In enkele paleizen zijn de schilderijen in het gunstigste licht

geplaatst. Er zijn zelden zooveel op ééne plaats, dat er de aandacht

door afgetrokken of het gezicht beneveld wordt. Gij ziet ze zeer op uw

gemak, en wordt zelden door veel menschen gestoord. Er zijn tallooze

portretten van Titiaan, Rembrand en Van Dijk; hoofden van Guido,

Domenichino en Carlo Dolci, verschillende onderwerpen van Correggio,

Murillo, Raphaël, Salvator Rosa en Spagnoletto. Vele van deze zouden

inderdaad moeielijk te hoog, of genoeg geprezen kunnen worden;

zoo teer en bevallig, zoo vol edele zielsverheffing, zuiverheid en

schoonheid zijn ze.

Het afbeeldsel van Beatrice di Cenci, in het paleis Berberini, is

eene schilderij die bijna onmogelijk is te vergeten. Van onder de

uitmuntende zachtheid en schoonheid van het gelaat schijnt er iets uit,

dat mij bezielt.

Ik zie het nu nog, zooals ik dit papier of mijne pen zie. Het hoofd

is los in wit linnen gehuld, terwijl het blonde haar onder de plooien

uitkomt. Zij heeft zich plotseling naar u toegedraaid; en er flikkert

eene uitdrukking in hare oogen--hoewel zij zeer teer en liefelijk

zijn--alsof zij zich tegen de woestheid van een plotselingen schrik of

verstrooiing verzette en op hetzelfde oogenblik de zege had behaald;

en er niets dan eene hemelsche hoop, eene edele smart en eene eenzame,

aardsche hulpeloosheid overbleef.

Eenige overleveringen verhalen, dat Guido het geschilderd heeft in

den nacht vóór de voltrekking der doodstraf; eenige anderen beweren,

dat hij haar portret uit het geheugen schilderde, nadat hij haar

op weg naar het schavot gezien had. Ik wil gaarne gelooven, dat

zij, juist als gij haar op zijn doek geschilderd ziet, het hoofd,

bij het eerste gezicht van de bijl, te midden van het gedrang naar

hem wendde, en in zijn geest een blik drukte, dien hij den mijnen

heeft wedergegeven, als had ik te midden der menigte aan zijne zijde

gestaan. Het paleis der schuldige Cenci, dat eene geheele wijk der

stad bederft, zooals het daar staat en bij stukken in puin valt,

bezat in mijne verbeelding diezelfde uitdrukking, welke in zijne

akelige poort en in zijne donkere, dicht gemuurde vensters lag, en

zijne doodsche trappen op en neder zweefde, en uit de duisternis

van zijne spookachtige galerijen groeide. De geschiedenis staat,

door de hand der natuur zelve geschreven op het gelaat van het

stervende meisje, in de schilderij te lezen. En o! wat jaagt zij,

door die enkele toets, de zwakke wereld op de vlucht (in plaats van

zich met haar te vermaagschappen), die voorwendt, dat zij, krachtens

armzalige, te voren afgesproken bedriegerijen, met haar verbonden is.

Ik zag in het Palazzo Spada het standbeeld van Pompejus; het

standbeeld, aan welks voet Cesar viel. Een ernstig, ontzaglijk

beeld. Ik verbeeldde mij er een dat uitvoeriger was, van de hoogste

verfijning: vol keurige toetsen; en zich minder duidelijk voordoende,

in de benevelde oogen van iemand, wiens bloed juist er voor wegvloeide,

zich vormde tot zulk eene strenge majesteit als dit beeld bezat,

toen de dood zijn opwaarts gewend gelaat kwam bekruipen.

De uitstapjes in de nabuurschap van Rome zijn betooverend en

zouden hoogst belangrijk zijn, al ware het maar door de veranderende

gezichten, die zij van de woeste Campagna opleveren. Maar iedere duim

gronds en elke richting is belangrijk door historische gebeurtenissen

en natuurlijke schoonheden. Daar ligt Albano, met het liefelijke

meer, en den met bosschen bedekten oever, en met zijne wijngaarden,

die zekerlijk sedert de dagen van Horatius niet verbeterd zijn en

thans ternauwernood zijne lofrede rechtvaardigen. Daar ligt het

vuile Tivoli, met de rivier Anio, die hier haar loop verandert en

van eene hoogte van tachtig voeten naar beneden stort. Met zijn

schilderachtigen tempel der Sibylle, boven op eene rotspunt: met

zijne kleine watervallen, die in de zon schitteren en flikkeren; en

een groot hol, dat u somber aangaapt, waar de rivier een vreeselijken

sprong neemt en naar beneden, onder sombere rotsen, voortschiet. Daar

is ook de Villa d'Este, verlaten en vervallen, te midden van boschjes

van droefgeestig uitziende pijn-en cipresseboomen, waar het lusthuis

in staatsie schijnt te liggen. Vervolgens is er Frascati, en op de

steilte er boven zijn de bouwvallen van Tusculum, waar Cicero leefde,

en schreef, en zijn geliefkoosd huis versierde (eenige brokstukken

er van kunnen thans nog daar gezien worden), en waar Cato werd

geboren. Wij zagen het in puinhoopen liggende amphitheater op een

grauwachtigen naren dag, toen de schrale Maartsche wind woei en de

verspreide steenen der oude stad om den eenzamen heuvel verspreid

lagen, even verwoest als de asch van een reeds lang uitgedoofd vuur.

Op zekeren dag wandelden wij met ons drieën naar Albano, veertien

mijlen er vandaan; vurig verlangend er heen te gaan langs den ouden

Appiaanschen Weg, sedert lang vervallen en met gras begroeid. Wij

vertrokken ten halfacht uur in het open veld (Campagna). Gedurende

twaalf mijlen gingen wij klimmende voort, over eene onafgebroken reeks

heuveltjes en hoopjes steenen. Graftomben en tempels, die omvergeworpen

en voorovergevallen waren; kleine brokstukken van kolommen, friezen

en voetstukken; groote blokken graniet en marmer; in puin stortende

bogen, met gras begroeid en vervallen; bouwvallen genoeg om er eene

groote stad van te bouwen, lagen rondom ons verspreid. Somtijds zagen

wij losstaande muren van deze brokstukken door de schaapherders

op den weg opgericht; somtijds werden wij verhinderd onzen koers

te volgen, door een dijk tusschen twee hoopen van gebroken steenen;

somtijds bemoeielijkten de brokstukken zelve, die van onder onze voeten

voortrolden, ons het voortkomen; maar het waren altijd bouwvallen. Nu

eens volgden wij het spoor van een stuk van den oude weg, boven den

grond, dan weder door gras bedekt, alsof dat zijn graf ware; maar de

geheele weg bestond uit bouwvallen. In de verte richtten vervallen

waterleidingen hare reuzenschreden door de velden; en iedere windvlaag,

die naar ons toekwam, bracht, gelijktijdig, vroeg ontloken bloemen en

grassoorten, op mijlenlange hoopen puin, in beweging. De ongeziene

leeuweriken boven ons, die alleen deze akelige stilte verstoorden,

hadden hunne nesten tusschen puinhoopen; en de trotsche herders,

in schapevellen gekleed, die nu en dan uit hunne slaapholen zuur

naar ons zagen, huisden te midden der puinhoopen. Het gezicht van de

verwoeste Campagna aan een zijde, waar zij het vlakst was, bracht mij

eene Amerikaansche prairie in het geheugen; maar wat is de eenzaamheid

van eene streek, waar nooit menschen gewoond hebben, vergeleken bij

die eener woestenij, waar een machtig geslacht de indruksels zijner

voetstappen heeft achtergelaten op de aarde van waar het verdwenen is;

waar de rustplaatsen hunner dooden, evenals hunne dooden zelven, in

puin gevallen zijn, en waar het gebroken uurglas van den tijd slechts

een hoop nietig stof is! Toen wij langs dien weg tegen zonsondergang

terugkeerden, en uit de verte naar den weg zagen, dien wij in den

ochtend waren gegaan, had ik bijna een gevoel (evenals zag ik haar

op dit uur voor het eerst) alsof de zon nimmer weder zou opgaan,

maar dat zij dien avond voor de laatste maal hare stralen schoot op

een in puin gevallen wereld.

Naar Rome bij maanlicht terug te keeren is zulk een dag naar behooren

te eindigen. De nauwe straten zonder voetpaden, en waar in iederen

donkeren hoek hoopen vuilnis en mest gestopt zijn, vertoonen eene zoo

sterke tegenstelling, in hare nauwe ruimten en in hare morsigheid

en duisternis, met het ruime plein voor eenige trotsche kerk, op

welks midden een obelisk, met hieroglyphen bedekt, ten tijde der

keizers uit Egypte aangevoerd, vreemd rondziet op het zonderlinge

tafereel er rondom, of soms een oude pilaar, waarvan het vereerde

beeld is omvergeworpen, en die een Christenheilige onderschraagt:

Marcus-Aurelius, die plaats maakte voor Paulus, en Trajanus voor

St. Petrus. Vervolgens zijn er de groote gebouwen, opgericht van

den roof uit het Coliseum, die de stralen der maan, evenals bergen,

onderscheppen; terwijl zij hier en daar vrijelijk door gebroken

bogen en gescheurde wallen schijnt, evenals het leven uit eene wond

ontvliedt. De kleine stad van ellendige huizen, door muren omringd,

en gesloten door poorten met hekken voorzien, is de wijk, waarin de

Joden elken avond worden opgesloten zoodra de klok acht uur slaat--eene

ellendige plaats, dicht bevolkt en met onaangename uitwasemingen

gevuld, maar waar het volk ijverig is en geld verdient. Wanneer gij

over dag door de nauwe straten gaat, ziet gij ze allen aan het werk:

op het voetpad, nog vaker dan in hunne donkere en smerige winkels;

oude kleederen opknappende en handel drijvende.

Toen wij uit deze dikke duisternis in het heldere licht der maan

kwamen, zagen wij de fontein van Trevi, die een honderdtal stralen

opspoot, over nagebootste rotsen rolde, en zich voor oog en oor

zilverachtig voordeed. In den kleinen, nauwen doorgang der straat

achter eene hut, met flikkerende lampen en boomtakken versiert,

bemerkt men eene groep somberziende Romeinen, gezeten om hunne koperen

ketels met heete soep en gestoofde bloemkool, mooten gebakken visch

en flesschen wijn. Wanneer gij den scherp vooruitstekenden hoek om

zijt, hoort gij een zwaarmoedig geraas. De voerman houdt plotseling

op en neemt zijn hoed af, op het zien van een wagen, die langzaam

voortrijdt, voorafgegaan door een man, die een groot kruis draagt, door

een fakkeldrager en een priester, die al zingende voortschrijdt. Het

is de lijkwagen met de lichamen der armen, om ze in het kerkhof,

buiten de muren, te begraven, waar men ze in eene soort van put werpt,

welke dezen avond met een steen zal bedekt worden en gedurende een

jaar gesloten blijven.

Maar hetzij ge op uw tocht langs de obelisken, kolommen, oude tempels,

schouwburgen, huizen, portieken of forums gaat, het is vreemd te

zien, hoe ieder brokstuk, zoo vaak 't mogelijk was, in eenig ander

nieuw gebouw is gemengd geworden en geschikt gemaakt om tot eenig

nieuw doel te dienen--een muur, een woonhuis, eene korenschuur, een

stal--een gebruik, waarvoor het nimmer bestemd was, en waarmede het

allerellendigst overeenstemt, wanneer het er mede verbonden is. Het is

nog vreemder te zien, hoeveel puinhoopen der oude fabelleer, hoeveel

brokken van verouderde legenden en eeredienst hier vermengd zijn met

den dienst der christelijke altaren: en hoe rijk in vele opzichten

het ware en valsche geloof in eene monsterachtige vereeniging zijn

saamgesmolten.

Van eene zijde der stad, van waar men het uitzicht heeft over de

wallen, vormt eene gedrukte ingedrongene piramide (de begraafplaats van

Cajus Cestius) een ondoorschijnenden driehoek in het maanlicht. Maar

voor een Engelsch reiziger dient zij ook om het graf aan te duiden

van Shelley, wiens asch hier in de nabijheid in een klein tuintje

rust. Nog dichter bij, bijna door haar overschaduwd, ligt het gebeente

van Keats [41], wiens naam, "op het water is geschreven," dat op een

kalmen Italiaanschen avond schitterend in het landschap glinstert.

Men vooronderstelt, dat de Heilige Week in Rome voor alle bezoekers

zeer aanlokkelijk is; maar behalve hetgeen er is te zien op

Paaschzondag, zou ik diegenen, welke naar Rome gaan, in hun eigen

belang aanraden op dien tijd er vandaan te blijven. De plechtigheden

zijn over het algemeen van de vervelendste en lastigste soort;

de hitte en de volksmenigte bij elke van deze drukt u op pijnlijke

wijze; het geraas, het gewoel onder de verwarring maken u geheel

verstrooid. Wij hielden op, deze vertooningen na te jagen, toen ze

nog pas in den aanvang waren, en zochten weer onze toevlucht bij

de puinhoopen. Maar wij mengden ons in het gewoel, om ons deel te

hebben van het voornaamste dat er te zien was; en wat wij zagen,

wil ik u beschrijven.

Des Woensdags zagen wij weinig in de Sixtijnsche Kapel; want toen

wij er aankwamen had de menigte, die ze belegerde, haar tot de deur

toe gevuld en stroomde tot in de naast bijgelegene halle, waar de

menschen worstelden en elkander verdrukten en wederkeerig uitscholden,

en telkens, als er eene bezwijmde dame uitgedragen werd, grooten oploop

maakten, alsof ten minste vijftig menschen hare ledige standplaats

konden innemen.

In het portaal der kapel hing eene dikke gordijn, en aan die gordijn

waren een twintigtal lieden, welke er het dichtst bij stonden en

verlangden het Miserere te hooren zingen, voortdurend, elk van zijne

zijde, bezig haar heen en weder te trekken, opdat zij niet naar beneden

zou vallen en den klank der stemmen dooven. Het gevolg er van was,

dat zij de grootste verwarring veroorzaakte en zich als eene slang

om de onbedachtzamen scheen te winden. Dan eens werd eene dame er

in gehuld en kon er niet uit los komen. Dan weder werd de stem van

een halfgesmoorden heer er van binnen uit gehoord, die verzocht dat

men hem er uit zou laten. Nu eens worstelden er, evenals in een zak,

twee ineengestrengelde armen, zonder dat iemand kon zeggen aan welk

geslacht die behoorden. Dan weder werd ze met een oploop geheel binnen

de kapel gevoerd, evenals een uitgespreid zeil. Nu kwam zij den anderen

weg uit, en sloeg in de oogen van een der Zwitsersche garde van den

paus, die juist op dat oogenblik was aangekomen om orde te houden.

Daar wij er niet ver vandaan zaten, tusschen twee of drie heeren uit

het gevolg van den paus, die zeer verdrietig waren en de minuten

telden--zooals misschien Zijne Heiligheid ook deed,--hadden wij

beter gelegenheid om dit zonderlinge vermaak te beschouwen dan om het

Miserere te hooren. Somtijds hoorden wij eene verheffing van klagende

stemmen die zeer roerend en treurig klonken en wegstierven in eene

reeks van diepe tonen; maar dit was ook alles wat wij hoorden.

Op een anderen tijd werden de relieken in de St.-Pieterskerk tusschen

zes en zeven uur des avonds ten toon gesteld, en dit was treffend,

daar de hoofdkerk duister en somber, en er veel volk in was.

De plaats naar welke de relieken, een voor een, gebracht werden door

drie priesters, was een hoog balkon nabij het hoofdaltaar. Dit was

het eenigste gedeelte in de kerk, dat verlicht was. Daar branden

altijd honderd en twaalf lampen bij het altaar, en behalve dat,

twee groote waskaarsen bij het zwarte beeld van Sint Pieter, maar

dit beteekent niets in zulk een groot gebouw. De somberheid, en over

het algemeen het wenden van de aangezichten naar het balkon, en het

nedervallen der ware geloovigen op de steenen, wanneer schitterende

voorwerpen, evenals schilderijen of spiegels, opgebracht en ten toon

gesteld worden, deed eene goede uitwerking; in weerwil van de zeer

ongerijmde wijze, waarop zij ter algemeene stichting werden opgeheven,

en de groote hoogte, van waar zij vertoond werden, die men eerder

berekend zou achten om de zalving te verminderen, welke uit eene

volle overtuiging van hunne echtheid moet ontspringen.

Des Donderdags gingen wij den paus zien, die het sacrament uit de

Sixtijnsche Kapel overbracht, om het in de Capelle Paolina, eene

andere kapel in het Vatikaan, te plaatsen;--eene plechtigheid, die ten

zinnebeeld verstrekt van de begraving van den Zaligmaker vóór zijne

opstanding. Wij wachtten gedurende een uur in de groote galerij, met

eene groote menigte volks (waarvan drie vierden Engelschen waren),

terwijl zij weder het Miserere in de Sixtijnsche Kapel zongen. De

beide kapellen kwamen op de galerij uit, en de algemeene aandacht

bepaalde zich op het nu en dan openen en sluiten der deur van de

ééne, naar welke de paus zich ten laatste begeven zou. Geene dezer

ontsluitingen vertoonde iets verbazenders dan een man op eene ladder,

die eene groote hoeveelheid kaarsen aanstak; maar bij elke nieuwe

opensluiting was er een verschrikkelijke oploop naar de ladder en

naar dien man, welke, naar 't mij voorkomt, iets weghad van een

charge der Engelsche zware ruiterij te Waterloo. De man viel echter

niet naar beneden, en ook niet de ladder, die aanleiding gaf tot de

vreemdsoortigste potsen van de wereld onder de menigte,--te midden

van welke zij door den man heengedrongen werd, toen al de kaarsen

opgestoken waren, en eindelijk op eene zeer wanordelijke wijze tegen

den muur van de galerij werd opgehangen, even voordat de opening

der andere kapel en het begin van een nieuw gezang de nadering van

Zijne Heiligheid verkondigde. Bij deze crisis schaarden de soldaten

der garde, die de menigte in alle soorten van vormen geduwd hadden,

zich langs de galerij; en de processie naderde, tusschen de twee door

hen gevormde rijen.

Daar waren eenige koorzangers en eene groote menigte priesters, die

twee aan twee wandelden en die (ten minste de priesters, die er goed

uitzagen) hunne brandende kaarsen zoodanig droegen, dat het licht

eene goede uitwerking op hunne gelaatstrekken deed; want de kamer

was donker. Zij, die er niet goed uitzagen, of geene lange baarden

hadden, droegen hunne kaarsen zooals het uitkwam en gaven zich over

aan geestelijke bespiegelingen. Ondertusschen was het gezang zeer

eentonig en akelig. De processie trok langzaam voort naar de kapel,

en het gegons der stemmen duurde nog voort en kwam nader, totdat

de paus zelf verscheen, gaande onder een wit satijnen verhemelte

en met beide handen het overdekte sacrament dragende; kardinalen en

kanunniken, in menigte om hem geschaard, maakten eene schitterende

vertooning. De soldaten der garde knielden, toen hij voorbijging; al

de toeschouwers bogen; en zoo ging hij in de kapel. Het wit satijnen

verhemelte werd aan de deur van hem afgenomen, en in plaats daarvan

eene wit satijnen parasol over zijn arm, oud hoofd gedragen. Nog

eenige weinige paren vormden de achterhoede en gingen ook in de

kapel. Toen werd de deur der kapel gesloten en alles was gedaan;

en iedereen snelde hals over kop weg, als gold het leven of dood,

om iets anders te zien, en te zeggen, dat het de moeite niet waard was.

Ik geloof, dat het meest door het volk geliefde tafereel, en waarbij

ook de grootste menigte menschen tegenwoordig waren (behalve dat van

Paaschzondag en Maandag, voor alle klassen van het volk toegankelijk),

was, toen de paus de voeten wiesch van dertien mannen, die de twaalf

Apostelen en Judas Iscariot moesten voorstellen. De plaats, waar

deze godvruchtige dienst verricht wordt, is eene der kapellen van

de St.-Pieterskerk, die voor deze gelegenheid was opgesierd; alle

dertien zaten op ééne rij, op eene zeer hooge bank, en zagen er uit

als waren zij in het geheel niet op hun gemak, daar de oogen van,

de hemel weet hoeveel, Engelschen, Franschen, Amerikanen, Zwitsers,

Duitschers, Russen, Zweden, Noormannen en andere vreemdelingen,

gedurende al dien tijd, onafgewend naar hunne gezichten staarden. Zij

zijn in het wit gekleed, en tot hoofddeksel hebben zij eene stijve,

witte muts, evenals eene groote Engelsche bierkan zonder handvat. Elk

heeft een ruiker, zoo groot als eene kleine bloemkool, in de hand;

en twee er van droegen bij deze gelegenheid brillen; die toen ik

mij de karakters herinnerde, welke zij moesten vervullen, naar het

mij voorkwam een grappig toevoegsel bij de kleeding waren. Men had

het karakter nauwkeurig in aanmerking genomen. Sint Johannes werd

voorgesteld door een jong mensch van een innemend voorkomen. Sint

Petrus door een ernstig, oud man, met een krullenden, bruinen baard;

en Judas Iscariot door zulk een verschrikkelijken huichelaar (ik kon

evenwel niet bespeuren of de uitdrukking op zijn gelaat wezenlijk

of kunstmatig was), dat indien hij, de rol van den persoon geheel

vervullende, ware weggeloopen en zich had opgehangen, alles volmaakt

zou zijn geweest.

Daar de beide groote loges, voor de dames bestemd, bij dit schouwspel

eivol waren, en er volstrekt geene kans was ze nabij te komen, snelden

wij met eene groote menigte mede, om bijtijds aan de tafel te komen,

waar de paus in persoon deze dertien bedient. Na eene vreeselijke

worsteling aan de trap van het Vatikaan, en verschillende persoonlijke

botsingen met de Zwitsersche garde, stormde de gansche menigte in

de kamer. Het was eene lange galerij, met witte en roode draperieën

behangen, met eene andere groote loge voor dames, (die verplicht zijn

zich voor deze plechtigheden in het zwart te kleeden en zwarte sluiers

te dragen), en eene koninklijke loge voor den koning van Napels en

zijn gezelschap. De tafel, gedekt als voor een bal-souper, en die

versierd was met gouden beeldjes van de wezenlijke Apostelen, stond

op eene verhevenheid aan eene zijde van de galerij. De nagebootste

messen en vorken der Apostelen waren aan de zijde van de tafel gelegd,

die het dichtst bij den muur was, zoodat men ze zonder verhindering

kon beschouwen.

Het midden der kamer was vol vreemde heeren, die op verbazende

wijze opeengehoopt waren. De hitte was zeer drukkend en het gedrang

somtijds verschrikkelijk. Het was op het hoogst, toen het volk van de

voetwassching kwam binnenstormen, en toen was er zulk een geschreeuw

en getier, dat een gedeelte der Piemonteesche dragonders de Zwitsersche

garde kwamen verlossen en helpen om het oproer te doen bedaren.

De dames waren bijzonder woest in hare worsteling om plaatsen. Eene

dame van mijne kennis werd in de dames-loge door eene gespierde matrone

om de middel gepakt en uit hare plaats getrokken; en eene andere dame

(op de achterste bank in dezelfde loge) maakte zich plaats, door de

dames, die voor haar zaten, met eene groote speld te prikken.

De heeren, die om mij stonden, waren bijzonder nieuwsgierig om te

zien wat op de tafel stond; en een Engelschman scheen met de geheele

zielskracht van zijn aard het besluit genomen te hebben om te ontdekken

of er eenige mosterd was. "Bij Jupiter! daar is azijn!" hoorde ik hem

tot zijn vriend zeggen, nadat hij een onnoemelijken tijd op de teenen

had gestaan en van alle kanten gedrukt en gestooten was geworden. "En

er is olie! Ik zag ze duidelijk, in fleschjes! Kan eenig heer, die

daar vooraan staat, ook mosterd op de tafel zien? Mijnheer, ge zult

me verplichten! Ziet gij ook een mosterdpot?"

De Apostelen en Judas, die zich lang hadden doen wachten, verschenen nu

op de verhevenheid en werden voor de tafel, op ééne rij geschaard, met

Petrus voorop; en het gezelschap kon ze vrij langen tijd aanstaren,

terwijl twaalf er van eens duchtig aan hunne ruikers roken, en

Judas--die zijne lippen zeer duidelijk bewoog--een inwendig gebed

scheen te doen. Vervolgens verscheen de paus, in een scharlaken kleed,

en op zijn hoofd een wit satijnen kapje dragende, te midden van een

stoet kardinalen en andere dignitarissen (grootwaardigheid-bekleeders),

en nam een klein gouden lampet, waaruit hij een weinig water over een

van Petrus' handen stortte, terwijl iemand van het gevolg eene gouden

kom; een tweede een fijnen handdoek; een derde Petrus' ruiker hield,

welke hem gedurende de plechtigheid afgenomen werd. Dit volbracht Zijne

Heiligheid met aanmerkelijke vlugheid, aan iederen man in de rij (ik

bemerkte, dat Judas bijzonder verlegen was met deze inschikkelijkheid),

en toen begonnen alle dertien te dineeren. Het gebed werd door den

paus voorgedragen. Petrus was voorzitter.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 44 / 48 段