Er was witte en roode wijn, en het maal zag er vrij wel uit. De

gerechten werden in porties opgedragen, voor iederen Apostel eene;

en deze werden door de kardinalen op hunne knieën aan den paus

aangeboden, die ze dan aan de dertien overreikte. De kwaadaardige

wijze, waarop Judas naar zijne spijzen keek en pruilde terwijl hij

zijn hoofd naar eene zijde hield, alsof hij geen eetlust had, tart

iedere beschrijving. Petrus was een goed, oud man, en ging, zooals

men gewoonlijk zegt, zitten om van alles te eten wat men hem gaf

(hij kreeg het beste, daar hij de eerste in de rij zat) en geen woord

met iemand te spreken. De gerechten schenen voornamelijk uit visch en

groenten te bestaan. De paus schonk de dertien ook wijn; en gedurende

den geheelen maaltijd las iemand iets overluid voor, uit een groot

boek--ik gis de Bijbel,--dat niemand kon hooren en waaraan niemand

eenige aandacht verleende. De kardinalen, en anderen uit het gevolg,

glimlachten van tijd tot tijd tegen elkander, als ware de zaak een

groote grap; en wanneer zij zóó dachten, bestaat er weinig twijfel

of zij hebben den spijker op den kop geslagen. Wat Zijne Heiligheid

had te verrichten, deed hij, zooals een gevoelvol man eene lastige

plechtigheid vervult, en scheen zeer blijde toen alles gedaan was.

Het Pelgrims avondmaal, waar heeren en dames, als een bewijs van

nederigheid, de pelgrims bedienden en hunne voeten afdroogden, nadat

ze eerst door anderen waren gewasschen, was zeer aanlokkelijk. Maar

onder de vele tooneelen eener gevaarlijke vervulling van uiterlijke

godsdienstoefeningen, die op zich zelve slechts ledige vormen zijn,

trof mij geene half zoo sterk als de Scala Santa of Heilige trap,

die ik verscheidene malen zag, maar tot haar grootst voor-, of nadeel,

op Goeden Vrijdag.

Deze heilige trap bestaat uit acht en twintig treden, van welke men

zegt, dat zij behoord zou hebben tot het huis van Pontius Pilatus,

en dezelfde te zijn waarop onze Zaligmaker trad, toen hij uit de

gerechtszaal kwam. Pelgrims bestegen die echter op hunne knieën. Zij

is steil en op haar top bevindt zich eene kapel, naar men zegt vol

relieken, waarin de pelgrims door ijzeren tralies gluren, en dan

weder naar beneden komen langs eene der beide zijtrappen die niet

heilig zijn en waarop men loopen mag.

Op Goeden Vrijdag waren er, matig berekend, honderd menschen, die

tegelijk deze trappen op hunne knieën opschoffelden; terwijl anderen,

die naar beneden waren gekomen--en eenige weinigen die beide hadden

gedaan en nu weder voor den tweeden keer naar boven gingen--beneden aan

den ingang vertoefden, waar een oud heer in een soort van wachthuisje

aanhoudend een blikken bos, met eene spleet aan de bovenzijde, schudde,

om hun te binnen te brengen, dat hij het geld ontving. De meerderheid

bestond uit landvolk mannen en vrouwen. Er waren echter ook vier of

vijf priesters-Jezuïeten en om en bij een half dozijn welgekleede

vrouwen. Eene geheele jongensschool, ten minste twintig, was omtrent

ter halverwege naar boven (zij hadden er blijkbaar veel pret in); zij

waren allen zeer dicht naast elkander gestopt; maar de overigen van

het gezelschap maakten voor de jongens, zooveel mogelijk, ruim baan,

daar zij eenige achteloosheid aan den dag legden in de behandeling

hunner laarzen.

In mijn geheele leven heb ik niets gezien, dat zoo belachelijk en

zoo onbehaaglijk tevens was als dit gezicht--bespottelijk door de

ongerijmde tusschentooneelen, die er onafscheidelijk mee verbonden

zijn, en onbehaaglijk door het onzinnige en de beteekenislooze

ontwaardiging. Om te beginnen, zijn er twee treden, en dan een

eenigszins breed vlak. De meer strenge klimmers legden deze vlakte,

evenals de trappen, op hun knieën af, en geene beschrijving is

in staat de gezichten af te schilderen, die zij trokken onder het

voortschoffelen over de vlakke ruimte. En dan had men moeten zien,

hoe zij aan den ingang hunne beurt afwachtten en invielen, waar een

plaatsje naast den muur open was! Of hoe één man met eene paraplu

(opzettelijk meegenomen, daar het fraai weder was) zich op onwettelijke

wijze van trede tot trede opheesch! En eene stemmige dame van omstreeks

vijf en vijftig jaren, elk oogenblik omziende, om zich te vergewissen

of hare beenen zich wel in behoorlijke ligging bevonden!

Ook was er een bijster gek verschil in den spoed der verschillende

menschen. Sommigen gingen voort als hadden zij eene weddenschap

aangegaan om het in den kortst mogelijken tijd te doen, anderen hielden

op, om op elke trede een gebed te verrichten. Die man raakte elke trede

met zijn voorhoofd aan en kuste ze; deze krabde zijn hoofd den geheelen

weg over. De jongens gingen kostelijk vooruit, en waren er op en af,

alvorens de oude dame een half dozijn treden achter den rug had. Maar

de meeste boetelingen kwamen er vlug en frisch af, als hebbende een

wezenlijk goede daad verricht, die tegen eene goede portie zonde zou

kunnen opwegen, en de oude heer in het wachthuisje was, dit verzeker

ik u, met zijne bos er bij, nu zij in zulk eene luim waren.

Alsof zoo iets van nature niet onvermijdelijk kluchtig genoeg ware,

lag er boven aan de treden een houten beeld op een kruis, rustende

op een grooten ijzeren schotel, die zoo zwak op de beenen was en

onvast stond, dat, als eenig met geestdrift bezield persoon het beeld

met meer dan gewone geestdrift kuste, of een muntstuk met meer dan

gewone vlugheid in den schotel wierp (want in dit opzicht diende zij

tot tweede of hulpbos), dan deed het al ratelend een grooten sprong

en stootte de daarbij geplaatste lamp bijna uit, hetwelk het volk

lageraf een grooten schrik op het lijf joeg, en hem, die er oorzaak

van was geweest, in onuitsprekelijke verlegenheid bracht.

Op Paaschzondag zoowel als op den voorafgaanden Donderdag geeft

de paus het volk den zegen van het balkon aan den voorgevel der

St.-Pieterskerk. De Paaschzondag was een zoo schitterende dag met zulk

een blauwen, wolkeloozen, balsemachtigen, wonderlijk helderen hemel,

dat al het voorafgegane slechte weder in een oogenblik uit het geheugen

werd gewischt. Ik had den Donderdags-zegen vochtig zien neervallen

op eenige honderden regenschermen; maar was er in de menigte van

Rome's fonteinen --hoe groot ze ook mogen zijn--toen niet een enkele

glinstering, op dien Zondagochtend stroomden er diamanten uit. De

mijlen lange weg van ellendige straten, door welke wij reden (gedwongen

als wij waren tot een bepaalden weg door de pauselijke dragonders,

die bij zulke gelegenheden de politie te Rome waarnemen), waren zoo

vol kleuren, dat niets er in een flauw aanzien kon hebben. Het gemeene

volk kwam in zijne sierlijkste kleeren voor den dag, de rijken in hunne

kostbaarste rijtuigen; kardinalen reden in hunne staatsie-rijtuigen

ratelend naar de kerk der Arme Visschers. Kale pracht maakte in de

zon eene weidsche vertooning met hare afgesleten livreien en dof

geworden driekanten hoeden; en elke koets te Rome was geprest voor

de piazza van de St.-Pieterskerk.

Er waren, minst genomen, honderdvijftig duizend personen. En toch

was er ruimte genoeg. Het is mij niet bekend hoeveel rijtuigen er

waren; maar er was voor deze ook ruimte en nog plaats over. De groote

trappen der kerk waren propvol. Op dat gedeelte van het plein waren

veel contadina (landlieden) van Albano (die veel behagen scheppen in

het rood), en de mengeling van schitterende kleuren in de menigte

was schoon. Onder aan de trappen waren de troepen geschaard. In

de prachtige evenredigheden van het plein zagen zij er uit als een

bed vol bloemen. Norsch uitziende Romeinen, levendige boeren uit de

nabij gelegen landstreek, groepen bedevaartgangers uit verwijderde

streken van Italië, vreemdelingen van alle natiën, die ongewone

tafereelen najagen, brachten in de heldere lucht een gegons voort,

als even zoovele insecten; en hoog boven hen allen uit, klaterend en

bobbelend en in het licht de kleuren van den regenboog vertoonende,

spoot het water der twee verrukkelijke fonteinen op, en viel weer

overvloedig neder.

Een soort van schitterend vloerkleed was over de voorzijde van het

balkon gehangen, en de zijden van het groote venster waren behangen

met karmozijnkleurige draperieën. Ook was er aan het boveneinde een

zeil gespannen, om den grijsaard te beschermen tegen de brandende

zonnestralen. Toen het tegen den middag liep waren aller oogen naar het

venster gekeerd. Ten behoorlijken tijde zag men den zetel naar voren

komen, en vlak er achter den reusachtigen waaier van pauwenveeren. De

man, die er op zat (het balkon was zeer hoog), stond toen overeind en

strekte zijne magere armen uit, terwijl al de mannelijke aanschouwers

op het plein zich ontdekten, en eenigen, geenszins het meerendeel,

neerknielden. De kanonnen op de wallen van het kasteel St. Angelo

verkondigden in het volgende oogenblik, dat de zegen was gegeven;

de trom werd geroerd; men stak de trompet; wapens kletterden; en de

groote menigte die beneden stond, welke zich plotseling in kleine

hoopjes verdeelde en zich hier en daar in gedeelten verstrooide,

werd bewogen als gedeeltelijk gekleurd zand.

Welk een schoone middag was het, toen wij wegreden. De Tiber was

niet meer geel, maar blauw. Er lag een gloed op de oude bruggen die

ze weer frisch en krachtvol maakte. Het Pantheon, met den statigen

voorgevel, vol rimpels en plooien als het gelaat eens grijsaards,

vertoonde zomerlicht op zijne verwoeste muren. Elke vuile en

vervallen hut in de Eeuwige Stad (getuige elk der barsche, oude

paleizen tegen de morsigheid en ellende van den plebeëschen nabuur,

dien het met den elleboog raakt, zoo zeker als de tijd de hand heeft

gelegd op zijn Pratricisch hoofd!) was verfrischt en vernieuwd door een

zonnestraal. Zelfs de gevangenis in de volgepropte straat, waar gewoel

was van rijtuigen en menschen, had iets van de dolle pret van den dag,

die door hare spleten en scheuren drong; en treurige gevangenen, die

hunne aangezichten niet konden brengen buiten de staven der getraliede

vensters, strekten hunne handen uit, en terwijl ze die tegen de

roestige spijlen klopten, draaiden zij ze naar de volle straat, als

ware het een vreugdevuur, waarvan zij op die wijze genot konden hebben.

Maar toen de nacht inviel, zonder een wolkje, dat de volle maan had

kunnen verduisteren, welk een gezicht leverde 't toen niet op, het

Groote Plein nog eens gevuld en de geheele kerk van het kruis tot

den grond verlicht te zien door ontelbare lantarens, die den omtrek

der architectuur voor oogen stelden en rondom den geheelen zuilengang

van het plein knipoogden en blonken! En wat was het niet een gevoel

van genoegen, vreugd en verrukking, toen de klok half acht sloeg--op

hetzelfde oogenblik,--één schitterend geheel van rood vuur prachtig

te zien zweven van den top des koepels naar het uiterste einde van het

kruis, en hoe het, op het oogenblik dat het naar zijne plaats sprong,

het sein werd der uitbarsting uit elk gedeelte der reusachtige kerk

van tallooze lichten, even groot en rood en flonkerend als het zelf

was, zoodat elke kornis, kapiteel en het kleinste steenen ornament

in vuur werd voorgesteld, en het zwarte, stevige grondwerk van den

verbazenden koepel doorschijnend scheen te worden als een eierdop!

Een spoor van buskruit, eene electrische keten, niets kan meer

plotseling en snel ontstoken worden dan die tweede verlichting; en

toen wij waren heengegaan en eene afgelegen hoogte hadden beklommen

en er twee uren later naar keken, toen stond ze er in den kalmen

avond nog te schitteren en te glinsteren als een juweel! Er ontbrak

geene lijn van hare evenredigheden, en er was geen hoek, die dof was,

niet het kleinste gedeelte van den glans, dat verloren ging.

Den volgenden avond--Paaschmaandag--werd er een groot vuurwerk

afgestoken op het kasteel St. Angelo. Wij huurden eene kamer in een

tegenoverliggend huis en begaven ons bijtijds naar onze plaatsen,

door eene dichte menigte volks, die het daarvoor gelegen plein en al

de toegangen, die er op uitkwamen, verstopt had, en de brug, welke

naar het kasteel leidt, zóó overlaadde, dat zij op dit punt scheen

in den snelvlietenden Tiber te zullen neerstorten. Op deze brug zijn

standbeelden (afschuwelijk gewerkt), en tusschen deze werden vaten

geplaatst, welke met brandend werk gevuld waren; deze beschenen op

zonderlinge wijze het gelaat der menigte en op niet minder vreemde

wijze de steenen beelden er boven.

Het vuurwerk begon met een verschrikkelijk kanonsalvo; en toen was

het geheele kasteel, gedurende twintig minuten of een half uur, eene

onafgebroken vuurkolom en een doolhof van vonkenspuwende raderen van

alle kleur, grootte en snelheid, terwijl raketten naar den hemel

opvlogen, niet bij een, of twee, of twintig, maar bij honderden

tegelijk. De laatste uitbarsting--de Girandola--was juist als sprong

het geheele stevige kasteel, zonder smook of stof, in de lucht.

Een half uur naderhand had de ontelbare menigte zich weer

verstrooid. De maan zag kalm neder op haar gerimpeld beeld in de

rivier, en een half dozijn mannen en jongens met brandende eindjes

kaars in de handen, die zich hier en daar bewogen en aan het zoeken

waren, of er ook in het gedrang iets van waarde mocht zijn op straat

gevallen, waren de eenigen die het tooneel leven bijzetten.

Na al dat vuurwerk en schitteren reden wij, om een contrast te

hebben, het oude vervallen Rome rond om afscheid van het Coliseum te

nemen. Ik had het te voren bij maanlicht gezien (ik kon geen dag laten

voorbijgaan zonder weer eens daarheen te gaan), maar de ontzaglijke

eenzaamheid in dien nacht gaat alle beschrijving te boven. De

spookachtige pilaren in het Forum; de triomfbogen der oude keizers;

die verbazende massa's puinhoopen, welke eens hunne paleizen waren;

de met gras begroeide hoopen, die het graf aanduiden van verwoeste

tempels; de steenen van de Via Sacra in oud Rome, door de voetstappen

geëffend; zelfs deze waren, in hunne uitstekende droefgeestigheid,

verduisterd door den somberen geest van zijne bloedige feesten, die

daar overeind en grimmig stond, en zich op het oude tooneel ophield;

beroofd door plunderende pausen en vechtende vorsten, maar niet geheel

verdelgd; woeste handen van onkruid en gras en struiken wringende; en

tegen den nacht weeklagende in elke bres en gebroken boog--de schaduw

van zijn eigen ontzagwekkend beeld, dat geheel onbeweeglijk was.

Toen wij ons den volgenden dag, op onzen tocht naar Florence, op

het gras der Campagna hadden neergelegd en de leeuweriken hoorden

zingen, zagen wij, dat er een klein houten kruis was opgericht ter

plaatse waar de arme, ter bedevaart gaande gravin vermoord werd. Wij

stapelden eenige losse steenen op elkander, als een begin van een

steenhoop ter harer nagedachtenis, en twijfelden er aan of wij er

wel ooit weer zouden rusten en naar Rome terugblikken.

EEN VLUCHTIG DIORAMA.

Wij gaan naar Napels! En aan gindsche poort, die van San Giovanni

Laterano, treden wij over den dorpel der Eeuwige Stad, waar de

twee laatste voorwerpen, die de aandacht van een afreizend bezoeker

trekken, en de twee eerste voorwerpen, welke de opmerkzaamheid van

een aankomende opwekken, eene trotsche kerk en eene vervallende ruïne

zijn--juiste zinnebeelden van Rome.

Onze weg gaat door de Campagna, welke er plechtstatiger uitziet

in eene schitterend blauwe lucht, als thans, dan wanneer het niet

zoo helder is, omdat dan de groote uitgebreidheid van het verval

duidelijker voor het oog is, en de zon, die door de bogen van de

gebroken waterleidingen schijnt, andere gebroken bogen vertoont,

die er in droefgeestigen afstand doorheen schijnen. Toen wij ze

achter ons hadden en van Albano terugzagen, lag de donkere golvende

oppervlakte onder ons als een stilstaand meer of als eene breede,

doffe Lethe-stroom, die rondom de wallen van Rome vloeide en het van

de geheele wereld scheidde. Hoe dikwijls zijn niet de legioenen in

zegetocht glinsterend, die purperen woestenij, thans zoo zwijgend en

onbevolkt, doorgetrokken! Hoe vaak had de sleep gevangenen niet met

benepen hart naar de stad in het verschiet gezien, en opgemerkt, hoe

de bevolking er uit stroomde om den terugkeer van den overwinnaar toe

te juichen! Wat al losbandigheid, zinnelijkheid en moord hebben niet

als dol rondgezwierd in de uitgestrekte paleizen, die thans tot hoopen

steens en verstrooid marmer zijn geworden! Wat vuurglans, en joelen

van volksrumoer, en weeklachten van pest en hongersnood zijn niet

komen aanhollen over het woeste veld, waar thans niets wordt gehoord

dan de wind en waar de eenzame hagedissen ongehinderd in de zon spelen!

De reeks wijnkarren, die naar Rome trokken, en welke ieder bestuurd

werden door een ruigharigen boer, die onder een verdek van schapevel,

van vorm als die der heidens, achteroverleunde, is ons nu voorbij,

en we trekken naar eene hoogere landstreek, waar boomen zijn. De

volgende dag brengt ons aan de Pontijnsche Moerassen, die eentonig,

vlak en eenzaam zijn, begroeid met rijshout en hier en daar onder water

liggen, maar tusschen welke een schoone weg is aangelegd, overschaduwd

door eene zeer lange laan. Hier en daar komen we een eenzaam wachthuis

voorbij; hier en daar eene verlaten en dichtgemetselde hut. Eenige

herders drentelen aan de oevers der rivier, die langs den weg stroomt,

en soms komt eene platboomde boot, door een man voortgetrokken,

langzaam er naast varen. Eene enkele keer komt er een ruiter voorbij,

die een lang geweer dwars voor hem op den zadel heeft, en door moedige

honden wordt gevolgd; maar anders is er niets dat zich verroert behalve

de wind en de schaduwen, tot we in het gezicht van Terracina komen.

Hoe blauw en schitterend is daar de zee, welke onder de ramen

rolt der herberg, die zoo berucht is in roovergeschiedenissen! Hoe

schilderachtig zijn de groote, steile rotsen en rotsstukken, die over

den engen weg hangen, dien wij morgen langs moeten, waar galeislaven

in de daarboven gelegen groeven arbeiden, en de schildwachten,

die hen bewaken, slenteren aan den zeeoever! Elken nacht hoort men

het bruisen der zee onder het stargewelf, en des ochtends, juist

bij het aanbreken van den dag, ontdekt men het verschiet, dat zich

plotseling, als door een wonderwerk, ver uitstrekt, veraf, achter

die zee daar!--Napels met zijne eilanden en den Vesuvius, die vuur

uitbraakt. Binnen een kwartieruurs is het geheel verdwenen, als ware

het een droombeeld in de wolken, en er is niets meer dan zee en lucht.

Toen wij na eene reis van twee uren de Napelschen grenzen waren

overgegaan, en de hongerigste van alle soldaten en ambtenaren bij de

in- en uitgaande rechten met moeite hadden tevreden gesteld, kwamen

we door een gang of portaal zonder poort in de eerste Napolitaansche

stad--Fondi. Herinner u Fondi wel, in den naam van al wat ellendig

of bedelachtig is.

Een morsig kanaal van slijk en afval slingert door het midden der

ellendige straat en wordt gevoed door aanstootelijke stroompjes, die

uit de onaanzienlijke huizen sijpelen. In geheel Fondi is geen deur,

of raam, of luik, of dak, of muur, of stijl, of pilaar, die niet

vervallen en zwak, of aan 't rotten is. De rampzalige geschiedenis

der stad, met al hare belegeringen en plunderingen door Barbarossa

en de overigen, kunnen het vorige jaar hebben plaats gehad, als men

oordeelt naar het voorkomen der stad. Hoe de uitgeteerde honden,

die langs de ellendige straten sluipen, nog in het leven en niet door

het volk verslonden zijn, is een van de raadsels der wereld.

Het is eene bevolking met ingevallen kaken en zure tronies! Allen

zijn zij bedelaars; maar dat is niets. Zie ze eens als zij

bijeenkomen. Eenigen zijn te vadsig om de trap af te komen, of

wantrouwen, wellicht op verstandige wijze, zich op de treden te wagen;

zij steken dus hunne dorre handen maar uit bovenvensters en janken;

anderen komen in zwermen rondom ons heen, en slaan en stooten elkander,

en vragen aanhoudend aalmoezen om Gods wil, aalmoezen in den naam der

Gezegende Maagd, aalmoezen in den naam van alle Heiligen. Een troep

ellendige kinderen, bijna naakt, hetzelfde verzoek uitschreeuwende,

begint, na ontdekt te hebben dat zij zich kunnen spiegelen in

het vernis van het rijtuig, te dansen en gezichten te trekken, om

het genoegen te hebben hunne snaaksche gezichten in dien spiegel

herhaald te zien. Een kreupele zinnelooze, die bezig is een van

hen te slaan, welke zijne luidruchtige aanvrage om eene aalmoes

verdooft, ziet zijne nijdige tegenpartij in het rijtuigpaneel,

blijft staan, en na zijne tong uitgestoken te hebben, begint hij

zijn hoofd te schudden en te snateren. De schelle schreeuw, die

hierbij opgaat, wekt een half dozijn woeste schepsels in smerige,

bruine mantels, welke op de kerktrappen liggen en potten en pannen

te koop hebben. Deze krabbelen overeind, komen nader, en bedelen

zonder ophouden. "Ik heb honger! Geef mij iets. Luister naar mij,

Signor. Ik heb honger!" Daarop ziet men eene akelige oude vrouw,

vol vrees er te laat te zullen zijn, de straat komen afstrompelen,

en terwijl zij den geheelen weg langs zich met de eene hand krabt,

strekt zij de andere uit, en schreeuwt, reeds lang voor men haar

kan hooren: "Eene aalmoes, eene aalmoes! Ik zal dadelijk voor u gaan

bidden, schoone dame, als ge mij eene aalmoes geeft!" Eindelijk komen

de leden eener broederschap ter begraving van dooden voorbij. Zij

zijn op afschuwelijke wijze vermomd en gekleed in havelooze zwarte

kleeren, die wit op de naden zijn en bezet met de spatten van eenige

modderige winters; zij worden verzeld door een morsigen priester en

een kruisdrager. Door dien bonten samenloop omgeven, trekken wij uit

Fondi, gedurende welken tijd, uit de duisternis van elke vervallen

hut, nijdige, schitterende oogen op ons neerzien als glinsterende

fragmenten van zijne morsigheid en zijn verderf.

Een edele bergpas, met de bouwvallen van een fort op eene steile

hoogte, bij overlevering het fort van Fra Diavolo genaamd; de oude

stad Itri, als een dessertstuk van banket, bijna loodrecht op een

heuvel gebouwd en dat men door eene hooge trap bereikt; schoon Mola

di Gaëta, welke wijnen, evenals die van Albano, sedert de dagen van

Horatius ontaard zijn, tenzij hij een slechten smaak van wijn had,

dat niet denkbaar is ten opzichte van iemand, welke dien zoo wel

wist te genieten en zoo goed te prijzen; den volgenden avond op den

weg naar Sint Agatha; daarna een rustdag te Capua, dat schilderachtig

maar niet zoo verleidelijk is voor den reiziger als de Praetoriaansche

soldaten van Rome de oude stad van dien naam gewoon waren te vinden;

een vlakke weg tusschen wijngaarden, die van boom tot boom in festoenen

waren gevormd; en eindelijk, zeer nabij, de berg Vesuvius!--zijn kegel

en top wit van sneeuw; en, in den zwaren dampkring van den dag, de

rook er omheen hangende als eene dikke wolk. Zoo reden wij ratelend

den berg af en Napels binnen.

Daar komt een begrafenisstoet de straat af en naar ons toe. Het

lijk ligt in eene open doodkist, wordt gedragen op een soort van

palankijn en is bedekt met een zwierig kleed van karmozijn en goud. De

rouwdragenden hebben witte kleederen en maskers. Indien er de dood

thuis is, zoo schijnt er toch ook het leven goed vertegenwoordigd te

worden; want geheel Napels schijnt buitenshuis te zijn en in rijtuigen

heen en weer te rennen. Eenige van deze, de gewone rijtuigen der

Vetturino's, worden getrokken door drie paarden naast elkander, bedekt

met vlugge strikken en een grooten overvloed van koperen versiersels,

en die altijd zeer snel loopen. Met dat hunne vrachten onbeduidend

zijn, want het kleinste dezer rijtuigen heeft ten minste zes personen

binnenin, vier aan de voorzijde, die naast elkander zitten, nog vier

of vijf, die er achter aan hangen, en nog twee of drie in een net

of zak onder den boom, waar zij half verstikt worden door slijk en

stof. Jan Klaassen-vertooners, komieke zangers met guitaren, opzeggers

van koddige dichtstukken, verhalers van vertelsels, eene reeks van

goedkoope vertooningen met hansworsten en uitleggers, trommen en

trompetten, geschilderde zeilen, die de er binnen vertoonde wonderen

voorstellen, en de aangapende menigte, die er, onder het gewoel en

geraas, buiten vergaderd staat. Lazzaroni, in lompen gehuld, die in

deuren, poorten en kotten liggen te slapen; de gegoede stand, zwierig

gekleed, in rijtuigen gezeten, zwaaien de Chiaja op en neer of wandelen

in de openbare tuinen; en stemmige briefschrijvers, op de openbare

straat achter hunne lessenaartjes en inktkokers, onder het Portico

van den grooten schouwburg van San Carlo gezeten, wachten op klanten.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 45 / 48 段