grondkorst, die op het punt schijnt zich onder onze voeten te openen en
ons in den brandenden afgrond te doen zinken (dat inderdaad gevaarlijk
is), en deels door het schijnen van het vuur tegen ons aangezicht,
en de menigte van gloeiende asch, die als regen nedervalt, en ook het
verstikkende van den rook en de zwavel, alles te zamen genomen, maakt,
dat wij bijna duizelig en van zinnen beroofd worden, als beschonken
menschen. Maar wij blijven naar den rand opklimmen en zien een
oogenblik neer in de hel van vlammend vuur daar binnen. Daarna komen
we alle drie naar beneden rollen; zwart en gezengd, en geschroeid,
en verhit, en duizelig, en ieder met een half dozijn scheuren in
zijne kleederen.
Gij hebt duizend malen gelezen, dat men den berg gewoonlijk afdaalt
door over de asch naar beneden te glijden, waardoor een trapsgewijs
toenemende rand onder de voeten wordt gevormd, die een al te snel
afglijden belet. Maar toen wij, op onzen terugweg, de twee uitgebrande
kraters achter ons, en hier deze steile plaats bereikt hadden, was er
geen spoor van asch meer te zien daar het geheel een glad ijsveld was.
Dewijl men in dezen stand van zaken geene andere keuze heeft, slaan
tien of twaalf der gidsen de handen in elkander en vormen een keten,
van welken de voorsten, zoo goed zij kunnen, met hunne stokken een ruw
spoor uitslaan; en wij maken ons gereed, daarlangs af te dalen. Dewijl
de weg vreeselijk steil en niemand van het gezelschap--zelfs niet
van de dertig--in staat is zijne voeten zes passen ver bij elkander
te houden, worden de dames uit hare draagstoelen genomen en elke van
haar tusschen twee vertrouwde personen geplaatst, terwijl anderen
van de dertig bij de panden hunner kleederen worden gehouden, om te
voorkomen, dat ze niet voorovervallen; eene onmisbare voorzorg, maar
die tevens strekt om hun gewaad onmiddellijk hopeloos te vernielen. Men
bezweert ook den vrij dikken heer, zijn draagstoel te verlaten en zich
op gelijke wijze te laten escorteeren; maar hij heeft het besluit
genomen naar beneden te worden vervoerd op dezelfde wijze, waarop
hij naar boven is gekomen; daar hij vaststelt, dat zijne vijftien
dragers waarschijnlijk niet allen tegelijk zullen vallen, en dat hij
aldus veiliger is, dan door zijne eigene beenen te vertrouwen.
Op die wijze beginnen wij af te dalen, nu eens gaande, soms over het
ijs schuivende, en voorzeker bedaarder en langzamer voortgaande dan
wij het op onzen tocht naar boven deden; en aanhoudend verschrikt
doordien er iemand van de achtersten tusschen ons neerploft, en de
voeten van het gezelschap in gevaar brengt en tegen iemands enkels
stoot. Ook is het onmogelijk den draagstoel vooraan te doen gaan, daar
het pad eerst gebaand moet worden: en die draagstoel daar achter ons,
boven ons hoofd--en de een of de ander der dragers altijd neergevallen,
en de dikke heer altijd met de beenen in de hoogte--is zeer gevaarlijk
en vreeselijk. Een zeer klein eind wegs zijn wij aldus met pijn en
angst, maar geheel opgeruimd, voortgegaan en zien het als een grooten
voorspoed aan,--en zijn allen onderscheiden malen gevallen en, toen
we daar zoo heengleden, op de eene of andere wijze tegengehouden
geworden,--toen mijnheer Pickle van Portici, bezig met het maken
van opmerkingen op deze ongewone omstandigheden, als iets dat hem
gedurende zijne ervaringen nooit was overkomen, struikelt, valt,
zich met tegenwoordigheid van geest losmaakt van die om hem zijn,
hals over kop neerduikt, en, holder de bolder, de geheele oppervlakte
des kegels afrolt!
Dat gezicht baarde ijzing; en dan zoo geheel buiten machte te zijn
hem hulp aan te brengen! Ik zie hem daar nog in het maanlicht,--ik
heb vaak zulk een droom gehad--hoe hij daar over het witte ijs schiet
als een kanonskogel. Bijna op hetzelfde oogenblik hooren wij een
schreeuw achter ons; en een man, die een licht mandje, met mantels
in voorraad, op het hoofd heeft gedragen, komt ons met denzelfden
vreeselijken spoed voorbijrollen, onmiddellijk gevolgd wordende door
een jongen. Bij deze opklimming van voorvallen, heffen de overige
acht en twintig zulk een geschreeuw aan, dat het huilen van een troep
wolven, daarmede vergeleken, muziek zou zijn.
Bij het bereiken der plaats waar wij zijn afgestegen en waar de paarden
op ons wachten, vinden wij Pickle van Portici ijlhoofdig, bebloed,
en als een pak lompen, maar, den Hemel zij dank! met onverminkte
ledematen terug. Nooit waren wij blij der een man te zien leven en op
zijn voeten staan, dan wij waren toen wij hem zagen--en hij, schoon
deerlijk gekneusd en veel pijn lijdende, nam de zaak licht op. De
jongen werd, met een verbonden hoofd, in de hermitage van den berg
gebracht, toen wij aan het avondmaal zaten, en eenige uren naderhand
kregen wij bericht van den man. Ook hij was gekneusd en bedwelmd,
maar hij had geen lid gebroken; daar de sneeuw, gelukkig genoeg, al
de groote rotsen en steenbrokken bedekt, en ze daardoor onschadelijk
gemaakt had.
Na een vroolijken maaltijd, en nadat wij voor een vlammend vuur
behoorlijk hadden uitgerust, stegen wij weder te paard en vervolgden
onze afklimming naar het huis van Salvatore--op zeer langzame wijze,
aangezien onze gekneusde vriend nauwelijks in staat was zich in
den zadel te houden of de pijn te verduren, welke hem de beweging
veroorzaakte. Ofschoon het zóó laat in den nacht, of zóó vroeg in den
ochtend was, stonden al de menschen uit het dorp bij onze aankomst
aan het kleine stalplein te wachten en zagen den weg op, langs welken
wij werden verwacht.
Zoodra wij in 't gezicht kwamen, werden wij aangeroepen met een groot
gejuich van stemmen, en eene algemeene aandoening, welke wij in onze
nederigheid niet wel konden verklaren, tot wij, bij het oprijden
van het plein, gewaar werden, dat een persoon van een gezelschap
Franschen, die tegelijk met ons op den berg waren geweest, in den
stal op stroo lag met een gebroken lid, terwijl hij er als de dood
uitzag en schrikkelijke pijn leed, en men gevreesd had, dat ons nog
iets erger ware overkomen.
Aldus "wel gekeerd en de Hemel zij gedankt!" gelijk de vroolijke
Vetturino, die ons van Pisa af gezelschap had gehouden, uit den grond
van zijn hart zeide. En voort met zijne gereedstaande paarden, naar
het slapende Napels!
Dit opent weer zijne oogen voor Policinelli en zakkenrollers, komieke
zangers en bedelaars, lompen, poppen, bloemen, glinstering, vuilnis,
en algemeene ontaarding; 't hangt zijn harlekijns-pak, morgen en alle
andere dagen, in den zonneschijn te drogen; op den zeeoever zingende,
van honger stervende, dansende, spelende, en allen arbeid overlatende
aan den brandenden berg, die altijd aan het werk is.
Onze Engelsche muziekliefhebbers zouden zeer pathetisch worden ten
aanzien van den nationalen smaak, konden zij eene Italiaansche opera
in Engeland maar half zoo slecht hooren zingen als wij de Foscari
dezen avond in den prachtigen schouwburg van San Carlo kunnen hooren
uitvoeren. Maar wat betreft het verwonderlijk ware en geestige
in het opvatten en verpersoonlijken van het u omringende leven,
heeft de havelooze schouwburg van San Carlino--dat vervallen gebouw
van ééne verdieping hoog, met zijne opzichtige schilderij aan de
buitenzijde, tusschen de trommen en trompetten en de kunstenaars en
goochelaarster--nergens zijns gelijke.
In het doen en laten van Napels is er een buitengewone trek, op welke
wij vóór ons vertrek een blik kunnen slaan--de loterij.
Deze, in de meeste gedeelten van Italië heerschend, is hier meest
blijkbaar in hare uitwerksels en invloed. Zij trekt elken Zaterdag. Zij
brengt het gouvernement een onbegrootbaar voordeel aan, en verspreidt
de speelzucht onder de armsten der armen; wat der schatkist goed te
stade komt, maar voor hem zelven allerverderfelijkst is. De minste
inzet is een Grano (bijna gelijk aan 2 Ned. centen). Er worden honderd
nummers--van een tot en met honderd--in de bus gedaan. Daarvan worden
er vijf uitgetrokken. Dit zijn de prijzen. Ik koop bijv. drie nummers:
komt er een van uit, dan win ik een kleinen prijs. Komen er twee uit,
dan krijg ik mijn inzet, een paar honderd malen vermenigvuldigd,
terug. Komen er drie uit, dan drie duizend vijfhonderd malen. Ik zet
(zij noemen het spelen) op mijne nummers zooveel ik kan, en bezet
welke nummers ik wil. Het door mij gezette bedrag betaal ik aan het
loterijkantoor, waar ik mijn loterij briefje koop, en dit wordt op
het briefje vermeld.
Elk loterijbureau houdt er een gedrukt boek op na: een Algemeen
Loterij-Wichelboek, waarin op alle mogelijke voorvallen en
omstandigheden is gerekend en een nummer er voor is opgegeven. Bij
voorbeeld; laat ons eens twee Carlini zetten (omtrent veertig
Ned. centen). Op onzen weg naar het loterijkantoor loopen wij
tegen een zwarten man aan; komen wij er nu, dan zeggen wij deftig:
"het Wichelboek." Men reikt het uit een kantoortje toe als eene
ernstige zaak. Wij zoeken op "zwarte man." Dit of dat nummer. "Geef
ons dit." Onder het loopen keken wij iemand op straat aan. "Geef ons
dat." Wij zagen naar de naam van de straat. "Geef ons dat." Nu hebben
wij onze drie nummers.
Viel het dak des schouwburgs San Carlo in, dan zouden er zulk eene
menigte personen zetten op de getallen, die in het Wichelboek voor
zulk eene gebeurtenis worden opgegeven, dat het gouvernement spoedig
die nummers afsluiten, en weigeren zou gevaar te loopen van er meer
op te verliezen. Dit gebeurt dikwijls. Bij gelegenheid, dat er,
kort geleden, brand was ontstaan in het paleis des konings, was er
zulk een razenden toeloop op brand en koning en paleis, dat er werd
verboden, verder te zetten op de nummers die door het Gouden Boek
bij die woorden waren opgegeven. Elk toeval, elke gebeurtenis wordt
door het domme grauw aangezien als eene met de loterij in verband
staande openbaring, voor dengeen die 't heeft aangezien of wien het
betreft. Er zijn menschen, die zeer gezocht zijn omdat zij de gaaf
bezitten van gelukkig te droomen; en er zijn eenige priesters die
aanhoudend worden begunstigd met visioenen van de gelukkige getallen.
Men heeft mij verhaald, dat er een paard op hol was gegaan, en den
man, die er op zat, aan den hoek van eene straat had afgeworpen,
die daarop onmiddellijk was gestorven. Een ander volgde het paard met
ongeloofelijke snelheid en liep zoo hard, dat hij onmiddellijk na het
voorval op de plaats aankwam. Hij wierp zich naast den ongelukkigen
ruiter op de knieën, greep diens hand met eene uitdrukking van de
meest woeste smart, en zeide: "Als er nog leven in u is, spreek dan
een enkel woord! Als ge nog kunt ademhalen, zeg me dan, om Gods wil,
uw ouderdom, om dat nummer te bezetten."
Het is vier uur in den namiddag en wij kunnen gaan en onze loterij zien
trekken. De plechtigheid heeft elken Zaterdag plaats aan de rechtbank
of in het Hof van Justitie, die zonderlinge kamer of galerij met een
aardreuk, en welke zoo muf als een kelder en zoo vochtig als een kerker
is. Aan het hooger eind is eene verhevene vlakte met eene groote,
hoefijzervormige tafel er op, om welke een president en raden zitten;
allen rechters. De man op het kleine stoeltje achter den president is
de Hoofd-lazzarone, een soort van Volkstribuun, voor hen aangesteld,
om toe te zien, dat alles behoorlijk in zijn werk gaat, en welke door
eenige weinige van zijne bijzondere vrienden wordt verzeld. Het is een
zwarte kerel in lompen gehuld, met lange haren, die gevlochten zijn
en over zijn aangezicht hangen, en die van top tot teen is bedekt
met de ontwijfelbaarste keur van vuil. Het geheele middelgedeelte
van het vertrek is vol van de heffe des Napolitaanschen volks; en
tusschen hen en de verhevene vlakte is een klein troepje soldaten,
die de daarheen leidende trappen bewaken.
Er heeft eenige vertraging plaats eer het vereischte aantal rechters
bijeen is; gedurende welke de bus, waarin de nummers geworpen moeten
worden, het voorwerp is van de hoogste belangstelling. Nadat de nummers
in de bus zijn, is de jongen, die er de nummers uittrekt, het meest
gewichtige gedeelte der verrichting. Hij is alreeds gekleed in een
engsluitenden rok van ongebleekt linnen, met slechts eene (de linker)
mouw er aan, waardoor zijn rechterarm tot aan den schouder ontbloot
en gereed is in de geheimzinnige bus neer te duiken.
Gedurende het sussen en fluisteren, dat door het vertrek gaat,
zijn aller oogen gevestigd op den jongen dienaar van het fortuin. De
menschen beginnen, ten behoeve der volgende loterij, naar zijn ouderdom
te vragen; en hoeveel broers en zusters hij heeft; en hoe oud zijn
vader en moeder zijn; en of hij ook eenige vlakjes of puisten in
het aangezicht heeft; en waar, en hoeveel. Op dat oogenblik geeft
de aankomst van den voorlaatsten rechter (een oud mannetje, dien
ze in het algemeen vreezen als een kwaad oog bezittende [42] eene
kleine afleiding, die grooter zou zijn als ze niet werd overwonnen
door een voorwerp van belangstelling--den dienstdoenden priester,
die statig naar zijne plaats treedt, gevolgd door een kleinen, zeer
smerigen knaap, die zijne ambtskleeding en een pot wijwater draagt.
Hier komt eindelijk de laatste rechter en neemt zijne plaats in aan
de hoefijzervormige tafel.
Er heerscht een rumoer van niet te stillen gejaagdheid. Te midden
er van steekt de priester zijn hoofd in de gewijde kleederen en
hangt ze over zijne schouders. Daarna doet hij een stil gebed; en
na een kwast in den wijwaterpot gedoopt te hebben, besprenkelt hij
er de bus en den jongen mee, en geeft ze eene dubbelloops zegening;
om welke te ontvangen, de bus en de jongen beiden op de tafel worden
getild. De jongen blijft op de tafel en de bus wordt nu langs de
voorzijde der verheven vlakte gedragen door een bediende, die ze
in de hoogte houdt en haar gedurende al dien tijd duchtig schudt;
als wilde hij met den goochelaar zeggen: "Er is geen bedrog bij,
heeren en dames; zie maar goed naar mij, als je blieft!"
Eindelijk werd de bus neergezet voor den jongen, en deze, zijn
ontblooten arm en geopende hand vooraf in de hoogte heffende, duikt in
het gat, (de bus is gemaakt op eene wijze, waarop soms de stembussen
zijn vervaardigd) en haalt er een nummer uit, dat als een bonbon
rondom iets hards is opgerold. Dit nummer geeft hij over aan den
dichtst bij hem zittenden rechter, die het een klein eindje afrolt
en het dan toereikt aan den president, naast wien hij is gezeten. De
voorzitter ontrolt het zeer langzaam. De Hoofd-lazzarone leunt over
zijn schouder. De voorzitter houdt het, ontrold, in de hoogte naar
den Hoofd-lazzarone. De Hoofd-lazzarone ziet er vol ergernis naar,
en roept op schellen, luiden toon uit: "Sessantadue!" (twee en
zestig), terwijl hij onder het uitroepen de twee met zijne vingers
aanduidt. Helaas! de Hoofd-lazzarone zelf heeft de twee en zestig niet
bezet. Zijn gezicht wordt heel lang en zijn oog rolt op woeste wijze.
Daar het toevallig een geliefkoosd getal is, wordt het tamelijk wel
opgenomen, iets wat niet altijd gebeurt. Zij worden alle met dezelfde
plechtigheid getrokken, buiten den zegen. Eéne zegening is genoeg voor
de geheele tafel van vermenigvuldiging. De eenige nieuw bijkomende
omstandigheid is: de gaandeweg sterker wordende verandering in den
Hoofd-lazzarone, die blijkbaar gespeculeerd heeft in eene mate,
als zijne middelen maar met eenige mogelijkheid toelieten; en die,
bij het zien van het laatste nummer, en ontwarende, dat het geen
van de zijnen is, de handen in elkander slaat, en, alvorens het uit
te roepen, zijne oogen naar de zoldering opheft, alsof hij in een
geheimen doodsangst zijn Schutsheilige verwijten deed, om zulk een
verraden van het vertrouwen, in hem gesteld. Ik hoop, dat de Capo
Lazzarone hem niet moge ontvlieden voor een ander lid van den Almanak,
waarmee hij schijnt te dreigen.
Waar de winners zich mogen versteken, weet niemand. Voorzeker zijn
ze hier niet aanwezig, daar de algemeene teleurstelling medelijden
inboezemt met het arme volk. Wij staan ter zijde om ze gade te slaan,
terwijl zij de plaats daar beneden overgaan, en wij bemerken, dat
ze er zoo ellendig uitzien als de gevangenen in den kerker (die een
gedeelte uitmaakt van het gebouw), en welke tusschen de staven op
hen neerzien; of als de brokstukken van menschenhoofden, die daar
buiten nog in ketens heen en weer slingeren, tot herinnering aan den
goeden ouden tijd, toen de eigenaars er van, tot 's volks stichting,
daar werden opgeknoopt.
Weg van Napels bij een glansrijken zonsopgang, langs den weg naar
Capua, en dan eene driedaagsche reis langs binnenwegen, opdat wij
onderweg het klooster Monte Cassino mogen zien, dat gelegen is op
den steilen en hoogen berg boven het stadje San Germano, en op een
nevelachtigen ochtend in de wolken verloren is.
Des te beter voor den doffen galm van zijne klok, die, terwijl wij op
muilezels den weg naar het klooster beklimmen, zich op geheimzinnige
wijze in de stille lucht laat hooren, terwijl men nochtans niets
ziet dan den grijzen mist, die zich plechtig en langzaam beweegt als
een lijkstoet. Eindelijk zien we het schaduwachtig gebouw vlak voor
ons--welks grijze muren en torens nauwelijks worden bemerkt, ofschoon
ze zóó dichtbij en zóó uitgestrekt zijn--en hoe de neveldampen sterk
door de galerijen rollen.
In de vierkante galerij, nabij de standbeelden van den Beschermheilige
en diens zuster, wandelen twee zwarte schaduwen op en neer, en achter
hen eene raaf, die de oude bogen in- en uithuppelt en de klok door zijn
krassen beantwoordt, en bij tusschenpoozen het zuiverste Toskaansch
snapt. Hoezeer gelijkt hij naar een Jezuïet. Daar was nooit een
slimme en gluipende gast zoo thuis als deze raaf, die nu eens staat
aan de deur van het eetvertrek, met het hoofd op eene zijde, en zich
den schijn geeft als gluurde hij naar de andere zijde, terwijl hij
de bezoekers scherp bekijkt en met gespannen aandacht luistert. Wat
wordt de portier, met hem vergeleken, een domkoppige monnik!
"Hij spreekt zoo goed als wij," zegt de portier, "en net zoo
duidelijk." Net zoo duidelijk, portier! Niets is er, dat meer
uitdrukking kan bevatten dan zijne ontvangst van de boeren, die met
korven en lasten de poort binnenkomen. Daar is iets rollends in zijn
oog, en iets klokkends in zijn strot, dat hem aanspraak kon doen maken
om tot superieur van eene ravenorde te worden gekozen. Hij weet er
alles van. "Alles in orde," zegt hij, "wij weten het wel. Komt maar
voort, goede menschen. 'k Ben blij dat 'k u zie!"
Hoe heeft zulk een buitengemeen gebouw ooit op zulk eene plaats kunnen
worden opgericht, waar het aanvoeren van steen, ijzer en marmer op zulk
eene hoogte een verbazenden arbeid moet hebben gekost. "Kou!" krast
de raaf, daar hij de boeren verwelkomt. Hoe is het, door plundering,
brand en aardbeving vernield, op zijne puinhoopen weer herrezen
en weer gemaakt tot datgene wat het nu is, met zijne kerk, die zoo
kostbaar en prachtig is. "Kou!" krast de raaf, daar hij de boeren
verwelkomt. Dit volk ziet er ellendig uit, en is (zooals gewoonlijk)
schrikkelijk onwetend, en allen bidden, onderwijl de monniken in de
kapel zingen. "Kou!" krast de raaf, "koekoek!"
Maar wij verlaten haar, en haar klokkend geluid en rollend oog,
aan de kloosterpoort, en dalen langzaam door de wolk af. Als wij
eindelijk door deze heen zijn, krijgen wij het dorp in het gezicht,
dat daar beneden in de verte ligt, en de vlakke groene streek, welke
met beekjes doorsneden is. Een aangenaam en frisch gezicht na de
duisternis en den nevel van het klooster--behoudens allen eerbied
voor de raaf en de heilige monniken.
Nog verder gaan wij, langs slijkerige wegen en door de meest berooide
en verstrooide dorpen, waar in al de huizen niet een enkel venster is,
of niet een enkel ongescheurd gewaad op het lichaam van een enkelen
boer, noch de minste zweem van iets eetbaars in een van de ellendige
winkeltjes. De vrouwen dragen een hoogrood korset, dat van achter
en van voren geregen is, met witte panden, en het Napolitaansche
hoofddeksel van vierkant gevouwen linnen, dat oorspronkelijk diende
om er vrachten op te dragen. De mannen en kinderen dragen alles
wat ze kunnen krijgen. De soldaten zijn zoo morsig en roofziek als
de honden. De logementen zijn zulke spookachtige plaatsen, dat ze
oneindig aantrekkelijker en prettiger zijn dan de beste hotels in
Parijs. Daar is er een bij Valmontone (de ronde bemuurde stad op den
tegenovergelegen berg), welke men bereikt door een moeras, waar men
bijna tot aan de knieën inzinkt. Beneden is er eene woeste zuilenrij
en eene donkere binnenplaats, bezet met ledige stallen en zolders,
en eene groote lange keuken, met eene groote lange bank en nog
eene andere zitplaats, waar een aantal reizigers, onder welke twee
priesters zijn, zich rondom het vuur dringen, terwijl hun avondmaal
wordt bereid. De trap op is er eene galerij van ruwe klinkers, om er in
te zitten, met zeer weinige ramen en zeer kleine ruitjes van bobbelig
glas er in, en al de deuren, die er op uitkomen (een paar dozijn),
gedeeltelijk beroofd van hengsels, en eene naakte plank op schragen,
die tot tafel dient, en waaraan met gemak dertig personen kunnen eten,
en een haard, op zich zelven groot genoeg voor een ontbijtkamertje,
waar de krakende en vlammende takkenbossen de leelijkste en grimmigste
tronies verlichten, welke door vroegere reizigers met houtskool
op de gewitte zijmuren van den schoorsteen zijn geteekend, Op de
tafel staat eene flikkerende lamp, als bij de boeren in gebruik; en
daaromheen zwevende, een gele vrouwelijke dwerg, die aanhoudend in
haar dik, zwart haar krabt, en welke op de teenen staat om de messen,
als hakmessen, in orde te schikken, en een vluchtigen blik te werpen
in de wijdbuikige waterkan. De bedden in de naastbij gelegen kamers
zijn van de levendigste soort. Er is geen enkel stuk van een spiegel
in het geheele huis, en wie de kookvaten in het oog krijgt, heeft
den waschtoestel gezien. Maar de gele dwerg zet eene goede flesch
uitmuntenden wijn, die ten minste een paar kan bevat, op tafel, en
discht, behalve een half dozijn andere gerechten, ook twee derden
van een kokend heet jong geitje op. Zij is ook bovendien zoo vroolijk
geluimd als ze morsig is, en dat is niet weinig.
En zoo drink ik uit de flesch wijn, die voor mij staat, op haar lang
leven en den voorspoed van het etablissement.
Rome bereikt en verlaten hebbende, en daarmee ook de pelgrims,
die nu naar hunne eigene woning terugkeeren--elk met zijne getande
schelp en staf, en aalmoezen vragende ter eere van God--kwamen we,
door eene fraaie landstreek, aan de watervallen van Terni, waar de
geheele rivier Velino van eene rotsachtige hoogte tusschen spattende
golven en regenbogen neerstort.
Perugia, eene door kunst en natuur zeer sterke vesting, gelegen
op eene groote hoogte, steil en plotseling oprijzende uit de
vlakte, waar purperen bergen met den blauwen hemel in het verschiet
ineensmelten, schittert op een marktdag met heldere kleuren. En deze
steken op wonderlijke wijze af tegen de sombere, maar rijke gothische
gebouwen. Het plaveisel der marktplaats is bezaaid met voortbrengselen
van het land. Langs den geheelen steilen heuvel, die zich, van de
stad af, onmiddellijk onder den stadsmuur uitstrekt, is er eene
luidruchtige verzameling van kalven, lammeren, varkens, paarden,
muilezels en runderen. Ganzen, kalkoenen en allerlei ander gevogelte
fladderen tot onder de hoeven van deze; en koopers, verkoopers en
toeschouwers, overal in hoopen bijeenstaande, versperren den weg,
daar wij al roepende op hen afkomen.
Plotseling maken onze paarden een klinkend geluid. De voerman doet
ze ophouden. Zich in den zadel achteroverwerpende, en zijn oogen ten
hemel slaande, slaakt hij den kreet: "O, almachtige Jupiter! een van
de paarden heeft een hoefijzer verloren!"