vraagstukken en tijdroovende bezigheden. Madame kon alleen over de kuren
van haar dochter nadenken en het heilmiddel opsporen. Spoedig was hij
zijn propagandavocabulaar meester, en met den verdierenpikker was hij een
ijverig ronselaar voor nieuwe partijgenooten. Menigmaal gebeurde het nu
dat de zachtmoedige, vredelievende Snepvangers in geweldige herbergtwisten
gemengd werd. Drukker bezocht hij zijn herbergen en wanneer hij dan, een
beetje zwaar van bier, rook en welsprekendheid naar huis toog, kwam soms
wel zijn rustig gemoed in opstand, doch telkens dacht hij aan den
gemeenteraad.
Om in breederen kring de aandacht op "zijnen" Bond te vestigen liet hij
zich als eerelid opnemen in de onpartijdige fanfarenmaatschappij "De
Broedermin". Een paar dagen later werd hij eerevoorzitter van een
Vogelpikvereeniging in de buurt "De Lustige Pikkers" en van de
tonmaatschappij "De Moedige Spelers", nam het voorzitterschap aan van
"De Gezworen Spaarders", liet zich afgevaardigde kiezen van een
duivenkring in het "Algemeen Verbond" en ondervoorzitter der liefdadige
vereeniging "Nood baart Troost".
Dat kostte slechts pinten, goede woorden en centen. De uitslag was
schitterend. Madame, die niet erg ingenomen was met de nieuwe
levensinrichting, werd overbluft en stormenderhand gewonnen.
Bij fakkellicht werd het nieuwe eerelid door zijn fanfare een serenade
gebracht, en afgevaardigden van de verschillende vereenigingen, hiertoe
door den verdierenpikker aangezet, brachten complimenten en bloemen.
Madame was ontroerd door het onverwachte.
Marieken gloeide van trots en Snepvangers stond met milde eenvoudigheid
te genieten van dit voorsmaakje der toekomstige glorie. Hij trakteerde
op wijn de afgevaardigden die zich in het salon en de eetkamer verdrongen,
liet de muzikanten in de kroegen der buurt drinken op zijn kosten.
Redevoeringen prezen zijne liefdadigheid, zijn zin voor kunst en muziek,
zijn burgerdeugd en zijn liefde tot het volk, zijn vaderschap en zijn
goedheid.
Tegen zooveel beeldsprakige ophemeling voelde hij zich niet bestand, het
verteederde hem en hij geloofde in zijn eigenwaarde. Hij gaf een wenk aan
den President van den Bond en aan den verdierenpikker die de glazen
volschonk als trouwe regisseur van het spel.
"Mijne heeren, zei hij, het glas beeft mij in de hand bij zooveel
sympathie die mij betuigd is geworden... Ik kan het niet zoo met
stadhuiswoorden zeggen, maar 't komt uit mijn hart, onze stad heeft
onafhankelijke mannen noodig om te strijden tegen bazars en cooperatieven,
tegen Tietz en bakkerijen die het brood stelen uit den mond van den
neringdoende!...
"Ik verklaar volmondig fier te zijn als lid van den Bond der neringdoenden
waarvan de President mij de eer aandoet aanwezig te zijn op deze betooging
die niet mij, maar onze heilige princiepen treft... Dank, vrienden,
dank... 't Is een steun in den strijd die mij zal aanzetten om nog meer
te vechten... Ik bedank u allemaal uit den grond van mijn hart, vooral den
vriend die ik jaren ken en die mij den weg gewezen heeft naar den Bond!...
Mijne heeren, nog eens op de gezondheid. Leve de neringdoenden! Leve de
burgerij."
Uitbundig werd hij toegejuicht tot buiten de Brabançonne weerklonk.
--Hij heeft het goed gelapt, fluisterde de President tot den
verdierenpikker, 't is een schoone propaganda-avond. Toen in de verte de
muziek wegstierf en het rumoer in de straat opgehouden had, zat de familie
nog, stil van opgetogenheid, te luisteren onder het gaslicht. Madame kloeg
niet eens over het bevuild tapijt noch over den mildgeschonken wijn.
Marieken kwam het eerst tot de werkelijkheid terug, draaide de overbodige
lichten uit, nam de glazen weg.
--Wij moeten den President onze klandisie gunnen, oordeelde Madame.
--Ja Papa, steunde Marieken.
--Maar wij hebben niks noodig, de dakgoten zijn in orde!...
--Wij moesten een bad koopen, een bad hebben al de rijke menschen.
--Een bad?
--Een bad, herhaalde ook de verbaasde Madame, en voor wat? Wat zullen
wij daarmede aanvangen, en waar zullen wij het zetten?
--Wel, Mama toch, op de kamer boven de keuken.
--Maar wat zullen wij met een bad doen? Pleitte Snepvangers.
--Wel, ons wasschen, Papa!
--Ik wasch me alle dagen kind, maar in een bad, denk eens na!
--Een toekomstig gemeenteraadslid die geen bad in huis heeft... de
menschen moesten het weten.
--Ja daar is toch iets voor te zeggen, Snepvangers.
--Maar Mama, dat kost veel geld.
--Die over den hond kan, kan over den staart... Wij zullen eens naar
den President gaan kiezen.
's Anderen daags trokken de moeder en de dochter naar de Melkmarkt, De
President was niet thuis, maar zijn vrouw, een pronte, zwaarlijvige en
praatlustige vrouw ontving. De serenade was haar stokpaardje. Haar man
had er niet kunnen over zwijgen, en Craen was niet makkelijk. Zij kende
de dames van in de Zoologie te zien, en Marieken had ze altijd zoo'n
aardig meisje gevonden. Het gezellig gesprek werd in den winkel gevoerd.
Madame Snepvangers zat in een ziekenstoel, Marieke op een tentoongesteld
porceleinen kuipje met mahoniehouten deksel. Madame Crean leunde tegen
een badkuip en zag zich weerkaatst in den ovalen spiegel van een lavabo.
Toen het onderonsje gestoord werd door winkelbezoek had men nog geen
badkuip gekozen, niet eens bekeken. Volgens afspraak zou men den volgenden
Zondag op koffievisiet komen met Snepvangers. Er was geen haast bij, en
de man moest maar meekiezen.
De familie Snepvangers genoot de ongewone ontroeringen van nieuwe
betrekkingen en verrassingen. Het leven had gebeurtenissen. De politiek
bood zeer aardige uitzichten, ook voor de dames. Slechts een ding
werd opgeofferd op het altaar der neringdoenden: het prettig kuieren en
winkelen bij Tietz.
Zij togen dus naar de Melkmarkt en werden luidruchtig verwelkomd door den
stevigen loodgieter en zijn gade. De President voerde het gezelschap in
het salon boven den winkel, waar men op rood-fluweelen stoelen rond de
koffietafel plaats nam. Terwijl men boterkoekjes en krentenbroodjes naar
binnen werkte en ontelbare kopjes koffie dronk, zoodat de meid tweemaal
moest opschenken, vertelde Madame Craen haar levensloop. Zij waren
kleintjes begonnen. De President deed toen zelf de karweikens op de
daken, maar 't was hen mee gevallen, hun eenige zoon hadden zij in
een floreerende zaak geplaatst nadat hij gestudeerd had voor
apotheker-drogist. Zij bleven maar in d'affaire uit gewoonte en uit
schrik dat zij het rentenieren niet zouden gewoon worden.
--Ja, dat hebben wij ook ondervonden... en wij waren naar buiten gaan
wonen.
--Spreek mij van geen buiten. Madame Snepvangers, ik ben er bang
's avonds.
--Wij waren ook blij terug in de oude buurt te zijn, en voor Marieken was
het ook te triestig!
--Natuurlijk, een jong meisken!... Seffens komt onze jongen een goedendag
zeggen, en dan is er zoo wat jonkheid bijeen... In zijn affaire kan hij
zoo moeilijk weg ... ge weet wel _De Gaper_, op de Torfbrug, bekend
om het vliegenpapier ...
--Och zoo, dat is uw zoon! Marieken, daar koopen wij onze borstels en
opneemvodden.
--Ja, onze jongen is werkzaam en braaf, maar ... zoo'n toonbeeld moest
een vrouw hebben, ook voor d'affaire. Maar hij zegt geen tijd te hebben
om er een te zoeken, dat hij nog jong genoeg is ... hij is nu
drie-en-dertig.
Nu de dames zwegen en peinsden na, luisterden naar de mannen, die in
politiek verdiept, eikaars vernuft en wijs inzicht waardeerden.
--Zouden wij niet eens in den winkel gaan zien? stelde Madame Snepvangers
voor.
Gedwee volgden de mannen, doch staakten geen oogenblik het onderhoud.
Madame Craen noemde prijzen van badkuipen, waterketels, lavabos, gemakken,
raamde de kosten van plaating.
De belangrijke mededeeling werd onderbroken door de komst van den
drogist, een mager jongmensch met bleek gelaat. Hij had een scherpen neus,
waarop een gouden bril zijn flauw-grijze oogen beschermde.
--Dat is nu onze Antoine..., het eenig kind dat over bleef van de vier ....
Antoine, dat is de familie Snepvangers, waarover wij gesproken hebben.
De drogist zei hoe aangenaam het hem was te mogen kennismaken met de
familie, pluisde onderwijl aan zijn vlasblond geitenbaardje.
De badkuip werd vergeten. Antoine had zijn winkel gesloten en bleef in
den familiekring die, in het salon, den wijn van den President proefde.
Marieken, na lang pramen, bespeelde de piano die anders nooit geopend
werd. Het was er zoo gezellig dat de familie niet weigeren kon te
blijven avondmalen. Men was reeds als thuis tusschen oude vertrouwde
vrienden. De oude heeren zaten in hun hemdsmouwen, en hun hoogroode,
glimmende gezichten knikten elkaar mild toe onder het gaslicht.
De drogist zong nu, begeleid door Marieken, met lichte tenorstem een
paar fransche romancen. Plots gaf hij zijn Vlaamsch gezindheid lucht:
Zij zullen hem niet temmen,
Den fieren Vlaamschen leeuw,
Al dreigen zij zijn vrijheid
Met kluisters en geschreeuw...
Het begeesterd gezelschap zong het refrein mee. Maar na den ernst kwam de
losgelaten leute, die de ouderen lang vergeten strophen in het geheugen
riepen uit den tijd toen zij ook nog zongen of luisteren gingen naar de
zangers in de zanglokalen aan de Werf. De president viel in met:
"Vaarwel, schoon lief, de tambour slaat,
vaarwel, ik word soldaat."
Snepvangers kende slechts
"Er is gebeurd bij den pastoor van Heylen,
een wreede moord, een groote schelmerij."
Madame Craen zong sentimenteel
"Wat was zij schoon, de blonde maagd,
in 't blanke balgewaad."
en Madame Snepvangers won den bijval met het guitig-onfatsoenlijke:
"Want Sint-Nicolaas dat is een man
Die al de meiskens troosten kan
Hij brengt voor ieder verdriet of geluk
Maar ieder meisken krijgt heur stuk!"
Verhit danste men hand aan hand rond de tafel en keelde
"Waar kan men beter zijn,
dan bij de beste vrienden."
's Anderendaags was Marieken zeer teruggetrokken, en Madame voelde zich
katterig, wat zij toeschreef aan de gebakken aardappelen en de te vette
hesp!
Beiden waren een beetje verlegen met hun ongewone, dwaze luim van den
vorigen avond.
Alleen Snepvangers gebaarde van niets, deed zijn dagelijkschen
propagandatocht door de herbergen. Hij had andere katten te geeselen,
werkte voor de partij die reeds met de aanstaande verkiezingen in het
strijdperk zou treden. De loodgieter had hem nu zelf de stellige
verzekering gegeven dat hij kandidaat zou gesteld worden.
* * * * *
Veertien dagen later ontving men het tegenbezoek, dat even prettig afliep.
De President loofde de keuken van Snepvangers; nooit had hij zoo smakelijk
Konijn gegeten. Antoine bleef in Mariekens nabijheid aan de piano. Madame
Craen achtte Snepvangers een wijnkenner. Een lichte roes woog op allen en
gaf het leven een rozig-leutig aanschijn.
--Ik heb onzen Antoine nog nooit zoo gezien, fluisterde Madame Craen.
--En Marieken dan... dat is de jonkheid, zuchtte Madame Snepvangers.
--Waar is onze tijd gebleven! treurde de loodgieter.
--Och, wij zijn ook nog kleppers, blufte Snepvangers, en klopte zijn zich
verwerende vrouw op de knie.
Ook ditmaal liet de opwinding een beetje haarpijn achter, en Madame streek
suf over de platte blessen. Zij was blij toen alles weer opgeredderd was
en een kalmer uitzicht bood. Marieken liep neuriënd en bedrijvig rond en
de rustelooze Snepvangers was reeds vroeg de baan op.
De zomerconcerten in den dierentuin brachten de vrienden geregeld samen.
Het was een meer ingetogen verzet; de mannen hielden eindelooze redenaties
over de verkiezingen en de middelen om _De Noodkreet_ overal te
verspreiden; de vrouwen fezelden over het huishouden en over de menschen
die rond hen zaten. Antoine en Marieken zwegen, luisterden aandachtig naar
de muziek die versmolt met het geruisch der voetstappen van de
rondwandelende meisjes over den kiezelgrond.
--Dat zoekt allemaal 'n vrijer, meende Madame Craen, dat loopt in de
spitskar om zich te laten zien.
--Dat heeft Marieken nooit gedaan, weerde zich Madame Snepvangers.
In de pauze gaf Antoine zijn muziekbeschouwingen ten beste, de vaders
bestelden een nieuw glas en vonden het lekker zitten onder de boomen. Na
het concert werden de Snepvangers door hun vrienden naar huis gebracht.
Antoine en Marieken liepen voorop, soms wel gearmd, gevolgd door de
moeders, en op afstand door de politiekers.
Zoo liep de maand Juni ten einde. Doch toen gebeurde het dat Antoine aan
Marieken voorstelde een eindje op te wandelen. In de oogen der ouders
glom de nieuwsgierigheid al hielden zij het gesprek aan gang. Marieken
voelde haar hart feller kloppen toen zij, onder de donkere boomen, waar
een geur van wilde beesten en bloemen aanluwde, de helverlichte kiosk uit
het oog verloor. Nabij de leeuwenzaal gingen zij op een bank zitten.
Treinen floten langgerekt, de roofvogels krijschten in de verte en de
woestijnkoningen brulden vervaarlijk in hun hokken.
Antoine plukte aan zijn geitenbaardje, wierp zijn sigaar weg, keek naar
het stukje nachthemel dat zichtbaar was. Marieken had de handen in den
schoot gevouwen,
--Marieken, aarzelde hij, wij zijn geen kinderen meer... Onze ouders
zullen er niets tegen hebben... wij zijn van den zelfden stand... 'k
heb 'n goede affaire en nog te verwachten, gij zijt een eenige dochter
van welhebbende menschen en... ik zie u gaarne!
--Antoine!
In de verte begon de muziek opnieuw te wiegelen. Zij waren beiden
bedremmeld.
--Ja, ik zie u gaarne, maar ik wist niet hoe ik het u zeggen moest ... ge
zijt zoo 'n deftig meisken.
--Antoine toch!
Hij schoof nu dichter bij, lei zijn arm over haar schouders. Zij liet het
hoofd tegen hem aanleunen, rilde alsof zij koorts had.
--En ziet ge mij ook gaarne? fluisterde hij, het gelaat dicht bij het
hare zoodat de krullende haarkens boven de slapen zijn wang kittelden.
Haar oogen glansden, en zij voelde zijn warmen adem over haar wezen.
Eindelijk was het gekomen waarvan zij als jong meisje gedroomd had.
--Ja, Antoine!
Hij zoende haar en zij kuste terug zonder nog te denken aan fatsoen. In
zijn armen vergat zij ouders en concert.
---En wanneer trouwen wij?
--Als Papa in den Gemeenteraad zit... Dat zal de menschen niet weinig
doen biskeeren.
Het publiek trok reeds weg toen zij de geduldig-wachtende ouders
vervoegden.
--Awel jongen, wat hebt gij Marieken toch zoo te vertellen gehad? wierp de
loodgieter op.
--En in den donkeren nogal, plaagde Snepvangers die het minst argwaan had.
--Dat zal ik seffens bij Mariekens' ouders verklaren, zei de drogist
gewichtig.
--Maar 't is al zoo laat, Antoine, wacht tot morgen.
--Neen Mama!
In de eetkamer der Hobokenstraat deed Antoine aanzoek naar de hand van
Marieken Snepvangers.
Madame schonk een glas wijn. Madame Craen zei nu haar levensdroom vervuld
te zien, Craen toastte en Snepvangers zat verwezen te kijken naar de
wondere Teniersmannekens op de deuren der eikenhouten buffetten
uitgestoken. Nooit had hij dat zoo nauwkeurig bekeken. En Marieken ging
trouwen zoohaast hij in den Gemeenteraad zou zetelen. Zijn kind ging zijn
hhui verlaten, een eigen gezin vormen! Op haar beurt zou zij kinderen
krijgen, misschien ziekten en tegenslag kennen! Maar Antoine was een goede
jongen en kleinkinderen zouden een vreugd zijn voor hun levensavond.
Madame was blij dat zij niet langer moest nadenken over Marieken. Haar
kuren zouden nu voorbij zijn, en de rust zou in huis heerschen. Het hoofd
zou men neerleggen zonder angst dat het kind alleen achterbleef. Was
Snepvangers nu maar wat minder ongedurig!
Onder het verteederd toekijken der ouders namen de verloofden afscheid.
* * * * *
Om het bedekt en openlijk vrijen der kinderen bekreunde Snepvangers zich
niet.
De weken vergingen in bezoeken, vergaderingen, bijeenkomsten en
herberggetwist. De strijd was reeds volop aan gang, in den Bond strijd om
voorrang, buiten den bond strijd tegen de partijen. Onvermoeibaar stond
hij op de bres van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zijn persoonlijke
meeningen had hij zoo goed het ging in een manifest uiteengezet. Antoine
had het verbeterd, een sierlijken vorm gegeven zoodat het nu gerust kon
gedrukt worden in _De Noodkreet_. De avond vóór de algemeene vergadering,
waarop de kandidaten zouden worden aangeduid, verzekerde hem de President
dat hij gerust mocht zijn over den uitslag. De verdierenpikker had de
mannekens van de fanfare bewerkt, de vogelpik- en tonspelers, de spaarders
en de vrienden van den armen gesproken. De echte neringdoenden zouden
stemmen voor den onbaatzuchtigen rentenier.
Toch baande Snepvangers zich slechts met beklemd gemoed een weg door de
propvolle zaal naar de tafel, waarachter het bestuur geschaard zat. De
President knipoogde. Hij hield zijn gelaat in effen plooi om de inwendige
ontroering te kunnen verbergen, maar hij zoog smakkend op zijn sigaar, en
zijn blikken gleden over allen en zagen niemand. Hij luisterde niet naar
het lezen van het verslag van den secretaris, naar de woorden van den
voorzitter, naar de losgelaten welsprekendheid der andere kandidaten, die
een voor een zich bij hun medeleden kwamen aanbevelen. Zijn zekerheid was
hij kwijt, de vaste grond zakte onder hem weg en hij voelde zich hulpeloos
tegenover de menigte in de zaal. Van zeer verre klonk het hem eindelijk
uit den rook: Het woord is aan M. Snepvangers! Zijn aanhangers juichten
hem toe. Dat stak hem een hart onder den riem. Met een woesten ruk wipte
hij recht naar het verhoog, schonk zich een glas water, dronk, en toen
weer stilte heerschte, sprak hij met gloeiende overtuiging:
"Medeburgers!
"Op dit plechtig oogenblik dat gij komt te kiezen tusschen uw mannen die
uw belangen zullen gaan verdedigen in den Gemeenteraad, zal ik zeer kort
zijn en geen lange redevoeringen uitspreken... Ik ben geen advokaat,
maar ik weet wat de burgerij en de neringdoenden toekomt. Wat ik in het
verleden geweest ben dat zal ik ook in de toekomst zijn! Ik ben tegen
bazars en coöperatieven, ik wil ze belasten zoodat de kleine burger niet
meer failliet zal gaan met te willen concureeren. Uwe belangen zijn zoo
treffelijk als die van het werkvolk, waar zooveel voor gedaan wordt. Ik
wil mij opofferen voor de zaak! Als onafhankelijk man zal ik uw intresten
verdedigen. Ge kunt lezen wat ik in _De Noodkreet_ geschreven heb... Bij
mij is het niet te doen om op de kussens te zitten, mijn princiep is:
Leven de Neringdoenden!"
Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving
gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij
voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct
vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over
hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te
worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een
onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de
stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem
Marieken.
--Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa.
--Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf,
maar ik heb gisteren avond goed gesproken.
--Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt,
zult ge uw rang moeten ophouden.
--Dat spreekt!
--Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat
staat zoo deftig!
--En 's Zondags dan?
--Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral
stemmen.
--En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa.
--Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags...
maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in
den vergeethoek is geraakt.
--Ja, Papa.
* * * * *
Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en
de andere kandidaten schreven zij adresbanden om _De Noodkreet_ te
verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers,
kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren
aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden
worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp.
Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid.
Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden
opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris,
een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de
kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen
en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien.
Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken,
en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen
gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der
liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken.
De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet
houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten
steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de
kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de
kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen
die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen.
Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had
nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat
journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij
werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De
verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid.
--Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat
zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen
sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes
op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad
zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden.
--Neen, maar zoo versta ik het niet!
--Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op...
Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet
aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt.
--Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren!
--Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling
en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de
politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet
tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er
nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof
zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de _Gazet van Allen_ beginnen ze
portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens
hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen
verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het
gewicht!...
Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het
frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn
beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het
lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor
waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te
verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk
iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan.
Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij
aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de
strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en
verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden
de gazet in de vuist geklemd.
--'t Is schandalig, Snepvangers!
--Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen!
--Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat
geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast!
Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van
oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet
mededoogen aankeek, en voelde aller oogen--die der medekandidaten--vol
nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las:
_De Baaskens der Nief Partie!_
"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der
fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam
voor zijn.
"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan
verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan.