Daar is een galeislaaf in ketens, die een brief aan een vriend

moet schrijven. Hij nadert een man van een geletterd voorkomen,

die onder den boog van een hoek zit, en sluit zijn accoord. Hij

heeft verlof bekomen van den schildwacht, die hem bewaakt en welke

er dicht bij staat, terwijl hij tegen den muur leunt en noten

kraakt. De galeislaaf fluistert den briefschrijver in het oor wat

hij wil geschreven hebben; en daar hij geen schrift lezen kan,

ziet hij vorschend in zijn aangezicht, om daar te lezen of hij

wel getrouw neerschrijft wat hem is gezegd. Na eenigen tijd wordt

de galeislaaf spraakzaam--onsamenhangend.--De schrijver houdt een

oogenblik op en wrijft zijne kin. De galeislaaf spreekt vloeiend en met

nadruk. Eindelijk vat de schrijver het denkbeeld; en met het voorkomen

van een man, die weet op welke wijze hij het moest inkleeden, zet

hij het neer en houdt nu en dan op, om achterovergeleund, zijn tekst

bewonderend aan te zien. De galeislaaf zwijgt. De soldaat kraakt op

stoïsche wijze zijne noten. "Is er nog iets bij te voegen?" vraagt

de briefschrijver. "Niets meer." "Luister dan mijn vriend." Hij leest

het door. De galeislaaf staat geheel verrukt. De brief wordt gevouwen,

van een adres voorzien en aan hem ter hand gesteld, en hij betaalt het

loon. De schrijver gaat werkeloos in zijn stoel achteroverleunen en

neemt een boek ter hand. De galeislaaf neemt een ledigen zak op. De

schildwacht werpt eene handvol notedoppen weg, schoudert het geweer,

en ze gaan samen heen.

Waarom kloppen de bedelaars aanhoudend met de rechterhand op hunne kin,

als gij naar hen ziet? In Napels wordt alles in gebaren uitgedrukt,

en dit is het conventioneele teeken voor den honger. Een man, die

daar ginds met een ander twist, legt de palm zijner rechterhand

op de rugzijde van de linker, en beweegt de twee duimen heen

en weer--dat ezelsooren verbeeldt,--waardoor zijne tegenpartij

op het zeerst geprikkeld wordt. Twee menschen staan te handelen

over visch; de kooper ledigt bij het vernemen van den prijs, een

denkbeeldig vestzakje en gaat heen zonder een woord te spreken: hij

heeft daardoor den verkooper duidelijk te kennen gegeven, dat hij

dien te duur vindt. Van twee menschen, die, in rijtuigen gezeten,

elkander ontmoeten, raakt de een zijne lippen twee of driemaal aan,

steekt de vijf vingers zijner rechterhand in de hoogte en maakt met

de handpalm eene waterpasse beweging in de lucht. De ander knikt

plotseling en gaat zijns weegs. Hij is, tegen half zes, tot een

vriendenmaal uitgenoodigd geworden, en zal zeker komen.

In geheel Italië beteekent een eigenaardig schudden met de rechterhand,

van de pols af, terwijl men den wijsvinger uitgestrekt houdt, eene

ontkenning--de eenige ontkenning welke bedelaars altijd zullen

verstaan. Maar in Napels zijn de vijf vingers eene rijke spraak.

Dit alles, en ieder ander soort van uithuizig leven en woeligheid, en

het eten van maccaroni tegen den avond, en het verkoopen van bloemen

gedurende den geheelen dag, en het overal en op elk uur bedelen en

stelen, ziet ge op het schitterende strand, waar de golven van de

baai vroolijk glinsteren. Maar, najagers van het schilderachtige en

die er op verliefd zijt, laat ons niet al te opzettelijk uit het

oog verliezen, met hoeveel ellendige verdorvenheid, ontaarding en

rampzaligheid dat vroolijke Napolitaansche leven onafscheidelijk is

verbonden! Het is waarlijk niet goed, Sint Giles zoo terugstootend

en de Porta Capuana zoo aanlokkelijk te vinden. Een paar naakte

beenen en een versleten roode sluier maken niet al het onderscheid

tusschen hetgeen belangwekkend en hetgeen ruw en hatelijk is! Bij

alle schildering en dichterlijke voorstelling, welke gij steeds naar

behagen kunt geven van de schoonheden dezer schoonste en liefelijkste

plek der aarde, behooren wij, naar plicht, te beproeven, eene nieuwe

schilderachtigheid te verbinden met eenige flauwe huldiging van

's menschen bestemming en vermogens, en deze geloof ik, geven meer

grond tot hoop tusschen het ijs en sneeuw van de Noord-Pool dan in

de zon en de schittering van Napels.

Capri--eens hatelijk gemaakt door het vergode beest Tiberius,--Ischia,

Procida en de eindelooze schoonheden van het verschiet der baai

liggen daar ginds in de blauwe zee en veranderen in den mist en den

zonneschijn twintigmaal op ééne dag; nu eens dichtbij, dan eens veraf,

en dan weder buiten het gezicht! De schoonste streek der wereld ligt

voor ons uitgespreid. Hetzij wij ons keeren naar het Miseno-strand

van het waterige amphitheater, en van de Grot van den Pausilipo

naar de Grot del Cane (hondsgrot) en van daar naar Baiæ gaan, of

hetzij wij den anderen weg kiezen, naar den Vesuvius en Sorrento,

het is overal ééne opvolging van verrukkelijke gezichten. In de

laatstgenoemde richting, waar, boven de deuren en poorten, tallooze

beeldjes staan van San Gennaro (St. Januarius), met zijne Canut's

hand uitgestrekt, om de woede van den brandenden berg te beteugelen,

worden wij door een spoorweg gemakkelijk gebracht naar den zeeoever

voorbij de stad Torre del Greco, gebouwd op de asch van de oude stad,

door eene uitbarsting van den Vesuvius, eene eeuw geleden, vernield;

en voorbij de huizen met platte daken, graanpakhuizen en fabrieken

van Maccaroni; naar Castel-à-Mare met zijn in puinhoopen liggend

kasteel, en in zee op een hoop rotsen staande, thans door visschers

bewoond. Hier eindigt de spoorweg; maar van dat punt kunnen wij verder

rijden door eene onafgebroken opeenvolging van betooverende baaien

en schoone landschapstafereelen, afdalende van den hoogsten top van

St. Angelo, de hoogste berg in de nabijheid, naar den oever--tusschen

wijngaarden, olijfboomen, tuinen van Oranje- en citroenboomen,

boomgaarden, opeengestapelde rotsen, groene bergkloven--en langs de

grondvlakte van hoogten, die met sneeuw zijn bedekt, en door kleine

steden, met schoone, zwartharige vrouwen aan de deuren--en komen langs

keurige zomervilla's naar Sorrento, waar de dichter Tasso bezield

werd door de hem omringende natuurschoonheden. Bij het terugkeeren

kunnen wij van de hoogten, boven Castel-à-Mare, nederzien, en,

tusschen twijgen en bladeren, het kabbelende water zien glinsteren

in de zon, en de groepen witte huizen in Napels dat in het verschiet

ligt, in de groote uitgestrektheid van het perspectief wegkrimpende

tot de grootte van dobbelsteenen. De terugkeer naar de stad, weder

langs den oever, bij zonsondergang, met de gloeiende zee aan de eene

zijde, en den donkeren berg met zijn smook en vlammen aan de andere,

is een verheven besluit der glorie van den dag.

Die kerk daar bij de Porta Capuana--nabij de oude vischmarkt,

in de morsigste wijk van het morsige Napels, waar het oproer van

Masaniello begon--is gedenkwaardig, daar zij het tooneel is geweest

van eene zijner eerste proclamaties aan het volk, en is om niets

anders bijzonder opmerkelijk, of het moest wezen door haar wassen

Heilige, die met juweelen bedekt is, in eene glazen kist ligt en

twee linkerhanden heeft; of door het verbazend aantal bedelaars,

die daar aanhoudend op de kin kloppen, als ware het eene batterij

van castagnetten. De hoofdkerk met de schoone deur en de zuilen van

Afrikaansch en Egyptisch graniet, die eens den tempel van Apollo

versierden, bevat het beroemde heilige bloed van San Gennaro of

Januarius, dat bewaard wordt in twee fleschjes.[P2 punt weg?] in een

zilveren tabernakel, en driemaal 's jaars vloeibaar wordt, tot groote

bewondering van het volk. Op het eigen oogenblik wordt de steen,

waar de Heilige het martelaarschap onderging (en die eenige mijlen

ver ligt), bleekrood. Men zegt dat de dienstdoende priester soms

eveneens bleekrood wordt als die mirakelen gebeuren.

De zeer oude menschen, die aan den ingang dezer oude catacomben

in hutten wonen, en die, oud en gebrekkig als zij zijn, schijnen

af te wachten, dat zij zelven begraven worden, zijn leden van

eene zonderlinge vereeniging, het Koninklijk Hospitaal genoemd,

en zijn ambtshalve de bedienaars der begrafenissen. Twee van deze

oude spoken waggelen voort met brandende fakkels om de holen der

dooden te vertoonen--en dit op eene zoo zorgelooze wijze als waren

zij onsterfelijk. Deze holen waren reeds voor driehonderd jaren als

begraafplaatsen in gebruik, en in één gedeelte is een groote put

vol beenderen en schedels, waarvan men verhaalt, dat zij de treurige

overblijfsels zijn eener groote sterfte, door eene pest veroorzaakt. In

het overige is niets dan stof. Hoofdzakelijk bestaan ze uit groote,

ruime gangen en doolhoven, in de rots uitgehouwen. Aan het einde van

eenige dezer lange gangen ontmoet men eene onverwachte schittering

van het daglicht, dat van boven neerschijnt. Het ziet even akelig

als vreemd bij de fakkels en het stof en de donkere gewelven: als

ware ook dit dood en begraven.

De tegenwoordige begraafplaats ligt ginds op een heuvel tusschen

de stad en den Vesuvius. Het oude Campo Santo (kerkhof), met

zijne driehonderd vijf en zestig putten, wordt alleen gebruikt voor

dezulken, die in gasthuizen en gevangenissen sterven en niet door hunne

betrekkingen opgevraagd worden. Het bevallige nieuwe kerkhof, niet

ver daarvan gelegen, heeft, ofschoon het nog niet voltooid zij, reeds

menig graf tusschen heesters en bloemen en ranke zuilengangen. Men

zou met reden kunnen aanmerken, dat eenige dier graftombes wulpsch

en al te grillig zijn, maar de algemeene glans schijnt dit hier te

vergoelijken; en de berg Vesuvius, er van afgescheiden door eene

liefelijke strook gronds, maakt het tooneel verheven en treurig.

Wanneer het nu een plechtig tafereel oplevert dien te zien, van uit

deze nieuwe Stad der Dooden, met zijn donkeren rook, te midden van

den helderen hemel, hoeveel ontzaglijker en indrukwekkender is het

dan niet, dien te zien van de spookachtige puinhoopen van Herculaneum

en Pompeji.

Plaats u op het einde der groote markt van Pompeji, en zie door de

stille straten, door de tempels van Jupiter en Isis, die in puinhoopen

liggen;--over de vernielde huizen met hunne binnenste heiligdommen,

die voor den dag geopend zijn, naar den berg Vesuvius, die zich

schitterend en sneeuwachtig in het vreedzame verschiet vertoont,

en laat alle tijdsberekening ter zijde, en let op andere dingen in

de vreemde en droefgeestige gewaarwording, daar ge den Vernieler en

het Vernielde gezamenlijk dit vreedzame tafereel in den zonneschijn

ziet vormen. Zwerf dan voort en zie bij elke wending de kleine,

gewone teekens van menschelijke woningen en alledaagsche bezigheden;

de gleuf, door het emmertouw gemaakt in den steenen rand van den

uitgedroogden put; het spoor van de wielen der rijtuigen in het

plaveisel der straten, de indruksels van drinkvaten op het steenen

buffet van een wijnhuis; de Amphoræ (wijdbuikige flesschen) in kelders

van gewone huizen, voor zoovele eeuwen weggeborgen en tot op dit uur

nog niet van de plaats genomen--en door dit alles de eenzaamheid en

de doodsche verlatenheid dezer plaats tien duizend malen plechtiger

gemaakt dan als had de Vulkaan, in zijne woede, de geheele stad van

de aarde verdelgd en haar op den bodem der zee doen zinken.

Nadat zij geschud was door de aardbeving, die de uitbarsting

voorafging, werden arbeiders gebezigd, nieuwe versiersels in steen te

bewerken voor de tempels en andere gebouwen, die beschadigd waren. Hier

ligt hun arbeid buiten de stadspoort, als zouden ze morgen weder te

werk komen.

In den kelder van Diomedes' huis, waar zekere geraamten werden ontdekt,

die dicht bij de deur werden gevonden, en welke de indrukselen hunner

lichamen op de asch hadden achtergelaten, en, met de asch verhard,

daar afgestempeld en vastgehecht waren, nadat zij van binnen waren

weggekrompen tot nietige beenderen. Op dezelfde wijze drukte in

den schouwburg van Herculaneum een komiek masker, dat op den stroom

dreef, toen die heet en vloeibaar was, zijne gelaatsvormen daarin af,

terwijl hij verhardde en tot steen werd; en thans keert het denzelfden

phantastischen blik naar den vreemdeling, welken het voor twee duizend

jaren, in denzelfden schouwburg, naar de toeschouwers wendde.

Na het wonderlijke van de straten op en neer- en de huizen in en uit

te gaan, en de geheime vertrekken door te wandelen der tempels van

een godsdienst, die van de aarde is verdwenen, en na het vinden van

zoo menige versche sporen van lang vervlogen oudheid--als had de Tijd

na die verwoesting in zijne vaart opgehouden, en als hadden er sedert

niet langer dagen en nachten, en maanden en jaren en eeuwen bestaan--is

niets indrukwekkender en verschrikkelijker, dan de vele blijken van

den hoogst indringenden aard van de asch, die bewijzen geeft voor hare

onweerstaanbare macht, en de onmogelijkheid die te ontvlieden. In de

wijnkelders drong deze tot in aarden vaten: den wijn er uit drijvende,

en schudde ze tot aan den rand vol stof. In de graftombes verdrong

die de asch der lijken uit de lijkbussen, en deed ook daarin nieuwe

verdelging regenen. Mond, oogholten en schedel van al de geraamten

waren opgevuld met dien verschrikkelijken stofregen. In Herculaneum,

waar de vloed van een verschillenden en heviger aard was, stroomde

die er binnen als eene zee. Verbeeld u een watervloed op het hoogst

geklommen, in marmer verkeerd, en dan hebt ge, wat hier "de lava"

genoemd wordt.

Eenige werklieden hadden gegraven in den somberen put, op welks

rand wij nu staan, toen zij aan eenige van de steenen banken des

schouwburgs kwamen--die treden (want daarop gelijken zij) op den bodem

der uitgraving,--en de begraven stad Herculaneum hadden gevonden. Toen

wij er nu met brandende fakkels in neerdaalden, stonden wij verbaasd

over groote muren van eene monsterachtige dikte, die tusschen de

banken oprezen en het tooneel sloten; en, hunne vormelooze gedaanten

in ongeremde plaatsen dringende, het geheele plan in de war brachten

en het tot een ongeregelden droom maakten. Aanvankelijk konden

wij niet gelooven of ons dat DIT hier kwam binnenstroomen en de

stad voorstellen, verzwolg; en dat al wat er niet is als wezenlijke

steen, met de bijl is weggehakt geworden. Maar is dit aan het verstand

gebracht dan is het ijselijk, en het hartbeklemmende der aanwezigheid

er van, onbeschrijfelijk.

Vele van de schilderstukken op de van dak beroofde muren in

beide steden, of welke met zorg naar het museum te Napels waren

overgebracht, zijn nog zoo frisch en onbeschadigd als waren zij pas

gisteren geschilderd. Hier zijn stillevens, als mondbehoeften, dood

wild, flesschen, glazen enz., gemeenzame klassieke geschiedenissen,

of mythologische verhalen, alle duidelijk en eenvoudig voorgesteld;

omtrekken van twistende, spelende, of den een of anderen arbeid

verrichtende Cupido's; tooneelmatige repetities; dichters, die hunne

verzen aan hunne vrienden voorlezen; opschriften, gekrabbeld op de

muren, politieke aardigheden, ruwe teekeningen door schooljongens, en

ieder ander ding dat de oude steden in den geest van den verbaasden

bezoeker kan bevolken en herstellen. Ook ziet ge er huisraad van

alle soort--lampen, tafels, zetels, eet-, drink- en kookvaten,

gereedschappen van ambachtslieden, chirurgijns-instrumenten, kaartjes

voor den schouwburg, muntstukken, lijfversiersels, sleutelbossen,

welke men in de vuist vond geklemd van geraamten; helmen van wachters

en krijgslieden, kleine huisschellen, die nog muzikaal zijn met hare

oude huiselijke tonen.

Het geringste dezer voorwerpen draagt er toe bij, het belang van den

Vesuvius te verhoogen, en geeft dien een volslagen zwijmelbarende

werking. Reeds het zien uit elke dier in puinhoopen liggende steden

naar de omgelegen gronden, welke begroeid zijn met schoone wijngaarden

en welige boomgewassen, en zich te herinneren, dat huis op huis,

tempel op tempel, gebouw op gebouw en straat op straat nòg liggen

onder de wortels van al dien vreedzamen plantengroei en slechts er

op wachten, aan het daglicht te worden gebracht, is zóó verbazend,

zóó vol geheimenissen, boeit de verbeeldingskracht dusdanig, dat men

vooronderstelt dit op het hoogste toppunt te zien, en dat het voor

niets anders de vlag zou strijken.

Voor niets anders dan voor den Vesuvius; maar de berg is de genius

van het tafereel. Van elke aanwijzing der bouwvallen die hij heeft

vernield, zien wij opnieuw, met een alles verterend verlangen, naar de

plaats van waar zijn rook hemelwaarts stijgt. Hij is over ons, als wij

de bouwvallige straten betreden; boven ons, als wij op de in puinhoopen

gevallen muren staan: wij volgen dien langs iedere groep van gebroken

kolommen, als wij over de ledige binnenplaatsen der huizen zwerven,

en door de slingerpaden en tusschen de festoenen van elken weligen

wijngaard. Ons ginds naar Pæstum wendende, om de ontzaglijke gebouwen

te beschouwen, waarvan het jongste honderden jaren voor de geboorte

van Christus is opgericht en nog in eenzame majesteit overeind staat

op de woeste vlakte--slaan wij den Vesuvius gade, zooals hij uit den

gezichteinder verdwijnt, en staren bij onze terugkomst met hetzelfde

hevige verlangen weder naar hem, als de vloek en het noodlot van deze

geheele schoone landstreek, die zijn vreeselijken tijd afwacht.

Toen wij van Pæstum terugkwamen, was het op dezen vroegtijdigen

lentedag zeer warm in de zon, maar zeer koud in de schaduw; zelfs

zoo, dat, hoewel wij op eene aangename wijze, omstreeks den middag,

in de open lucht nabij de poort van Pompeji, ons twaalf-uurtje kunnen

gebruiken, het naburige riviertje ons van dik ijs voor onzen wijn

voorziet. Maar de zon schijnt helder: is er geen wolkje of zweem van

damp in den geheelen blauwen hemel, die zich boven de golf van Napels

uitstrekt; en hedenavond zal het volle maan zijn. Het komt er niet

op aan of sneeuw en ijs hoog op den top van den Vesuvius liggen,

of dat wij den geheelen dag te Pompeji op de been zijn geweest,

of dat snappers volhouden, dat vreemdelingen, in zulk een ongewoon

jaargetij, niet bij nacht op den berg moeten gaan. Laat ons van het

schoone weder gebruik maken; zoo ver mogelijk den weg naar Resina,

het kleine dorp aan den voet des bergs, opgaan; ons, zoo goed wij, in

een zoo korten tijd, kunnen, aan het huis van den gids voorbereiden;

op eens naar boven klimmen, om tegen zonsondergang ter halverwege te

zijn, het maanlicht op den top te genieten, en tegen middernacht weer

af te dalen.

Ten vier uur in den namiddag is er een vreeselijk oproer op het kleine

stalplein van Signor Salvatore, de erkende opperste der gidsen, met

een gouden band om zijne muts, en dertig man onder zijne bevelen, die

allen tegelijk rondloopen en schreeuwen, en een zestal gezadelde hitjes

voorbrengen, benevens drie draagstoelen, en eenige sterke stokken voor

de reis. Iedereen van de dertig kijft met de andere negen en twintig

en verschrikt de zes hitjes; en zooveel lieden van het dorp als zich

met mogelijkheid op het kleine stalplein kunnen saampakken, nemen

deel aan het rumoer, en worden op de teenen getrapt door de dieren.

Na vele hevige schermutselingen, en meer geraas dan genoeg ware voor

de bestorming van Napels, neemt de optocht een aanvang. De voornaamste

der gidsen, die voor al zijne onderhoorigen rijkelijk betaald is,

rijdt een weinig voor het gezelschap uit; de andere dertig gidsen

volgen te voet. Acht gaan voorop met de draagstoelen, die nu en dan

gebruikt zullen worden, en de overschietende twintig bidden.

Trapsgewijze klimmen wij eenigen tijd naar boven, langs lanen met

steenen bezaaid, en die naar ruwe, breede trappen gelijken. Ten laatste

verlaten wij deze, benevens de wijngaarden, die zich op beide zijden

bevinden, en komen in eene grauwe, barre streek, waar de lava verward

neerligt, in verschrikkelijke groote, roestkleurige hoopen, evenals

ware de aarde door verzengde donderslagen doorploegd geworden. En nu

houden wij stil om de zon te zien ondergaan.

De verandering, welke in deze akelige streek en over den geheelen

berg plaats grijpt, als het roode licht flauwer wordt en de nacht

invalt--en het onuitsprekelijk plechtige en akelige, dat er rondom

heerscht, kan iemand die er getuige van was, nimmer vergeten.

Het was donker, toen wij, na eenigen tijd over den oneffen grond

heen en weder gegaan te zijn, den voet van den kegel bereikten, die

bijzonder steil is, en bijna loodrecht schijnt op te rijzen van de

plaats waar wij afstijgen. Het eenige licht wordt teruggekaatst door

de diepe, harde en witte sneeuw, waarmede de kegel bedekt is. Het is

nu vinnig koud en de lucht is scherp. De een en dertig hebben geene

fakkels medegebracht, daar zij weten, dat de maan zal opgaan vóór wij

den top bereikt hebben. Twee van de draagstoelen zijn voor de beide

dames; de derde voor een vrij dik heer van Napels, wiens gastvrijheid

en goede luim hem aan den tocht deden deelnemen en 't besluit opvatten,

zijn bijstand te verleenen, om de eer van den berg op te houden. De

vrij dikke heer wordt door vijftien mannen gedragen; elke dame door

een zestal. Wij voetgangers maken goed gebruik van onze stokken,

en zoo begint het geheele gezelschap over de sneeuw naar boven te

scharrelen,--als zwoegden ze om den top van een antediluviaanschen

Driekoningen-koek te bereiken.

Het duurt lang eer wij boven zijn; en de opperste der gidsen kijkt

spotachtig rond, daar één van het gezelschap--geen Italiaan, hoewel

gedurende vele jaren een habitué van den berg, dien wij, voor het

tegenwoordige, Mr. Picke van Portici zullen noemen--de meening oppert,

dat, daar het hard vriest en de gewone laag asch met sneeuw en ijs

is bedekt, het zeer moeielijk zal wezen af te dalen.

Maar het gezicht van de draagstoelen er boven, heen en weder

schommelende en van de eene zijde naar de andere zwaaiende, daar de

dragers gewoonlijk uitglijden en struikelen, leidt onze aandacht af;

vooral daar de geheele lengte van den vrij dikken heer zich thans

aan ons, op eene verontrustende wijze, met zijn hoofd naar beneden,

in de verkorting voordoet.

Het opkomen der maan, dat spoedig daarna plaats grijpt, verlevendigt de

verslapte krachten van de dragers. Terwijl zij elkander aanprikkelen,

met hun gewoon wachtwoord: "Moed, vriend! Het is om maccaroni te

eten!" gaan zij kloekmoedig voorwaarts naar den top.

Wij waren in het donker opgeklommen, maar, nadat de maan den sneeuwtop

boven ons met eene streep van licht heeft gekleurd, en dit vervolgens

in een stroom, door de vallei onder ons loopende, heeft doen schijnen,

verlicht zij weldra de geheele witte zijde van den berg, en de ruime

zee ver onder ons, en het kleine Napels in het verschiet, en ieder dorp

in den omtrek. Het geheele uitzicht deed zich op die liefelijke wijze

voor, toen wij op de vlakte van den top des bergs aankwamen--de streek

van het vuur;--een uitgedoofde krater, gevormd door groote hoopen

reusachtige sintels, evenals stukken steen, die door een ontzaglijken

waterval zijn uitgeworpen. Uit elk van zijne spleten en holen stijgt

een heete, zwavelachtige damp op; terwijl van een anderen kegelvormigen

heuvel--de tegenwoordige krater--die aan het einde dezer vlakte steil

in de hoogte rijst, groote vuurtongen opstijgen; die, door de vlam,

den nacht een rooden gloed meedeelen, dien door den rook verduisteren

en met gloeiende steenen en sintels bespatten, welke als veeren in

de lucht vliegen en als lood nedervallen. Welke woorden zijn in staat

de somberheid en grootschheid van dit tooneel te beschrijven!

De oneffen grond; de rook; het gevoel van door den zwavel te stikken;

de vrees om door de scheuren te vallen in den gapenden afgrond;

het elk oogenblik ophouden om iemand, dien men in het donker mist

(want de dikke rook verduistert thans de maan); het onlijdelijke

gedruisch van de dertig personen; en het hol gerommel van den berg;

alles maakt het tevens tot een tooneel van zulk eene verwarring dat wij

er bij suizebollen. Maar daar wij de dames voortrekken, en langs een

anderen uitgebranden krater aan den voet van den tegenwoordigen gaan,

naderen wij dien aan de zijde welke boven den wind is, en zetten ons

aan den voet, tusschen de heete asch, en zien zwijgend naar boven;

nauwelijks eenig gewicht hechtende aan zijne inwendige werking, daar

zij thans ruim honderd voeten hooger plaats heeft dan dit voor zes

weken het geval was.

In het vuur en het gebrul is som wijlen iets, dat eene onweerstaanbare

begeerten voortbrengt om er nader bij te komen. Wij konden het

niet langer uithouden, zonder met ons tweeën, onder geleide van

den hoofdgids, op handen en voeten te kruipen naar den rand van den

vlammenden krater, en te beproeven er binnen te zien. Onderwijl gillen

alle dertig als uit één mond, dat het een gevaarlijk waagstuk is,

en roepen ons terug.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 46 / 48 段