Produced by Miranda van de Heijning, Guido Royackers and the Online
Distributed Proofreading Team.
LODE BAEKELMANS
MIJNHEER
SNEPVANGERS
AMSTERDAM
P.N. VAN KAMPEN & ZOON
HOOFDSTUK I.
VILLA YVONNE.
Mijnheer Snepvangers en Madame Snepvangers, geboren Verstraete, hadden
jaren gediend bij Notaris Boeykens in de Hobokenstraat. In het statig,
oude huis werd de vrijage van den heerenknecht met de keukenmeid niet
opgemerkt of stilzwijgend geduld. Daarbij gaf de minnehandel geen
aanstoot, geen stoornis in den dienst. Beiden waren zeer degelijk en
ernstig, en alle aardsche zotternij was hun oogenschijnlijk vreemd.
Om de veertien dagen profiteerden zij van een half Zondagmiddagverlof
om te wandelen en om plannen voor de toekomst te beramen. De andere
Zondagen, wanneer bovenmeid en koetsier op gang waren, zaten zij gezellig
voor het keukenraam uit te rekenen wat er nog aan hun spaarpot ontbrak.
Jaren lang hadden zij zoo hun leven gesleten, gierig gespaard hun loon
En de fooien, tot zij eindelijk een flinken duit bezaten. En op een
Zondag, zij waren toen zes-en-dertig jaar geworden, was de beslissing
gevallen. Een eenige gelegenheid bood zich aan om een bloeiende
kruidenierszaak over te nemen en hun eigen meester te worden. Spitsvondig
onderzochten zij de kansen om noch Mevrouw noch den Notaris te krenken,
vermits zij in de buurt bleven en de oude meesters goede klanten konden
wezen. Daarbij was de bescherming niet te versmaden voor kleine lieden!
Toen zij het eens waren dat Snepvangers M. Boeykens onder vier oogen om
raad zou vragen, zaten zij in de schemering te staren naar de poort van
het krijgsgasthuis aan den overkant der straat. En toen het tijd werd
om voor het avondmaal te zorgen, overviel hun voor de eerste maal het
gevoel vreemden, ondergeschikten in dit huis te zijn.
Na het souper zat de Notaris meestal nog een uurtje op zijn bureel en
las er, onder pruttelend gaslicht, zijn gazet. Snepvangers talmde niet,
waagde het voor den eersten keer zijn meester te storen in zijne rustige
afzondering. Een beetje bekwemd keek hij naar het oud grijs heerken, naar
de bibliotheek achter hem, hoorde het kreukelen van de krant. Dan vertelde
hij van de schoone gelegenheid, van hun gewettigd verlangen om eindelijk
te trouwen, en zij kennen daarbij een geschikt meisje en een kranige
jongen om hen op te volgen. Dat gaf doorslag aan het voorstel. Welwillend
beloofde de Notaris zijn steun bij Mevrouw, en meer nog wou hij doen om
hen te beloonen voor de goede diensten sinds ongeveer zestien jaar:
Snepvangers zou hij in dienst nemen als vaste getuige en ook voor verdere
notariskarweikens gebruiken.
Zoo werd beslist over het leven van Mijnheer Snepvangers en zijn vrouw
geboren Verstraete!
Mevrouw Boeykens had toegestemd; de nieuwe dienstboden bleken te voldoen.
_De Zoutkeet_ nabij de Rozenstraat werd overgenomen door de jonggetrouwden,
die zich mochten verheugen in de klandizie van het notarishuis. Een mooi
stuivertje won Snepvangers als getuige, met onder allerlei akten zijn naam
te zetten. Het leven was nieuw en schoon, zij gingen vooruit in de wereld
met hard werken en zuinig te leven. Zij beseften ten volle hoe zij zich
verheugen mochten in de gunst van den Notaris, maar waren tevens overtuigd
dat eerlijkheid en vlijt steeds passende belooning vinden in dit aardsche
leven. Wie niet te lui is om te werken brengt zijn schaapkens wel op het
droge! Zij konden gemakkelijk concurreeren tegen de winkels der buurt,
verkochten alles en nog wat, verleenden geen krediet, lieten niet poffen.
Na een jaar reeds namen zij een meid in dienst, een kloeke deerne uit
Madame's geboortedorp in den Polder: eenige maanden later huurden zij een
knechtje om den stootwagen te voeren en de bestellingen rond te dragen.
De zaak was een goudmijn! Maar Madame was ook buitengewoon geschikt om met
de menschen om te gaan, luisterde geduldig en met belangstelling naar de
praatjes, had geen eigen meeningen over de menschen en gebeurtenissen,
kon dus steeds instemmen. Het dienen had haar iets onderdanigs op het
gelaat gedrukt, wat haar niet belette meid en knecht flink te kunnen
aanporren tot werken, en hard zijn tegenover het schamel volksken uit de
Rozen- en Paradijsstraten, dat wel eens, door nood gedwongen, kleinigheden
poogde te borgen. Zij kon pingelen bij de reizigers en leveranciers, wist
De vriendschap der meiden uit heerenhuizen te onderhouden met kleine
geschenkjes, zag steeds kans om overjaarsche waren in de handen te stoppen
van het janhagel, dat toch geen fijnen smaak heeft. Snepvangers hielp
zooveel hij kon, maar werd steeds meer en meer in beslag genomen door het
winstgevend baantje van getuige. Hij was een uitgeslapen vent, en de
Notaris waardeerde in hem zeer bijzondere hoedanigheden, kieschheid en
bescheidenheid. Zoo had Snepvangers gewezen op wat te leeren valt in de
Roepzaal der Notarissen. Zedig en sluw volgde hij maanden na maanden de
verkoopingen, leerde er de waarde kennen van huizen en gronden, begreep
stilaan de verkoopwaarde, de speculatie, het opjagen, doorzag wat men
winnen kon met inzetten, met "verdieren", met hoogen. Hij kwam in kennis
met inzetters en verdierenpikkers, kleine renteniers en menschen van zijn
slag, die spraken van interesten en winsten, van verkavelingen en... de
gelukkige hand!
Eén sloot zich bijzonder bij hem aan, een bleeke man met neerhangende
snor, waarop hij zenuwachtig kauwde, terwijl hij wonderen verhaalde van
door het lot begunstigde verdierenpikkers, die rijk geworden waren door
toevallige speculaties of door wat hen eerst een strop had toegeschenen.
Benijder was hij van hen die eens leefden van kleine winstjes, zijn
gelijken waren, waarvoor hij nu zijn hoed afnam zooals voor de rijke
speculateurs en de notarissen. Snepvangers kon geduldig luisteren naar
zijn teemende uiteenzettingen, onderwijl bezig met eigen plannen waarvan
zijn roode, gladgeschoren heerenknechtentronie niets verried.
Weldra vertrouwde M. Boeykens hem om eigendommen op te jagen in den
eersten zitdag en de gemakkelijk gewonnen opcenten openden hem een nieuw
veld van bedrijvigheid. Eenigen tijd later werd hij de strooman voor een
anderen notaris en zijn vrienden die een uitgestrekten bouwgrond kochten
te Borgerhout. Na korten tijd waren er straten getrokken en de gronden
voordeelig verkocht aan aannemers en eigenaars. Met deze winst en het
opgespaarde geld kocht Snepvangers een paar bouwvallige krotten in de
oude volkswijk, in Sint-Andrieskwartier, waarvoor M. Boeykens hem eene
rente bezorgde. Nu waren zij eigenaars, al was het ook maar van huizen met
papieren balken. Doch dat hinderde niet, rijke eigenaars hadden ook huizen
door hypotheken bezwaard.
Een jaar later, het was het vierde jaar van hun huwelijk, werd de
gelukkige echt gezegend door de geboorte van een dochterken. De geboorte
van het kind kostte bijna het leven aan de moeder. Maanden verbleef
zij in het sukkelstraatje, zoodat de zaak wel een beetje achteruitboerde.
Marieken werd bij familie, boerenmenschen in den Polder, uitbesteed.
Zoohaast alles in 't reine was herbegon het zwoegen en het geld verdienen
der waardige echtelingen. Het geluk bleef het dienen. Zekeren avond kwam
M. Snepvangers een weinig geestelijk verheugd thuis. Zijne vrouw duidde
het hem niet ten kwade want zij wist dat het buitenkansje hem niets
gekost had. Hij had namelijk met zijn vriend, den verdierenpikker een
wijnverkooping gaan bijwonen waar men kosteloos kon proeven en kaas
gebruiken. Dat aardige uitspanningsken had hij door zijn vriend leeren
waardeeren. Zoo werd men wijnkenner en fijnproever. Maar nu was het dubbel
meegevallen! Snepvangers had er een man aangetroffen die hem zijn huisjes
wou af koopen aan zeer gunstige voorwaarden. Ondanks dat zijn gemoed
vermilderd was door den wijn, had hij zijn belang sluw behartigd, vooral
toen hij gewaar werd dat M. Peeters deze krotten volstrekt noodig had om
zijn danspaleis te vergrooten aan de straat.
Na zijne eerste gelukkige speculatie kreeg M. Snepvangers meer
zelfbewustzijn van zijn kunnen en zijn durven. Glad als een paling was
hij in zaken, meende hij zelf wel in vertrouwelijke oogenblikken, hij
overtrof zijn vrienden in de Roepzaal en daarbuiten! Madame was vergroeid
in haar winkel, bedrijvig van den vroegen morgen tot den avond. Het mesje
sneed langs twee kanten en zij werden met de jaren stijve burgers, die
een schoonen spaarpot hadden, eigen huizen en bouwgrond, stadsloten en
aandeelen in naamlooze vennootschappen. Wanneer zij samen 's zondags naar
de mis gingen in de St.-Jacobskerk, wekten zij onwillekeurig de afgunst
der geburen op. In vroeger jaren ging elk op zijn beurt, maar nu paste
een winkeldochter op de zaak. M. Snepvangers was deftig gekleed, droeg
een zwaar gouden ketting op den buik en had dan zijn hoogen zijden hoed.
Madame verlangde het, zoo leek hij wat grooter en... voornamer. Want
beiden waren klein van gestalte, en dat hinderde haar en heur echtgenoot.
Was hij met den tijd vetter geworden, zij niet. Haar rusteloosheid had er
volgens de meening van Snepvangers schuld aan. Naast haar man voelde zij
telkens een groote bewondering voor hem, met hem had zij het ver gebracht.
Ze droeg veel goud, een zijden kleed en een hoed met binders, zeer
Kostelijk goed, niets van dat ondegelijk mode-goed. Het platgestreken
haar was echter lichtjes met het pinijzer gekroezeld.
* * * * *
Nieuwe verandering kwam in hun leven, toen de achttienjarige dochter thuis
kwam uit de kostschool. In den beginne scheen het vreemd. Zij hadden
Marieken maar op feestdagen kunnen bezoeken en haar telkens, een
vergoeding van de ouderliefde die ze niet geven konden, met geschenken
getroost. De korte vacanties brachten nooit de groote toenadering. Weldra
was het geluk volkomen in het gezin. Marieken had eene fijne opvoeding
genoten bij de nonnekens, kende manieren, sprak fransch, speelde piano,
en was tevens zeer vroom.
In toenemenden welstand had Snepvangers mooie meubelen gekocht in
sterfhuizen en op de graanmarkt, bij de uitdragers, spiegels, lusters,
piano en zoo meer.
Nu gingen zij reeds jaren met hun drieën 's Zondags naar de kerk...
Snepvangers was lid van den Dierentuin, waar zij regelmatig de concerten
bijwoonden of 's Zondags in den hof wandelden om de beesten te bekijken.
Er kwam het deftigste volk van de stad, zooals de stokoude familie
Boeykens, de peperkoekbakker van de St-Jacobsmarkt, die koffiekoopman van
over de deur, en die was zelfs lid van den Gemeenteraad.
Het leven was zeer fraai en redelijk.
Maar de weelde zoekt ook verandering, en zoo gebeurde het dat Mijnheer en
Madame zekeren dag tot de ontdekking kwamen dat zij niet jong meer waren,
recht hadden op rust. De winkel gaf te veel slameur, en hun kind kon
onbezorgd haar toekomst tegemoet zien. De _Zoutkeet_ konden zij
gemakkelijk overlaten aan den zoon van den schouwvager, die geen lust had
in het roetbedrijf van zijn vader. Wie het voorstel opperde van buiten te
gaan wonen is later nooit gebleken, maar zeker is het dat zij het roerend
eens waren, 't Was heerlijk te denken, aan de koele buitenlucht, aan den
schoonen hof, en zijn vruchten, en zijn bloemen!
Op een stuk bouwgrond, waar enkel schrale dennen groeiden, door
Snepvangers onlangs bij ongunstig verdieren aan zijn broek gehouden, zou
het huis verrijzen. De schouwvagerszoon leerde de affaire en zijn vrouw,
dochter van een kruidenier, bleek zeer goed aangelegd om de zaak te
drijven. Zij ook kende geen genade voor het straatjesvolk, was zeer
voorkomend voor De andere menschen. Gerust gingen zij dus van huis weg
naar Cappellen. Tien minuten buiten de kom van het dorp lag hun eigendom,
op de baan naar Putte. Zij waren aanwezig toen de eerste spade in den
grond gestoken werd, volgden het uitgraven, het metselen der grondvesten,
zagen de villa optrekken met jammerlijke traagheid, steen na steen. In den
natten herfst keerden zij peinzend terug, droomend van het schoone
buitenleven. Vele avonden brachten zij zoek om een naam te vinden voor het
landhuisje. Eindelijk doopte Marieken den rooden blok _Villa Yvonne_, dat
klonk romantisch en chic. Begin Maart was de woning klaar, en alleen in
den tuin was de hovenier nog bezig met het planten van boomkens en
struiken.
Den vooravond van hun vertrek zaten zij boven, voor het raam van het
salon, tusschen ingepakte meubelen. Nu ging men weldra van de schoone rust
genieten, nog enkele dagen en zij zouden rentenieren. Mijnheer en Madame
dachten aan het verleden, wat nu komen ging was de betrachting van hun
leven geweest, waarvoor zij gewroet hadden, gescharreld en gespaard.
Marieken hunkerde naar haar verjaardag, die in het nieuwe huis zou gevierd
worden, zij werd zes-en-twintig. Madame trok het raam open, en zij keken
nu nog eens, als tot afscheid, in de ouder bekende straat. 't Was tusschen
licht en donker. Het plein lag eenzaam, en de lucht werd stilaan befloersd
door den aandoezelenden avond. Leerjongens en leegloopers stonden fluitend
en rookend te lanterfanten aan den hoek. De uitstallingen van het
ellengoederenmagazijn op den hoek der St-Annastraat waren reeds helder
verlicht. Ja, het licht klaarde reeds helder overal. Ginder, in de
Roodestraat, tegen het oude Begijnenhof, kwam de lantaarnman met het
weifelend lichtje op zijn langen stok, en telkens als hij stil stond
brandde er een gaslamp meer. Aan den overkant, bij den loodgieter,
schemerde nu rossige lampschijn achter de vitrien, en ook in _De Hoop_,
het oude danslokaal, verder huis na huis, ook op de bovenverdiepingen, ten
allen kant van het driehoekig plein, bloeide het avondlicht. Boven de
Ossenmarkt, in het broksken hemel, schitterden nu sterren als
wonderheldere lichtoogen. Het kloksken der kapel tampte rustig. Nu lazen
ongetwijfeld de paterkens in bruine pijen hun avondgebed onder het schamel
knetterlicht der kaarsen. Vreemd en eenzelvig stond kerkgevel en
kloostermuur in het donker, 't Was Maandag, en in _De Hoop_ begon het
orgel te draaien. Voor de open deur probeerden aankomelingen te dansen.
Telkens zwenkten zij even door de lichtstreep, schoven dan weer in de
schaduw weg op het kreunend georgel en gedjingel der muziek. De jongens
begeleiden het deuntje met schel-vinnig gefluit, de meisjes deden hun best
om de rokken zoo bol mogelijk te doen uitzetten bij elken zwier, alsof
het krinolienen waren. Wanneer een dans uit was, en het orgel zweeg, dan
hoorde men nog immer het meewarig-kalm gelui. Beneden zag Madame een
haveloos, slonsig meisken op moeders pantoffels komen aansloffen.
De blikken petroleumkan liet zij keer op keer tegen den muuur rammelen.
Dat volksken kom altijd in den laten avond, morde zij, dan pas worden
zij gewaar dat er geen olie meer in de lamp is. De stemming was weg, en
met genoegen, met verlichting werd aan de toekomst gedacht, aan morgen en
de volgende dagen.
Nadat de verhuiswagen weggereden was, nam het gezin, op zijn paaschbest
gekleed, afscheid van de nieuwe eigenaars der _Zoutkeet_, van de twee
oude knechten, van de geburen. Daarna gingen zij vaarwel zeggen aan de
familie Boeykens, eten in een hôtel over het station, zeer verteederd en
opgewonden. Madame droeg den regenscherm van Mijnheer, die al zijn
voorzichtige aandacht wijdde aan den reiszak, waarin de papieren zaten,
eigendomstitels waarde-aandeelen en geld, reiszak die zwaar woog.
Een week zonnetje verwelkomde hen buiten. In de villa, waar het rook naar
de klamme kalk en versch geschilderd houtwerk, vonden zij de oude meid
bezig met de verhuisventen. Na eenige rommeldagen kwam alles op zijn
plaats. Nu vonden zij gelegenheid om hun eigendom te "ontdekken." Marie
roemde het salon waar men zoo'n prachtig uitzicht had op het bouwland aan
den overkant. Tot verre in den Polder kon men zien waar de lucht, achter
de hoeven en boerenhuisjes, tot aan de boomen en den grond scheen te
raken. Madame genoot van haar eetkamer en het terras er voor, waar
men in den zomer zou kunnen koffiedrinken en genieten van den tuin.
Mijnheer dweepte met de slaapkamers boven, zoo ruim en frisch, daar kon
men pas goed het omliggende land bewonderen. De meid was in haar
schik met de keuken en het schommelhuis. Allen waren vol minachting voor
de stad waar men benepen gehuisvest was, waar het dompig rook, waar men
van het leven niet genieten kon zooals hier. Snepvangers vergat zijn
Roepzaal, zijn verkoopingen, zijn stamkroeg en zijn vrienden; Madame
begreep niet hoe zij het jaren volgehouden had in den winkel, Marieken
koesterde de hoop hier dik te worden en fleurig, want zij was bleek en
mager. 's Zondags zaten zij vooraan in de kerk tusschen de notabelen van
het dorp, de pastoor had hen met een bezoek vereerd, bakker, beenhouwer
en winkelier waren zeer beleefd, en de melkboer en groentenvent kwamen
geregeld en op tijd.
De lente was in aantocht. Overal begon het groen uit zijn zwachtels los
te breken, en de fruitboomen droegen bloesem. De lucht was meestal
helder, en de zon scheen zoo plezierig over de wereld. Zij schenen
het alles voor den eersten keer in hun leven te mogen aanschouwen. Regen
en wind kon hun stemming niet bederven, er viel nog zooveel te veranderen
een t schikken, en 't werd avond vóór men 't wist. Vroeg ging men slapen,
doodmoe van het bezigzijn en de zware lucht. Vooraleer de vensters te
sluiten en de rolgordijnen neer te laten keken zij dan soms in de richting
der stad, waar een lichtschijn tegen den hemelkoepel, opsteeg. Dan
beseften zij pas goed hun geluk. De honden blaften in de verte, en 't was
eenzaam en vredig alom. In het dorp brandde nog licht, maar het was er
stil, doodstil. Slechts de wind suizelde, en op de kerk sloeg de klok.
Zoo kwam M. Snepvangers op het gedacht ook een hond te houden. En vermits
het buiten zoo eenzaam was, vond elkeen het goed dat een waker 's avonds
op het erf zou kunnen passen. Dan sliepen de bewoners der _Villa Yvonne_
nog veiliger. Het beest, een grimmige doghond, kon huilen en blaffen dat
het een aard had. Hij was weldra berucht om zijn kwaadaardigheid, erkende
enkel Snepvangers. Uren lang lag hij met gloeiende oogen aan de ketting
voor zijn hok te loeren naar het houten hekpoortje, opspringend wanneer
iemand belde, vooral nijdig wanneer het volk van Putte, dat 's morgens
vroeg en 's avonds laat voorbijtrok, in aantocht was.
Alles stond thans in lentegroen, de lucht kreeg nu een lekkere mildheid,
vogels zongen in de boomen, de wind zoemde, bracht varende geruchten aan
en den balsemgeur der dennebosschen. Twee nesten zwaluwen hadden hun
huisje gebouwd onder het houten beschot der dakgoot, wat Madame als een
goed voorteeken beschouwde. Het bracht geluk, al gaven de vogels wel
wat last, zoo juist boven het terras, want zij lieten wel wat vallen.
Marieken kreeg zin in duiven en Madame in kippen. Duiven waren zoo'n
dichterlijke beestjes, al beweerde vader dat het stomme dieren waren!
Kippen legden eieren, beweerde Madame, al kraait een haan ook vroeg de
menschen wakker, maar de hond wekte hen ook vroeg genoeg. En duiventil
en kippenhok werden gebouwd, netjes groen geverfd, en bevolkt. Zij
telden de eieren, zagen de jonge duiven groeien, hun duivelshaar
verliezen, rekenden uit hoeveel een doghond verorberen kan, stelden
belang in de kwijnende rozelaars, telden de vruchtknoppen aan elk
boomken, begoten het magere gras en de bloemen, de viooltjes, de
madeliefjes, de vergeet-mij-nietjes en de andere, onderzochten de
kale hagen en de boomenstokjes met zuinigen bladertooi.
De dagen lengden zachtjes aan en brachten de zomergenoegens, de jonge
groenten, de eerste vruchten. En wat zij zelf gewonnen hadden, achter
in een kleinen moestuin, al was het nog maar een mager gewin, al kwam
het pas wanneer de nieuwheid reeds voorbij was, smaakte nog eens zoo
heerlijk! De salade was wel te weelderig opgeschoten, had geen malschen
krop; de radijsjes waren wel bitter, klein en voos; de erwten schaars te
zoeken tusschen het loof; de aardappelen waren als knikkers en weinig
talrijk! Doch wanneer zij bezoek kregen, en zij hadden nu haast alle
Zondagen bezoek van oude kennissen en geburen, vertelden zij welgevallig
en fier van de vruchten, van de zelfgewonnen vruchten, terwijl zij
argeloos er maar niet bijvoegden dat, wat op tafel stond, door den
groentenleurder geleverd was. Zoo overviel hen de verschroeiende
zonnebrand, waarin de villa, naakt en onbeschut, de hitte stond op te
zuigen. De tuin bood geen plekje schaduw, en alleen aan den straatweg
schenen de boomen langs den macadamweg een beetje koelte te bewaren.
Gelukkig dat er nu niets meer te verrichten viel! Zij konden binnenshuis
rusten en stil zitten in de halfdonkere kamers, waar de rolluiken waren
neergelaten. Geen belangstelling meer voor de uitschietende twijgen van
den wingerd, noch voor de verschrompelde appelkens en peerkens, noch voor
de beesten. Zalig zoo niets te moeten doen, ongegeneerd te luieren wijl
men ginder, in de stad niet voelen mocht de teistering van den zomer.
Na het middageten deden zij een smakelijk dutje, man en vrouw tegenover
elkaar gezeten in een leunstoel, en de koffietijd brak aan voor men het
wist. Marieken, die niet slapen kon, bracht de lange namiddagen door
met haakwerk, met borduren, of las de werken van Conscience, die vader
in vroeger jaren gekocht had. Buiten joeg het macadamstof omhoog onder
de jagende autos en bedekte alles met grijzen schimmel.
Dat was nu rentenieren! Men kon tenminste zijn vijf zinnen eens
bijeenrapen meende Snepvangers. Geen verlangen meer naar de stad, slechts
in zeer bijzondere aangelegenheden waren zij te bewegen eens over en
weer met den trein te gaan. 's Avonds, wanneer de zon onder was, hadden
zij het druk den hof te begieten. Zij pompten en sleurden het water in
den tuin tot zij piepaf waren, en op het terras gingen zij dan zitten
uitblazen in de nieuwe tuinzetels. Hier kloegen zij wel eens over de
zwaluwen die niets ontzagen, en over de muggen die hen zoo lastig vielen.
Tegenover de zondagbezoekers gewaagden zij nooit van deze kleine
onaangenaamheden, roemden maar voortdurend en opgewekt het onschatbare
buitenleven. Het gebeurde menigmaal dat Snepvangers moedermensch alleen
terugkeerend van het station tot waar hij bezoekers vergezeld had,
zichzelf overtuigde dat zij gelukkig waren. Zijn lantaarn wierp een verren
lichtschijn voor hem uit, de maan lachte aan den hemel, en het dorp lag
dan achter hem wanneer hij tot deze gevolgtrekking kwam. In het dorp
was er nog licht in de herbergen, daar zaten de dorpelingen te kaarten.
Ja, dat was toch wel gezellig! Daar schoof soms iemand in 't duister
voorbij en riep goedenavond; hij verschrok even, riep dan zeer joviaal
zijn wedergroet, maar was blij weer op eigen erf aan te landen en zijn
doghond te hooren aanslaan. Madame vond het dagelijksch leven wel een
weinig eentonig, zij die zoo gewoon was al de kletspraatjes te moeten
aanhooren in haar kruidenierszaak. Marieken had ook wel eens vage
gevoelens van onrust, neen zij benijdde haar vriendinnekens niet die
naar bals gingen, uitstapjes deden, ja, die met een vrijer mochten gaan
wandelen, maar toch!...
Na zoo'n oogenblikken van zwakheid probeerden zij tegenover elkaar den
lof te zingen van den buiten, alsof zij wederzijds iets van elkaar
afwisten. Zij zochten nieuwe veranderingen en verbeteringen, lieten voor
het huis een vijvertje aanleggen in cementrotsblokken, schilderden de
trappen, kochten konijnen. Maar het vijvertje stond altijd droog en de
konijnen stierven spoedig. Eenigen tijd hield een mol, die hun eigendom
in alle richtingen doorwroette, hen in spanning, Maar het beest verdween
even geheimzinnig als het gekomen was. Mijnheer begon nu weer iets te
voelen voor de prijzen van bouwgronden, liep heele voormiddagen langs de
wegen, knoopte kennis aan met de boeren.
Zoohaast de dagen korter werden, en de vroege herfst zijn killig, buiïg
weer liet aanstormen, bleven de bezoekers weg. In den begin vonden zij
het aardig zoo hun alledaagschen gang te kunnen gaan. Zij konden
nu 's Zondags ook eens de vijf zinnen bijeen rapen, en na het middagmaal
een uil vangen. Maar eenzaam was het! Marieken was het eerst de lustelooze
stilte en afzondering moede, want zij had de minste bezigheid. In den tuin
viel nu niet meer te gieten, het regende meer dan te veel, de planten en
struiken waren haar te bekend, de kleine fruitoogst was lang reeds
geplukt. Moe gestaard op de kale velden, naar den neveligen, triestigen
horizont achter de boerderijen aan den overkant, speelde zij troosteloos
piano of las weer een boek van Conscience. En zij dacht aan het heilig
sacrament des huwelijks... Madame wist wat elke dag brengen kon in het
huishouden aan schuren en wasschen, aan strijken en kousen stoppen.
De beslommeringen van vruchten inmaken was voorbij, in den kelder stonden
dozijnen pottekens gelei, steenen kruiken ingelegde boontjes, snijboonen
en witte koolen. De winterprovisie brandhout en steenkolen was ingedaan,
en nu had men weer geen kommer of zorgen meer, kon men rusten. Maar
Snepvangers zelf, die niets te doen had, zocht maar telkens om de baan te
Kunnen op trekken. Hij had in het dorp kennissen gevonden om kaart te
spelen, maar hield het huis verdoken. Om eens naar de stad te kunnen gaan
had hij dagen lang de noodzakelijkheid doen uitschijnen van een barometer
te bezitten. Met zoo'n ding wist men tenminste wat u te wachten stond,
regen of wind, of men al of niet zijn paraplu moest meesjouwen op de
wandelingen, die zij niet deden. Hij bracht een Zwitsersch, in hout
uitgewerkt kastje mee. Was er regen op handen, dan kwam er een paterken
met een paraplu uit een deurken te voorschijn; kwam er droogte in de lucht
dan stapte een flierefluiter, een heerken, zomersch uitgedost, uit het
ander poortje. Zij mochten niet veel plezier aan het ding beleven dat
meestal het weer aanwees dat geweest was. Ten einde raad wendde Mijnheer
dringende zaken voor die hem dwongen, dwongen tot zijn spijt, naar de
stad te gaan. Hij pinkte dan geheimzinnig, noemde terloops M. Boeykens,
dit zeer kramakkelachtig werd en hem noodig had.
Met danig stoken kreeg men het in _Villa Yvonne_ ongeveer warm genoeg. Het
kwam wel eens voor dat men in den vroegen avond gewaar werd dat de lampen
ongevuld waren, en men naar het dorp moest door het vlagend weer voor
petroleum. 't Was een geploeter door de duisternis over den slijkerigen
weg! Er was nu niets nieuws meer te ondervinden. Zij wisten wanneer
er treinen aankwamen, wisten wie voorbij zou stappen, nu een paar boeren,
straks de matten-leurders van Putte, later nog het werkvolk, zonder den
heremiet te rekenen, een jonge vent, die wat verder alleen in een huisje
woonde. Nog slechts een paar autos snorden dagelijks heen en weer met
kasteelvolk dat ergens, uren van de wereld verwijderd, woonde.
En de winter was bar, en streng, en lang. Amper mocht men het licht van
den dag aanschouwen. De wind joeg onbarmhartig door de kale boomen, over
de velden, rukte aan deuren en vensters. De regen zong door dagen en
nachten zijn eenzaam lied. Dan vroor het weer weken lang of gierden
sneeuwstormen, zoodat alles blank lag en bedolven. Eens moesten zij
zelfs een pad graven naar het hekpoortje, zoo lag alles onder den
dikken sneeuwpels. Teeken van leven kregen zij niet uit de stad, en M.
Snepvangers waagde zich niet buiten. Met Nieuwjaar bracht de postbode
Met de dagelijksche krant eenige nieuwjaarkaartjes, wenschen van
voorspoed en geluk. Bedrukt spraken zij weer maar hoopvol van de
lente, van de komende geneugte. De piano werd niet meer aangeraakt,
de grauwe lucht en de regen stemden te moedeloos. Het pluimvee werd
een last, men moest het verzorgen ook als men maar liefst bij de kachel
bleef zitten soezen, en de hond, de grimmige dog, bevuilde het huis.
Was dat nu het schoon rentenieren op den buiten? Zij dachten terug aan
hun gelukkige bedrijvigheid in de stad, waardoor zij nooit het ellendige
winterseizoen hadden gevoeld in zijn ijselijke naarheid. Al lengden de
dagen, zij werden het niet gewaar, en zoo lang het te koud was om buiten
te zitten konden zij van de mooie dagen niet genieten. In de stad kon men
ten minste wandelen, door de drukke straten, naar de winkels kijken.
Sinds de kermis van Putte hadden zij geen bezoek meer ontvangen, al die
maanden hadden zij geen menschen meer gesproken buiten de dorpelingen,
en die telden zij niet. Karnaval was nog wel de triestigste dag, want
zij dachten aan het volk dat zich ginder, onder den lichtgloed der stad,
wist te amuseeren. Was dat nu rentenieren? Marieken verslond maar al de
boeken, die zij kon leenen in het dorp. Madame gunde sinds lang niet meer
aan Snepvangers zijn uitstapjes naar Antwerpen. Het inroepen van M.
Boeykens mocht niet baten, en de arme man vond geen genoegen meer in de
bouwgronden van den omtrek, rookte maar verwoed pijp na pijp, zoodat alle
kamers van tabakrook doortrokken waren. Zoo kwam Goede Vrijdag.
Snepvangers kon het niet langer volhouden. Vandaag moest hij de stad zien,
hij wou en zou. Aan de koffietafel kreeg hij den gelukkigen inval.
--Het water rijst me over het hart als ik aan schelvisch denk!
--Zoo, wat gedacht, wantrouwde Madame, dat kunnen we niet krijgen in het
dorp.
--Schelvisch, dweepte Marieken.
--Ik ben ziek van goesting naar schelvisch, droomde Mijnheer.
--Ge kunt bottekens krijgen, misschien ook mosselen, als de vent van
Bergen-op-Zoom komt!...
--Och!
--Schelvisch, onderlijnde Marieken.
--Kunt gij hem halen? vroeg bits Madame.
--Och, als ik u daar plezier kan mee doen ... Ja dan wil ik wel eens naar
de vischmarkt gaan.
--Naar de stad!?
--Wel ja, Mama, 't is toch zoo geen reis.
--Wel, ik zal maar gauw gaan.
--Wat vreemde kuren, schuddebolde Madame, die zich verloren moest geven.
En Snepvangers ging met zijn paraplu en zijn vischnet onder den arm.
Aan het kleine station ontmoette hij de vroolijke menschen, die dagelijks
naar de stad gingen werken. Hij mengde zich in hun gesprekken, voelde
zich leven. Een mensch moet toch menschen zien, zich niet van de wereld
afzonderen! Wat gewoel bood de stad en wat afwisseling! Hij verbeuzelde
zijn tijd met kuieren en met pintjes pakken in de estaminets, door hem
vroeger regelmatig bezocht. Hoe prettig zich weer thuis te voelen in de
beweging der menschen! Ja, de stad was toch wel aantrekkelijk, daar kan
men, alles wel beschouwd, nog van het leven profiteeren. Het werd middag
voor hij er aan dacht naar de vischmarkt te gaan. Madame zou zuur zien nu
hij nog niet thuis was... maar hij was immers man en meester! Kon hij het
verhelpen dat de tijd hier zoo vlug voorbij ging? God, nu moest de
schelvisch maar voor het avondmaal dienen. Wat zouden zij smullen. Na
lang met kennersoogen de kramen te hebben onderzocht, na loven en bieden
kocht hij twee puur nog levende schelvisschen. Met zijn vischnet in de
hand en zijn paraplu onder den arm gekneld trok hij nu terug naar het
station, maar hij wandelde zoo gelukzalig traag dat hij zijn trein
mankeerde.
Doelloos liep hij over de De Keyserlei, dacht aan het onthaal dat hem
te wachten stond. Was dat niet een ouwe vriend, de verdierenpikker,
die daar kwam aangeslenterd?
--Wel verdorie, Snepvangers, zijt gij het? En ik die dacht dat ge reeds
dood en begraven waart!
--Neen, goddank, maar ik woon buiten...
--Dat wil zooveel zeggen als levend begraven!
--Neen, dat is wat sterk! ...
--Trein gemankeerd?
--Ja.
--Kom, we gaan er eenntje pakken op het weerzien.. Zoo, zoo!
En ze pakten er eenigen op het weerzien, spraken van vroeger dagen,
van verdierenpikken en gronden, van bekenden en notarissen. Zij hadden
beiden geluk gehad in het leven, zagen alles rooskleurig in, deden
joviaal. Voor zij het wisten zaten zij elkaar genoegelijk toe te knikken
in een hotelzaal. Het was Goede Vrijdag! Zij prezen het lekker vischdiner,
proefden als twee smulpapen van de gerechten en de wijnen, voelden zich
behaaglijk zwellen. Wat tafelweelde! Visch te kust en te keur, en wijn,
witte en roode, beter en meer dan op de beste verkooping. Juist toen zij
discuteerden waarom taling toegelaten wordt op een vischdiner in den
Vasten, werd het electrisch licht opgedraaid. Hun oogen knipperden even,
het tafelgerei schitterde licht helder en zij bemerkten dat de glazen
leeg stonden.
--Dat mag niet, beweerde Snepvangers als beleedigd.
--Neen, zeker niet! ...
De vrienden kenden uur noch tijd. De "Villa Yvonne" lag zoo ver, en de
schelvisch was door den garçon ergens weggelegd, als om de zorgloosheid
te verhoogen. De kreeft werd nu een eenig belangrijk ding, de wijnsoorten
een oud zwak. Met verteedering dronken zij op elkaars gezondheid, en dat
spel beviel hen zeer. Bij het nagerecht bestelden zij champagne, sigaren
en koffie.
--Het leven is schoon, mijmerde de verdierenpikker.
--Dat is het ja... dat is de waarheid, stemde Snepvangers in, vleide
zich wellustig tegen de leuning van zijn stoel en zag diepzinnig de
rookwolkjes na.
Hoe lang het geduurd heeft is lastig bij benadering te bepalen en
Snepvangers heeft zich er nooit rekenschap van kunnen geven. Zij genoten
nog lang van elkaars aantrekkelijk gezelschap, behandelden alle mogelijke
onderwerpen, vertelden moppen en fluisterden zinnelijke opwellingen,
waarbij ze vertrouwelijk knipoogden. Menig glas werd nog gedronken en
menige dure sigaar gerookt. Wat Mijnheer bijbleef was het vreemd geval
dat zij ruzie hadden gekregen bij de betaling van dit uitspanningsken.
Elk wou het gelag voor zijn rekening nemen, maar ten slotte betaalde elk
Zijn deel en was wat vrijgeviger tegenover den garçon. Deze stopte
Snepvangers wat in de hand, zijn vischnet met schelvisch en zijn paraplu,
en dan trokken de vrienden weg met hoogroode gezichten. Tot afscheid
werd nog een glas gedronken, hier een, daar een, dan ging Mijnheer zijn
vriend een eindje vergezellen tot aan den tram, want hij meende te
bespeuren dat deze een klein beetje zattekens was.
Later zeilde hij alleen terug naar het station. Plots was zijn vriend
verdwenen en nu voelde hij zich danig moe, wou ergens rusten om het even
waar, zitten en uitrusten.
En hij werd wakker op eene bank onder kale boomen van het Park. Waar was
hij? Hij rilde van koude, voelde zich ziek, had hoofdpijn. Scheen het
daglicht? Neen, 't was de lantaarnschijn. Hoe laat was het nu wel? Even
zien. Maar hij vond zijn uurwerk niet in zijn zak, tastte instinctmatig
naar zijn geldbeugel. Ook weg. God wat beteekende dit nu! Zijn blikken
zochten rond, zijn regenscherm, zijn zijden regenscherm met zilveren
kruk, eveneens spoorloos verdwenen. Voor zijn voeten echter lag het
vischnet met de schelvisschen, besmeurd door het slijk. God! kon hij
zijne vijf zinnen maar eens bijeenrapen! Wat zou hij doen, wat zou hij
zeggen? Zoo'n avontuur moest aan hem overkomen, aan een deftig getrouwd
rentenier, aan den eigenaar der "Villa Yvonne"!
Zeer verlegen stond hij recht, onthutst raapte hij zijn vischnet op, liep
de stad in. Hoe nu naar huis gesukkeld waar men angstig op hem zat te
wachten in den nacht? Zij zouden natuurlijk niet kunnen slapen, het huis
doorloopen en bang het ergste ongeluk vreezen Hij moest ook om schelvisch
gaan, Marieken moest ook aandringen alsof haar moeder niet meer verstand
had... Maar het dwaaste van al, M. Snepvangers moest ook eens
buitensporigheden bedrijven, zich te buiten te gaan, Goeden Vrijdag
vieren! Te laat beklaagd oude zot! Wat nu aangevangen?
Hij ging M. Boeykens spreken, zou hem alles biechten en die zou wel raad
weten om de ruzie te vermijden in zijn huishouden, wie weet en
echtscheiding kunnen beletten!
Suf stond hij voor de woning van den notaris te wachten tot het licht
werd. Tot zijn verbazing werd plots de poort geopend en liep de knecht hem
op het lijf.
--Hoe weet gij het nu al? vroeg de knecht verwonderd.
--M. Boeykens?...
--Ja, zoo plots... ja hij was wel niet goed, maar niemand kon zich daaraan
verwachten.... Saluut... tot weerziens.
M. Snepvangers oogde den knecht na, die haastig voortliep in den nacht. Nu
kon hij plots zijn vijf zinnen bijeenrapen! Hij had wel kunnen jubelen van
verrukking, nu was hij gered, nu kwam alles in orde. Hij had immers zijn
kaartje nog om weer te keeren?
Met den eersten trein trok hij naar Capellen. De nacht lag nog over de
velden, en in de verte scheen het licht in de "Villa Yvonne". Hoe meer hij
naderde hoe luider de hond begon te blaffen. Het tuinpoortje knarste open,
uit de open deur viel het helle licht. Hij hoorde geklaag en geschrei,
gesnik en gejammer, keek niemand aan, zag strak en wezenloos voor zich
uit. In de keuken liet hij zich zuchtend op een stoel neerzakken, den
schelvisch vóór de voeten.
Een oogenblik hoorde men de stilte, dan zei hij langzaam, met tranen in de
stem:
--M. Boeykens is dood!
--Maar wij blijven hier niet langer... wij hebben duizend angsten
uitgestaan, zei Madame tot rouwbeklag.
--Alleen in den nacht, zuchtte Marieken, alleen in den triestigen
buiten...
--Ja, 'n mensch weet nooit wat er gebeuren kan, beaamde Snepvangers
nederig en treurig, zoo 'n goede man... Het buitenleven is toch niet zoo
schoon als men denkt... Voor mij is het niks... ik ben niet bang... Ik
ben heelemaal van streek... 't heeft me danig gepakt.
--We zullen maar gauw koffie drinken, meende Madame.
Elk der huisgenooten was als ontlast. De oplossing was gekomen, zonder dat
een hunner zijn weerzin voor het landleven had moeten te kennen geven,
zijn verlangen had moeten toonen naar de loszinnige geneugten van de stad,
die zij voor maanden met zooveel genot hadden verlaten en belasterd. Zij
hadden genoeg van de stijve deftigheid, wenschten maar liefst te gaan
rentenieren in de oude buurt waar het zoo gezellig was, waar de menschen
en straten hen zoo bekend waren, waar zij meetelden in het leven, waar
muziek was en bedrijvigheid, en waar zij nooit onder de drukkende
afzondering, de eenzaamheid zouden lijden. Marieke peinsde daarbij
stillekens aan het huwelijk, en Mijnheer aan zijn parapluie en zijn
uurwerk. Bij het eerste schemeren van den dag was M. Snepvangers
bezig achter het tuinhek een paal op te richten waaraan een bordje
bevestigd was, vermeldende met onzekere, zwarte letters: _Villa te huur
of te koop_.
HOOFDSTUK II
LIEFDE EN ANDERE ONRUSTIGHEID.
De familie Snepvangers woonde weer in de stad. Het renteniershuisje in de
Hobokenstraat was kraakzindelijk. Het geveltje, frisch in de verf, was
versierd met kolommetjes en grillig loofwerk, op het balcon prijkte een
lange vlaggestok en op de witgeschilderde deur blonk de geelkoperen
naamplaat. Binnen hielden Madame, Marieken en de werkvrouw met
dagelijksche zorg alles helder aan kant en vrij van stof. In de
achterkamer stond de piano, in de veranda, die als huiskamer diende, kefte
een zwart spitsken, het salonneken aan de straat werd slechts voor
vreemden geopend.
Het tuintje, een voorschoot groot, bood Snepvangers en zijn dochter
gelegenheid tot tuinieren. Het geurde en fleurde er met bonte bloemen en
riekende kruiden, terwijl een sappige wijngaard zijn ranken schoot onder
het glazen afdak.
's Morgens vroeg stond Snepvangers op den drempel der woning zijn pijp te
rooken, liet het hondje zijn ochtendwandeling doen; wanneer de melkboer
kwam, nam hij het pannetje aan, trok dan aan de huisbel om Madame en
Marieken te wekken. De dames kwamen gekleed beneden, want na het ontbijt
ging Madame in de buurt winkelen en speelde Marieken piano, terwijl
de werkvrouw den boel in orde bracht.
Snepvangers knutselde in het tuintje, las andermaal de gazet van den
vorigen avond, kleedde zich dan voor de wandeling. Zijn barometer gunde
hij geen blik meer, in de stad was dat overbodig, en daarbij nam hij, uit
louter voorzorg, haast altijd zijn zijden regenscherm mee. Elken dag had
hij zijn afwisselende stamlokalen waar hij een pintje of een borreltje
dronk en over de stadsnieuwsjes en het weer redekavelde. In de buurt
bezocht hij "De Koning van Spanje", "Het Zwart Paard", "De Paardenwei",
"Sint-Jacob", "De drij Kauwkens", verder in de oude stad "De Klok",
"Het Gulick", "Het Koningsken", "Het Nachtlicht", "De Boer van Tienen",
"De Wildeman", "Het Schuttershof", "De Oude Sint-Jan", "De Gouden Kroon",
De Kolkoensche Haan", "De Zeven Provinciën". In de week dronk hij garsten,
's Zondags, in de buurt van het station, verkoos hij uitheemsche bieren.
Klokslag één was hij thuis voor het middagmaal, ving dan een uiltje, ging
daarna naar de roepzaal, waar hij, bij gelegenheid, nog een paar centen
verdiende, trof er zijn vriend aan, den verdierenpikker. Samen keuvelden
zij dan over eigendommen, gronden en centjes verdienen. Rond acht uur kwam
hij voor het avondmaal. Madame vertelde van menschen die zij ontmoet had,
van koopjes en buurtnieuws, Marieken verslond de feuilleton en zalig
genoot Snepvangers. Later las hij de gazet, terwijl zijn vrouw kousen
stopte en Marieken weer piano speelde. Op Vrijdag en Zaterdag gingen de
vrouwen niet op boodschappen uit, er werd gekuischt en geboend en
Snepvangers ging, na het avondmaal, kaarten in "De Klok."
Maar de Zondag werd, naar ouden trant, bijzonder gevierd. De familie trok
de beste kleeren aan en 't was vette keuken. De schrale Madame in haar
ruischende zijde stapte links van haar dikken echtgenoot naar de kerk. Op
zijn buikje bengelde de zwaar gouden ketting en zijn zijden hoed stond
achterover in den nek. Zijn hoogroode, gladgeschoren tronie glom van
zelfvoldaanheid. Marieken, naar de mode gekleed, ging aan zijn
rechterkant, in stille bewondering voor haar papa. Hij was zoo'n
tegenstelling van mama, hij was een klein vetzakje, een joviaal
rentenierken, dat veel menschen kende en groette. Doch zij geleek veel aan
mama, was sprietmager, hetgeen haar ergerde en soms verbitterde.
Na de hoogmis wandelden zij naar de bloemenmarkt op de Groenplaats, zagen
het volk uit Onze-Lieve-Vrouwekerk door de spitskar trekken, volgden mee,
langs de Schoenmarkt en de Meir, door de Leysstraat, naar de De Keyserlei.
Daar dronk men ergens een pot Münchener, waarbij Mijnheer de bekenden
groette en de dames critiek uitoefenden over kleeding en menschen. Na deze
eerzame en onschuldige uitspanning ging men eten, wat dutten, trok dan
weer op wandeling, kwam thuis om te avondmalen, keerde opnieuw om te
luisteren naar het concert in den Dierentuin of bezocht men de feesten en
vertooningen in den Burgerskring, waar de vrouwenrollen ook door mannen
werden vervuld.
Aan deze ordelievende, deftige levenswijze brachten de seizoenen met wind
en regen soms lichte afwijkingen, zoodat de dames thuis bleven, geen
onderhoudende en opwekkende critiek konden voeren, en Mijnheer alleen zijn
stamlokalen bezocht.
Het leven was schoon in zijn effen uitzicht, zonder ontroering, zonder
slag of gebeurtenis. Alleen Marieken had vlagen van droefgeestigheid,
wanneer zij dacht aan getrouwde vriendinnen. Dan was zij onhandelbaar,
had scherpe woorden. Mijnheer zorgde dan dat het hondje niet onder de
voeten liep. Madame peinsde, terwijl zij de dampende potten in de keuken
bestaarde, aan de kennissen die als schoonzoon welkom hadden kunnen zijn.
Marieken ging naar de dertig.
Zekeren avond in de lente had het echtpaar een belangrijk gesprek in de
slaapkamer.
--Marieken heeft weer leelijk haar kuren!
--Ja, mama, bevestigde Snepvangers bekommerd.
--Snepvangers, zei Madame besloten, ik heb er lang over nagedacht ...
Marieken moet trouwen.
--Ja, mama, gaf hij onderdanig toe, maar met wie?
--Dat weet ik juist niet, zuchtte zij: wij moeten uitzien naar 'n
treffelijken burgersjongen!
--Ja!
--Gij kent zooveel menschen....
--Ja!
--Ik zal mijn best doen, beloofde Snepvangers, terwijl hij in de
echtkoets stapte.
--Hij nam den verdierenpikker in zijn vertrouwen, die de zaak niet te
zwaartillend onderzocht. De beste koeikens zoekt men op stal, maar toch
moeten de liefhebbers ze weten staan. Hij zou eens rondzien, maar nu had
hij Snepvangers over iets gewichtigs te onderhouden.
--'t Is geen politiek en toch politiek, Snepvangers.... Tegenwoordig is
alles politiek om de kiezers te lokken en stemmen te winnen. Katholiek en
liberaal, uit schrik voor de socialisten, houden het werkvolk tot
vriend... alles voor den werkman, en de burgers worden vergeten....
Dat kan niet blijven duren, dat mag niet? Wij willen het hekken aan den
ouden stijl houden, de belangen der neringdoenden behartigen....
--Wie zijn wij?
--Wij? De bond der neringdoenden!... Wij willen ons woordje te zeggen
hebben in het Bestuur.... Wij zijn onpartijdig in ons belang, liberaal
en katholiek en democraat kan meedoen wanneer zij het goed meenen met de
belangen der kleine burgers en neringdoenden! Wij strijden tegen
cooperatieven en naamlooze maatschappijen, willen de nering bevorderen,
ons beschermen door goede wetten.... Recht door zee, willen wij; de
neringdoenden zijn den politieken winkel beu.... En nu vraag ik u of ge
meedoet.... Ge zijt een onafhankelijk man, een rentenier, en zoo'n mannen
hebben wij noodig, wij, handelaars, wij, ambachtslieden en eigenaars!
--Ik heb me nooit met politiek bemoeid, opperde Snepvangers, ik ben van
den ouden eed en ga naar de kerk.
--Dat is geen beletsel.... Wij zijn met veel goede katholieken, maar wij
vergeten ons belang niet.... Het is geen geuzenbond, maar eene vereeniging
om onze stoffelijke--ja stoffelijke, dat is het woord van den
President--belangen te verdedigen.
--Zijt gij reeds lang lid?
--Ik? Een paar weken, maar op de vergadering werd het zoo klaar
uiteengezet. Er zijn knappe bollen bij, mannen die het goed kunnen zeggen,
en 't staat allemaal in de gazet _De Noodkreet_. Ik heb seffens aan
u gedacht!... Dat was nu iets voor Snepvangers, iemand die zelf affaire
heeft gedaan, bij een notaris gewoond heeft en dus al de knepen kent,
onafhankelijk is! Den President heb ik over u gesproken en hij vond dat
wij mannen van uwen aard noodig hebben voor den gemeenteraad en voor den
provincieraad!...
--Hm! Te veel eer; ik ben maar 'n simpele burger, geen advokaat, meende de
gevleide Snepvangers.
--Wij willen juist geen advokaten, maar mannen van ons... geen
praatjesmakers, maar mannen waarop wij rekenen kunnen.
--Lid wil ik wel worden... maar de rest blijft onder ons... ik kan dat
niet aannemen, ik houd van de rust, ik houd veel van de rust... dat moeten
jonge mannen doen, die van den spanaard gesneden zijn.
--Snepvangers, ik bedank u namens den Bond voor uwe bijtreding, die wij
hoogschatten, zei de verdierenpikker langzaam en plechtig, laat er ons nog
een pint op drinken; maar één ding zeg ik u: met snotters en
tafelspringers zijn wij niet gediend, wij willen ernstige mannen!
Na dit vekwikkelijk gesprek keerde Snepvangers mijmerend huiswaarts.
Geheimzinnig hmde hij aan tafel, liet soms zijn vork zakken om zich even
in zijn toekomstdroomen te verdiepen.
--Papa, wat scheelt er toch? ondervroeg Marieken, wier kuur weer voorbij
was.
--Och, kind!
--Awel ja, Snepvangers, ge doet zoo vreemd, wat is er gebeurd?
--Och, mama, nu willen ze mij met alle geweld naar den gemeenteraad
zenden!
--Zijt ge zot, Snepvangers? Daar zenden ze andere kleppers, die daar iets
kunnen vertellen!
--Dat weet ik niet, mama; ik ben onafhankelijk, ik ken veel menschen, ik
ben zoo geen wauwelaar van een advocaat, maar ik heb veel ondervinding
en er zetelen er anderen dan Snepvangers.... De neringdoenden willen mij
absoluut, verklaarde hij behagelijk.
--Och Papa dat zal aardig zijn als ze bij u komen bellen voor plaatskens
op 't stadhuis, en als we gevraagd worden op de feestjes...
--Ja, maar zoo ver zijn we nog niet!
--Pas maar goed op, de politiek kost centen en ik geloof daar nog niks van
dien gemeenteraad, waarschuwde Madame.
--Och ik weet nog niet of ik aannemen zal!
--Maar Papa toch!
--Ja, als ik den Bond en de President daarmee een plezier kan doen, en
als de leden er dan erg aan houden, dan zal ik mij nog eens bedenken...