bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht
in "De Zoutkeet".
"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor
geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien.
"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds
gekozen was.
"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een
natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou
willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"!
"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten,
dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse
menschen!
"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door
de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers
stemmen onder nr 1!"
* * * * *
Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets
monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar
behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke
aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd!
Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet
in zijn eer kon gekrenkt worden.
--Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een
framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij
denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben
onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons.
--Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President.
-Ja! Ja!
--Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm,
maar inwendig kookte hij van machtelooze woede.
--Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg
woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de
verdierenpikker, hij schrijft in de gazet.
De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging
Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de
stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek,
kwam in de stille haast tot bedaren.
Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde
hem voorbij. De man groette.
--Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn
ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange
slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer!
--Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de
slungel angstig.
--Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces
in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet!
Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op
de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar
de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en
oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende.
--Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar
gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg
dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet
oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek!
Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ...
Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand
kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij.
Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen
hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed.
--Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen
vermoorden!
--Maar Snepvangers toch!
--Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt
hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want
hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij
dat gelapt heeft.
--Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te
figureeren, en dan nog vechten op den koop toe...
--En dan over _De Gaper_, snikte Marieken.
--Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de
gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge
filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te
komen.
--'k Wou dat de kiezing maar voorbij was!
--Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk.
--Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand
wiesch.
De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging
ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden
zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het
voorval verschenen onder de rubriek _Stadsnieuws_:
"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van
een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend
zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet
in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht"
heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De
kiezers moeten er paal en perk aan stellen!"
Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor
den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de
moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en
Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de
winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken,
dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in _De Gaper_ binnen. Zij was
verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de
buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en
verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde
in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken
winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het
oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij
liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in _De Gaper_ was,
dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was
Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier.
Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers
per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig
woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot
maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep
Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote
aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt
met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de
strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met
een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te
hebben ging hij een pintje drinken.
De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene
herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding,
en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu
gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig
lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het
huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den
eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met
Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem
lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den
uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan
klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd
stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten
waren welsprekend.
--Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President.
--Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker,
de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de
anderen hadden gazetten!
--De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn
luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar
heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in
gesteld, mij door de goot laten sleuren! ...
--Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden.
--Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn
botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef
mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf
kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik
ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te
maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil
geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden...
Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen
dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n
goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur
zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook
goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb
mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik
geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en
wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch
op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede
tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming.
En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die
voortaan in het gezin zou heerschen.
Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid
namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde
zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't
ongediert der papen, verlost ons vaderland?"
HOOFDSTUK III.
WIJSHEID EN LEVENSKUNST.
Marieken was met pralende plechtigheid getrouwd om de geburen en kennissen
te doen biskeeren. De zingende mis in St.-Jacobskerk, het orgelmuziek op
het Stadhuis en het Bruiloftsfeest bij Weber hadden heel wat opschudding
verwekt en het aanzien der familie Snepvangers weer hersteld, dat door het
mislukt kiesavontuur gedaald was.
Wanneer de wijnroes was opgeklaard, hernam Snepvangers zijn rustig
renteniersbestaan. Madame, in eeuwige ongedurigheid, dribbelde in huis
rond of winkelde in de buurt.
's Zondags dineerden zij met de familie Craen bij de kinderen. Heimelijk
zonden beide moeders een en ander om de dischkaart een fraaier uitzicht te
bezorgen. De winterzondag-namiddagen werden met lekker eten en drinken, in
famillie-gezelligheid, doorgebracht.
Het jonge paar had, voor het oog der menschen en omdat men toch een
huwelijksreis moet doen, enkele dagen te Brussel doorgebracht. Daarna werd
Mariekens blanke bruidstooi voorzichtig in een koffer geborgen, haar
bruidskrans en ruiker onder een glazen stolp, op de schouw der slaapkamer
te prijken gesteld, en Marieken nam haar plaats in achter den toog der
drogerij op de Torfbrug. De oude meid liet zij baas in de keuken, de
winkelknecht verontrustte zij niet in kelder of magazijn. Zij regeerde dus
met wijsheid, en troonde naast Antoine met groot zelfgenoegen. De uren
vlogen voorbij met het gerammel op den beiaard van Onze-Lieve-Vrouw-toren,
's Maandags ging zij in den namiddag met de moeders op boodschappen uit;
's Woensdags woonden zij de avondconcerten in den Dierentuin bij; Vrijdag
morgen gaf als afwisseling het druk geloop van buitenlieden in de drogerij
tot het beiaardspel van twaalf uur verpoozing bracht; de Zaterdag werd
besteed aan schoonmaak en de rustdag volgde dan met groote eetpartij.
Snepvangers had woord gehouden, zich teruggetrokken uit het
vereenigingsleven. Craen bleef President van den Bond der Neringdoenden
en verweet zijn vriend de verregaande onverschilligheid tegenover de
openbare belangen. Maar Snepvangers, openlijk gesteund door zijn vrouw,
was niet van zijn stuk te brengen. Met den verdierenpikker was het haast
tot een breuk gekomen daar deze aan hetzelfde zeel trok met den President.
De critiek van een ouden vriend kan men natuurlijk minder dulden! Hij
vergaf daarbij zijn kameraad niet hem in dat spoor te hebben gevoerd,
ontmoette hem nog slechts in de herberg om den wille van het kaartspel.
Hij schiep groot behagen in zijn schoonzoon die, 's Zondags na het eten,
nooit naliet uit te pakken met zijn wetenschappelijken ballast te Leuven
opgedaan. Antoine noemde zijn kruiden met hun latijnsche namen die
Snepvangers niet onthouden kon. Hij sprak over sterrekunde en delfstoffen,
over scheikunde en filosofie.
De geneeskunde was hem niet vreemd, zijn zalf tegen brandwonden, eigen
uitvinding, vond wonderlijk veel afzet. En hij peinsde, hij peinsde maar
door op nieuwe uitvindingen, middelen om het menschdom te helpen en zijn
inkomsten te verhoogen. Om op de hoogte te blijven der jongste
wetenschappelijke gegevens, las hij geregeld populaire tijdschriften, want
in zijn vak was er voortdurend nieuwigheid en vooruitgang.
De belangwekkende beschouwingen werden gewoonlijk in den winkel gehouden.
Marieken bewonderde haar echtgenoot en snoepte onderwijl drop, de dames
Kauwden jujube, en de heeren rookten hun sigaar. Antoine ploos zijn
geitenbaardje, zijn gelaat stond ernstig en zijn woorden klonken beslist
en doctoraal. Het was verbazend vreemd voor Snepvangers en Craen die
gretig luisterden, wat de dames niet deden. Marieken knikte telkens alsof
zij het fijne van de zaak verstond.
--De zon wordt kleiner, verzekerde eens Antoine.
--Maar jongen wat ge nu zegt, schuddebolde zijn vader.
--'k Heb het altijd gepeinsd, bevestigde Snepvangers diepzinnig, de zomers
worden korter.
--De zon wordt dagelijks ouder, orakelde Antoine die zich door geen
onderbreking liet afleiden, de zon neemt af en verliest in warmte.
--Precies zooals ik gedacht heb, zei Snepvangers, deed een zware haal aan
zijn sigaar en blies kwaadaardig een rookwolk op.
--Zij verliest haar zelfstandigheid, ja zij verliest haar zelfstandigheid
en vermagert, als ik mij zoo doodgewoon mag uitdrukken, zij vermagert door
ons haar stralen toe te zenden! De geleerde J. Bosles,--er klonk eerbied
in zijn stem--heeft berekend dat de zon elk jaar door uitstraling een
gewicht van 18 maal 10.20 gram verliest...
--Dat moet een cijferaar zijn, betwijfelde de President.
--Met andere woorden, hield Antoine vol, in dertig millioen jaren zal de
zon een hoeveelheid stof uitgestraald hebben die gelijk is aan de
aardmassa.
--'t Is kolossaal, bedacht Snepvangers en hij voelde dat Antoine hem
doordringend aankeek.
--Ja Papa!... Als nu de zonnemassa vermindert, dan wordt haar
aantrekkingskracht kleiner: de aarde, minder sterk door haar
aangetrokken, moet minder snel van het aphelium naar het perihelium
afdalen en minder snel van het perihelium naar het aphelium opklimmen!...
De duur van deze dubbele beweging, met andere woorden het sterrekundig
jaar, moet langer worden.
--Zoo is 't Antoine, M. Boskes heeft gelijk, ik ben er zeker van, gaf
de President toe, verheugd dat de uitleg voorbij was.
--Ik versta niks van ofelium en perium, bekende Snepvangers schuchter,
maar ik wil u wel gelooven op uw woord... maar hoeveel langer moet
volgens u het sterrekundig jaar wel worden?
--Elk millioen jaar, en hij lei den klemtoon op millioen, elk millioen
jaar zes seconden.
--'t Is niet veel, meende Snepvangers teleurgesteld, en dan moeten wij er
ons nog niet ongerust in maken, wij hebben nog al den tijd...
--Laat ons maar liever gaan soupeeren in plaats van daar den kop mee te
breken, stelde Madame Craen voor.
--De vrouwen hebben geen verstand van wetenschap, misprees Antoine.
--Neen jongen, troostte Snepvangers. Terwijl zij eens aan een
goudbruin-gebraden kip peuzelden, lei Antoine eene echte geloofsbelijdenis
af:
--Wat is een mensch tegenover het heelal?
Bedenkelijk vaagde hij de vettige vingers aan zijn servet; hmde
genoegelijk en bekeek strak zijn schoonvader.
Snepvangers verschrok, liet het kippen boutje, waaraan hij zoo blijhartig
te kluiven zat, terug in zijn bord vallen, loerde bedeesd naar zijn
teljoor en vond in zijn bedremmeling geen antwoord. Met zijn plakkerige
hand streek hij zich over zijn kort-grijs stekelhaar, voelde aller oogen
op hem gevestigd.
--Ja, wat is een mensch tegenover het heelal?
--Niet veel, waagde Snepvangers en wou zijn boutje weer vastgrijpen.
--Neen, niks, Papa, niks, absoluut niks, klonk vernietigend het betoog
uit den mond van den drogist, zoodat Snepvangers de hand van het
kippenboutje aftrok.
--Dat is wat straf, Antoine, verweerde hij zich.
--Neen, niks, niks, niks! Een korreltje zand in de woestijn, een druppel
water in de zee... een molecule...
--Watte?
--Een molecule, dat is de kleinste denkbare hoeveelheid stof die op
zichzelf kan bestaan!...
--Toch iets meer, Antoine, toch iets meer, hield Snepvangers, rood van
ontroering, vol, nu ben ik het niet akkoord.
--Ha, ik weet wat ge zeggen wilt, zegevierde de drogist, ge wilt zeggen
dat wij een ziel hebben, dat wij redelijke schepselen Gods zijn! ...
--Ja, stemde Snepvangers direct in, gelukkig dat hij zich aan dat
argument kon vastklampen, en hij greep weer naar zijn bord, ja Antoine.
--Maar dat is een ander kwestie... ik ben het met u eens op dat punt...
maar gesproken volgens absolute stelling, onder wetenschappelijk oogpunt
beschouwd, zijn wij tegenover het heelal niet meer dan een mier, een
zandkorrel of een druppel regenwater!...
Snepvangers voelde zich angstig onbehagelijk, hij begreep niet waar zijn
schoonzoon heen wou met zijn smakelijk gepeuzel te onderbreken.
--Wetenschappelijk mag dat waar zijn, antwoordde hij gebelgd maar waardig,
doch 'n mensch is geen mier, 'n mensch is een mensch!.. Ja een mensch!...
Geen regenwater!... Hij is naar God geschapen!... Zoo is 't! ... De
geleerden kunnen ons wijs maken wat zij willen!... Ik blijf bij het
geloof, Antoine.
--Maar Papa toch, kreet Marieken.
--Papa heeft gelijk, koos Madame Craen partij.
--Wij moeten tot stof vergaan, probeerde Madame Snepvangers te verzoenen.
--Mama begrijpt mij, draaide Antoine bij. Hij had de tafel vergeten en
zag niet in waarom de fraaie, wetenschappelijke bespiegeling niet beviel.
Ja, wij moeten helaas tot stof vergaan.
--Ja, dat is zoo, gaf Snepvangers toe, in het besef dat er een eind moest
aan komen.
--Ja, rotten moeten wij allemaal, verzekerde ook Craen.
--Papa heeft me verkeerd begrepen, ik ook verbind de wetenschap aan den
godsdienst... geloof sluit geen wetenschap uit...
--Ja, 't is wat te zeggen in de wereld, gaf Snepvangers nu berustend toe
en begon ditmaal opnieuw te kluiven. Het woord molecule moet ik onthouden,
dacht hij, terwijl hij wat appelmoes op zijn bord nam.
--Ik ben neo-thomist, speelde Antoine onverstoord uit.
--Een neo-thomist? vroeg Marieken benauwd.
--Die partij ken ik niet en wil ik niet kennen, weerde Craen zich.
--Gelooven die dat we van de apen afstammen? Vroeg Snepvangers bekommerd,
maar bleef voortpeuzelen.
--Dat kan niet, zei Madame Craen angstig.
--Ik wil van geen apen afstammen, weigerde Marieken.
--Neen, maar zij oordeelen... Darwin...
--Och dan is het goed, Antoine, besloot Snepvangers onverschillig, en
nam nog een stukje van de borstkas, dan zullen ze wel gelijk hebben.
--Snepvangers, ik geloof dat het nu een goed oogenblik is om
petrool-fondsen te koopen... die gaan stijgen, man!
Hierdoor gaf de President het gesprek een andere wending, want hij ook
was bevreesd voor de wetenschappelijke invallen van zijn zoon. Hij had
verschrikkelijk veel geleerdheid opgedaan, doch Craen sprak liever over
koetjes en kalfjes zooals het een gewoon, ordentelijk man past. Antoine
benuchterd, liet zijne benarde zaak in den steek, daalde af tot de
gemeenschap en sprak over fondsen en beurskoersen.
Snepvangers bewonderde de kundigheden van zijn schoonzoon, maar was toch
tevreden, na de zondagsche hoogvliegerij, weer zonder inspanning te kunnen
praten met geburen en herbergvrienden.
Tot zijn overbuur voelde hij zich bijzonder aangetrokken. Zoohaast het
weer eenigszins beter werd, liet hij 's morgens vroeg zijn spitsken weer
de dringende wandeling doen in de straat. Hoe vroeg hij ook opstond,
steeds lag de man uit het kousen winkeltje aan den overkant, met gekruiste
armen over de halfdeur te loeren en riep hem, immer welgemutst een goeden
morgen toe. Hij dampte uit zijn goudsche pijp en hield den steel tusschen
de dikke worstvingertjes geklemd. Steeds spuwde hij regelmatig, met
pletsend geluid, juist op den kant van het voetpad voor zijn deur.
Ssnepvanger kende hem sedert lang als een zwaarlijvig wezen, van
gelijkmatig humeur. De vrouw regeerde in den kousenhandel. De baas mocht
de vitrien wasschen en de uitstalling van kousen, roode snuifzakdoeken,
sajet en garen onderhouuden, soms een boodschap doen uit visschen gaan of
bij zijn duiven zitten op zolder. In zijn vrije oogenblikken lag hij maar
altijd over de halfdeur te rooken en te spuwen. Snepvangers die jaren
de welvarende nering kende, vermoedde wel dat het koppel dikkerds er
warmpjes in zat. Zij leefden afgetrokken en vergenoegd, de man wist dat
de vrouw de broek droeg, maar 't verhinderde hem niet vermits hij op tijd
zijn natje en zijn droogje had. Het huisje was nog antieker dan zijn
ouderwetsche bewoners, al was het trapgeveltje weggebroken om plaats te
maken voor een kroonlijst. De halfdeur was gebleven om overbuur van zijn
gemakje niet te berooven.
Het bleef bij wederzijdsche beleefdheid. Snepvangers had maar gaarne
geweten wanneer overbuur opstond; hij deed heimelijk zijn best om eens
voor hem te zijn, doch steeds lag de vent, die hem mogelijk doorzag,
reeds rustig te rooken en groette hem met een welwillend gegrinnik. Hij
slaapt niet, oordeelde Snepvangers, er zijn menschen die niet slapen
kunnen omdat zij wat op den lever hebben. Maar het geweten van den man
zou wel door niets bezwaard zijn, hij was steeds te vergenoegd. De duiven
zullen hem wekken, veronderstelde hij, hij zal juist onder het duivenhok
slapen. Hij moet een droge keel krijgen met al zijn speeksel zoo te
vermorsen, bedacht hij verder. Nooit had het doen en laten van een mensch
zoozeer zijn belangstelling gewekt. Aan de koffietafel zelfs praatte hij
over de eigenaardigheden van den buurman, over zijn spuwkracht. Nooit
ontvingen de menschen uit het oude kousenwinkeltje bezoek, vertelde
Madame, de vrouw, het mafkoeiken, zei geen schamel woord meer dan noodig
was in de winkels, en rijk waren zij gewis, want ook het huisje was hun
eigendom. Propere, stille menschen, die jaarlijks hun geveltje laten
schilderen de deur in eik zetten! Op een voorjaarsmorgen, de zon koesterde
reeds warm den spinnenden, grijzen kater vóór het huis van Sander, bood
zich de gelegenheid om nader kennis te maken. Spitsken joeg in
lente-overmoed achter de poes, die over de halfdeur naast het hoofd van
haar meester wegsprong. Snepvangers stak de straat over en zocht zijnen
hond te verontschuldigen.
--Dat doet hij anders nooit, Sander.
Neen, schuddebolde de kousenvent, maar hij zei geen woord, verbluft door
den plotsen aanval. De mogelijkheid van een gesprek met Snepvangers te
voeren had hij nimmer bedacht. Onthust staarde Snepvangers in den klaren
hemel, Sander vergat te rooken.
--Schoon lenteweer, teemde Snepvangers.
--Ge wordt weer vetter... ge krijgt weer buik... dat is goed, antwoordde
Sander en spuwde tot bevestiging.
--Ja, Sander!
Schuw was hij, hij had berouw den man gestoord te hebben in zijn
ochtendbezigheid. Met inspanning en ontzetting zag hij Sander spuwen,
prevelde iets en trok zich terug. Eenige dagen gingen voorbij zonder dat
hij een poging waagde, hoe toeschietelijk Sander ook glimlachte en
lustig knikte wanneer hij aan de deur verscheen. Maar Spitsken joeg weer
achter den kater, en het beest wipte weer binnen over de halfdeur.
--Hij kan hem niet krijgen, pochte Sander.
Snepvangers stak de straat over en ging tegen de oude deurlijst leunen,
van waar hij aandachtig het waterspel van Sander gadesloeg.