, achter den
boomgaard, tegen een kleine hooiopper liggen slapen.
--'k Wou dat ik thuis een koe kon houden, wenschte Sander.
--Ja, wenschte Snepvangers mee, doch hij voelde wel dat de woorden van
zijn vriend hem in zijn slaperigheid ontglipten.
Laat in den middag werd Snepvangers gewekt door een gemeene vlieg, die
hem op den neus kittelde. Sander snurkte nog zalig, zoodat zijn vriend
hem met tegenzin wekte.
--'t Is tijd, Sander
--'k Lag er juist aan te denken....
Zij keerden langs den dijk, over de bruggen, in het tierig havenleven der
stad weer, namen afscheid aan de halfdeur. Snepvangers vond het keffend
spitsken alleen thuis. Hij lei zijn vischtuig neer en met het mandje
waarin zijn vangst geborgen zat trok hij naar de Torfbrug, want hij
veronderstelde dat zijn wederhelft bij Marieken op bezoek was.
In den winkel stond de knecht achter den toog. De man vertrok zijn
gelaat, grijnslachte en wees met dwaas gebaar naar de deur der huiskamer.
Hij is van lotje getikt of zat, dacht Snepvangers. In de kamer zat Craen,
rood van opwinding, te proeven aan een flesch wijn. Spraakloos stond hij
op, vulde een tweede glas, tikte prosit en zei:
--'t Is 'n jongen, Snepvangers.
--Wat, 'n jongen?...
--Ja, met al hun boeken over kinderkweek hebben zij zich nog misrekend.
--En Marieken?...
--Alles in orde, Snepvangers, drink maar eens, we zullen ze seffens gaan
bezoeken... Ik ben peter, Snepvangers, en 't zal sapperdeboeren feest
zijn!
--En ik die uit visschen ging!
--We konden er toch geen hand aan uitsteken... laat uwen visch maar eens
zien! Wel, wel! Zelf gevangen, niks uit den vischwinkel?
--Wat denkt ge wel! Hij ademt nog!...
--Kom laat ons nu maar naar Albertken en zijn moeder gaan zien.
De visch werd in de kraamkamer bewonderd, evenals het kind en de moeder.
De vrouwen vertelden van het kraambed, Snepvangers bevestigde keer op
keer dat de kousevent een "aardige", een zonderling was. Marieken,
bleek onder de kanten slaapmuts, lag gelukzalig te staren; Antoine zag
verwezen naar de wieg, waarin de boorling te leven lag. De baker eindigde
met het gezelschap naar de huiskamer te verwijzen.
Het doopfeest en Mariekens kerkgang gaven aanleiding tot vette
familiefeestjes, waarna het dagelijksch leven hernam. Marieken stond
weer achter den toog en een kindermeid voerde den kinderwagen straatjes
om in de buurt.
Snepvangers had een vischverlof en ging, zoolang het seizoen het duldde,
mee uit visschen. Toen het najaar stillekens naar den winter liep, moest
hij zich weer bepalen met 's morgens het waterspel van Sander na te
kijken dat wel iets van zijn aantrekkelijkheid verloren had. Hij sprak nu
dikwijls over Albertken dat reeds slim uit zijn oogjes begon te kijken en
zijn grootvader erkende.
--Ge zijt 'n gelukkige vent, Snepvangers, zei eens de kousevent, en voor
de eerste maal scheen hij niet vroolijk, gij hebt een dochter en een
kindje dat grootvader zal leeren zeggen.
--Ja, Sander!
--Ge weet niet hoe gelukkig gij zijt... de menschen waardeeren niet
genoeg wat zij hebben... Wij hebben geen kinderen en zitten moedermensch
alleen in onzen ouden dag...
Sander hield op met spuwen, aarzelde nog een oogenblik, ging toen plots
zonder groet naar binnen.
De dagen sleten en 't werd telkens avond en tijd om kaart te spelen. De
zondag bracht den familiekring samen, en Albertken was de held van het
gesprek. Het kind groeide met den dag en allen vonden het schoon, slim
en groot.
In het voorjaar, een dag dat het buiïg regenweer, het volle genot der
kachel schonk en de huiselijkheid deed waardeeren, vond Madame
Snepvangers in de brievenbus het aanlokkend prospectus eener Brusselsche
reisagentie. Zij lei het zorgvuldig bij de gazet om na het avondmaal,
wanneer het licht ontstoken en het huishouden aan kant zou zijn, het
druksel te lezen. De ordelievende vrouw wierp nooit een reklaambiljet
ongelezen weg, zat met den bril op den neus en de ongestopte kous in den
schoot, aandachtig te spellen. Was het een simpele inval of een lang
sluimerend verlangen, dat plots wakker werd?
--Snepvangers, wat moet dat Zwitserland toch schoon zijn!
--Ja, zei Snepvangers, die rustig in zijn zetel zat te rooken.
--Wij hebben gewerkt en gespaard en niks van de wereld gezien!...
--Ja!...
--We moesten toch ook eens een reis naar Zwitserland doen in den zomer.
--Och!
--Veel geld kost het niet en de gidsen zorgen voor alles, tot zelfs voor
het drinkgeld.
--Och!
--De hooge bergen vol sneeuw, die schoone valleien en meren... die
koeikens met bellekens aan den hals, dweepte madame.
--Maar Mama toch, bracht Snepvangers verbluft in 't midden.
--Ja, vóór ik sterf wil ik Zwitserland gezien hebben, bekende Madame in
vervoering, en gij gaat mee, zei ze verteederd, want zonder u zou ik niet
gerust zijn tusschen al die vreemde menschen in de hotels.
--Waar zijn uw gedachten toch, Mama, Zwitserland ligt zoo ver van hier.
--Lees het zelf maar eens... het staat er allemaal in!
Snepvangers las en zei geen woord meer. Tegen den wil van zijn vrouw kon
hij niets doen, en 't was nog geen zomer. Maar Madame sprak weldra over
niets anders meer dan over Zwitserland. Stilaan begon Snepvangers er ook
minder tegen op te zien, zijn bezwaren vielen weg, de reislust werd ook
in hem gewekt en de prospectus begon ook hem aan te lokken. Hij nam den
kousenvent in zijn vertrouwen, sprak hem van zijn reisplan.
--Niet doen, Snepvangers.
--Waarom niet, Sander?
--Niet doen, zeg ik.
--Maar waarom niet?